Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1691

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
23/2320
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 4 Wet DividendbelastingArt. 11a Wet DividendbelastingArt. 20 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 67f Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 28 Wet op de vennootschapsbelasting 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over naheffingsaanslag dividendbelasting en vergrijpboete wegens kunstmatige fiscale structuur

Belanghebbende, een Nederlandse besloten vennootschap, werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag dividendbelasting van ruim €44 miljoen, belastingrente en een vergrijpboete van €22 miljoen vanwege een kunstmatige internationale structuur gericht op het creëren van belastingvoordelen.

De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag en boete vernietigd. De Inspecteur ging in hoger beroep. Het hof oordeelde dat belanghebbende verplicht was de ingehouden dividendbelasting af te dragen, ook als achteraf blijkt dat de inhouding onterecht was, en dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd.

Verder stelde het hof vast dat belanghebbende en haar bestuurders wisten dat er feitelijk geen Luxemburgse dividendbelasting drukte, waardoor het beroep op afdrachtvermindering onterecht was. Het hof vond het opleggen van de vergrijpboete passend en geboden, ondanks het pleidooi van belanghebbende voor een pleitbaar standpunt.

De belastingrente werd niet verminderd vanwege de complexiteit en omvang van het onderzoek. Wel werd de boete licht verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hoger beroep van de Inspecteur werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank, bevestigt de naheffingsaanslag en vergrijpboete, en vermindert de boete licht wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/2320
uitspraakdatum: 24 maart 2026
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Amsterdam(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 mei 2023, nummer ARN 20/3168, ECLI:NL:RBGEL:2023:4418, in het geding tussen de Inspecteur en
[belanghebbende] B.V.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 31 oktober 2018 een naheffingsaanslag dividendbelasting over de periode 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2014 tot een bedrag van € 44.887.500 opgelegd. Bij afzonderlijke beschikkingen is belastingrente tot een bedrag van € 8.630.868 in rekening gebracht en is een vergrijpboete van € 22.443.750 opgelegd.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag, de beschikking belastingrente en de boetebeschikking vernietigd, de Inspecteur veroordeeld tot betaling van € 3.399 aan proceskosten en de Inspecteur gelast het griffierecht ten bedrage van € 354 te vergoeden.
1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord A. Westerman, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door drs. [naam2] , [naam3] en mr. [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende, een naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap, is op 15 juni 2012 opgericht door [holding1] N.V. Bij akte van oprichting is [holding1] tot algemeen directeur van belanghebbende benoemd.
2.2.
[holding1] , een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap, drijft een onderneming die actief is op het gebied van vermogensbeheer. Het bestuur van [holding1] bestond in de jaren 2012 en 2013 uit [bestuurder1] , [bestuurder2] en [bestuurder3] . Daarnaast trad [portfoliomanager] op als portfoliomanager van [holding1] . [bestuurder1] is volgens het Investment Memorandum van [holding1] ‘certified tax advisor’.
2.3.
[Ltd1] - een op de Kaaimaneilanden gevestigde vennootschap - houdt alle aandelen in de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap [Ltd2] . De aandelen van [Ltd1] worden gehouden door de in Gibraltar gevestigde vennootschap [Ltd3] . [Ltd1] is de beleggingsadviseur van belanghebbende. [Ltd1, Ltd2 en Ltd3 hierna tezamen: de Ltd-groep]
2.4.
Begin 2012 hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen [holding1] en vertegenwoordigers van [Ltd1] over mogelijke transacties die [Ltd1] met [holding1] wil gaan ondernemen. Namens [holding1] heeft [bestuurder1] aan deze gesprekken deelgenomen.
2.5.
In 2012 hebben [holding1] , [Ltd1] en [Ltd2] zich gericht op het opzetten van een structuur die als doel had om gebruik te maken van een ‘lek’ in de fiscale wetgeving, in het bijzonder artikel 10 en Pro 11 van de Wet op dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB).
2.6.
Op 23 maart 2012 heeft [bestuurder1] in een e-mailbericht geschreven:
‘De [Ltd-groep] deal is zojuist gelukt’
2.7.
Op 29 juni 2012 heeft de Amerikaanse [Group-Trust] , door middel van koop, de eigendom van alle aandelen in belanghebbende verworven.
2.8.
In een e-mailbericht van 8 november 2012 heeft [bestuurder1] aan een medewerker van [belastingadvieskantoor1] over een op handen zijnde wijziging van de Wet DB geschreven:
‘Hi [naam5] ,
Hij is op de hoogte. Onze client in NYC ook. Gaag willen we alles weten voor maandag.
Als dit per 1 Jan ingaat, dan heeft ons fonds geen zin meer en lijkt al ons werk voor niets te zijn geweest.’
2.9.
In een e-mailbericht van 17 december 2012 heeft [portfoliomanager] aan een medewerker van [Ltd-groep] geschreven, met onder meer [bestuurder1] en [bestuurder3] in cc:
“Hi [naam6] ,
I hope you are doing well. Have you had any discussions with [belastingadvieskantoor2] lately on the new legislation and possibly the new structures in the Netherlands?
As you know we are looking to the alternative of putting a BV between the investor and the FBI [fiscale beleggingsinstelling] (so the investor invests in the BV and the BV invests in the FBI).”
2.10.
In een presentatie van 30 januari 2013 is een structuur beschreven waarbij [Ltd1] 1,2 miljoen aandelen B in (de nog op te richten) [SARL2] aan belanghebbende zal verkopen voor een bedrag van € 1,2 miljoen. Daarbij wordt vermeld dat [SARL2] een naar Luxemburgs recht opgerichte S.à.r.l. is, wier kapitaal uit 798,8 miljoen aandelen A en 1,2 miljoen aandelen B zal bestaan, elk met een nominale waarde van € 1. Ook staat er dat een recht van vruchtgebruik op aandelen B zal worden gevestigd, op grond waarvan de dividenden zullen worden uitgekeerd aan een tot de [Ltd-groep] behorende vennootschap ( [Ltd2] ).
2.11.
Vanaf januari 2013 heeft [holding1] [belastingadvieskantoor1] betrokken bij de opzet van de door [Ltd-groep] voorgestelde transactie.
2.12.
In een e-mailbericht van 14 februari 2013, aan onder andere [bestuurder2] en [bestuurder3] , schrijft [bestuurder1] aan een mailgroep met de naam ‘Iedereen’:
“Mes amis,
Zojuist heb ik de 2e meeting vandaag gehad met [Ltd-groep] .
We gaan 2 nieuwe fondsen voor ze managen en met [belanghebbende] gaan we een nieuwe transactie doen. Ik heb zojuist [Ltd-groep] medegedeeld dat wij van [belastingadvieskantoor1] de bevestigingen die we wilden hebben ook daadwerkelijk hebben gekregen.
[belastingadvieskantoor1] gaat eea op papier zetten. Dit zal eind vlgde week gereed zijn.”
2.13.
Op 13 maart 2013 heeft [Ltd1] de Luxemburgse vennootschap [SARL1] opgericht. Op dezelfde dag heeft [SARL1] de Luxemburgse vennootschap [SARL2] opgericht. De aandelen van [SARL2] zijn onderverdeeld in Class A-shares en Class B-shares.
2.14.
Op 22 maart 2013 heeft [belastingadvieskantoor1] een analyse van de Nederlandse fiscale gevolgen van de voorgenomen transactie aan [holding1] verstrekt.
2.15.
In een e-mailbericht van [medewerker1 Ltd-groep] van 24 maart 2013 aan [bestuurder1] , heeft eerstgenoemde geschreven:
“ [bestuurder1] ,
I was speaking from my car earlier and got cut off. I got your voicemail so I think we are in agreement on our side. As discussed, it is critical that the FBI pays an interim dividend before 31 August 2013 and at least one further interim dividend prior to 31 December 2013. This has always been what is contemplated.”
2.16.
Op 25 maart 2013 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen de Luxemburgse fiscale autoriteiten en advocaten van [advocatenkantoor1] , waarin is gesproken over een voorgenomen transactie waarbij [Ltd1] of een gelieerde vennootschap betrokken zal zijn.
2.17.
In een brief van 9 april 2013 van [belastingadvieskantoor1] aan [bestuurder1] , [bestuurder3] en [bestuurder2] , over de door belanghebbende in te dienen aangiften dividendbelasting en vennootschapsbelasting staat het volgende:

(…) Aangifte dividendbelasting
Ter zake van de aangifte dividendbelasting geldt dat (de beheerder namens) het fonds zelf een aangifte indient en daarbij naar eigen inzicht afdrachtvermindering claimt.
Om afdrachtvermindering te mogen claimen is het uiteraard vereist dat de uitkerende vennootschap als fiscale beleggingsinstelling kan worden aangemerkt vanaf het begin van het boekjaar waarin het onderliggende dividend door het fonds wordt ontvangen tot en met het doen van de dividenduitkering door het fonds zelf.
