Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1636

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
200.343.710
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 7:758 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontbinding aannemingsovereenkomst wegens wanprestatie en opschorting betalingsverplichting

In deze zaak staat een geschil centraal tussen een aannemer en opdrachtgever over de uitvoering en betaling van werkzaamheden aan een woonhuis. De aannemer vorderde betaling en ontbinding van de overeenkomst, terwijl de opdrachtgever stelde dat de aannemer tekortgeschoten was in de uitvoering en daarom de betaling mocht opschorten.

De kantonrechter oordeelde dat de aannemer tekortgeschoten was en de overeenkomst ontbonden mocht worden. Het hof bevestigt dit oordeel. Een deskundigenrapport toonde aan dat de werkzaamheden, met name aan het dak en andere onderdelen, gebreken vertoonden die niet acceptabel zijn voor professioneel vakmanschap. De aannemer kon deze bevindingen onvoldoende weerleggen.

De opdrachtgever had de betalingsverplichting terecht opgeschort vanwege de gebreken. De aannemer had de overeenkomst niet rechtsgeldig kunnen ontbinden en is in verzuim geraakt. Het hof bekrachtigt de afwijzing van de betalingsvordering en de ontbinding van de overeenkomst. Tevens veroordeelt het hof de aannemer tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontbinding van de aannemingsovereenkomst wegens wanprestatie en bevestigt dat de opdrachtgever terecht zijn betalingsverplichting heeft opgeschort.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.343.710
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn: 10530652
arrest van 17 maart 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. L.J. Krijgsman
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. B.J.H.L. Brouwer

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 28 januari 2025 heeft op 17 maart 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal).
1.2.
Na de mondelinge behandeling heeft [appellant] een memorie van grieven genomen. Hoewel door het hof daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [geïntimeerde] geen memorie van antwoord ingediend. [geïntimeerde] heeft vervolgens de gelegenheid gekregen om in een akte te reageren op de bij memorie van grieven overlegde producties 14 tot en met 19 en op wat daarover in die memorie is aangevoerd. [geïntimeerde] heeft deze akte genomen, waarna een antwoordakte van [appellant] is gevolgd.
1.3.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op heden.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] heeft als aannemer werkzaamheden aan de woning van [geïntimeerde] verricht. Partijen verschillen van mening over de deugdelijkheid en de betaling van deze werkzaamheden.
de vorderingen in eerste aanleg
2.2.
[appellant] heeft bij de kantonrechter veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd tot betaling van € 21.271,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 april 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening en heeft daarnaast ontbinding van de overeenkomst gevorderd. [geïntimeerde] heeft een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld, inhoudende dat als in conventie wordt beslist dat aan de zijde van [appellant] sprake is van wanprestatie, voor recht wordt verklaard dat [appellant] in de uitvoering van de overeenkomst is tekortgeschoten en aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade van [geïntimeerde] , op te maken bij staat.
2.3.
De kantonrechter heeft de overeenkomst per datum van het vonnis ontbonden en de overige vorderingen van [appellant] afgewezen. Daarnaast heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat [appellant] is tekortgeschoten in de uitvoering van de overeenkomst en aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade van [geïntimeerde] en [appellant] veroordeeld tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat.
het oordeel van het hof
2.4.
Het hof zal oordelen dat de grieven (bezwaren) van [appellant] tegen het vonnis niet slagen en zal daarom het oordeel van de kantonrechter bekrachtigen. Het hof licht zijn oordeel hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

de vaststaande feiten
3.1.
Tussen partijen is in de zomer van 2022 een aannemingsovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [appellant] de woning van [geïntimeerde] zou verbouwen.
3.2.
Op 23 november 2022 hebben partijen bij de woning met elkaar gesproken. Daar hebben zij mondeling een aantal afspraken gemaakt, die in een e-mail van 24 november 2022 van [appellant] zijn vastgelegd:
‘Zoals gisteren (de opgemaakte lijst) besproken ter plekke, zullen we, zoals het nu lijkt aanstaande maandag starten [medewerker1] (welke er gisteren bij was), pakt dit op!
