ECLI:NL:GHARL:2026:1661

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
25/2055
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 EPArt. 13bis Wet LB 1964Wet fiscale maatregelen KlimaatakkoordWet uitwerking Autobrief II
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhoging bijtellingspercentage elektrische auto per 2020 geen onaanvaardbare inbreuk op artikel 1 EP

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2020 vanwege de verhoging van het bijtellingspercentage voor elektrische auto's van 4% naar 8%. De rechtbank Noord-Nederland oordeelde dat deze verhoging een onaanvaardbare inbreuk op artikel 1 EP Pro vormt, omdat de wetgever onvoldoende rekening hield met belastingplichtigen die al onomkeerbare verplichtingen waren aangegaan.

De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het Hof heeft het geschil inhoudelijk beoordeeld en de parlementaire geschiedenis en wetsgeschiedenis betrokken. Het Hof concludeert dat de wetgever met de maatregel een legitiem doel nastreefde, zoals het voorkomen van oversubsidiëring en het stimuleren van de tweedehandsmarkt.

Het Hof stelt dat de wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft en dat de groep belastingplichtigen die al verplichtingen was aangegaan, onderdeel was van het politieke debat. De verhoging per 1 januari 2020 vormt geen onaanvaardbare inbreuk op artikel 1 EP Pro. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de aanslag bevestigd.

Uitkomst: Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en bevestigt de aanslag van de Inspecteur, waarbij de verhoging van het bijtellingspercentage geen onaanvaardbare inbreuk op artikel 1 EP vormt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 25/2055
uitspraakdatum: 17 maart 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Groningen(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2025, nummer LEE 24/4943, ECLI:NL:RBNNE:2025:2815, in het geding tussen de Inspecteur en
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.
1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij is verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede mr. [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is gedurende het belastingjaar 2020 in dienstbetrekking werkzaam bij [werkgever] (hierna: de werkgever).
2.2.
Op 2 april 2019 heeft de werkgever een definitieve bestelling geplaatst voor de levering van een elektrische auto, teneinde die aan belanghebbende ter beschikking te stellen voor zakelijke doeleinden en privédoeleinden. Het gaat om een Hyundai Kona met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De verwachte levertijd bedroeg op dat moment ongeveer 12 maanden.
2.3.
De datum van eerste toelating (tevens tenaamstelling) van de auto is 20 mei 2020. Op dezelfde dag is de auto geleverd en door de werkgever aan belanghebbende ter beschikking gesteld. De catalogusprijs van de auto is in het kentekenregister van de RDW geregistreerd op een bedrag van € 40.910 en de CO2-uitstoot op 0 gram per kilometer.
2.4.
De werkgever heeft bij de inhouding van loonheffingen over het kalenderjaar 2020 een forfaitaire bijtelling wegens privégebruik van de auto in aanmerking genomen, waarbij is uitgegaan van 8% van de catalogusprijs van de auto en rekening is gehouden met de door belanghebbende betaalde werknemersbijdrage.
2.5.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.353. Belanghebbende heeft in zijn aangifte een negatieve correctie van € 945 op het loon aangegeven, met als toelichting ‘Corr bijt auto van 8% naar 4% over 40.910’. Op dezelfde dag heeft belanghebbende naar de Inspecteur een brief gestuurd waarin hij zijn standpunt met betrekking tot deze correctie op de bijtelling toelicht. Belanghebbende heeft de correctie berekend door uit te gaan van het bijtellingstarief dat voor elektrische auto’s in 2019 (4% in plaats van 8%) gold.
2.6.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 29 september 2023 een aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2020 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.298. Daarbij is de Inspecteur afgeweken van de aangifte door de negatieve correctie van € 945 niet in aanmerking te nemen. Belanghebbende heeft op 6 november 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.