Omdat in casu (met name gelet op de aandeelhouderseisen) in redelijkheid getwijfeld kan worden over de FBI-status, zou bij voorkeur een dividenduitkering niet eerder plaatsvinden dan na afloop van het boekjaar. Dat stelt het fonds namelijk in staat om de belastingdienst bij zijn aangifte vennootschapsbelasting te informeren op de wijze die hiertoe naar onze mening minimaal noodzakelijk is. Wij begrijpen dat het fonds voornemens is interim dividenduitkeringen te doen. Dit impliceert dat het fonds dient te zorgen dat de belastingdienst middels de aangifte dividendbelasting beschikt over de minimaal noodzakelijke informatie om te beoordelen of het in de aangifte geclaimde FBI-regime terecht (of in ieder geval pleitbaar) is geclaimd.
(…)
Aangifte vennootschapsbelasting
(…)
Wij geven in overweging om de aangifte vennootschapsbelasting zo snel mogelijk na afloop van het boekjaar in te dienen, en zo lang mogelijk te wachten met het ter beschikking stellen van het dividend. Indien in de eerste maand na afloop van het boekjaar de jaarrekening definitief wordt gemaakt, kan de aangifte in de tweede maand worden ingediend. Als de dividenduitkering in de 8e maand wordt gedaan, heeft de fiscus een klein half jaar om te beoordelen of het geclaimde 0%-tarief terecht van toepassing is. Mocht deze hobbel genomen zijn, dan vergroot dat onzes inziens namelijk de kans dat succesvol afdrachtvermindering kan worden geclaimd.
Verantwoordelijkheden en risico’s
Volledigheidshalve merken we op dat het uitgangspunt van het hiervoor beschrevene zoals besproken nadrukkelijk niet is de vraag of in onze ogen met succes afwijkende (naheffings- of navorderings)aanslagen kunnen worden opgelegd, maar de vraag onder welke voorwaarden [belastingadvieskantoor1] bereid is om de voormelde aangiften voor te bereiden. Dat is kort gezegd het geval indien de in de aangifte ingenomen standpunten pleitbaar zijn en onze inschatting is dat de kans op boetes voor voormelde belastingplichtige op een aanvaardbaar laag genoeg niveau ligt. Het mag evenwel duidelijk zijn dat het laatste oordeel daarover niet aan ons is, zodat toch rekening gehouden dient te worden met een afwijkende uitkomst. Wij hebben in dit memo aangegeven onder welke voorwaarden [belastingadvieskantoor1] bereid is om de genoemde aangiften voor te bereiden.
We merken op dat zowel de aangifte dividendbelasting als de aangifte vennootschapsbelasting door (de beheerder van) het fonds worden ingediend en dat deze dan ook jegens de fiscus verantwoordelijk is voor de inhoud van de aangiften.
Hoewel geen fiscaal risico, nemen we de vrijheid om voorts nog het volgende op te merken. Zelfs indien mocht blijken dat géén fiscale boetes worden opgelegd kan in onze ogen, mede gelet op de constellatie van het totale feitencomplex, niet worden uitgesloten dat de belastingdienst contact zoekt met de AFM om de (on)wenselijkheid van de transacties voor een onder toezicht staande beleggingsinstelling te bespreken. (…)”
2.18.
Met dagtekening 10 april 2013 heeft [advocatenkantoor1] namens [SARL1] en [SARL2] brieven gestuurd aan de Luxemburgse fiscale autoriteiten waarin de op 25 maart 2013 (zie 2.16) besproken transactie wordt weergegeven en een analyse is opgenomen van de Luxemburgse fiscale gevolgen van die transactie. Naast een beschrijving van de voorgenomen stappen en de fiscale gevolgen bevatten de brieven structuurschema’s met daarin de eigendomsverhoudingen, verwachte geldstromen en titels waaronder gelden over en weer ter beschikking worden gesteld. Over de Luxemburgse dividendbelastinggevolgen van de transactie is het volgende opgenomen:
´10. The tax withheld on the [SARL2] Dividend, due to the fact that the withholding tax is determined by reference to the legal owner of the Class B shares, will be credited against the corporate income tax due by [SARL1] in the calender year. To the extent that the withholding tax exceeds the tax payable by [SARL1] , as head of the fiscal unity, for the accounting period, the Luxembourg tax authorities will refund the overpayment on a regular basis upon request from [SARL1] . The refund request should be accompanied by a pro forma consolidated tax computation for the fiscal unity.”
Het document is voorzien van een stempel van ‘Administration des contributions * Bureau Societes 6 – service d’imposition’, met datum 30 april 2013.
2.19.
Bij brief van 15 april 2013 van [naam7] , managing member van [Investment LLC] , aan [bestuurder1] , heeft eerstgenoemde belanghebbende geïnformeerd over de mogelijkheid om te investeren in [SARL2] . Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
“ [Investment LLC] is the Investment Manager of the [Group-Trust] ,which owns shares in [belanghebbende] . We have been made aware of a potential investment opportunity with regard to [SARL2] , a privately held company that is resident in Luxembourg. [Ltd2] , a fiduciary to the ERISA plans that are invested the Group Trust has informed me of this investment opportunity. I note, that while [Ltd2] and its 100-percent parent [Ltd1] are parties in interest to the ERISA plans invested in the Group Trust, neither [Ltd2] or [Ltd1] are have any discretionary investment authority or control with regard to the assets invested in [belanghebbende] and [Group-Trust] is solely responsible for the appoint of [holding1] as fiduciary and QPAM with respect to the Group Trust's assets invested in [belanghebbende] . Given the potential risk adjusted returns, I ask that [holding1] consider this investment for [belanghebbende] .”
2.20.
Op 22 april 2013 heeft belanghebbende naar aanleiding van het onder 2.19 genoemde advies van [naam7] besloten tot het doen van een investering van € 1.101.005 in B-aandelen in [SARL2] .
2.21.
Op 29 april 2013 heeft [SARL1] haar Class B-shares in [SARL2] overgedragen aan [Ltd1] . Diezelfde dag heeft [Ltd1] de aandelen B aan belanghebbende verkocht voor € 1,1 miljoen.
2.22.
Op 1 mei 2013 is [Group-Trust] met [Ltd2] overeengekomen dat [Group-Trust] aan [Ltd2] , tegen betaling van 86% van de toekomstige dividenden uit belanghebbende, het recht van vruchtgebruik verleent op de aandelen in belanghebbende.
2.23.
Tot het dossier behoren ‘Tax vouchers’ op naam van [SARL2] volgens welke aan belanghebbende als houder van de aandelen B in 2013 in vijf delen totaal van € 300 miljoen, aan dividend is uitgekeerd. De tax vouchers zijn voorzien van een bevestiging van de Luxemburgse fiscale autoriteiten dat op de desbetreffende dividenden 15 procent aan dividendbelasting is ingehouden. De eerste tax voucher betreft een bruto dividenduitkering op 3 mei 2013 van 19 miljoen euro, waarop een bedrag van € 2.850.000 aan dividendbelasting is ingehouden, zodat een netto uitkering van € 16.150.000 resteert.
2.24.
Tot het dossier behoort een tussentijdse balans van [SARL1] , opgemaakt per 2 mei 2013 en gevoegd als bijlage bij een e-mailbericht van 7 mei 2013 van [medewerker1 Ltd-groep] aan [portfoliomanager] (cc. [bestuurder3] en [bestuurder1] ). Op deze balans staan op de debetzijde (onder meer) de volgende twee posten:
“Repo – Manufactured dividend 16.150.000
WHT receivable 2.850.000”.
2.25.
Het onder 2.24 genoemde e-mailbericht is met bijlagen op dezelfde dag door [bestuurder3] doorgestuurd naar [belastingadvieskantoor1] met [bestuurder2] in cc.
2.26.
Volgens informatie verstrekt door de Luxemburgs fiscale autoriteiten heeft [SARL1] op 3 mei 2013 een verzoek tot teruggaaf van een bedrag van € 2.850.000 aan dividendbelasting gedaan. In totaal heeft [SARL1] een bedrag gelijk aan de door [SARL2] ingehouden en afgedragen dividendbelasting verrekend dan wel terugontvangen op grond van een ruling met de Luxemburgse fiscus inzake de vennootschapsbelasting - waarbij [SARL2] als uiteindelijke gerechtigde van de [SARL2] -dividenden is aangemerkt.
2.27.
Op 26 juni 2013 heeft er met het oog op de op te stellen jaarrekeningen van belanghebbende over de hiervoor beschreven transactie waaraan belanghebbende deelneemt, overleg plaatsgevonden met [accountant A] .
2.28.
Op 26 juni 2013 heeft een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen [bestuurder1] en [bestuurder2] ( [bestuurder3] en [portfoliomanager] in cc) waarin wordt gesproken over vragen van [accountant A] .
Hierin schrijft [bestuurder1] :
“Het lijkt wel of ze naar argumenten zoeken om dwars te liggen. Dat wordt een stevig gesprek vrijdag.”