(…)
Betreffende de openstaande facturen zoals overleg zou er nu € 20.000,- overgemaakt worden.
De resterende openstaande bedragen (€ 25.687,09) graag als volgt:
1/3 deel na afwerking binnenzijde woning vlg. de lijst
1/3 deel na afwerking dakbedekkingswerkzaamheden en uitlopen
1/3 deel na gereed genoemde lijst (die van gisteren)
De kosten van huur (gehuurde machine's) zullen wel gewoon doorlopen, en door gefactureerd worden
(…)
3.3.
[geïntimeerde] heeft [appellant] op 25 november 2022 hierop in een e-mailbericht geantwoord: ‘
bedankt voor het fijne gesprek. hieronder de lijst met de genomen actie, wil je dit even doornemen en indien akkoord dit laten weten via de mail, ik maak geld dan vandaag over.’
3.4.
Op diezelfde dag bericht [appellant] via e-mail aan [geïntimeerde] : ‘
De lijst is akkoord en zoals je weet zijn er op jouw verzoek enkele werkzaamheden uit het overzicht gehaald die dus na gereed geactiveerd en doorbelast kunnen worden. We zien je betaling tegemoet, voor nu staat [medewerker1] voor a.s. maandag gepland.’
3.5.
Partijen hebben nadien toch weer discussie over het werk gekregen. In een e-mail
van 10 februari 2023 schrijft (de dochter van) [appellant] hierover het volgende:
‘(…) Mijn collega en ik waren maandag 6 februari jl. in Nijmegen om de laatste aspecten van de verbouwing van het woonhuis (...) qua afspraken over de oplevering in goede banen te leiden. (...)
[appellant] zond u vanaf het begin wekelijks een aanpassing van de begroting, zodat alle werkzaamheden e.d. wekelijks werden "gesaldeerd" en de heer [geïntimeerde] wekelijks op de hoogte werd gebracht over afgehandelde en nog uit te voeren werkzaamheden. (…) Medio november 2022 was er blijkbaar de noodzaak voor de heer [geïntimeerde] om midden in de verbouwingswerkzaamheden naar de woning te verhuizen. [appellant] was op dat moment dus ongeveer 9 weken aan het werk. De heer [geïntimeerde] complimenteerde [appellant] bij meerdere gelegenheden en dat gold ook voor de voortgang van het werk. Wij waren derhalve uiterst verrast toen de heer [geïntimeerde] direct nadat hij naar Nijmegen was verhuist - v.a. 13 november 2022 - een geheel andere toon aansloeg. [appellant] heeft ook vanaf dat moment geen kans voorbij laten gaan om haar verantwoordelijkheden voorrang te geven op het ingeslopen gekissebis (een ander woord kan ik er zo snel niet voor bedenken). Ook in de week na 13 november 2022 zijn de werkzaamheden gewoon doorgegaan. (…)
De nogal grote woorden over de zeldzaam slechte bouw, moet ik dus echt voor rekening van u beiden laten. Het is onjuist dat er slecht werd gewerkt of opgeleverd. We spreken hier over een paar punten, die in het geheel genomen als gewoonlijk en aanvaardbaar wegvallen. Ik ben blij dat we het einde nu naderen. Ik schreef- zoals u zag afgelopen maandag - met alle nog uit te voeren opleveringswerkzaamheden mee en dat leidt thans tot de volgende actualisering van wat nog moet worden afgehandeld. De onderstaande gesaldeerde opleveringslijst is derhalve nu het punt van afspraak. (...)
De slotafspraken luiden als volgt:
Onderstaande geactualiseerde opleveringslijst wordt door de heer [bouwbegeleider] gecontroleerd en voor akkoord ondertekend;
De werkzaamheden worden, in verband met de wensen van de heer [geïntimeerde] en diens
afwezigheid komende week, vanaf week 8 - in aanmerking nemende het vorenstaande - hervat en werkende weg afgehandeld;
3.
Alle - dagelijkse (!) - werkzaamheden worden direct voor “afgehandeld en akkoord" door de heer [geïntimeerde] afgetekend totdat de laatste werkzaamheden zijn afgehandeld;
4.
