ECLI:NL:GHARL:2026:166

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.338.248
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring van schadevergoedingsvordering naar Pools recht in letselschadezaak

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over een letselschadezaak waarbij de appellant, die betrokken was bij een ongeval op 18 juni 2008, een schadevergoedingsvordering heeft ingesteld tegen Allianz Polska S.A. en andere Allianz-entiteiten. De appellant heeft zijn vordering tot schadevergoeding op 2 januari 2012 gestuit, maar de vraag is of hij vóór 2 januari 2009 bekend was met de aansprakelijke partij, wat bepalend is voor de verjaring van de vordering. Het hof heeft in eerdere arresten geoordeeld dat de appellant op de hoogte was van de schade, maar niet voldoende heeft aangetoond dat hij ook bekend was met de aansprakelijke partij. Allianz heeft betoogd dat de appellant op de datum van het ongeval of kort daarna al bekend was met de aansprakelijke partij, onderbouwd met bewijsstukken zoals het aanrijdingsformulier. Het hof heeft vastgesteld dat de appellant onvoldoende heeft aangetoond dat hij niet in staat was om de identiteit van de aansprakelijke partij te achterhalen. De verjaringstermijn van drie jaar was dus verstreken voordat de appellant zijn vordering heeft gestuit. Het hof heeft het hoger beroep van de appellant afgewezen en hem veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.338.248
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo 282412
arrest van 13 januari 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en die bij de rechtbank optrad als eiser
hierna: [appellant]
advocaat: mr. M.J.E.C. Camps
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Allianz Polska S.A.
die is gevestigd in Warschau (Polen)
die in deze procedure wordt vertegenwoordigd door de naamloze vennootschap naar Belgisch recht
Allianz Benelux N.V.mede handelend onder de naam
Allianz Nederland Schadeverzekering, gevestigd in Brussel,
en die bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna gezamenlijk te noemen: Allianz
advocaat: mr. H.A. Kragt.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Het hof heeft op 1 april 2025 een tussenarrest gewezen. [1] Het daarop volgende procesverloop blijkt uit:
  • de akte van Allianz
  • de akte na tussenarrest van [appellant]
  • de antwoordakte van Allianz
  • de antwoordakte 2 na tussenarrest van [appellant] .
1.2.
Vervolgens is bepaald dat opnieuw arrest wordt gewezen.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Het hof verwijst naar het arrest van 1 april 2025. In dat arrest heeft het hof geoordeeld over een aantal bezwaren die [appellant] heeft gericht tegen het bestreden vonnis. Daarnaast heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de in dat arrest in de rechtsoverwegingen 3.22 en 3.30 genoemde punten. Beide partijen hebben dat in de voornoemde aktes gedaan. Zij hebben daarbij allebei legal opinions overgelegd die het hof wederom bij de beoordeling zal betrekken. Het gaat om de legal opinions van K. Siwek, attorney at law, van 23 april 2025 en J. Budzowska, attorney at law, van 30 mei 2025.
verjaring2.2. In het vorige arrest heeft het hof overwogen (rechtsoverweging. 3.17.) dat op grond van artikel 442 PBW een vordering tot vergoeding van schade verjaart vanaf het moment dat de schadelijdende partij bekend was of kon zijn met de schade en de aansprakelijke partij. Het hof heeft in dat arrest vastgesteld dat [appellant] op 18 juni 2008 een ongeval is overkomen en dat hij voor het eerst op 2 januari 2012 de verjaring heeft gestuit van de vordering tot vergoeding van schade die hij in verband met dat ongeval heeft geleden (rechtsoverwegingen 3.24 tot en met 3.28). Ter beoordeling ligt nu nog voor of [appellant] vóór 2 januari 2009 bekend was of had kunnen zijn met de aansprakelijke partij. Dat [appellant] vóór 2 januari 2009 al bekend was met de schade staat in hoger beroep vast.
2.3.
Allianz heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] op de datum van het ongeval (18 juni 2008) dan wel op de datum van ontslag uit het ziekenhuis (24 juni 2008) bekend was met de aansprakelijke partij. In dat verband heeft Allianz onder andere verwezen naar het aanrijdingsformulier dat na het ongeval is ingevuld en waarop Allianz Polska als verzekeraar van de aansprakelijke bestuurder staat. Omdat [appellant] gemotiveerd heeft betwist dat hij op die data bekend was met de aansprakelijke partij en omdat er op het aanrijdingsformulier geen datum staat, heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich erover uit te laten wanneer [appellant] het aanrijdingsformulier heeft ingevuld en wanneer hij bekend is geworden met de aansprakelijke partij (rechtsoverwegingen 3.21. en 3.22.). Aan Allianz is ook nog verzocht zich uit te laten over de beschikbare bewijsmiddelen van haar stelling dat [appellant] op 18 of 24 juni 2008 kennis heeft genomen van het aanrijdingsformulier c.q. dat toen heeft ingevuld (rechtsoverweging 3.22).