[bestuurder2] schrijft in reactie daarop:
“Dat denk ik niet, ze hebben wel hun verantwoordelijkheid en doorzien de casus zeer goed!”
2.29.
In een e-mailbericht van 2 juli 2013, met als onderwerp ‘gesprek [accountant A] 28 juni’, van [bestuurder2] aan [bestuurder1] , met [bestuurder3] en [portfoliomanager] in cc, schrijft [bestuurder2] :
“De onzekerheden van [accountant A] zijn de volgende:
1. [accountant A] wil meer comfort bij de gestructureerde investering van [belastingadvieskantoor1] . Het huidige onderhavige document biedt onvoldoende zekerheid en teveel mitsen en maren. Ze willen een meer "likely than not opinie/scenarioanalyse"
2. Gezien de investering van € 1,1 mio en de opbrengst van € 800 mio achten zij een "arms length" transactie niet opportuun.
3. waardering van de investering op de kostprijs van € 1,1 mio en niet de reële waarde overeenkomstig het (nog) te ontvangen dividend. Het mailtje van [medewerker1 Ltd-groep] van vorige week vrijdag gaf daarover meer zekerheid dat waardering op € 1,1 mio wel degelijk correct is.
4. [accountant A] wil ook comfort bij het contract van de lening van 2 miljard en de vergoeding daarop van € 800 mio. Is dit een arms length transactie. Volgens mij hebben we hen daarover wel voldoende geïnformeerd.
5. Opneming van de ingehouden LUX tax (€ 30 mio) als vordering teneinde ook weer ca. € 200 mio bruto dividend te kunnen uitkeren. Ik denk dat wij ze daarvan ook wel overtuigd hebben. Maar meer zekerheid van [belastingadvieskantoor1] kan geen kwaad.”
2.30.
Bij besluit van de directie van belanghebbende van 2 juli 2013 is een voorstel gedaan tot het doen van een interim dividenduitkering van € 199.250.000.
2.31.
Tot het dossier behoren mailwisselingen tussen [accountant A] en [holding1] waarin de accountant vragen stelt over de voorgenomen transactie. In een e-mail van 18 juli 2013 van accountant A aan [bestuurder1] schrijft accountant A:
“(…)
Dit feit samen met het feit dat ik moet begrijpen hoe de totale deal werkt en dat ik een verplichting heb om vast te stellen waar het geld vandaan komt maken dat wij een totaaloverzicht van de geldstromen willen hebben, waarbij vooralsnog de veronderstelling is dat het een gesloten systeem is (muv van fees etc). Ten aanzien van begrijpen van de deal is ons nog steeds niet duidelijk wat het economisch voordeel is. Betalen van tax in Lux en claimen in UK maar onderweg aanzienlijke fees betalen lijkt op zich niet een economisch rationele actie.”
2.32.
Op verzoek van [bestuurder1] heeft accountant A diezelfde dag hetzelfde e-mailbericht in het Engels aan [holding1] , [belastingadvieskantoor1] en vertegenwoordigers van [Ltd-groep] gestuurd.
2.33.
In een e-mailbericht van 19 juli 2013, intern verzonden aan collega’s, schrijft accountant A:
“Ten aanzien van economische realiteit /arms length transactie heb ik aangegeven dat het op zijn minst een bijzondere transactie blijft door het rendement wat in zo’n korte tijd behaald wordt. Verder de vraag gesteld wat nu het economische voordeel is van de structuur. RvC en directie geeft aan dat ze dat niet zeker weten en dat dat voor [Ltd-groep] is maar dat het mogelijk te maken heeft met compensabele belastingposities in de UK. Zij ontkennen niet dat het betalen van WHT in Lux en claimen in UK per saldo neutraal is.”
2.34.
[accountant A] heeft begin augustus 2013 besloten de controleopdracht terug te geven omdat afdoende antwoorden en onderbouwingen van de zijde van belanghebbende na vragen van [accountant A] over de transactie uitbleven.
2.35.
Vanwege het teruggeven van de controleopdracht is belanghebbende op zoek gegaan naar een nieuwe accountant. Die is gevonden in [accountant B] . In een e-mailbericht van 23 augustus 2013 schrijft [bestuurder2] aan [bestuurder1] , [bestuurder3] en [portfoliomanager] :
“Goed bericht,
Ze willen het graag doen, weliswaar onder voorbehoud van collegiaal overleg met [accountant A] (…) en het gegeven of daaruit nieuwe feiten naar voren komen. [naam8] gaat volgende week dinsdag/woensdag met vakantie. Hij probeert voor die tijd een ander over te dragen aan zijn collega [naam9] die nu met verlof is. Er komt ook een feequote. [naam8] stelt nu een mail op en stuurt deze door naar ondermeer [bestuurder1] en [bestuurder2] .
Vanwege de doorlooptijd van nog ruim drie weken in verband met de dividend aangifte (uiterlijk 15 september) gaan we een en ander nu snel in gang zetten.
(…)
Zij verwachten overigens dat de verklaring uitkomt op een oordeelonthouding vanwege de onzekerheid bij de belastingclaim. [bestuurder1] heeft vorige week al aangegeven dat dit geen direct probleem is. [naam8] refereerde daar nog aan.”
2.36.
Bij e-mailbericht van 5 september 2013 schrijft accountant B aan [belastingadvieskantoor1] , met onder meer [bestuurder3] en [bestuurder2] in cc, in het kader van de controleopdracht het volgende:
“Wij begrijpen de afdrachtsvermindering zodanig dat deze alleen kan worden toegepast als de in Luxemburg ingehouden dividendbelasting niet zal worden teruggevraagd. Kun jij bevestigen dat de Luxemburgse dividend belasting inderdaad niet wordt teruggevraagd.”
2.37.
In antwoord op dit e-mailbericht (met onder meer [bestuurder3] , [bestuurder2] en [bestuurder1] in cc) schrijft [belastingadvieskantoor1] op 6 september 2013:
“Je tweede vraag kunnen we niet bevestigen. Wij hebben ons steeds beperkt tot de mogelijke Nederlandse fiscale impact, waarbij wij er vanuit zijn gegaan dat er dividend door de FBI wordt ontvangen waarop Luxemburgse bronbelasting drukt. Uiteraard kan voor bronbelasting die niet drukt géén afdrachtvermindering worden geclaimd.”
2.38.
In reactie op dit e-mailbericht schrijft [bestuurder3] zeven minuten later aan alle geadresseerden:
“Allen, Mag ik dan aan het laatste punt van het antwoord van [contactpersoon belastingadvieskantoor1] , te weten de zogenaamde "tweede vraag" aanvullen/toevoegen, dat [belanghebbende] niet voornemens is, noch de intentie heeft tot het terugvragen van de in Luxemburg ingehouden dividend belasting. Bij dezen dus wel degelijk de gevraagde bevestiging!”
2.39.
In reactie op die e-mail schrijft [bestuurder1] alleen aan [bestuurder3] een half uur later:
“Ik neem aan dat je begrijpt dat dit vraagstuk niet binnen onze invloedssfeer ligt?”
2.40.
Tot het dossier behoort een handgeschreven aantekening (Afbeelding 3: screenshot van [DOC-1] , volgens AMB-008, Proces-verbaal van bevindingen inzake wetenschap Luxemburg) van [bestuurder2] naar aanleiding van een presentatie van [Ltd-groep] over de transactie. Op deze aantekening zijn onder meer [SARL1] , [SARL2] , belanghebbende, [Ltd2] en [Ltd1] schematisch weergegeven, met daarbij een pijl vanuit [SARL2] naar belanghebbende met daarnaast de tekst ‘800mio’ en naast [SARL2] de tekst:
“Lux fiscus -/- 120mio’, met een pijl naar ‘Lux fiscus’ en ‘+ 120mio’ met een pijl vanaf ‘Lux fiscus’ naar [SARL2] ”
2.41.
Op 13 september 2013 heeft [belastingadvieskantoor1] aan [bestuurder3] , met in cc onder meer [bestuurder2] en [bestuurder1] het volgende geschreven:
“In bijgaande pdf-bestanden is een aangifte dividendbelasting opgenomen die is opgesteld op basis van de aanname dat [belanghebbende] op 15 augustus een dividend heeft uitgekeerd van € 199.250.000 zoals opgenomen in de van jullie eerder ontvangen dividend nota (zie bijgevoegd word-doc). De aangifte is verder opgesteld vanuit de veronderstelling dat gedurende het gehele boekjaar aan alle eisen van het FBI-regime is voldaan, en dat voor het volledige bedrag aan in te houden dividendbelasting afdrachtvermindering kan worden geclaimd. Over de veelheid aan eisen en visies daaromtrent hebben we natuurlijk veel gesproken. Naar we hebben begrepen, zijn jullie ervan overtuigd dat aan alle vereisten is voldaan. Vanuit die perceptie zou bijgaande aangifte kunnen worden ondertekend en (vandaag nog!) worden verzonden aan de belastingdienst.