Ondergetekende zal de onderstaande lijst alsdan ook iedere keer actualiseren en naar de heer [bouwbegeleider] sturen;
5.
Tot slot maar niet in de laatste plaats neem ik hieronder nog een geactualiseerd overzicht van openstaande facturen op en actualiseer ik de voort te zetten betalingsafspraak d.d. 24 november 2022 te 14:14 uur.
Openstaand op 10 februari 2023 (...) € 20. 146,63 inclusief BTW (en met verdiscontering van de creditfacturen 20235024 ad. € 2.420,00 incl. BTW en 20224845 ad. € 11.411,43 incl. BTW.) Gelet op de huidige positie verwacht ik dat de heer [geïntimeerde] in week 8, maar uiterlijk op 24 februari 2023, 50% van het openstaande bedrag betaalt. Bij einde werkzaamheden betaalt de heer [geïntimeerde] binnen 1 week het restant. (...).’
3.6.
Nadat [geïntimeerde] hiermee niet akkoord ging, zijn partijen in een patstelling beland,
waarbij [appellant] het werk heeft stilgelegd en [geïntimeerde] iedere verdere betaling heeft
geweigerd.
3.7.
Bij brief van 11 april 2023 heeft de gemachtigde van [appellant] [geïntimeerde] gesommeerd om uiterlijk op 17 april 2023 de openstaande facturen te betalen. Voor het geval [geïntimeerde] niet betaalt, ontbindt [appellant] de tussen partijen gesloten overeenkomst.
3.8.
Op 21 juni 2023 heeft een deskundige van [bouwkundig bureau] (hierna: de deskundige) de woning in opdracht van [geïntimeerde] geïnspecteerd. [appellant] is niet bij de inspectie aanwezig geweest. Onder het kopje ‘Dossieronderzoek’ in de rapportage is door de deskundige het volgende opgemerkt: ‘
Omdat voor dossieronderzoek professionele contractstukken welke tot een gedegen opdracht en uitvoering kunnen leiden ontbreken, kan er geen spiegeling gemaakt worden tussen de eindkwaliteit en de concrete afspraken over de te verrichten inspanning of de te leveren prestatie.
De beoordeling in dit rapport is gebaseerd op wat redelijkerwijs het verwachte eindresultaat mag zijn van bouwkundige en daaraan gelieerde werkzaamheden in het algemeen.’
Onder het kopje ‘Dakbedekking en afschot’ is in de rapportage vermeld:
‘Of het nu het aanbrengen van een totaal niet (geïsoleerd) dakpakket of het na isoleren
en overlagen betreft. Er is onvoldoende rekening gehouden met het creëren van het
noodzakelijke afschot. Daken liggen vol met plassen. Het is de vraag of op sommige plaatsen de dakbedekking wel goed vast zit.
Op sommige delen zijn bovenmatig en onnodig veel stukjes dakbedekking gebruikt. Aanhelingen en hoeken zitten niet goed vast.
Afvoeren zitten te hoog. Loodaansluitingen zijn niet hersteld of er is niet goed aangesloten.
Daklicht staat niet op afschot.
Allemaal onnodige kans op lekkages en toenemend vervroegde degradatie.’
Onder ‘voorlopige conclusie’ heeft de deskundige het volgende opgenomen:
‘Op veel duidelijk zichtbare locaties zijn onvolkomenheden waargenomen. Gebreken kunnen
incidenteel voorkomen. Echter is de frequentie, de structurele aard en de variëteit bij dit project buitenproportioneel bovenmatig.
Hoewel het er voor een leek het er op het eerste gezicht en op afstand er wellicht acceptabel kan uit zien, valt het waargenomen aantal en het soort van gebreken absoluut niet binnen de grenzen van wat acceptabel is. Daarnaast is het werk op het merendeel van de onderdelen niet gereed te noemen.
