ECLI:NL:GHARL:2026:1876

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
200.349.115/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:127 BWArt. 6:129 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over geschil betaalde en onbetaalde facturen transportdiensten

Timmerman Transporten en Laarman Koeriers en Sneltransport hebben een geschil over de afrekening van transportwerkzaamheden in 2022. Timmerman betaalde aanvankelijk facturen van Laarman, maar schortte later betaling op wegens vermeende te hoge facturering. Laarman vorderde betaling van openstaande facturen, terwijl Timmerman terugbetaling eiste van onverschuldigde betalingen.

De rechtbank wees de vorderingen van Laarman deels toe en wees de tegenvorderingen van Timmerman af. In hoger beroep vorderde Timmerman afwijzing van de toegewezen vorderingen en toewijzing van haar tegenvorderingen, terwijl Laarman haar vorderingen integraal wilde toegewezen zien.

Het hof oordeelde dat Laarman voldoende had gesteld en onderbouwd dat de gefactureerde uren en tarieven correct waren, mede gelet op de mondelinge overeenkomsten en de dagstaten van chauffeurs. Het door Timmerman gebruikte transportmanagementsysteem was onvoldoende nauwkeurig om de facturen te betwisten. Ook de dieselolietoeslag was redelijk en niet onaanvaardbaar hoog.

Het hof veroordeelde Timmerman tot betaling van de openstaande facturen minus een klein bedrag aan verrekening, inclusief handels- en wettelijke rente, en tot betaling van proceskosten. Het principaal hoger beroep van Timmerman werd afgewezen, het incidenteel hoger beroep van Laarman toegewezen.

Uitkomst: Het hof veroordeelt Timmerman tot betaling van openstaande facturen en proceskosten, wijst het principaal hoger beroep af en het incidenteel hoger beroep toe.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.349.115/01
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 300600
arrest van 24 maart 2026
in de zaak van
Timmerman Transporten Staphorst B.V. ( Timmerman )
die is gevestigd in Staphorst ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en die bij de rechtbank optrad als gedaagde partij in conventie en eiseres in reconventie,
advocaat: mr. P.E. van Dam,
en
Laarman Koeriers en Sneltransport B.V. ( Laarman )
die is gevestigd in Dalfsen ,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
en die bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie en verwerende partij in reconventie,
advocaat: mr. H.J.G.M. te Woerd.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Na het arrest van 24 juni 2025 heeft op 30 september 2025 met instemming van partijen een enkelvoudige mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal).
1.2
Aan het eind van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd de zaak aan te houden om nader te onderzoeken of zij tot een regeling zouden kunnen komen. Nadien is de zaak op verzoek van partijen nogmaals aangehouden. Omdat een schikking niet is bereikt, hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1
Laarman heeft in opdracht van en voor Timmerman transportwerkzaamheden over de weg verricht. Partijen hebben een geschil gekregen over de afrekening van (een deel van) deze in 2022 door Laarman verrichte werkzaamheden. Timmerman heeft aanvankelijk de door Laarman aan haar gestuurde facturen betaald, maar heeft op een gegeven moment betaling van nieuwe facturen opgeschort omdat zij van mening is dat zij te veel voor de diensten van Laarman betaalt en heeft betaald. Laarman is het daar niet mee eens.
2.2
Laarman heeft bij de rechtbank in conventie betaling gevorderd van de nog openstaande facturen. De vordering betreft in totaal € 130.217,22 inclusief handelsrente en buitengerechtelijke kosten en te vermeerderen met de wettelijke rente over het totale factuurbedrag vanaf 3 maart 2023 tot de algehele voldoening. Timmerman heeft in reconventie terugbetaling gevorderd van hetgeen zij haar inziens onverschuldigd heeft betaald. Dit bedrag heeft zij becijferd op in totaal € 140.567,-.
2.3
De rechtbank heeft de vorderingen van Laarman toegewezen tot € 81.498,96 vermeerderd met rente en kosten en de tegenvorderingen van Timmerman afgewezen. [1]
2.4
De bedoeling van het (principaal) hoger beroep van Timmerman is dat de toegewezen vorderingen van Laarman alsnog worden afgewezen en haar afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. Ook Laarman heeft hoger beroep ingesteld. De bedoeling van het (incidenteel) hoger beroep van Laarman is dat haar vorderingen voor zover die ten dele zijn afgewezen, alsnog integraal worden toegewezen.