Als toelichting richting fiscus is de tekst opgenomen zoals eerder dit jaar in april met jullie is besproken. Mocht bij jullie toch twijfel bestaan over de FBI-status en/of de mogelijkheid om afdrachtvermindering te claimen en jullie geen enkel boeterisico willen lopen, dan kan in het bewerkbare pdf-bestand het bij vraag 7e) van de aangifte ingevulde bedrag aan afdrachtvermindering worden verwijderd. Alsdan moet er uiteraard bijna € 30 mio aan dividendbelasting worden afgedragen, maar tegen die afdracht kan dan binnen 6 weken bezwaar worden gemaakt. Mochten jullie voor deze laatste route willen gaan, stellen we voor om het bezwaar zo spoedig mogelijk te verzenden.”
2.42.
In antwoord op voorgaand e-mailbericht schrijft [bestuurder3] eveneens op 13 september 2013:
“Hartelijk dank (…),
Gekozen voor optie 1, zie getekende en gescande Aangifte in de bijlage.”
2.43.
Op 18 september 2013 heeft belanghebbende aangifte dividendbelasting gedaan ter zake van de dividenduitkering van € 199.250.000. Als ingehouden dividendbelasting is een bedrag van € 29.887.500 vermeld. Daarnaast is als afdrachtvermindering een bedrag van € 29.887.500 opgenomen onder het kopje ‘Afdrachtverminderingen - Buitenlandse bronbelasting die is ingehouden op uitkeringen aan een fiscale beleggingsinstelling (artikel 11a)’. Onder het kopje ‘Aanvullende informatie’ is de volgende tekst opgenomen:
“Ter toelichting op deze aangifte merken we het volgende op. Alle aandelen van de fiscale beleggingsinstelling worden in directe zin gehouden door [Group-Trust] , zijnde een US Pensioenfonds. Als gevolg van het aangaan van onder meer een vruchtgebruikovereenkomst is [Group-Trust] evenwel niet de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden die door de fiscale beleggingsinstelling worden uitgekeerd. Het indirecte uiteindelijke belang bij de aandelen berust daarbij mogelijkerwijs voor meer dan 25% bij een natuurlijk persoon die niet in Nederland woonachtig is noch in Nederland belastingplichtig is. Derhalve is er 15% dividendbelasting ingehouden en niet het verlaagde verdragstarief. Gelet op het vorenstaande is de uitkerende vennootschap van mening dat een volledige afdrachtvermindering kan worden geclaimd.”
2.44.
Bij besluit van de Algemene vergadering van aandeelhouders van belanghebbende van 30 september 2013 is besloten tot het doen van een dividenduitkering van € 199.250.000, overeenkomstig het voorstel van het bestuur van belanghebbende.
2.45.
Op 10 oktober 2013 heeft het bestuur van belanghebbende besloten tot het doen van een interim dividenduitkering van € 100.000.000.
2.46.
Uit de tot het dossier behorende dividendnota’s volgt dat belanghebbende op 15 augustus en 7 november 2013 dividenden heeft uitgekeerd van respectievelijk € 199.250.000 en € 100.000.000, onder inhouding van 15% aan dividendbelasting. In de dividendnota’s zijn de volgende bedragen vermeld:
“Dividendnota 1
Gross amount: EUR 199,250,000.00
Withholding tax: EUR 29,887,500.00
Net amount: 169,362,500.00
Dividendnota 2
Gross amount: EUR 100,000,000.00
Withholding tax: EUR 15,000,000.00
Net amount: 85,000,000.00”
2.47.
Op 19 november 2013 heeft belanghebbende aangifte dividendbelasting gedaan ter zake van de uitkering van het dividend van € 100.000.000 dat betaalbaar is gesteld op 7 november 2013. Als ingehouden dividendbelasting is daarin een bedrag van € 15.000.000 vermeld. Daarnaast is onder het kopje ‘Afdrachtverminderingen - Buitenlandse bronbelasting die is ingehouden op uitkeringen aan een fiscale beleggingsinstelling (artikel 11a)’ een bedrag van € 15.000.000, opgenomen als afdrachtvermindering. Onder het kopje ‘Aanvullende informatie’ is dezelfde tekst opgenomen als in de onder 2.43 vermelde aangifte dividendbelasting.
2.48.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2013 aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) gedaan als fiscale beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb).
2.49.
Op 26 juni 2014 heeft de Inspecteur aangekondigd bij belanghebbende een onderzoek in te stellen voor de vennootschapsbelasting/dividendbelasting met betrekking tot 2012/2013. Het onderzoek gaat over de vraag of belanghebbende aan de voorwaarden van artikel 28 Wet Pro Vpb voldoet om te kunnen worden aangemerkt als een fiscale beleggingsinstelling. In dezelfde brief vraagt de Inspecteur informatie op bij belanghebbende over de structuur met het oog op een bespreking met [belastingadvieskantoor1] op 7 augustus 2014.
2.50.
Op 14 oktober 2014 heeft de Inspecteur een nadere brief gestuurd met als onderwerp ‘Vervolg vragenlijst’ aan [belastingadvieskantoor1] met daarin nog openstaande en aanvullende vragen. Een kopie van de brief is aan belanghebbende gestuurd.
2.51.
Bij brief van 21 november 2014 heeft [belastingadvieskantoor1] daarop geantwoord. Daarbij is aangekondigd dat alle e-mailcorrespondentie met betrekking tot belanghebbende op een USB-stick aan de Inspecteur zal worden verstrekt, met uitzondering van correspondentie tussen de directie, de fiscaal adviseur, accountant, advocaten en notaris van het Fonds.
2.52.
Op 5 april 2016 is vanuit Nederland een verzoek om wederzijdse bijstand gedaan onder artikel 26 van Pro het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Luxemburg en Richtlijn 2011/16/EU.
2.53.
Bij beschikking van 17 juni 2016 heeft de Inspecteur besloten dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als een fiscale beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 Wet Pro Vpb.
2.54.
Bij brief van 8 augustus 2016 hebben de Luxemburgse fiscale autoriteiten de door de Inspecteur op 5 april 2016 gestelde vragen beantwoord. Op de vraag of [SARL1] de ingehouden dividendbelasting van de Luxemburgse fiscus had terugontvangen en zo ja, hoeveel en wanneer, heeft de Luxemburgse fiscus het volgende geantwoord:
“yes, 2.850.000,00 € the 14.06.2013 /1.500.000,00 € the 10.07.2013
/15.000.000,00 € the 31.07.2013 /10.650.000,00 € the 23.09.2013 /15.000.000,00 € the 26.11.2013”
2.55.
Bij een brief van 8 maart 2017 heeft de Inspecteur een notitie genaamd ‘Notitie [belanghebbende] B.V.’ (hierna: de Notitie) opgemaakt en op dezelfde datum aan belanghebbende gestuurd. Daarin verzoekt de Inspecteur belanghebbende om binnen vier weken na dagtekening van de brief te reageren.
2.56.
Op verzoek van de nieuwe adviseur (gemachtigde) van belanghebbende is de reactietermijn verlengd tot 20 april 2017.
2.57.
Op 12 mei 2017 heeft de Inspecteur de reactietermijn verder verlengd tot 23 mei 2017.
2.58.
Bij brief van 16 juni 2017 heeft de Inspecteur (de directie van) belanghebbende uitgenodigd om de conclusies zoals opgenomen in de Notitie te bespreken.
2.59.
Op 30 juni 2017 heeft belanghebbende schriftelijk gereageerd op de Notitie.
2.60.
Op 12 september 2017 heeft ten kantore van de belastingdienst een bespreking plaatsgevonden. Namens belanghebbende zijn verschenen [bestuurder1] en [bestuurder3] , alsmede gemachtigde en een advocaat.
2.61.
Na 12 september 2017 is er bijna maandelijks, en soms ook meermaals per maand, contact tussen de Inspecteur en (vertegenwoordigers van) belanghebbende geweest. Op 31 oktober 2018 is de bestreden naheffingsaanslag vastgesteld.
2.62.
Op 22 februari 2022 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan in een geschil tussen belanghebbende en de inspecteur over de aanslag vennootschapsbelasting over het boekjaar 2012/2013 [1] (hierna: de Vpb-uitspraak). In die uitspraak heeft het Hof onder meer het volgende overwogen:
“4.2. De feiten laten naar het oordeel van het Hof geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende heeft meegewerkt aan een volstrekt kunstmatige structuur met als enige doel het creëren van in het Verenigd Koninkrijk verhandelbare tax credits, zonder dat er door de bij de structuur betrokken partijen per saldo dividendbelasting zou worden afgedragen. Teneinde de in het Verenigd Koninkrijk verrekenbare tax credits te verkrijgen zijn grote sommen geld overgeboekt tussen diverse entiteiten in verschillende landen overeenkomstig een vooraf uitgewerkt plan.