Tijdens de inspectie is sterk de indruk ontstaan dat voor het merendeel van de werkzaamheden onvoldoende gekwalificeerd personeel is ingezet. Dit wordt met name ingegeven doordat het in hoofdzaak montage- en productiegebreken betreft. In de volksmond zou gesproken mogen worden van grootschalig knoeiwerk. Bij een professioneel bouwkundige springen bij dit project figuurlijk gesproken de tranen in de ogen. Dit om 2 redenen: De eerste: Dat er bedrijven bestaan die dit soort van werk als vakmanschap durven te verkopen. De tweede: De oplossingen die bedacht zijn wekken soms op de professionele lachspieren. In bijvoorbeeld de basisopleiding timmeren, schilderen en glaszetten (Niveau 1 t/m 3) wordt afhankelijk van het niveau ruimschoots aandacht besteed aan werkmethoden, montage, aansluitingen, materiaalgebruik, bevestiging, afwerking en afdichting. Hier ligt de basis van het leveren van een goed eindresultaat. Van dit soort vakmanschap en inzicht is weinig zichtbaar bij dit project. Vandaar dat deze opmerking is toegevoegd.
Er bestaat sterk de indruk dat er door de aannemer sterk bespaard is op gekwalificeerd personeel. Inkoop van gevelkozijnen en andere materialen via de kwaliteit geborgde leveranciers en producenten. Daarnaast is er bezuinigd door veel restanten op te maken en bepaalde noodzakelijke materialen en detailleringen te vervangen door zelf geknutselde oneigenlijke oplossingen (die niet werken). (…)
Er wordt geen hersteladvies gegeven. (...) De waarde van het geleverde wordt door de grote
hoeveelheid afwijkingen genivelleerd tot het niveau van de materiaalwaarde. (...)’
opschorting
3.9.
Partijen zijn in geschil over de afronding en de deugdelijkheid van het werk, maar zij verschillen niet van mening over wat zij in november 2022 zijn overeengekomen, zodat het hof, net als de kantonrechter, deze afspraken tot uitgangspunt neemt. Partijen spraken in november 2022 af dat [appellant] nog diverse werkzaamheden zou verrichten volgens een door [geïntimeerde] opgestelde en door [appellant] geaccordeerde opleverlijst, dat [geïntimeerde] direct € 20.000,- zou overmaken aan [appellant] en dat [geïntimeerde] de verder resterende aanneemsom van
€ 25.687,09 gespreid zou betalen in drie termijnen, elke keer na voltooiing van het daarmee corresponderende werk (zie ook rechtsoverweging 3.2.). [geïntimeerde] heeft de € 20.000,- en de eerste betaaltermijn van € 8.562,36 aan [appellant] voldaan. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] de tweede termijn verschuldigd was, omdat de werkzaamheden van die termijn, de afwerking van de dakbedekkingswerkzaamheden en uitlopen, waren voltooid. Omdat [geïntimeerde] de tweede termijn niet heeft betaald, heeft [appellant] een beroep gedaan op opschorting van zijn verdere werkzaamheden en maakt hij aanspraak op het volledige restant van de aanneemsom. [geïntimeerde] doet een beroep op opschorting ten aanzien van zijn betalingsverplichting, omdat [appellant] volgens hem de werkzaamheden niet deugdelijk heeft uitgevoerd. [geïntimeerde] heeft zijn standpunt onderbouwd met een deskundigenrapport van [bouwkundig bureau] (zie ook rechtsoverweging 3.8.). De kantonrechter heeft op grond van dit rapport geoordeeld dat [geïntimeerde] zijn betalingsverplichting terecht heeft opgeschort, omdat de werkzaamheden door [appellant] ondeugdelijk zijn verricht.
3.10.