2.7.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 10 juli 2025 het beroep tegen de uitspraken op bezwaar gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.353. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de verhoging met ingang van 1 januari 2020 van de per saldo bijtelling van 4% naar 8% van nulemissieauto’s (verlaging van de korting van 18% naar 14%) in artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) op stelselniveau in strijd is met artikel 1 Eerste Pro Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP Pro). Die schending bestaat ten aanzien van de groep belastingplichtigen die op het moment van aankondigen van de verdubbeling van de bijtelling reeds redelijkerwijs onomkeerbare (financiële) verplichtingen waren aangegaan. Door met deze groep geen rekening te houden, is er volgens de Rechtbank geen sprake van een ‘fair balance’. De Rechtbank heeft daartoe overwogen dat de wetgever geen woord heeft gewijd aan de specifieke gevallen, zoals die van belanghebbende, waarbij al verplichtingen zijn aangegaan die redelijkerwijs niet meer kunnen worden teruggedraaid, zodat de gevolgen van de verhoging van de bijtelling voor die gevallen door de wetgever niet zijn meegewogen. Verder heeft de Rechtbank overwogen dat deze groep belastingplichtigen voorafgaand aan de aankondiging van de nieuwe wetgeving op 28 juni 2019 de gerechtvaardigde verwachting (‘good faith’) had dat de wetgever zich zou houden aan eerder aangekondigde plannen en het bijtellingspercentage niet zomaar zou verdubbelen. Voor de aantasting van de gerechtvaardigde verwachtingen van deze groep ziet de Rechtbank geen specifieke en dwingende redenen. De Rechtbank heeft gelet op de schending van artikel 1 EP Pro de bijtelling wegens privégebruik van de auto ter zake van belanghebbende verminderd naar het bijtellingspercentage van vóór de aankondiging, te weten (per saldo) 4%.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de aanslag in de IB/PVV voor 2020 op het juiste bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de per saldo verhoging van het bijtellingspercentage wegens privégebruik van een elektrische auto per 1 januari 2020, in een geval als dat van belanghebbende, – op stelselniveau – een onaanvaardbare inbreuk vormt op artikel 1 EP Pro. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.
3.2.
Partijen hebben ter zitting van het Hof eenparig verklaard dat ervan kan worden uitgegaan dat het voordeel dat de werkgever bij de inhouding van loonheffingen in 2020 ter zake van het privégebruik van de auto in aanmerking heeft genomen € 76 bedraagt.
3.3.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en primair tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar en subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.222 (= € 54.298 -/- € 76).
3.4.
Belanghebbende concludeert, gelet op het onder 3.2 overwogene, eveneens tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.222 (= € 54.298 -/- € 76).

4.Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader
4.1.
Ingevolge artikel 13bis, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet LB 1964 wordt, indien ook voor privédoeleinden een auto ter beschikking is gesteld, het voordeel op kalenderjaarbasis gesteld op ten minste 22% van de waarde van de auto indien de auto niet meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen. Op grond van het tweede lid (tekst 2020) wordt dit voordeel op kalenderjaarbasis verlaagd met 14% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is. Ingevolge het achttiende lid is na de eerste wijziging van het percentage in het tweede lid na de datum van eerste toelating van de auto, voor een periode van 60 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgende op de datum van eerste toelating, de verlaging, bedoeld in het tweede lid, van toepassing overeenkomstig de bepalingen die gelden direct voorafgaand aan die wijziging. In het jaar 2019 bedroeg de in het tweede lid bedoelde verlaging 18%. Per 1 januari 2020 is het percentage van de verlaging vastgesteld op de hiervoor vermelde 14% (artikel V van Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord, Stb. 2019, 511). De verlaging is in de jaren daarna stapsgewijs verder afgebouwd.
Parlementaire geschiedenis
4.2.