4.3.
In het kader van dit plan is belanghebbende in staat gesteld om op 29 april 2013 voor een bedrag van € 1,1 miljoen B-aandelen te kopen in een kort daarvoor opgerichte Luxemburgse vennootschap [SARL2] . Op dat stond moment al vast dat deze aandelen recht zouden geven op de eerste € 800 miljoen aan uit te keren dividend en dat [SARL2] ter zake van een aan haar moedervennootschap [SARL1] verstrekte lening een voor uitkering beschikbare winst van € 800 miljoen zou gaan verantwoorden en uitkeren. Vervolgens heeft belanghebbende binnen een tijdsbestek van iets minder dan zes maanden in totaal € 300 miljoen aan (bruto) dividenduitkeringen ontvangen, waarvan zij een bedrag van € 299.250.000 als (bruto) dividend heeft uitgekeerd aan [Ltd2] als houder van het recht van vruchtgebruik op de aandelen in belanghebbende, welk bedrag door tussenkomst van [Group-Trust] en [Ltd1] uiteindelijk bij [SARL1] is terechtgekomen. Op het door belanghebbende ontvangen dividend is € 45 miljoen aan Luxemburgse dividendbelasting ingehouden en afgedragen door [SARL2] , maar op grond van de met de Luxemburgse fiscale autoriteiten gesloten tax rulings is hetzelfde bedrag verrekend dan wel uitbetaald aan haar Luxemburgse aandeelhouder [SARL1] . De per saldo betaalde Luxemburgse dividendbelasting bedroeg derhalve nihil.
4.4.Voor het slagen van het plan was vereist dat belanghebbende over voldoende voor uitkering beschikbare reserves zou beschikken om met Nederlandse dividendbelasting belaste dividenduitkeringen te kunnen doen en dat belanghebbende als fiscale beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 van Pro de Wet Vpb zou worden aangemerkt zodat zij op grond van de afdrachtvermindering van artikel 11a, van de Wet DB de over de dividenduitkeringen verschuldigde Nederlandse dividendbelasting niet daadwerkelijk hoefde te betalen.
4.5.Naar het oordeel van het Hof volgt uit de onverbrekelijke samenhang tussen de onder de feiten omschreven rechtshandelingen en het hiervoor overwogene dat, overeenkomstig de bedoeling van partijen, belanghebbende niet het economisch belang bij de aandelen in [SARL2] en de daaruit te ontvangen dividenden heeft verkregen. In dit kader wijst het Hof in het bijzonder op de e-mails inzake de verpanding van de bankrekening van belanghebbende aan [Ltd2] , waaruit volgt dat vooraf reeds vaststond dat belanghebbende niet vrijelijk zou kunnen beschikken over de van [SARL2] te ontvangen dividenduitkeringen maar dat zij verplicht was deze door te betalen aan [Ltd2] . De omstandigheid dat niet alle overeenkomsten tot de gedingstukken behoren, zoals door de Inspecteur naar voren is gebracht, doet hier niet aan af. Het Hof acht het namelijk onbestaanbaar dat onafhankelijke derden, tegenover een investering door belanghebbende van slechts € 1,1 miljoen, het recht op te verwachten dividenduitkeringen tot een bedrag van honderden miljoenen euro’s daadwerkelijk zouden hebben willen prijsgeven. Belanghebbende heeft voor deze opmerkelijke winstverdeling ook geen enkele verklaring gegeven.
4.6.Het Hof is van oordeel dat uit de feiten dan ook volgt dat belanghebbende slechts een dienstverlenende rol heeft gespeeld binnen het tot stand brengen van een internationale belastingconstructie en dat zij nimmer het economisch belang bij de aandelen in [SARL2] en het dividend daarop heeft verworven. Voor haar medewerking aan deze structuur heeft belanghebbende per saldo slechts een dienstverleningsvergoeding ontvangen, zodat de van [SARL2] ontvangen dividenden niet tot de belastbare winst van belanghebbende behoren.
(…)
Kwalificeert belanghebbende als fbi?
4.9.Naar het oordeel van het Hof volgt uit het onder 4.2. tot en met 4.4. overwogene dat de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende niet bestonden in het beleggen van vermogen als bedoeld in artikel 28, lid 2, van de Wet Vpb. Het houden van B-aandelen in [SARL2] was namelijk niet slechts gericht op het verkrijgen van de waardestijging en het rendement daarvan welke bij normaal vermogensbeheer kunnen worden verwacht, maar op het verkrijgen van een vergoeding voor het meewerken aan een volstrekt kunstmatige structuur. Dat belanghebbende ook andere aandelen heeft gehouden dan de B-aandelen in [SARL2] doet hier niet aan af. Naar het oordeel van het Hof hebben de activiteiten van belanghebbende zich in de onderhavige boekjaren - mede gelet op de daaraan verbonden hoge kosten - nagenoeg geheel gericht op het verlenen van medewerking aan het tot stand brengen van een fiscale constructie en is de participatie van belanghebbende in enkele beursfondsen daaraan volstrekt ondergeschikt geweest. Niet kan worden gezegd dat de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende hebben bestaan uit het beleggen van vermogen als in artikel 28 van Pro de Wet Vpb bedoeld. Belanghebbende wordt voor de heffing van vennootschapsbelasting derhalve niet aangemerkt als fiscale beleggingsinstelling.” [2]
2.63.
Tegen de onder 2.62 genoemde Hofuitspraak is geen cassatieberoep ingesteld.
2.64.
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard omdat, gelet op het oordeel van het Hof in de Vpb-uitspraak dat belanghebbende nooit het economische belang bij de uitkeringen van [SARL2] aan belanghebbende heeft verkregen, belanghebbende niet inhoudingsplichtig was voor de dividendbelasting.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of:
  • terecht en tot het juiste bedrag een naheffingsaanslag dividendbelasting aan belanghebbende is opgelegd op grond van artikel 20 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (AWR);
  • terecht een vergrijpboete aan belanghebbende is opgelegd; en
  • de vastgestelde belastingrente moet worden verminderd, omdat de Inspecteur onvoldoende voortvarend te werk is gegaan in de aanslagregelende fase.
3.2.
De Inspecteur beantwoordt de eerste twee vragen bevestigend en de derde ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Subsidiair stelt de Inspecteur dat de naheffingsaanslag verminderd dient te worden tot een naheffingsaanslag naar een bedrag van € 63.750. Wat betreft de boete bepleit de Inspecteur subsidiair dat deze dient te worden verminderd tot een bedrag van € 11.221.875, en meer subsidiair tot een bedrag van € 31.875, dan wel meer subsidiair € 15.937. Belanghebbende neemt tegenovergestelde standpunten in en concludeert primair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.3.
Niet (meer) in geschil is dat belanghebbende geen fiscale beleggingsinstelling was en dat de structuur waaraan belanghebbende heeft meegewerkt een volstrekt kunstmatige constructie betreft. Voorts is niet (langer) in geschil dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als een fiscale beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 van Pro de Wet Vpb en dat daarom geen recht bestaat op de afdrachtvermindering van artikel 11a Wet DB.

4.Beoordeling van het geschil

Heeft de Inspecteur terecht en tot het juiste bedrag een naheffingsaanslag dividendbelasting opgelegd?
4.1.
De Inspecteur stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat belanghebbende, als inhoudingsplichtige, in bezwaar en (hoger) beroep tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag niet kan opkomen tegen de door haarzelf ingehouden dividendbelasting, maar enkel tegen de door de Inspecteur niet geaccepteerde afdrachtvermindering.
4.2.
Belanghebbende betoogt, onder verwijzing naar de Vpb-uitspraak van dit hof dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, omdat zij in het geheel niet verplicht was dividendbelasting in te houden op het uitgekeerde dividend. Volgens belanghebbende is namelijk sprake van een volstrekt kunstmatige structuur en is zij nooit economisch eigenaar geweest van de van [SARL2] ontvangen dividenden. Dit betekent dat er geen vermogensverschuiving vanuit belanghebbende naar de dividendgerechtigde heeft plaatsgevonden, zodat geen sprake is van een opbrengst van aandelen als bedoeld in artikel 1 en Pro 2 van de Wet DB), aldus belanghebbende. Verder betoogt zij dat inhouding van dividendbelasting achterwege had mogen blijven op grond van de inhoudingsvrijstelling van artikel 4 van Pro de Wet DB, dan wel de verschuldigde dividendbelasting verminderd had moeten worden op grond van het tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting.
4.3.
Uit artikel 7, eerste en derde lid, van de Wet DB volgt dat dividendbelasting wordt geheven door inhouding op de opbrengst en dat de inhoudingsplichtige verplicht is de belasting in te houden op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet DB is de inhoudingsplichtige verplicht de ingehouden belasting op aangifte af te dragen. Indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de Inspecteur op grond van artikel 20 AWR Pro de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn, wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend.
4.4.