2.5
Het hof zal beslissen dat er geen grond is voor toewijzing van de vorderingen van Timmerman , maar wel voor een volledige toewijzing van die van Laarman . Het hof laat het vonnis van de rechtbank dus deels in stand en beslist voor een deel anders. Het hof zal dat hierna toelichten.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1
Partijen zijn transportbedrijven die vanaf 2020 tot eind 2022 werkzaamheden voor elkaar hebben verricht op grond van tussen hen mondeling gesloten vervoersovereenkomsten.
3.2
Aan het begin van de samenwerking werkte Laarman voornamelijk als koerier voor Timmerman op basis van vaste prijzen. Vanaf ongeveer eind 2021 verrichtte Laarman voor Timmerman ook koeriersdiensten op basis van uurtarieven die afhankelijk waren van het type vervoermiddel dat voor de transporten werd gebruikt. Laarman stelde daarbij per transport de chauffeur en het vervoermiddel ter beschikking.
3.3
Op 9 februari 2022 schrijft een medewerker van Timmerman aan Laarman :
‘Betaling van 4 facturen van december 2021 heb ik klaargezet voor betaling.
Die moet [naam1] autoriseren. Dat mag ik zelf niet doen.
Ik check morgenvroeg of dat is gebeurd. Stuur mij bij het achterblijven van betalingen een mailbericht met een uitdraai van bijvoorbeeld jullie debiteurenoverzicht.
Een overzicht zoals onderstaand is ook goed.
Dat mag ook wel elke week.
Die afspraak maak ik ook met andere crediteuren en dat werkt goed.
Dat voorkomt ook onnodige frustratie wederzijds.’
3.4
In april 2022 heeft Timmerman om een opgave van de uurtarieven gevraagd. Op 11 april 2022 heeft Laarman de volgende e-mail met tarieven aan Timmerman gestuurd.
3.5
Timmerman heeft de door Laarman gestuurde facturen voor uitgevoerde transportwerkzaamheden op basis van de uurtarieven tot 12 september 2022 betaald.
3.6
Naar aanleiding van een bij Timmerman opgestarte interne audit voor een her- certificering heeft Timmerman in september 2022 bij Laarman om een toelichting op de facturen gevraagd. Tussen partijen is vervolgens het geschil ontstaan over de facturering van Laarman voor de koeriersdiensten die zij in 2022 voor Timmerman heeft verricht voor zover die zijn gebaseerd op de verschillende uurtarieven. Het aantal door Laarman in rekening gebrachte uren spoorde niet met het aantal uren dat het transportmanagementsysteem van Timmerman als duur voor de uitvoering van de ritten had geregistreerd. Timmerman heeft om die reden haar betalingsverplichting opgeschort voor facturen van Laarman die zijn gedateerd vanaf 12 september 2022 tot en met 14 november 2022. Het betreft de werkzaamheden die zijn verricht in de weken 36 tot en met 45 van 2022. Daarmee heeft Timmerman € 125.607,42 onbetaald gelaten.
3.7
Timmerman heeft ook transportdiensten voor Laarman verricht. De desbetreffende
facturen met een totaalbedrag van € 933,24 heeft Laarman onbetaald gelaten.
De omvang van het geschil
3.8
Laarman heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Timmerman tegenover haar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (betalings-) verplichtingen uit de tussen partijen gesloten (mondelinge) vervoersovereenkomst door facturen van Laarman van 12 september 2022 t/m 14 november 2022 voor in totaal € 125.607,42 onbetaald te laten. Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro zal Laarman moeten stellen en bij voldoende betwisting moeten bewijzen, dat het aantal gefactureerde uren aan de transporten is besteed en dat het in rekening gebrachte uurtarief correct is. Laarman heeft daartoe, naast de facturen, de dagstaten van de chauffeurs in het geding gebracht waarop ook het kenteken van het transportmiddel staat vermeld en aan de hand waarvan de facturen zijn opgemaakt.