2.4.
Allianz heeft bij haar akte een emailbericht overgelegd waaruit volgt dat Allianz het aanrijdingsformulier op 15 december 2008 heeft ontvangen waaraan zij de conclusie verbindt dat [appellant] in ieder geval vanaf dat moment met de inhoud van het formulier en dus met Allianz Polska als verzekeraar van de aansprakelijke partij bekend was. Allianz heeft daarnaast herhaald dat [appellant] in ieder geval vóór 2 januari 2009 bekend had kunnen zijn met de identiteit van de (verzekeraar van de) aansprakelijke partij omdat vóór die datum de objectieve mogelijkheid bestond de identiteit van de aansprakelijke partij te achterhalen. In dat verband heeft Allianz erop gewezen dat de naam van de aansprakelijke partij in het politierapport staat dat op 19 juni 2008 is opgesteld en waarover de vriend van [appellant] , [naam vriend1] , kennelijk voor 4 december 2008 de beschikking heeft kunnen krijgen. Dat geldt dan ook voor [appellant] , aldus Allianz.
2.5.
[appellant] voert hiertegen aan, zo begrijpt het hof, dat hij lange tijd in het ziekenhuis heeft gelegen, dat hij lange tijd flink ziek was door het ongeval, hij een stuk van de film kwijt was, dat zijn hoofd niet stond naar verzekeringen en schadeclaims, dat hij in [land1] woonde, geen eigen advocaat had en dat hij als [nationaliteit1] niet direct bekend is met westerse gebruiken en mogelijkheden. Het hof leidt uit de medische informatie waarnaar [appellant] verwijst af dat hij tot 24 juni 2008 in het ziekenhuis was opgenomen. Het hof kan uit die informatie niet afleiden dat [appellant] daarna, vanwege de aard of ernst van het ongevalsgerelateerde letsel, niet in staat was om (vóór 2 januari 2009) de identiteit van de aansprakelijke partij te achterhalen. Dat geldt ook voor de andere omstandigheden: het feit dat [appellant] van [nationaliteit1] afkomst is en in een ander land woonachtig was dan waar het ongeval plaatsvond zal het achterhalen van de identiteit van de aansprakelijke bestuurder in enige mate hebben bemoeilijkt. Maar dat [appellant] (al dan niet met door hem in te schakelen bijstand, ook vanuit [land1] ) de identiteit van de aansprakelijke partij niet kón achterhalen, heeft [appellant] met de door hem genoemde omstandigheden onvoldoende onderbouwd.
2.6.
Het hof gaat er daarom vanuit dat [appellant] vóór 2 januari 2009 bekend had kunnen zijn met de identiteit van de aansprakelijke partij. Dat betekent dat de verjaringstermijn van 3 jaar vóór de stuitingshandeling op 2 januari 2012 was verstreken. In zoverre treft het hoger beroep van [appellant] geen doel. Aan de beoordeling van de overige standpunten van Allianz (waaronder het verzoek om terug te komen op een bindende eindbeslissing) komt het hof dan niet meer toe.
2.7.
Ook [appellant] heeft het hof (impliciet) verzocht om terug te komen op eerdere beslissingen. Hij stelt zich in zijn aktes op het standpunt dat de verjaring is gestuit met de brief van mr. Camps van 19 januari 2009 en met de erkenning van aansprakelijkheid door Allianz op 31 augustus 2010. Over de brief van mr. Camps van 19 januari 2009 heeft het hof geoordeeld (rechtsoverwegingen 3.26. en 3.27.) dat dit geen stuitingshandeling is omdat
mr. Camps zich in die brief als advocaat van [naam vriend1] introduceert, hij namens [naam vriend1] verzoekt om aansprakelijkheid te erkennen en hij zijn brief ermee besluit dat [appellant] betrokken was bij het ongeval. Het hof heeft gemotiveerd beslist dat en waarom deze brief geen stuitingshandeling is. [appellant] heeft niet uitgelegd waarom op die beslissing moet worden teruggekomen. Het hof blijft daarom bij die beslissing. Datzelfde geldt voor de erkenning van aansprakelijkheid waarover het hof heeft geoordeeld dat die erkenning uitsluitend betrekking heeft op de schade van [naam vriend1] (rechtsoverweging 3.24.) en daarom niet – ook niet in het licht van de brief van 30 januari 2009 van Allianz, waarover later in dit arrest (rechtsoverweging 2.9) meer – als stuitingshandeling ten behoeve van [appellant] geldt.