[appellant] heeft in hoger beroep tegen het deskundigenrapport en het oordeel van de kantonrechter diverse bezwaren geuit. Ten eerste zijn de conclusies van de deskundige volgens [appellant] onbetrouwbaar, omdat de deskundige zelf te kennen geeft voorafgaand aan zijn onderzoek geen contractstukken van [geïntimeerde] te hebben ontvangen, zodat hij niet kan beoordelen of de kwaliteit van de werkzaamheden voldoet aan de gevraagde inspanning of verwachte prestatie. Daarnaast handelt het rapport van de deskundige voornamelijk over het buitenschilderwerk, terwijl die werkzaamheden door [geïntimeerde] uit de opdracht zijn gehaald en later door [appellant] tegen een overeengekomen bedrag zouden worden verricht. Door dit niet mede te delen aan de deskundige, is er bij de deskundige onterecht een slordig, ongenuanceerd beeld ontstaan van de bouw. Verder komt in het geheel niet tot uitdrukking in het rapport dat het werk zo goedkoop mogelijk moest worden uitgevoerd, zonder de vereiste omgevingsvergunning, en [appellant] steeds meer- en minderwerk opdrachten van [geïntimeerde] kreeg. Ten aanzien van de dakwerkzaamheden merkt [appellant] nog op dat [geïntimeerde] zelfstandig sloopwerkzaamheden aan het dak heeft uitgevoerd en zelf gaten in het dak maakte voor de nieuw te plaatsen hemelwaterafvoeren. De eventuele gebreken aan het dak kunnen dus net zo goed op het conto van [geïntimeerde] komen. Na klachten van [geïntimeerde] over lekkage aan het dak, is het dak onderzocht en zijn na de inspectie de hiervoor gecreëerde gaten hersteld. Dat hierdoor een lappendeken van dakbedekking is ontstaan, is dus niet aan [appellant] te wijten. Er staat wel water op het dak, zoals de deskundige heeft geconstateerd, maar dit was voor de verbouwing ook al zo en zou [geïntimeerde] zelf oplossen met drainagetegels, die hij echter nooit op het dak heeft geplaatst. Het afschot is ook gebleven zoals het al was. Het is [appellant] bovendien, gezien de slechte lichamelijke toestand waarin hij zich destijds bevond, onmogelijk gemaakt om bij de inspectie aanwezig te zijn en hij heeft ook niet de gelegenheid gekregen om op de bevindingen van de deskundige te reageren voordat ze in een rapport belandden, hoewel dat wel was beloofd door [geïntimeerde] . Kortom, de kantonrechter is volgens [appellant] ten onrechte uitgegaan van de juistheid van het rapport en op basis van dat rapport kan onder meer niet worden vastgesteld dat het uitgevoerde werk aan het dak gebreken vertoont. [geïntimeerde] mocht zijn betalingsverplichting dus niet opschorten en is door – ook na sommatie – niet te betalen, in verzuim geraakt, op grond waarvan [appellant] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden.
3.11.
Het hof gaat niet mee in het standpunt van [appellant] . De deskundige heeft ten aanzien van de dakbedekking en het afschot opgemerkt, met onderbouwing door foto’s, dat er onvoldoende rekening is gehouden met het creëren van het noodzakelijke afschot, het de vraag is of op sommige plaatsen de dakbedekking wel goed vastzit, aanhelingen en hoeken niet goed vast zitten, afvoeren te hoog zitten, loodaansluitingen niet zijn hersteld of niet goed zijn aangesloten, het daklicht niet op afschot staat en bij het dakterras een verlaagde goot is aangebracht, wat een onbegrijpelijke keuze is. [appellant] heeft deze constateringen van de deskundige onvoldoende weersproken. Terecht merkt [appellant] op dat de deskundige een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van zijn bevindingen omdat hij voorafgaand aan de inspectie geen contractstukken heeft ontvangen, maar dit laat onverlet dat de deskundige heeft geconstateerd dat de kwaliteit van de werkzaamheden aan het dak op meerdere punten ver beneden de maat is en niet voldoet aan wat men van goed en deugdelijk werk van een professioneel aannemer mag verwachten. [appellant] heeft in dat licht onvoldoende toegelicht waarom [geïntimeerde] in dit geval met deze gebreken genoegen moest nemen of voor welke gebreken [appellant] niet verantwoordelijk zou zijn. [appellant] voert aan dat [geïntimeerde] zelf sloopwerkzaamheden heeft verricht aan het dak en zelf gaten heeft gemaakt voor de