3.9
Timmerman heeft erkend de bewuste facturen onbetaald te hebben gelaten. Zij heeft als verweer gevoerd dat Laarman in 2022 voor de koeriersdiensten die op basis van uurtarieven werden verricht, te veel arbeidsuren en te veel dieselolietoeslag heeft berekend. Timmerman heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar haar transportmanagementsysteem. Aan de hand van de dagstaten voor de weken 36 tot en met 45 die Laarman in het geding heeft gebracht, heeft Timmerman een gemiddeld uurtarief van € 49,61 (excl. btw) berekend. Uit haar transportmanagementsysteem leidt Timmerman af dat Laarman in 2022 in opdracht van Timmerman 4.441 uren ritten tegen een uurtarief heeft uitgevoerd. Gezien het hiervoor genoemde gemiddelde uurtarief is de daarbij behorende totaalprijs € 220.318,-. Laarman heeft echter 6.029 uren in rekening gebracht. Dat is 1.588 uur teveel, aldus Timmerman . Wanneer dat aantal wordt vermenigvuldigd met het gemiddelde uurtarief van € 49,61 betekent dit dat € 78.680,68,- (excl. btw)/ € 95.324,52 (incl. btw) te veel is betaald, aldus Timmerman . Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft Timmerman aan de hand van een door haar in het geding gebrachte productie T-8 een herberekening gemaakt, waarmee zij uitkomt op € 20.000,- (excl. btw) aan te veel gefactureerde uren. Deze analyse is verricht met planningssoftware die, naar het hof begrijpt, ook is gekoppeld aan haar transportmanagementsysteem. Timmerman heeft verder aangevoerd dat Laarman ook te veel dieselolietoeslag in rekening heeft gebracht. Laarman heeft ten onrechte het gehele vrachttarief procentueel verhoogd, waar zij slechts de brandstofkosten procentueel kon verhogen, aldus Timmerman . Laarman heeft daardoor € 37.383,- (excl. btw) te veel in rekening gebracht. De te veel in rekening gebrachte uren en dieselolietoeslag zijn weliswaar betaald, maar waren niet verschuldigd, aldus Timmerman . Timmerman heeft daarom een beroep op verrekening gedaan met het bedrag van de openstaande facturen.
3.1
Timmerman heeft aldus niet alleen de omvang van de door haar niet betaalde facturen betwist, maar ook het standpunt ingenomen dat te veel arbeidsuren en te veel dieselolietoeslag in rekening zijn gebracht voor wat betreft de facturen die al zijn betaald voor in 2022 verrichte koeriersdiensten. Daarmee is het geschil van partijen niet alleen beperkt tot de facturen waarvan Laarman betaling heeft gevorderd, maar gaat het geschil ook over de reeds betaalde facturen. [2] Koeriersdiensten tegen een vaste prijs vallen buiten dit geschil. Het is aan Timmerman op basis van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro voor wat betreft de betaalde facturen, om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het door haar gevorderde bedrag onverschuldigd (zonder rechtsgrond) is betaald. [3]
3.11
Het hof zal hierna de standpunten van partijen ten aanzien van de onbetaalde en betaalde facturen bespreken. Daarbij zal eerst worden ingegaan op het debat over de in rekening gebrachte uren en vervolgens op dat over de in rekening gebrachte dieselolietoeslag.