Niet in geschil is dat belanghebbende op de dividenduitkeringen van totaal € 299.250.000 dividendbelasting heeft ingehouden. Daarnaast blijkt uit de ingediende aangiften dividendbelasting dat belanghebbende op de aldus af te dragen belasting op grond van artikel 11a Wet DB een vermindering in aanmerking heeft genomen, ter zake van de Luxemburgse dividendbelasting die is ingehouden op de dividenden die zij van [SARL2] heeft ontvangen.
4.5.
Het Hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd omdat de belasting materieel niet verschuldigd zou zijn aangezien feitelijk geen sprake is van ‘opbrengst’ als bedoeld in artikel 1 en Pro 2 van de Wet DB, dan wel op grond van artikel 4 van Pro de Wet DB inhouding achterwege kan blijven, of dat een vermindering op grond van het tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting had moeten worden toegepast. Dit standpunt gaat namelijk voorbij aan de omstandigheid dat belanghebbende op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet DB verplicht is de door haar ingehouden bedragen aan dividendbelasting af te dragen, ook indien achteraf zou blijken dat die inhouding ten onrechte of tot een te hoog bedrag heeft plaatsgevonden. Voor zover deze afdracht achterwege is gebleven omdat, naar achteraf blijkt en niet (langer) in geschil is ten onrechte, een beroep is gedaan op de afdrachtvermindering van artikel 11a Wet DB, kan de Inspecteur de niet betaalde belasting op grond van artikel 20 van Pro de AWR naheffen. Belanghebbende kan zich, als inhoudingsplichtige, tegen een naheffingsaanslag als deze niet met succes verzetten met het argument dat de door haar ingehouden dividendbelasting materieel niet verschuldigd is. [3] Daarbij merkt het Hof op dat het belanghebbende op grond van artikel 26, tweede lid, van de AWR, vrij stond om tegen de afdracht als zodanig bezwaar te maken met het argument dat het door haar afgedragen bedrag materieel niet verschuldigd is. [4]
4.6.
Het Hof overweegt, ten overvloede, nog dat de algemene vergadering van aandeelhouders van belanghebbende – op voorstel van het bestuur – heeft besloten tot het doen van dividenduitkeringen tot een totaalbedrag van € 299.250.000 en dat aan deze besluiten uitvoering is gegeven door het doen van de benodigde betalingen, onder inhouding van 15% dividendbelasting. Van deze dividenduitkeringen zijn dividendnota’s opgemaakt, waarop de genoemde bedragen zijn verwerkt en waarop in totaal een bedrag van € 44.887.500 aan ingehouden dividendbelasting staat vermeld. Naar het oordeel van het Hof staat ook daarmee vast dat sprake is van opbrengst van aandelen als bedoeld in artikel 1 en Pro 2 van de Wet DB en was belanghebbende verplicht de ingehouden dividendbelasting af te dragen op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet DB [5] .
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat de Inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd. Het hoger beroep is in zoverre gegrond.
Heeft de Inspecteur terecht een vergrijpboete opgelegd?
4.8.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een vergrijpboete van vijftig procent van de verschuldigde belasting opgelegd op grond van artikel 67f van de AWR. Primair stelt de Inspecteur dat het aan het opzet van belanghebbende is te wijten dat de belasting die op aangifte had moeten worden afgedragen, niet is betaald. Hiertoe voert de Inspecteur aan dat belanghebbende geen vermindering kon toepassen op de voet van artikel 11a, van de Wet DB, omdat op het moment van doen van de aangiften al bekend was dat de door [SARL2] ingehouden Luxemburgse dividendbelasting niet op belanghebbende drukte, aangezien [SARL1] het volledige bedrag aan Luxemburgse dividendbelasting zou terugontvangen. Subsidiair stelt de Inspecteur dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat zij ten onrechte een beroep heeft gedaan op de afdrachtvermindering van artikel 11a, van de Wet DB, door het standpunt in te nemen dat zij een fiscale beleggingsinstelling was in de zin van artikel 28 van Pro de Wet Vpb. In dit kader wijst de Inspecteur onder andere op de omstandigheid dat, ondanks de expliciete waarschuwing van [belastingadvieskantoor1] op 15 maart 2013 aan onder meer [portfoliomanager] , [bestuurder3] , [bestuurder1] en [bestuurder2] dat het afgeven van het pandrecht op haar bezittingen ertoe zou leiden dat niet aan de beleggingseis van artikel 28 Wet Pro Vpb zou kunnen worden voldaan en daarmee geen sprake zou zijn van een fiscale beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 Wet Pro Vpb, belanghebbende, toch een pandrecht op haar bezittingen heeft afgegeven en dat haar bekend was dat haar investering van € 1,1 miljoen geen belegging was.
4.9.
Belanghebbende heeft in beroep en hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte een vergrijpboete is opgelegd. Zij betoogt primair dat sprake is van een pleitbaar standpunt, nu zij zich heeft laten adviseren door een gerenommeerd belastingadviseur die altijd de positie heeft ingenomen dat belanghebbende in aanmerking komt voor de status van fiscale beleggingsinstelling en recht had op toepassing van de afdrachtvermindering. Daarnaast voert zij aan dat, gelet op het kunstmatige karakter van de structuur, er materieel geen dividendbelasting verschuldigd is, zodat ook om die reden sprake is van een pleitbaar standpunt dat geen betaling van dividendbelasting hoefde plaats te vinden. Ten slotte stelt belanghebbende dat, nu de Rechtbank haar in het gelijk heeft gesteld en de naheffingsaanslag tot nihil heeft verminderd, ook om die reden sprake is van een pleitbaar standpunt dat aan het opleggen van een vergrijpboete in de weg staat.
4.10.
Op grond van artikel 67f, van de AWR kan de Inspecteur een vergrijpboete opleggen als het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald. Gelet op de waarborgen die belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het EVRM, rust op de Inspecteur de bewijslast en moet de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel worden gegund. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. [6]
4.11.
Wat betreft de beboetbaarheid van belanghebbende als rechtspersoon geldt daarbij dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit, indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.
Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Maar voor opzet van een rechtspersoon is niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon. [7] Dit geldt ook voor beboetbare gedragingen.
4.12.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, overtuigend aangetoond dat het aan het opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig dividendbelasting is betaald doordat belanghebbende in haar aangiften dividendbelasting ten onrechte de afdrachtvermindering heeft toegepast, omdat zij ten tijde van het indienen ervan, op respectievelijk 18 september 2013 en 19 november 2013, wist dat feitelijk geen sprake was van Luxemburgse bronbelasting die ten laste van belanghebbende is ingehouden en op haar drukt als bedoeld in artikel 11a, tweede lid, van de Wet DB. Het Hof legt hieronder uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.
4.13.
Uit de stukken van het dossier blijkt dat [bestuurder1] , [bestuurder2] , [bestuurder3] en [portfoliomanager] , in hun hoedanigheid van bestuurder, respectievelijk portfolio manager van [holding1] , zijnde de bestuurder van belanghebbende, in ieder geval vanaf begin 2012 in nauw contact stonden met [Ltd1] en aan haar gelieerde personen en entiteiten. Uit deze stukken volgt verder dat, nadat een eerdere structuur als gevolg van een wetswijziging vanaf 1 januari 2013 niet langer de gewenste voordelen zou bieden, genoemde bestuurders van [holding1] - in het kader van de uitoefening van het bestuur van belanghebbende - en [Ltd1] vanaf januari 2013 in nauwe samenwerking hebben gewerkt aan het uitwerken van de plannen voor de uiteindelijk geïmplementeerde structuur. Zoals het Hof heeft vastgesteld in de Vpb-uitspraak van 22 februari 2022 [8] en ook door belanghebbende wordt erkend, was sprake van een volstrekt kunstmatige structuur waarbij grote sommen geld werden rondgepompt met geen enkel ander doel dan het creëren van in het Verenigd Koninkrijk verhandelbare tax credits, zonder dat er door bij de structuur betrokken partijen per saldo dividendbelasting zou worden afgedragen.
4.14.
Met hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd, is naar het oordeel van het Hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat [bestuurder1] , [bestuurder2] , en [bestuurder3] in hun hoedanigheid van bestuurder van belanghebbende en [portfoliomanager] , [portfoliomanager] van [holding1] , ten tijde van het indienen van de aangiften dividendbelasting waarin belanghebbende een beroep heeft gedaan op de afdrachtvermindering van artikel 11a, van de Wet DB, wisten of moeten hebben geweten dat per saldo geen Luxemburgse dividendbelasting op de door [SARL2] aan belanghebbende uitgekeerde dividenden zou drukken en dat belanghebbende om die reden geen recht had op toepassing van de afdrachtvermindering.
4.15.