hemelwaterafvoer, maar dit biedt geen verklaring voor bijvoorbeeld gebrekkige bevestiging van loodaansluitingen of dakbedekking. Ook is door [appellant] onvoldoende weersproken dat er op het gehele dak geen of onvoldoende afschot aanwezig is, waardoor er water op het dak blijft staan, wat de kans op lekkage sterk vergroot. [appellant] voert aan dat dit op het bestaande dak ook al het geval was en dat [geïntimeerde] het dak zelf zou herstellen, maar uit de open begrotingen die door [appellant] (ook in hoger beroep) zijn overgelegd, blijkt dat [appellant] meerdere uitbouwen met een nieuw dak zou realiseren (op de begane grond en op de 4e/5e etage). Voor een nieuw dak geldt niet dat er al water op bleef staan en onvoldoende afschot aanwezig was. Daarbij geldt dat van een dergelijk nieuw dak verwacht mag worden dat dit voldoende afschot heeft en een functionerende afvoer. Dat [geïntimeerde] dit ook verwachtte en ervan uitging dat [appellant] de gebreken aan het dak zou herstellen, blijkt uit een e-mail van 13 november 2022 waarin hij aan [appellant] schrijft: ‘
Ik heb (…) een zorg over dakwerk. Het afschot lijkt mij niet helemaal goed en op oa het dak boven de badkamer op de bovenste verdieping blijft heel veel water staan omdat het water over een verhoging moet, ook ben ik bang voor lekkages, oa bij balkon slaapkamer.’Ook de vele meer- en minderwerkopdrachten die [appellant] volgens hem van [geïntimeerde] kreeg, geven geen rechtvaardiging voor gebreken. Die ontslaan [appellant] immers niet van de verplichting goed en deugdelijk werk te leveren. Hetzelfde geldt voor het feit dat [appellant] niet bij de inspectie aanwezig was en geen gelegenheid heeft gekregen op de bevindingen van de deskundige te reageren voordat het rapport werd opgesteld. Hoe dat feit het rapport van de deskundige onbetrouwbaar maakt, heeft [appellant] niet nader toegelicht.
3.12.
Uit het rapport blijkt verder onmiskenbaar dat niet alleen gebreken zijn geconstateerd in het buitenschilderwerk, zoals [appellant] stelt. De deskundige heeft meerdere gebreken geconstateerd in de werkzaamheden aan het dak, zoals hierboven omschreven, maar ook in de werkzaamheden aan de ramen, deuren, aftimmering, beglazing, het binnenschilderwerk, de draagconstructie en de isolatie. [appellant] heeft alleen aangevoerd dat [geïntimeerde] een koudebrug in de aanbouw van de slaapkamer heeft geaccepteerd, maar heeft tegen de andere geconstateerde gebreken onvoldoende ingebracht. Dat [geïntimeerde] ook nog bij veel andere werkzaamheden betrokken zou zijn geweest en daarom niet kan worden vastgesteld voor welke gebreken [appellant] verantwoordelijk is, is door [appellant] verder niet toegelicht. Daardoor heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat de gebreken die uit het rapport van de deskundige volgen voor risico van [geïntimeerde] zouden moeten komen. [appellant] heeft evenmin een eigen deskundigenrapport overgelegd waaruit zou blijken dat het werk dat hij heeft verricht wel voldoet. [appellant] heeft in hoger beroep aangeboden ‘om verdere schriftelijke bewijzen uit zijn dossier over te leggen, w.o. zijn 'rapport verweer en standpunten' (dat is geënt op het gewraakte Keurhuisrapport) en/of het horen van de in de inleidende dagvaarding met naam genoemde getuigen’. Ook heeft hij aangeboden om ‘door middel van getuigen te bewijzen dat de inhoud van het Keurhuisrapport onjuist is’. Het hof oordeelt dat [appellant] hiermee niet voldoende heeft toegelicht op welke punten het deskundigenrapport onjuist is en welke feiten of omstandigheden hij tegen dit rapport wenst in te brengen. Het had op de weg van [appellant] gelegen dit uiterlijk bij de memorie van grieven te expliciteren. Dat heeft hij niet gedaan. Nu [appellant] de conclusies van het deskundigenrapport onvoldoende heeft weersproken, oordeelt het hof dat het werk gebreken vertoonde en [geïntimeerde] daarom gerechtigd was (vanwege de gebreken in het werk aan het dak en de andere onderdelen van het werk) zijn betalingsverplichting voor de tweede en derde (en laatste) termijn op te schorten. Gelet hierop komt het hof aan bewijslevering door [appellant] op dit punt niet toe.
oplevering
3.13.