De verlaging van 18% op nulemissieauto’s volgde uit de Wet uitwerking Autobrief II. In de memorie van toelichting is hierover onder meer het volgende vermeld:
“Het kabinet stelt voor de nulemissieauto’s tot 2021 onverminderd te blijven stimuleren. Dit houdt in dat voor nieuwe nulemissieauto’s op de bijtelling van 22% een korting van 18% van de waarde van de auto wordt toegepast, per saldo resulterend in een bijtelling van 4%. Gelet op de verminderde stimulering voor de (zeer) zuinige auto’s wordt de stimulering voor nulemissieauto’s dus relatief groter.
(…)
Toekomstbeeld en overgangsrecht milieugerelateerde kortingen
Voor nieuwe auto’s van de zaak waarvoor vanaf 2017 tot en met 2020 een milieugerelateerde verlaging van de bijtelling van toepassing is, wordt voorzien in overgangsrecht. De milieugerelateerde korting op de bijtelling blijft gedurende 60 maanden na de maand van de DET van de auto van kracht. Dat betekent dat voor de laatste nieuwe auto’s uit 2020 pas vanaf 2026 geen kortingen op de bijtelling meer van toepassing zullen zijn. Ook voor het op 31 december 2016 bestaande wagenpark auto’s van de zaak waarvoor een milieugerelateerde verlaging van de bijtelling van toepassing is, geldt overgangsrecht.”
(MvT, Kamerstukken II 2015/16, 34391, nr. 3, p. 20)
In de memorie van antwoord bij het betreffende wetsvoorstel heeft de staatssecretaris van Financiën erkend dat het risico op oversubsidiëring bij de nulemissieauto’s groter is dan het risico op ondersubsidiëring en om die reden toegezegd de maatregelen uit het wetsvoorstel al in 2018 te evalueren en indien gewenst bij te sturen vanaf 2019 (zie Kamerstukken I 2015/16, nr. D, p. 2).
4.3.
In een brief van 5 juli 2018 heeft de staatssecretaris van Financiën de Tweede Kamer geïnformeerd over een tussentijdse evaluatie van de maatregelen uit de Wet uitwerking Autobrief II. Daarin is vermeld dat hij geen noodzaak ziet om bij te sturen, maar de ontwikkelingen als gevolg van de maatregelen de komende jaren scherp zal blijven monitoren (Kamerstukken II, 2017/18, 32800, nr. 44, p. 9). In het verslag van een algemeen overleg dat de staatssecretaris van Financiën op 13 februari 2019 met de vaste commissie voor Financiën heeft gevoerd over onder meer de tussentijdse evaluatie van de Wet uitwerking Autobrief II is vermeld dat de staatsecretaris op vragen (of het huidige beleid ter subsidiëring van elektrische auto’s doelmatig is) heeft geantwoord dat een deel van de stimulering die de afgelopen jaren is gegeven, gewoon te veel was en niet doelmatig. Hij verklaarde maatregelen te gaan aanpassen om ervoor te zorgen dat de stimulering minder is (Kamerstukken II 2018/19, 32800, nr. 56, p. 54). Op 21 februari 2019 is door de leden Omtzigt en Lodders een motie ingediend, inhoudende dat de Algemene Rekenkamer wordt verzocht een nadere analyse en update te geven van de doelmatigheid van de stimuleringsmaatregelen voor elektrische auto’s en dan met name elektrische leaseauto’s in de periode van de tweede Autobrief, inclusief de jaren 2019 en 2020 (Kamerstukken II 2018/19, 32800, nr. 55). De motie is aangenomen.
4.4.
Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het zogenoemde Klimaatakkoord gepresenteerd. In dit Klimaatakkoord is aangekondigd dat de bijtelling voor elektrische auto’s in 2020 naar 8% wordt verhoogd. Hierover is het volgende vermeld:
“In de periode tot de overgang naar een nieuw systeem wordt de stimulering van elektrisch rijden aangepast doorgezet. Het kabinet wil immers oversubsidiëring voorkomen, rekening houden met de ontwikkelingen in de snelgroeiende markt, aansluiten bij het handelingsperspectief van de particuliere automobilist en de tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s op gang brengen.
