Uitspraak
die in deze procedure wordt vertegenwoordigd door de naamloze vennootschap naar Belgisch recht
Allianz Benelux N.V.mede handelend onder de naam
Allianz Nederland Schadeverzekering, gevestigd in Brussel,
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
- de akte van Allianz
- de akte na tussenarrest van [appellant]
- de antwoordakte van Allianz
- de antwoordakte 2 na tussenarrest van [appellant] .
2.De verdere beoordeling
mr. Camps zich in die brief als advocaat van [naam vriend1] introduceert, hij namens [naam vriend1] verzoekt om aansprakelijkheid te erkennen en hij zijn brief ermee besluit dat [appellant] betrokken was bij het ongeval. Het hof heeft gemotiveerd beslist dat en waarom deze brief geen stuitingshandeling is. [appellant] heeft niet uitgelegd waarom op die beslissing moet worden teruggekomen. Het hof blijft daarom bij die beslissing. Datzelfde geldt voor de erkenning van aansprakelijkheid waarover het hof heeft geoordeeld dat die erkenning uitsluitend betrekking heeft op de schade van [naam vriend1] (rechtsoverweging 3.24.) en daarom niet – ook niet in het licht van de brief van 30 januari 2009 van Allianz, waarover later in dit arrest (rechtsoverweging 2.9) meer – als stuitingshandeling ten behoeve van [appellant] geldt.
2.8. [appellant] stelt zich in zijn eerste akte nog op het standpunt dat de verjaring is gestuit met de inzending aan en ontvangst door Allianz van het aanrijdingsformulier vóór of op 15 december 2008. [appellant] onderkent echter zelf ook (zie onder 42 eerste akte), en het hof is het daarmee eens, dat de verjaringstermijn, ook wanneer wordt uitgegaan van 15 december 2008 als stuitingsmoment, op 15 december 2011 is verstreken, dus vóór de stuiting op 2 januari 2012.
–zo nodig; in deze zaak wordt daaraan in wezen niet toegekomen – wordt toegepast en richtlijnconform wordt uitgelegd. Dat in dit geval daarnaast rechtstreekse werking aan de bepalingen van die richtlijn zou moeten worden toegekend, die zou leiden tot een ander resultaat dan toepassing en/of richtlijnconforme uitleg van de bepalingen van de WAM, is gesteld noch gebleken. Dat er andere EU-richtlijnen zouden zijn die via de nationale wetgeving invloed hebben op de (niet-contractuele) relatie tussen [appellant] en Allianz is niet concreet aangevoerd en ook overigens niet gebleken.Dat er een EU-richtlijn met als doel de bescherming van consumenten zou zijn op grond waarvan het hof mogelijk gehouden zou zijn tot ambtshalve toetsing is niet gebleken. [appellant] heeft in dit verband verder nog opnieuw gewezen op het emailbericht van 30 januari 2009 van Allianz aan mr. Camps (ten aanzien van [naam vriend1] ) waarin staat (zie ook rechtsoverweging 3.4. van het vorige arrest):
“(…)Wij hebben inmiddels een exert[het hof begrijpt: expert]
ingeschakeld die de beide voertuigen heeft gezien (…) Wij vernamen telefonisch van de heer [naam vriend1] dat hij en zijn broer[bedoeld is: vriend; hof]
bij dit ongeval gewond zijn geraakt. Neemt u ook de belangen waar in zake de letselschade of dienen wij hiertoe rechtstreeks contact met beide betrokkenen op te nemen?”Zoals het hof al oordeelde in het tussenarrest (rechtsoverwegingen 3.24 en 3.27) was het in de eerste plaats aan mr. Camps aan wie de vraag van Allianz gericht was, om duidelijk te maken of hij – naast de schade aan twee voertuigen, waar dit bericht mee begint – ook voor de letselschade van [naam vriend1] en voor de letselschade van [appellant] opkwam. Voor zover uit het dossier blijkt, is op deze vraag van Allianz voor wat betreft de letselschade van [appellant] niet gereageerd. Allianz was niet gehouden zelf contact te leggen met [appellant] , ook niet op grond van de inhoud van het voornoemde emailbericht. Allianz heeft namelijk niet aangekondigd dat te zullen doen als bericht van de raadsman zou uitblijven, zoals namens [appellant] ten onrechte wordt gesuggereerd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt staat de omstandigheid dat Allianz niet zelf contact heeft gelegd met [appellant] – ook in het licht van de WAM, jurisprudentie en ‘de beschermingsgedachte van verkeersslachtoffers’ – in ieder geval niet in de weg aan een geslaagd beroep op verjaring.
misbruik van recht2.10. Het hof heeft in rechtsoverweging 3.29. van het vorige arrest overwogen dat [appellant] het standpunt heeft ingenomen dat het beroep op verjaring van Allianz in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel dat Allianz dit recht heeft verwerkt. Het hof heeft partijen gevraagd om met legal opinions inzake het toepasselijke Poolse recht hun standpunt hierover te onderbouwen en daarbij uitdrukkelijk de door het hof opgesomde omstandigheden die [appellant] in dit kader heeft aangevoerd, te betrekken.
No one may exercise their rights in a manner contrary to the socio-economic purpose of those rights or to the principles of social coexistence. Any act or omission by the entitled party that contravenes these standards shall not be considered a legitimate exercise of a right and shall not be afforded legal protection.
Partijen zijn het verder over eens – wederom onder verwijzing naar overeenstemmende legal opinions – dat een verjaringsverweer alleen in uitzonderlijke omstandigheden door de rechter wegens misbruik van recht kan worden verworpen. De rechter dient bij de beoordeling (in ieder geval) de volgende omstandigheden te betrekken:
- de aard van de vordering die wordt ingesteld;
- de redenen voor de vertraging bij het instellen van de vordering;
- de periode waarmee de verjaringstermijn is overschreden (in verhouding tot de redenen van de vertraging).
3.De beslissing
13 januari 2026.