De in rekening gebrachte uren
3.12
Het hof stelt het navolgende voorop. Tussen partijen is niet in geschil dat Laarman de gefactureerde (al dan niet betaalde) transportdiensten voor Timmerman heeft verricht. Uit het partijdebat valt op te maken dat dit gebeurde op basis van mondelinge opdrachten en/of opdrachten verstrekt via whatsapp. Planners van Timmerman namen via telefoon of whatsapp contact op met Laarman met de vraag welke transportmiddelen met chauffeur voor een bepaalde dag beschikbaar waren. Daarna werd door Timmerman opdracht gegeven om met het desbetreffende transportmiddel op een bepaalde dag en tijdstip aanwezig te zijn bij Timmerman . Daar kregen de chauffeurs de opdracht ritten uit te voeren. De chauffeurs van Laarman hielden schriftelijk hun urenstaten bij, voerden de ritten uit die werden opgedragen, inclusief tussentijdse wijzigingen, waarna aan het eind van de dienst de urenstaten werden afgesloten. De geschreven urenstaten werden vervolgens digitaal verwerkt. Laarman factureerde het aantal gewerkte uren vanaf vertrek bij Laarman tot de terugkomst van de chauffeur op basis van de dagstaten van de chauffeurs - waarop ook het kenteken van het transportmiddel stond vermeld – en het door Laarman gehanteerde uurtarief dat gold voor het desbetreffende transportmiddel. Tot 12 september 2022 werd gefactureerd zonder urenspecificaties. De uurtarieven per transportmiddel zijn door Timmerman in april 2022 opgevraagd en door Laarman vervolgens aan haar toegezonden, zodat Timmerman vanaf april 2022 bekend was met de verschillende uurtarieven. Timmerman heeft ook erkend dat de door Laarman gehanteerde tarieven tussen partijen vaststaan (zie rechtsoverweging 3.4). Vanaf de start van de opdrachten op basis van uurtarieven (eind 2021) tot 12 september 2022 heeft Timmerman de in rekening gebrachte facturen ontvangen en zonder protest of voorbehoud voldaan. In het licht van de e-mail van 9 februari 2022 is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de betalingen door de bestuurder van Timmerman zelf werden geautoriseerd. Gelet op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan hun gedragingen en uitlatingen mochten toekennen en op hetgeen zij in dit opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten hield de overeenkomst(-en) tussen partijen aldus onder meer in dat Laarman het aantal gewerkte uren op basis van de dagstaten van de chauffeur - waarop ook het kenteken van het transportmiddel stond vermeld – en het door Laarman gehanteerde uurtarief voor het desbetreffende transportmiddel kon en mocht factureren.
3.13
Op basis van de aldus overeengekomen mondelinge opdrachten die onder meer tot uitdrukking kwamen in de gebruikelijke uitvoering die aan de opdrachten werd gegeven vanaf eind 2021 tot 12 september 2022, heeft Laarman door overlegging van de onbetaald gebleven facturen met de daarbij behorende dagstaten van de chauffeurs, het kenteken van het gebruikte transportmiddel en de e-mail met de gehanteerde tarieven per transportmiddel, voldoende gemotiveerd gesteld dat het aantal gefactureerde uren aan de transporten is besteed en dat het in rekening gebrachte uurtarief correct is. Timmerman heeft deze stellingen onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. Redengevend voor dit laatste oordeel is het volgende.
3.14
Timmerman heeft haar verweer tegen de stellingen van Laarman ook in hoger beroep gebaseerd op haar ‘transportmanagementsysteem’. Timmerman heeft daarbij gewezen op het gebruik door de chauffeurs van Laarman van door Timmerman ter beschikking gestelde handscanners waardoor transportgegevens konden worden geregistreerd, in het bijzonder het afrondingsmoment. Bij aflevering scande de chauffeur de aan de betreffende levering verbonden code, waarmee datum en tijdstip van de aflevering wordt geregistreerd, terwijl de plaats van aflevering ook bekend was. Timmerman las die gegevens uit en deze gegevens werden in het transportmanagementsysteem geïntegreerd. Timmerman heeft evenwel erkend dat het door haar zelf (intern) gehanteerde systeem niet alle tijdsbesteding van de chauffeurs van Laarman registreert. Niet meegenomen worden bijvoorbeeld de aan- en afrijtijden, de wachttijden van de chauffeurs en de laad- en lostijden. Timmermans heeft ook niet of onvoldoende weersproken dat sommige ritten die Laarman heeft gereden, niet zijn geregistreerd in het transportmanagementsysteem. Het door Timmerman gehanteerde systeem is daarom te algemeen en te onnauwkeurig en vormt geen afdoende betwisting van de verschillende individuele facturen waarvan Laarman betaling heeft gevorderd en die zijn onderbouwd met de individuele dagstaten. Het voorgaande geldt ook voor de herberekening in productie T-8 aan de hand van de aan het transportmanagement systeem gekoppelde planningssoftware van Timmerman . Daargelaten dat deze methode om de uren te registreren niet is overeengekomen, is volgens Timmerman een ruimhartige correctie toegepast voor aan- en afrijden en het laden, maar onvoldoende is weersproken dat desondanks extra opgedragen stops niet zijn meegerekend net zomin als wachttijden van chauffeurs. Ook is niet weersproken dat de kwalificatie van het voertuig door Timmerman niet altijd juist is (bestelbus die 100 km/h rijdt, terwijl sprake was van BE-combinatie die 80 km/h rijdt).