Het kabinet zet de huidige systematiek van stimulering van EV voort t/m 2025. Daarbij kiest het kabinet voor een stapsgewijze oploop van de bijtelling om oversubsidiëring te voorkomen. De bijtelling voor zakelijke rijders gaat daarom in 2020 naar 8% en het plafond waarboven deze korting niet meer geldt voor het resterende bedrag van de aanschafprijs wordt verlaagd. Hiermee zorgt het kabinet ervoor dat de stimulering gericht wordt op de aanschaf van modellen die later ook interessant zijn voor de tweedehands markt.”
(Kamerstukken II 2018/19, 32813, nr. 342, p. 11)
4.5.
In het debat over het pakket klimaatmaatregelen (Klimaatakkoord) van 3 juli 2019 is de vraag (van het kamerlid J.F. Klaver) aan de orde gekomen waarom de bijtelling, in afwijking van Autobrief II, al in 2020 omhooggaat. Over de specifieke groep die in 2019 een bestelling voor een elektrische auto heeft geplaatst, maar pas in 2020 geleverd krijgt, is het volgende vermeld:
“Staatssecretaris Van Veldhoven- van der Meer [Hof: de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat]:
(…)
Voorzitter. Dan had de heer Klaver nog een vraag over de bijtelling die al in 2020 verhoogd wordt. Dat is inderdaad een lastige maatregel. Er zitten altijd plussen en minnen in een akkoord, en dit is een lastige maatregel. Maar ik vind het wel belangrijk om te preciseren voor welke groep dit geldt. Mensen die nu al in een elektrische auto buiten rondrijden, worden hier niet door geraakt. Dit gaat alleen om de mensen die eigenlijk op de wachtlijst stonden en die hun auto dit jaar besteld hebben, maar die pas volgend jaar geleverd krijgen. Als u nu al in een elektrische auto rijdt, raakt het u dus niet. De kleine groep die op de wachtlijst stond voor een auto is de groep waar het over gaat. Voor iedereen die het raakt, is dat natuurlijk vervelend, maar als je het op het hele wagenpark bekijkt, dan is het een relatief kleine groep
.
(…)
De indruk die we nu hebben, is dat het gaat om een 10.000 mensen die daardoor geraakt worden. Dat is voor iedereen natuurlijk heel vervelend, maar op de grote groep van het wagenpark is dat een relatief kleine groep.
De heer Klaver (GroenLinks):
Dit is waarom ik deze vraag stel: het is een betrekkelijk kleine groep, en daarmee is het effect ook betrekkelijk klein, zowel financieel als ten aanzien van wat het voor het milieu doet. De reden waarom ik de vraag stelde, was dat het wel iets zegt over de betrouwbaarheid van de overheid. Mijn vraag is dus toch: waarom neemt u deze maatregel al voor 2020 en voor deze groep?
Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik snap de vraag en die is ook terecht. Wij hebben dit gedaan, omdat we aan de ene kant overstimulering willen voorkomen. Aan de andere kant gaat ook de cap in. Nederland wil een ander soort auto’s aantrekken. Want wat zag je gebeuren? De Rekenkamer heeft daar ook een aantal keren aandacht aan besteed. De afgelopen jaren vroeg het soort auto’s dat we aantrokken, per auto een relatief grote stimulering, maar die auto's waren te duur voor de tweedehandsmarkt. Vervolgens werden die geëxporteerd naar het buitenland. Je zou kunnen zeggen: laat die situatie nog een jaar voortbestaan. Dan krijg je echter een grote piek in de aankoop van juist dat soort auto’s. En waarschijnlijk gaan die daarna weer naar het buitenland gaan, als je de resultaten uit het verleden bekijkt. Wat we dus willen doen, is zo snel mogelijk de focus verleggen naar de auto's die daarna ook interessant zijn voor de tweedehandsmarkt. We willen dus niet meer de Tesla’s en de Jaguars, maar meer de middenklassenauto's. We laten dit nu snel ingaan, omdat je anders nog een soort piek in de markt creëert van auto's die je niet meer wilt aantrekken.