Het Hof baseert dit oordeel op de omstandigheid dat vanaf de eerste presentatie van de structuur begin januari 2013, in nauwe samenwerking tussen [Ltd-groep] en de genoemde bestuurders van belanghebbende is gewerkt aan de uitvoering van de daarin opgenomen stappen als onderdeel van een volstrekt kunstmatige constructie, die enkel rendabel zou zijn als er tegenover de te creëren verrekenbare tax credits in het Verenigd Koninkrijk niet elders een even groot bedrag aan af te dragen dividendbelasting zou staan. Belanghebbende – daarbij vertegenwoordigd door [bestuurder1] , [bestuurder2] en [bestuurder3] , in hun hoedanigheid van bestuurders van [holding1] , zijnde de bestuurder van belanghebbende, alsmede [portfoliomanager] , [portfoliomanager] van [holding1] – heeft daarbij op meerdere momenten meegedacht over, en oplossingen gezocht voor, formele en praktische knelpunten ten aanzien van zowel de uitvoering van de te zetten stappen als de verantwoording daarvan in haar jaarrekening en aangiften vennootschaps- en dividendbelasting. Daarbij heeft belanghebbende, vertegenwoordigd door [bestuurder1] , [bestuurder2] , [bestuurder3] en [portfoliomanager] , op basis van de aan haar verstrekte informatie, steeds contact gezocht met en informatie ingewonnen bij externe deskundige adviseurs over de fiscale risico’s van de structuur en de wijze waarop zij aan haar Nederlandse fiscale en statutaire verplichtingen invulling moest geven. Op grond van de haar ter beschikking staande informatie moeten de bestuurders van belanghebbende hebben geweten dat de structuur waaraan zij haar medewerking verleende, een volstrekt kunstmatig en circulair karakter had.
4.16.
Het Hof is daarbij van oordeel dat het buiten redelijke twijfel is dat [bestuurder1] , [bestuurder2] , [bestuurder3] en [portfoliomanager] , ten tijde van het indienen van de aangiften dividendbelasting wisten dat effectief geen Luxemburgse dividendbelasting zou drukken op de door belanghebbende van [SARL2] ontvangen dividenden, omdat [SARL1] deze dividendbelasting zou terugkrijgen van de Luxemburgse fiscus. Ter onderbouwing van dit oordeel wijst het Hof in de eerste plaats op de handgeschreven aantekening van [bestuurder2] (zie 2.40), waarin melding wordt gemaakt van de afdracht en terugvordering van een bedrag van euro 120 miljoen, zijnde 15 procent van de totaal beoogde dividenduitkering. Hieruit volgt dat [bestuurder2] wist, of moet hebben geweten, dat per saldo geen Luxemburgse dividendbelasting zou drukken op de aan belanghebbende uitgekeerde dividenden. Hoewel op het document geen datum staat, acht het Hof het in het licht van de in het proces-verbaal AMB-008 opgenomen beschrijving over de datering van het document, buiten redelijke twijfel dat [bestuurder2] deze aantekeningen heeft gemaakt voordat het eerste dividend van bruto € 19 miljoen door [SARL2] aan belanghebbende werd uitgekeerd en daarmee vóór het indienen van de aangiften dividendbelasting waarin de afdrachtvermindering is geclaimd.
4.17.
Ten tweede wijst het Hof in dit kader op de tussentijdse balans van [SARL1] die naar aanleiding van een verzoek van [portfoliomanager] (per e-mail van 2 mei 2013, 13:56 uur) op 7 mei 2013 per e-mailbericht door [Ltd-groep] , aan [portfoliomanager] , met een cc aan [bestuurder3] en [bestuurder1] , is verstrekt. Deze is door [bestuurder3] op dezelfde datum doorgestuurd naar [belastingadvieskantoor1] , zie 2.25. Op deze tussentijdse balans van [SARL1] is een vordering aan bronbelasting opgenomen gelijk aan het bedrag aan Luxemburgse dividendbelasting, te weten € 2.850.000, dat verschuldigd was over de eerste dividenduitkering van bruto € 19 miljoen. Deze balans van [SARL1] , zijnde de aandeelhouder van [SARL2] , per 2 mei 2013 laat daarmee zien dat [SARL1] de door [SARL2] op het eerste dividend in mindering gebrachte dividendbelasting weer als vordering had opgenomen, zoals ook voorzien in de hiervoor genoemde aantekening van [bestuurder2] . Buiten redelijke twijfel is dat deze informatie [bestuurder1] , [bestuurder2] , [bestuurder3] en [portfoliomanager] , ten tijde van het indienen van de aangiften dividendbelasting, bekend was.
4.18.
Ten derde wijst het Hof op de e-mailberichten (zie 2.28 en 2.29) welke door de bestuurders zijn gestuurd in het kader van de beantwoording van vragen van accountant A over het ontbreken van een economische rationale van de structuur door in Luxemburg dividendbelasting af te dragen en in het Verenigd Koninkrijk eenzelfde bedrag als tax credits beschikbaar te krijgen. Gelet op de inhoud van deze e-mailberichten is buiten redelijke twijfel dat [bestuurder1] , [bestuurder2] , [bestuurder3] en [portfoliomanager] ten tijde van het indienen van de aangiften dividendbelasting wisten of moeten hebben geweten dat per saldo geen Luxemburgse dividendbelasting op de aan belanghebbende uitgekeerde dividenden zou drukken. Nadat accountant A expliciet had gewezen op het ontbreken van een economische rationale van de structuur (het afdragen van dividendbelasting in Luxemburg in ruil voor in het Verenigd Koninkrijk verrekenbare tax credits voor eenzelfde bedrag), hebben de bestuurders van belanghebbende ervoor gekozen om de accountant onjuist te informeren, door onder meer te ontkennen dat sprake is van een gesloten structuur en door te verklaren dat zij de investering hebben gedaan op verzoek van de aandeelhouder van het fonds omdat er een kans was op een hoge opbrengst, maar dat ten tijde van de investering er geen zekerheid was dat zij die opbrengst zouden gaan ontvangen.
4.19.
Gelet op alle genoemde feiten en omstandigheden kunnen de gedragingen van [bestuurder1] en [bestuurder3] als bestuurders van de houdstervennootschap van belanghebbende en daarmee ook van belanghebbende, aan belanghebbende worden toegerekend. Dat betekent dat belanghebbende te weinig dividendbelasting op aangifte heeft afgedragen en dat moet worden aangenomen dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften dividendbelasting wist of moet hebben geweten dat zij zich aan de aanmerkelijke kans bloot stelde dat te weinig belasting zou worden betaald als gevolg van het ten onrechte claimen van de afdrachtvermindering. Gelet op het e-mailbericht van 13 september 2013 van [bestuurder3] aan [belastingadvieskantoor1] waarin [bestuurder3] in antwoord op het e-mailbericht van [belastingadvieskantoor1] (zie 2.42) schrijft: “Gekozen voor optie 1, zie getekende en gescande Aangifte in de bijlage.”, is het naar het oordeel van het Hof daarnaast buiten redelijke twijfel dat belanghebbende de kans dat door het claimen van de afdrachtvermindering, te weinig belasting zou worden geheven, bewust heeft aanvaard.
Staat een pleitbaar standpunt aan het opleggen van een vergrijpboete in de weg?
4.20.
Volgens belanghebbende is geen sprake van opzet of grove schuld, maar van een pleitbaar standpunt omdat de Rechtbank belanghebbende in het gelijk heeft gesteld en omdat zij zich heeft laten bijstaan door [belastingadvieskantoor1] .
4.21.
Het Hof is van oordeel dat geen sprake is van een pleitbaar standpunt dat aan het opleggen van een vergrijpboete in de weg staat, en motiveert dat als volgt.
4.22.
Van een pleitbaar standpunt ter zake van een onjuiste of onvolledige belastingaangifte is sprake indien het standpunt van de belastingplichtige gebaseerd kan worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, in die zin dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze uitleg en daarmee de door hem gedane aangifte juist was. Van een pleitbaar standpunt kan uitsluitend worden gesproken indien het een standpunt over de interpretatie van het (fiscale) recht betreft, dus om een – geheel of gedeeltelijk – rechtskundig standpunt. Daaronder is mede te begrijpen de rechtskundige duiding van de feiten. [9]
4.23.
Belanghebbende kon en mocht redelijkerwijs niet menen dat zij recht zou hebben op de afdrachtvermindering, aangezien de Luxemburgse dividendbelasting per saldo niet drukte op de aan haar uitgekeerde dividenden (zie hierover 4.12 tot en met 4.19). Het in de aangiften ingenomen standpunt is daarom niet pleitbaar. Dat belanghebbende zich heeft laten bijstaan door [belastingadvieskantoor1] , kan niet bijdragen aan de pleitbaarheid van het standpunt.
4.24.