[appellant] heeft nog betoogd dat [geïntimeerde] het werk met alle gebreken heeft aanvaard, omdat er op 23 november 2022 is opgeleverd aan [geïntimeerde] en [geïntimeerde] op dat moment volledig op de hoogte was van de stand en kwaliteit van het werk. Ook daarin volgt het hof [appellant] niet. De dochter van [appellant] heeft op 15 november 2022 aan [geïntimeerde] een mail gestuurd en daarbij een geactualiseerde kostenraming gevoegd. Uit die mail blijkt dat er diverse werkzaamheden uit de begroting zijn gehaald, dat er nog materialen in bestelling staan en dat er door [appellant] te veel is gefactureerd aan [geïntimeerde] , waarvoor een creditfactuur wordt gestuurd. Volgens (de dochter van) [appellant] stond er toen nog een bedrag open van € 45.687,09 inclusief btw. [appellant] stelde betaling voor van € 35.000,-, zodat er nog een bedrag van € 10.000,- open zou blijven staan als oplevertermijn. Het hof leidt uit deze mail af dat ook volgens [appellant] op dat moment het werk nog niet gereed was. [appellant] heeft onvoldoende uitgelegd waarom het voor [geïntimeerde] duidelijk moet zijn geweest dat het gesprek op 23 november 2022 en de toen besproken werkzaamheden plaatsvonden in het kader van de oplevering van het werk. In het bijzonder heeft [appellant] niet onderbouwd dat het aangenomen werk op 23 november 2022 – anders dan op 15 november 2022 – gereed was om te worden opgenomen en gekeurd door [geïntimeerde] en op grond waarvan [appellant] mocht aannemen dat [geïntimeerde] het werk toen heeft aanvaard.
klachtplicht
3.14.
[appellant] heeft ook aangevoerd dat [geïntimeerde] nooit geklaagd heeft. Volgens [appellant] was [geïntimeerde] tot 23 november 2022 altijd tevreden over het werk en voor [appellant] kwam zijn onwil om te betalen daarom onverwacht. Uit de (meermaals bijgewerkte) opleverlijst van de periode na 23 november 2022 volgt echter dat op meerdere punten van het dak problemen waren en [geïntimeerde] dit heeft aangekaart, zoals water op het dak, dakbedekking die er niet fijn uitziet, uitlopen van de hemelwaterafvoer die niet goed uitkomen en het loodwerk dat op plekken opnieuw moet worden gedaan. De heer [bouwbegeleider] , de door [geïntimeerde] ingeschakelde bouwbegeleider, klaagt in zijn e-mail van 12 december 2022 namens [geïntimeerde] ook over de kwaliteit van het werk en sommeert tot herstel. Dat [geïntimeerde] niet heeft geklaagd en dat het werk daarom moet worden geacht te zijn aanvaard, is door [appellant] gelet hierop niet voldoende onderbouwd. Bovendien heeft het hof hiervoor beslist dat van een oplevering geen sprake is geweest. Daardoor is er ook geen sprake van een omslag van het risico voor het werk als gevolg van de oplevering zoals bedoeld in artikel 7:758 BW Pro (zoals dat gold vóór 1 januari 2024). Het stond [geïntimeerde] vrij om op grond van het rapport van de deskundige alsnog klachten naar voren te brengen over het uitgevoerde werk. [appellant] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, op grond waarvan het hof kan beslissen dat de klachttermijn als bedoeld in artikel 6:89 BW Pro is overschreden.
3.15.
Omdat [appellant] de gebreken in het werk niet heeft hersteld, maar zijn werk ten onrechte heeft neergelegd, is [appellant] in de nakoming van de overeenkomst tekortgeschoten. [geïntimeerde] heeft zijn betalingsverplichting terecht opgeschort, waardoor er geen grond was aan de kant van [appellant] om de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Het hof zal de afwijzing door de kantonrechter van [appellant] vordering tot betaling door [geïntimeerde] van
€ 21.271,50, bekrachtigen.
ontbinding
3.16.