(…)
De heer Klaver (GroenLinks):
(…)
Voorzitter. Ik wil echt nog even op terugkomen op de auto’s om het goed te snappen. Ik snap heel goed dat je een ander type auto wil. Daar ben ik het mee eens. U zegt terecht dat deze mensen de auto al besteld hebben, maar dat die nog niet geleverd is. Die auto komt dus sowieso naar Nederland. De vraag is wat het effect is van deze maatregel die nu ingaat. Komen er daardoor echt minder auto’s van dit type op de Nederlandse markt?
Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Deze auto’s zijn besteld. Wat het voor deze mensen betekent, is dat de korting op hun bijtelling omlaaggaat van 18% naar 14%. Het betekent voor deze mensen dus een financieel verschil. Dat zou per maand een paar tientjes verschil kunnen maken. Het is dan de vraag of zo’n auto daarvoor dan niet meer naar Nederland komt, want als je de bijtelling van vergelijkbare fossiele auto’s bekijkt, is die nog steeds een stuk hoger. Dan is het dus nog steeds een stuk aantrekkelijker om deze auto te rijden.
De heer Klaver (GroenLinks):
Ik stel deze vragen omdat het me gaat om de proportionaliteit van ingrijpen in een belofte die de overheid heeft gedaan. Ik ben het er nog mee eens ook. Ik snap heel goed waarom het kabinet het doet. Maar om dan deze relatief kleine groep te pakken … Die auto’s komen toch naar Nederland, want een wachtlijst betekent vaak dat ze al besteld zijn. Ik hoop dat het kabinet daar nog over wil nadenken. Als je het hebt over draagvlak, is dit iets dat er bij heel veel mensen in hakt, zelfs als je er onwijs tegen bent dat auto’s ook gesubsidieerd worden.
Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik ben blij dat we met elkaar constateren dat het kabinet de goede richting kiest met de elektrische auto’s: een ander type auto en focus op de tweedehandsmarkt. We hebben gekeken of we het een halfjaar later konden laten ingaan om de net bestelde auto’s erbuiten te laten vallen, maar dat blijkt niet uitvoerbaar voor de Belastingdienst. Ik heb tegen de mensen aan tafel wel gezegd: laten we met elkaar om tafel gaan om te kijken waar dit knelpunten oplevert. Dit pakket staat, maar laten we met elkaar kijken naar het handelingsperspectief.”
(Handelingen II 2018/19, nr. 101, item 15, p. 48-50)
4.6.
Voorstellen ter uitwerking van de aangekondigde fiscale maatregelen uit het Klimaatakkoord zijn opgenomen in het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord. In de memorie van toelichting is omtrent het verlagen van de korting van 18% naar 14% het volgende vermeld:
“In overeenstemming met de afspraken in het Klimaatakkoord wordt bij de stimulering van elektrische auto’s meer rekening gehouden met de ontwikkelingen in de markt. De verkoopcijfers van elektrische voertuigen tonen aan dat de verkoop van elektrische auto’s aanvankelijk achterbleef bij de ramingen, maar dat het gevoerde beleid succesvol is en dat de verkopen de verwachtingen van de Wet uitwerking Autobrief II inmiddels ruimschoots overtreffen. In 2018 zijn ongeveer twee keer zoveel elektrische auto's verkocht als verwacht. De verkopen tot nu toe in 2019 laten zien dat ook in 2019 meer elektrische auto’s zullen worden verkocht dan eerder geraamd. Een dergelijke stijging van de verkopen is een aanwijzing dat de mate van stimulering waarschijnlijk hoger is dan noodzakelijk om het gewenste doel te bereiken. Dat is voor het kabinet aanleiding om al met ingang van 1 januari 2020 over te gaan tot een verlaging van de korting op de bijtelling voor elektrische auto’s en een verlaging van de cap. De korting op de bijtelling bedraagt zoals gezegd op dit moment 18%-punt. Het kabinet stelt voor met ingang van 1 januari 2020 deze korting te verlagen tot 14%-punt en tegelijkertijd de cap te verlagen tot € 45.000 waardoor in 2020 de korting maximaal € 6300 bedraagt.”