Wat betreft de vraag of de omstandigheid dat de Rechtbank de naheffingsaanslag heeft vernietigd met zich brengt dat reeds daarom sprake is van een pleitbaar standpunt dat aan het opleggen van een vergrijpboete in de weg staat, wijst het Hof erop dat de Rechtbank de naheffingsaanslag heeft vernietigd, omdat volgens de Rechtbank er materieel geen verplichting tot inhouding bestond. Voor de beoordeling of sprake is van een in de aangifte ingenomen pleitbaar standpunt gaat het in dit geval echter enkel om de vraag of belanghebbende op basis van een rechtskundig standpunt – daaronder mede te begrijpen een rechtskundige duiding van feiten – kon en mocht menen dat recht bestond op het toepassen van de afdrachtvermindering. En daarover heeft de Rechtbank zich in haar uitspraak in het geheel niet uitgelaten. Van een situatie waarin de Rechtbank belanghebbende op het punt van de afdrachtvermindering op rechtskundige gronden in het gelijk heeft gesteld, waardoor het in volgende instantie ervoor zou moeten worden gehouden dat belanghebbende een pleitbaar standpunt innam, is dus geen sprake.
Vergrijpboete passend en geboden?
4.25.
Hoewel in absolute zin het bedrag van de opgelegde vergrijpboete zeer hoog is, te weten € 22.443.750, is de opgelegde vergrijpboete, gelet op alle van belang zijnde omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Hof passend en geboden. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat belanghebbende in nauwe samenwerking met derden heeft gewerkt aan het opzetten van een volstrekt kunstmatige structuur met als enige doel het realiseren van een fiscaal voordeel dat alleen gerealiseerd kon worden door een afdrachtvermindering te claimen ter zake van bronbelasting die per saldo niet betaald hoefde te worden. Vertegenwoordigers van belanghebbende schroomden daarbij niet om, in weerwil van hun kennis van de gehele structuur, een beroep te doen op de afdrachtvermindering terwijl zij wisten of moeten hebben geweten dat belanghebbende daarop geen recht had.
4.26.
Het Hof heeft bij het oordeel dat de opgelegde boete passend en geboden is mede in aanmerking genomen dat het totaalbedrag van de op deze wijze in het Verenigd Koninkrijk te claimen tax vouchers, en dus het claimen van afdrachtvermindering, was voorzien op een veelvoud van het in aanmerking genomen bedrag, te weten € 120 miljoen. De daarvoor benodigde winst van € 800 miljoen was al in de boeken van [SARL2] verantwoord en het enige wat nog hoefde te gebeuren, was het declareren van de additionele dividenduitkeringen.
4.27.
De omstandigheid dat dit Hof in de Vpb-uitspraak heeft geoordeeld dat de dividenden vanuit [SARL2] niet tot de in Nederland belastbare winst behoren, doet hier niet aan af. De feiten laten namelijk geen andere conclusie toe dan dat de algemene vergadering van aandeelhouders van belanghebbende – op voorstel van het bestuur van de vennootschap – heeft besloten tot het doen van dividenduitkeringen tot een totaalbedrag van € 299.250.000 en dat aan deze besluiten uitvoering is gegeven door het doen van de benodigde betalingen. Van deze dividenduitkeringen zijn dividendnota’s opgemaakt, waarop de genoemde bedragen zijn verwerkt en waarop in totaal een bedrag van € 44.887.500 aan ingehouden dividendbelasting staat vermeld. Naar het oordeel van het Hof staat daarmee vast dat sprake is van opbrengst op aandelen als bedoeld in artikel 1 en Pro 2 van de Wet DB en was belanghebbende verplicht deze af te dragen op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet DB [10] .
4.28.
Het Hof acht de opgelegde boete dan ook passend en geboden.
Is de belastingrente op het juiste bedrag vastgesteld?
4.29.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de belastingrente moet worden verminderd omdat de Inspecteur te lang over het onderzoek heeft gedaan. De Inspecteur heeft hiertegen ingebracht dat vanwege de zeer omvangrijke en complexe feiten en fiscale problematiek het onderzoek naar de gedragingen van belanghebbende tot begin 2017 heeft geduurd. Vanwege het daaropvolgende uitgebreide overleg met belanghebbende over het opleggen van een vergrijpboete kon de naheffingsaanslag pas eind 2018 worden opgelegd, aldus de Inspecteur.
4.30.
Op grond van artikel 30h, eerste lid, van de AWR wordt met betrekking tot naheffingsaanslagen ter zake van (onder meer) dividendbelasting, aan degene ten name van wie de naheffingsaanslag is vastgesteld belastingrente in rekening gebracht, ingeval de naheffingsaanslag is vastgesteld na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft. De belastingrente wordt op grond van het tweede lid van artikel 30h, van de AWR, enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag volgend op het kalenderjaar of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de naheffingsaanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van Pro de Invorderingswet 1990.
4.31.
Tussen partijen is niet in geschil dat de belastingrente in overeenstemming met voornoemde wettelijke bepalingen is berekend. De vraag die hen enkel nog verdeeld houdt, is of de duur van het onderzoek aanleiding geeft de belastingrente te verminderen, omdat de Inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
4.32.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het in artikel 3:4 van Pro de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, onder omstandigheden mee kunnen brengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de berekening van deze rente moet worden beperkt. [11]
4.33.
Hoewel aan belanghebbende moet worden toegegeven dat tussen het moment van het aankondigen van een onderzoek, te weten 26 juni 2014, en het opleggen van de naheffingsaanslag een lange periode is verstreken, brengt dit naar het oordeel van het Hof niet met zich dat de belastingrente in dit geval moet worden beperkt. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat het feitencomplex, als gevolg van de veelheid aan betrokken partijen, verschillende overeenkomsten, onduidelijkheid over de aard van overeenkomsten en daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen zeer complex en omvangrijk is. Daar komt bij dat, na de summiere beantwoording van de vragen van de Inspecteur, belanghebbende de Inspecteur vervolgens een enorme hoeveelheid e-mails heeft verstrekt zonder verdere duiding of richting. De Inspecteur heeft uit al deze informatie zelf de gehele transactie (inclusief de daarbij betrokken partijen) in kaart moeten brengen. Vervolgens heeft de Inspecteur in april 2016 een verzoek om wederzijdse bijstand aan de Luxemburgse fiscale autoriteiten gedaan, nadat het onderzoek aanwijzingen had opgeleverd dat van de Luxemburgse autoriteiten mogelijk meer relevante informatie over de structuur zou kunnen worden verkregen. Deze vragen zijn op 8 augustus 2016 beantwoord, waarna de Inspecteur tijd nodig heeft gehad om deze nieuwe informatie te verwerken. Uiteindelijk heeft de Inspecteur in zijn brief van 8 maart 2017 de Notitie (zie 2.55) naar belanghebbende gestuurd en gevraagd om een reactie. Na het uitblijven van een reactie van de zijde van belanghebbende – en nadat belanghebbende een nieuwe gemachtigde had gezocht vanwege het opzeggen van de klantrelatie door [belastingadvieskantoor1] – heeft de nieuwe gemachtigde op 30 juni 2017 voor het eerst gereageerd op de bevindingen in de Notitie. Uit het dossier blijkt dat na deze reactie, partijen meerdere keren besprekingen hebben gevoerd, waaronder hoorgesprekken in het kader van de bezwaarschriften tegen de aanslagen vennootschapsbelasting die over hetzelfde feitencomplex handelden, en per e-mail veelvuldig contact hadden. Het Hof ziet in het dossier geen reden om aan te nemen dat de Inspecteur op enig moment gedurende deze periode onvoldoende voortvarendheid heeft betracht of anderszins onzorgvuldig heeft gehandeld.
Overschrijding van de redelijke termijn
4.34.
Nu het Hof op 24 maart 2026 uitspraak doet en het hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank op 30 juni 2023 is ontvangen, is de redelijke termijn voor de berechting in tweede aanleg met meer dan zes, maar minder dan twaalf maanden, overschreden.
4.35.
Belanghebbende heeft niet verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Wat betreft de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente volstaat het Hof daarom met de constatering dat deze termijn is overschreden.
4.36.
Het Hof ziet hierin wel aanleiding de boete te verminderen met een bedrag van € 2.500, tot een boete van € 22.441.250 overeenkomstig de uitgangspunten vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Proceskosten

Omdat het Hof het hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaart, de uitspraak van de Rechtbank vernietigt en de opgelegde vergrijpboete enkel vermindert wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het de opgelegde vergrijpboete betreft,
– vermindert de vergrijpboete tot een bedrag van € 22.441.250.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. T.H.J. Verhagen en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 24 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (E.C.G. Okhuizen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

3.Vgl. HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0194, r.o. 3.3.1.
4.Vgl. HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0194, r.o. 3.3.1.
5.Zie Hoge Raad 12 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5560, r.o. 3.4 en 3.6.
6.Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2.
7.Hoge Raad 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, r.o. 3.4.1 en 3.4.2.
8.Reeds aangehaald onder feiten.
9.Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970, r.o. 3.1.4. en 3.1.5.
10.Zie Hoge Raad 12 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5560, r.o. 3.4 en 3.6
11.Zie Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126, r.o. 2.3.2. en de aldaar aangehaalde jurisprudentie