2.8. [appellant] stelt zich in zijn eerste akte nog op het standpunt dat de verjaring is gestuit met de inzending aan en ontvangst door Allianz van het aanrijdingsformulier vóór of op 15 december 2008. [appellant] onderkent echter zelf ook (zie onder 42 eerste akte), en het hof is het daarmee eens, dat de verjaringstermijn, ook wanneer wordt uitgegaan van 15 december 2008 als stuitingsmoment, op 15 december 2011 is verstreken, dus vóór de stuiting op 2 januari 2012.
2.9.
[appellant] heeft bij herhaling aangevoerd dat Allianz, zeker nadat zij het aanrijdingsformulier (op 15 december 2008) had ontvangen, zelf contact had moeten opnemen met [appellant] . Allianz zou hiertoe om te beginnen op grond van Europese richtlijnen en ‘de beschermingsgedachte van slachtoffers in het internationaal verkeer’ gehouden zijn. Daargelaten dat dit niet volgt uit de bepalingen of de strekking van de richtlijn 2009/103/EG [2] die [appellant] in dit verband concreet inroept, richt deze richtlijn zich tot de lidstaten. Deze is in Nederland geïmplementeerd in de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) die door het hof
zo nodig; in deze zaak wordt daaraan in wezen niet toegekomen – wordt toegepast en richtlijnconform wordt uitgelegd. Dat in dit geval daarnaast rechtstreekse werking aan de bepalingen van die richtlijn zou moeten worden toegekend, die zou leiden tot een ander resultaat dan toepassing en/of richtlijnconforme uitleg van de bepalingen van de WAM, is gesteld noch gebleken. Dat er andere EU-richtlijnen zouden zijn die via de nationale wetgeving invloed hebben op de (niet-contractuele) relatie tussen [appellant] en Allianz is niet concreet aangevoerd en ook overigens niet gebleken.Dat er een EU-richtlijn met als doel de bescherming van consumenten zou zijn op grond waarvan het hof mogelijk gehouden zou zijn tot ambtshalve toetsing is niet gebleken. [appellant] heeft in dit verband verder nog opnieuw gewezen op het emailbericht van 30 januari 2009 van Allianz aan mr. Camps (ten aanzien van [naam vriend1] ) waarin staat (zie ook rechtsoverweging 3.4. van het vorige arrest):
“(…)Wij hebben inmiddels een exert[het hof begrijpt: expert]
ingeschakeld die de beide voertuigen heeft gezien (…) Wij vernamen telefonisch van de heer [naam vriend1] dat hij en zijn broer[bedoeld is: vriend; hof]
bij dit ongeval gewond zijn geraakt. Neemt u ook de belangen waar in zake de letselschade of dienen wij hiertoe rechtstreeks contact met beide betrokkenen op te nemen?”Zoals het hof al oordeelde in het tussenarrest (rechtsoverwegingen 3.24 en 3.27) was het in de eerste plaats aan mr. Camps aan wie de vraag van Allianz gericht was, om duidelijk te maken of hij – naast de schade aan twee voertuigen, waar dit bericht mee begint – ook voor de letselschade van [naam vriend1] en voor de letselschade van [appellant] opkwam. Voor zover uit het dossier blijkt, is op deze vraag van Allianz voor wat betreft de letselschade van [appellant] niet gereageerd. Allianz was niet gehouden zelf contact te leggen met [appellant] , ook niet op grond van de inhoud van het voornoemde emailbericht. Allianz heeft namelijk niet aangekondigd dat te zullen doen als bericht van de raadsman zou uitblijven, zoals namens [appellant] ten onrechte wordt gesuggereerd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt staat de omstandigheid dat Allianz niet zelf contact heeft gelegd met [appellant] – ook in het licht van de WAM, jurisprudentie en ‘de beschermingsgedachte van verkeersslachtoffers’ – in ieder geval niet in de weg aan een geslaagd beroep op verjaring.
misbruik van recht2.10. Het hof heeft in rechtsoverweging 3.29. van het vorige arrest overwogen dat [appellant] het standpunt heeft ingenomen dat het beroep op verjaring van Allianz in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel dat Allianz dit recht heeft verwerkt. Het hof heeft partijen gevraagd om met legal opinions inzake het toepasselijke Poolse recht hun standpunt hierover te onderbouwen en daarbij uitdrukkelijk de door het hof opgesomde omstandigheden die [appellant] in dit kader heeft aangevoerd, te betrekken.
2.11.
Partijen zijn het er, onder verwijzing naar de op dit punt overeenstemmende legal opinions, over eens dat alleen wanneer naar Pools recht sprake is van misbruik van recht, een geslaagd beroep op verjaring kan worden afgewezen. Artikel 5 PBW luidt:
No one may exercise their rights in a manner contrary to the socio-economic purpose of those rights or to the principles of social coexistence. Any act or omission by the entitled party that contravenes these standards shall not be considered a legitimate exercise of a right and shall not be afforded legal protection.