De kantonrechter heeft de vordering tot ontbinding van de overeenkomst van [appellant] toegewezen vanwege de wanprestatie van [appellant] . [appellant] grieft tegen dit oordeel van de kantonrechter met de stelling dat zijn ontbindingsvordering niet kan worden toegewezen op grond van zijn eigen tekortkoming. [appellant] maakt hiermee bezwaar tegen de grondslag van de ontbinding, maar niet tegen de ontbinding zelf en evenmin tegen de datum van de ontbinding. [appellant] vordert ook in hoger beroep immers opnieuw ontbinding van de overeenkomst per een door het hof te bepalen datum. Uit het verweer van [geïntimeerde] , zoals hij dat in eerste aanleg heeft gevoerd, leidt het hof af dat [geïntimeerde] zich niet tegen de ontbinding van de overeenkomst verzet. Het hof zal daarom de uitgesproken ontbinding van de overeenkomst door de kantonrechter bekrachtigen.
schadevergoeding
3.17.
De kantonrechter heeft de gevorderde verklaring voor recht dat [appellant] in de uitvoering van de overeenkomst is tekortgeschoten en aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade van [geïntimeerde] , toegewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling van die schade, op te maken bij staat. [appellant] grieft tegen dit oordeel en voert aan dat [geïntimeerde] deze vordering niet heeft kunnen instellen, omdat [geïntimeerde] zelf in verzuim verkeerde door niet te betalen. Daarnaast is de kantonrechter ten onrechte uitgegaan van de juistheid van het deskundigenrapport, volgens [appellant] .
3.18.
Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft geoordeeld, slaagt deze grief van [appellant] niet. [appellant] heeft onvoldoende ingebracht tegen het deskundigenrapport, waardoor is vast komen te staan dat het werk gebreken vertoonde en [appellant] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. [geïntimeerde] was daardoor bevoegd verdere nakoming van de betalingsafspraken op te schorten. Door desondanks zijn verplichtingen op te schorten en tegenover [geïntimeerde] de ontbinding van de gesloten overeenkomst in te roepen is [appellant] zonder nadere ingebrekestelling in verzuim geraakt, zoals de kantonrechter terecht heeft beslist. Omdat [appellant] geen andere bezwaren heeft aangevoerd, zal het hof ook de toewijzing van de (voorwaardelijke) reconventionele vordering van [geïntimeerde] door de kantonrechter bekrachtigen.
overige grieven
3.19.
[appellant] heeft in hoger beroep verder nog aangevoerd dat de kantonrechter zijn verzoek om een voorlopig getuigenverhoor ten onrechte heeft gepasseerd. [appellant] heeft er daarbij op gewezen dat tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor bleek dat de kantonrechter in de tussen partijen aanhangige dagvaardingsprocedure al eindvonnis had gewezen. De kantonrechter die het verzoekschrift behandelde was niet bereid alsnog een voorlopig getuigenverhoor te starten en gaf [appellant] in overweging het verzoek in te trekken, hetgeen hij vervolgens heeft gedaan. Het hof laat de juistheid van deze stellingen van [appellant] in het midden. Ook als het is gegaan zoals door hem is gesteld, brengt het gegeven dat de kantonrechter niet de uitkomst van het verzochte voorlopig getuigenverhoor heeft afgewacht niet mee dat het vonnis van de kantonrechter al daarom in hoger beroep moet worden vernietigd. Gelet op het in deze zaak geldende bewijsrecht (zoals dat gold tot 1 januari 2025) had het op de weg van [appellant] gelegen om in hoger beroep – desgewenst – opnieuw een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken, maar dat heeft hij niet gedaan.
bewijsaanbod
3.20.
Aan het bewijsaanbod van [appellant] ten aanzien van overige feiten en omstandigheden die nog niet aan de orde zijn geweest, gaat het hof voorbij, nu dat ziet op feiten of omstandigheden die, indien bewezen, niet tot een andere beslissing zouden kunnen leiden.
conclusie
3.21.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn van 14 februari 2024;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 349,- aan griffierecht
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 procespunt x tarief II)
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, M.P.C.J. van Bavel en M.F.A. Evers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
17 maart 2026.