(MvT, Kamerstukken II 2019/20, 35304, nr. 3, p. 5)
In de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord (bijlage bij de MvT, p. 5), waarin is geconcludeerd dat het voorstel uitvoerbaar is, is onder meer het volgende vermeld:
“Handhaafbaarheid
Bij dit voorstel gaat het om het resultaat van het Klimaatakkoord dat deels afwijkt van de Autobrief. Er zijn situaties waarin gewekte verwachtingen niet uitkomen. Dat kan tot geschillen en procedures leiden.”
4.7.
In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord is omtrent de opmerkingen in de uitvoeringstoets het volgende vermeld:
“9. Uitvoeringskosten Belastingdienst
De leden van de fractie van GroenLinks lezen in de uitvoeringstoets dat het aanpassen van de bijtelling (ten opzichte van de Autobrief) kan leiden tot geschillen en procedures en vragen daarop in te gaan. Ook vragen zij of een procedure voor de burger zin heeft. Bij recente wetgeving zijn verwachtingen voor burgers gewekt over de fiscale bijtelling voor het privé gebruik van een auto van de zaak. Nu deze recent tot stand gebrachte aanpassingen met dit wetsvoorstel worden aangepast grijpt dit in op mogelijke verwachtingen en neemt de spanning op het rechtsgevoel van de burger toe. Dat zal hen eerder en sneller doen besluiten de gang naar de rechter te nemen, ook al is het de verwachting dat de rechter deze bevoegdheid van de wetgever de wet wederom aan te passen zal bekrachtigen.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat de verwachte kosten zijn van geschillen en procedures in het kader van het aanpassen van de bijtelling (ten opzichte van de Autobrief). De hoeveelheid geschillen en procedures zijn afhankelijk van het gedrag van burgers. Het is op voorhand niet duidelijk hoeveel burgers in bezwaar komen en procedures starten. De Belastingdienst heeft twee fte (€ 170.000) opgesteld voor werkzaamheden in het kader van vragen, verzoeken en eventuele bezwaren of procedures ten aanzien van deze aanpassing.”
(Kamerstukken II 2019/20, 35304, nr. 6, p. 40-41)
Schending van artikel 1 EP Pro
4.8.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de per saldo verhoging per 1 januari 2020 van het bijtellingspercentage wegens privégebruik van zijn elektrische auto – op stelselniveau – in strijd is met artikel 1 EP Pro. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat hij zich kan vinden in de interpretatie die de Rechtbank in haar uitspraak aan zijn stellingen heeft gegeven en dat ook zijn in hoger beroep – in het verweerschrift en in de pleitnota – ingenomen stellingen zijn bedoeld als verschillende argumenten in het kader van artikel 1 EP Pro. In de kern komt het standpunt van belanghebbende erop neer dat de wetgever het eigendomsrecht heeft geschonden (geen ‘fair balance’) door geen overgangsrecht op te nemen voor gevallen, zoals dat van belanghebbende, waarin voorafgaand aan de aankondiging van de verhoging van de bijtelling al onomkeerbare (financiële) verplichtingen zijn aangegaan. Op grond van de Wet uitwerking Autobrief II mochten belastingplichtigen ervan uitgaan dat de regeling ongewijzigd zou blijven. De Inspecteur is een tegenovergestelde mening toegedaan.