Partijen zijn het verder over eens – wederom onder verwijzing naar overeenstemmende legal opinions – dat een verjaringsverweer alleen in uitzonderlijke omstandigheden door de rechter wegens misbruik van recht kan worden verworpen. De rechter dient bij de beoordeling (in ieder geval) de volgende omstandigheden te betrekken:
- de aard van de vordering die wordt ingesteld;
- de redenen voor de vertraging bij het instellen van de vordering;
- de periode waarmee de verjaringstermijn is overschreden (in verhouding tot de redenen van de vertraging).
2.12.
Het hof is van oordeel dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een geslaagd beroep op misbruik van recht rechtvaardigen. Het gaat hier weliswaar om een vordering tot vergoeding van personenschade, maar de redenen voor de vertraging bij het instellen van die vordering heeft [appellant] niet althans onvoldoende duidelijk gemaakt. Sinds het ongeval zijn meer dan drie jaar verstreken tot [appellant] op 2 januari 2012 de verjaring heeft gestuit. Zoals het hof hiervoor (2.5.) heeft geoordeeld vormt de medische situatie, zonder verdere toelichting, hiervoor een onvoldoende verklaring. Datzelfde geldt voor de andere daar genoemde omstandigheden, die weliswaar complicerend zijn, maar de vertraging bij het instellen van de vordering vanuit [land1] (bij de dan bevoegde vertegenwoordiger van Allianz Polska; [appellant] woont immers pas sinds december 2011 in Nederland) onvoldoende verklaren en in ieder geval niet als uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden beschouwd. De periode waarmee de verjaringstermijn is overschreden zou in het voor [appellant] gunstigste geval slechts ruim twee weken zijn, indien stuitende werking zou toekomen aan de ontvangst door Allianz van het aanrijdingsformulier op 15 december 2008. Dat sprake is van stuitende werking op die datum ligt, gelet op de wijze van totstandkoming en indiening van het formulier – beide door [naam vriend1] , niet door [appellant] , die stelt het formulier voor het eerst in 2022 in deze procedure te hebben gezien – niet direct voor de hand. Maar ook indien uitgegaan zou moeten worden van een overschrijding van de verjaringstermijn van slechts ruim twee weken zou het hof aan de – dan – geringe duur van de overschrijding minder betekenis toekennen, omdat het hof over de redenen van ook deze vertraging in het duister tast en ook deze relatief korte overschrijding van de verjaringstermijn niet kan relateren aan die redenen.
De overige omstandigheden die het hof heeft opgesomd in rechtsoverweging 3.29. van het vorige arrest leiden, voor zover daar al betekenis aan toekomt bij de beoordeling van de vraag of naar Pools recht sprake misbruik van recht, niet tot een ander oordeel. Die omstandigheden hebben allemaal betrekking op de periode nadat de verjaring was voltooid en zien merendeels op het schaderegelingstraject. Die omstandigheden zijn niet als uitzonderlijke omstandigheden te kwalificeren die een beroep op misbruik van recht rechtvaardigen. Zoals namens Allianz is uiteengezet en door [appellant] niet althans onvoldoende gemotiveerd is weersproken, geldt naar Pools recht dat de omstandigheid dat een verzekeraar, in een poging om in goede trouw tot een buitengerechtelijke oplossing te komen, mede ter voorkoming van een gerechtelijke procedure, met een benadeelde in onderhandeling is getreden terwijl diens vordering al is verjaard, niet maakt dat die vordering toch weer in rechte afdwingbaar zou worden. Ook dan resteert er naar Pools recht slechts de natuurlijke verbintenis.
[appellant] heeft onder 29 van zijn eerste akte omstandigheden opgesomd die volgens hem maken dat het beroep op verjaring door Allianz ‘unfair en onredelijk’ zou zijn. Het hof benadrukt dat het niet gaat om de vraag of sprake is van handelen ‘in strijd met de redelijkheid en billijkheid’ maar, zoals hiervoor is overwogen, om de vraag of het beroep op verjaring naar Pools recht misbruik van recht oplevert. Voor zover deze omstandigheden al niet zijn beoordeeld in het tussenarrest van 1 april 2025 en/of overlappen met de door het hof in rechtsoverweging 3.29. van het vorige arrest opgesomde omstandigheden, geldt dat zij niet zijn te kwalificeren als uitzonderlijke omstandigheden die een geslaagd beroep op misbruik van recht rechtvaardigen.
de slotsom
2.13.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [3]
2.14.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

3.De beslissing

Het hof:
3.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 29 november 2023;
3.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Allianz:
€ 2.175 aan griffierecht
€ 3.142 aan salaris van de advocaat van Allianz (2 procespunten x het toepasselijke tarief III)
3.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
3.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, C.M.E. Lagarde en J. van de Klashorst en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
13 januari 2026.

Voetnoten

2.Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (gecodificeerde versie) PB L 263
3.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.