4.9.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de gestelde strijdigheid met artikel 1 EP Pro gebaseerd wordt op het betoog dat bij de beperking van een gunstige belastingmaatregel de gerechtvaardigde verwachtingen van de betrokkenen zijn geschonden, komt het erop aan of bij die beperking een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) bestaat tussen het met die beperking nagestreefde – legitieme – doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele belangen. Bij de beoordeling of dit het geval is, moet aan de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge worden gelaten (zie onder meer HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121, r.o. 2.4.2 en HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:589, r.o. 2.3).
4.10.
De Rechtbank heeft voor zijn oordeel dat sprake is van schending in vorenbedoelde zin onder meer redengevend geacht dat de wetgever met geen woord heeft gerept over de groep belastingplichtigen die vóór de aankondiging op 28 juni 2019 (zie 4.4) al verplichtingen is aangegaan en de gewekte verwachtingen van deze groep dus in het geheel niet zijn meegewogen. Deze overweging mist feitelijke grondslag aangezien uit het onder 4.5 vermelde blijkt dat de gevolgen voor deze specifieke groep onderdeel is geweest van het debat.
4.11.
Uit de onder 4.4 tot en met 4.6 geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever met de stapsgewijze oploop van de bijtelling vanaf 2020 het volgende heeft beoogd: oversubsidiëring voorkomen, rekening houden met de ontwikkelingen in de snelgroeiende markt, aansluiten bij het handelingsperspectief van de particuliere automobilist en de tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s op gang brengen. Daarbij is ervoor gekozen de maatregel niet een halfjaar later in te laten gaan om de net bestelde auto’s erbuiten te laten vallen – zodat, naar het Hof begrijpt, ook deze groep zou vallen onder het onder artikel 13bis, lid 18, van de Wet LB 1964 opgenomen overgangsrecht – omdat dit niet uitvoerbaar blijkt voor de Belastingdienst. De wetgever realiseerde zich dat deze relatief kleine groep er per maand een aantal tientjes op achteruit zou gaan.
4.12.
Bij de beoordeling of bij de beperking van een gunstige belastingmaatregel een ‘fair balance’ in acht is genomen, moet in aanmerking worden genomen dat niet elke wijziging van belastingwetgeving leidt tot een door artikel 1 EP Pro verboden inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom. Burgers kunnen in het algemeen in redelijkheid niet erop vertrouwen dat de belastingwetgeving ongewijzigd zal blijven (zie onder meer HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121, r.o. 2.4.5 en HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:589, r.o. 2.3). Er bestaat geen grond in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken. Belastingplichtigen mochten niet, te meer niet in het licht van de uit 4.3 blijkende politieke aandacht en het in de wet opgenomen overgangsrecht dat aansluit bij de datum eerste toelating van de auto, erop rekenen dat een wijziging van het bijtellingspercentage op hen niet van toepassing zou zijn bij de levering van een elektrische auto een jaar na de bestelling. Daargelaten of sprake is van een gerechtvaardigde verwachting die als een ‘possession’ in de zin van artikel 1 EP Pro kan worden beschouwd, is het Hof van oordeel dat de wetgever met de gemaakte afweging (zie 4.11) voor het reeds op 1 januari 2020 laten ingaan van de (per saldo) verhoging van het bijtellingspercentage zonder daarbij specifiek voor de groep die vóór de aankondiging op 28 juni 2019 al verplichtingen is aangegaan een overgangsregeling te treffen, niet is getreden buiten zijn ruime beoordelingsmarge.
4.13.
Gelet op het voorgaande vormt de verhoging per 1 januari 2020 van het bijtellingspercentage wegens privégebruik van een elektrische auto – op stelselniveau – geen onaanvaardbare inbreuk op artikel 1 EP Pro. Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Nu belanghebbende ter zitting van het Hof heeft bevestigd dat hij met de extra heffing over (ten hoogste) € 76 in dit geval niet wordt getroffen door een individuele en buitensporige last, is de aanslag niet te hoog vastgesteld.
4.14.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Het hoger beroep is ook in zoverre gegrond.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– bevestigt de uitspraken van de Inspecteur.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (G.B.A. Brummer)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.