3.15
Met hetgeen Timmerman heeft aangevoerd, heeft zij ten aanzien van de reeds betaalde facturen voor wat betreft de in rekening gebrachte uren vervolgens onvoldoende onderbouwd gesteld dat deze uren zonder rechtsgrond zijn betaald. Het hof verwijst kortheidshalve naar hetgeen in rechtsoverweging 3.14 is overwogen over het transportmanagementsysteem, de handscanners en productie T-8 en wijst er nog eens op dat de bewuste facturen zonder protest zijn ontvangen en zijn voldaan. Een toelichting daarop is niet door Timmerman gevraagd, terwijl het de bestuurder zelf was die de facturen autoriseerde. Op grond van de hiervoor geschetste verklaringen en gedragingen van Timmerman (zie ook rechtsoverweging 3.12) heeft Laarman er in de gegeven omstandigheden dan ook gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat Timmerman met de wijze van facturering instemde. Van betaling zonder rechtsgrond is dan ook geen sprake. [4]
De in rekening gebrachte dieselolietoeslag
3.16
Tussen partijen is niet in geschil dat Laarman bij de facturering van haar transportwerkzaamheden een dieselolietoeslag mocht toepassen. Partijen verschillen evenwel van mening over de wijze waarop Laarman dat heeft gedaan.
3.17
Laarman heeft gesteld dat voor de berekening van de dieselolietoeslag geen vaste regel voorhanden is. De hoogte van de dieselolietoeslag wordt veelal periodiek aangepast en wordt in de praktijk wel gebaseerd op een referentieprijs voor diesel. Er is geen instantie die de referentieprijs bindend vaststelt, het is wat partijen daarover overeenkomen, aldus Laarman . Ondernemingen, zoals ook Laarman , hanteren een vaste toeslag per kilometer of een percentage van de transportkosten. Laarman heeft toegelicht dat zij in eigen beheer een dieselolietoeslag vaststelt door een vast percentage van de transportkosten als opslag te hanteren. Daarbij sloeg Laarman - naar haar eigen stellingen - acht op de brandstofprijzen die golden en op de lijsten van Evofenedex, maar hield zij een eigen opslagpercentage aan dat in de praktijk mee fluctueerde met de brandstofprijzen die golden. Partijen hebben niet gecontracteerd met als voorwaarde dat Laarman een dieselolietoeslag zou berekenen conform de systematiek van Evofenedex, aldus nog steeds Laarman . In de praktijk hanteerde Laarman percentages van 14 % en 11% van de totale transportkosten (gebaseerd op het aantal uren x uurtarief dat afhankelijk was van het transportmiddel). Laarman heeft verder onder meer gewezen op de dieselolietoeslagen die Timmerman zelf hanteerde in de facturen van Timmerman aan Laarman en die lagen tussen de 16,48 % en 18,68 % over de totale transportkosten.
3.18
Het hof constateert dat partijen vooraf klaarblijkelijk geen afspraak over de manier van berekenen van de dieselolietoeslag hebben gemaakt, maar dat niet in geschil is dat Laarman per factuur en na uitvoering van de betreffende koerierdiensten, vanaf eind 2021 haar eigen tarief heeft doorbelast aan Timmerman . Door zonder voorbehoud of protest deze facturen te accepteren en te betalen mocht Laarman in ieder geval redelijkerwijs verwachten dat Timmerman de door haar gehanteerde dieselolietoeslag ook accepteerde. Gelet op de door Timmerman zelf jegens Laarman gehanteerde dieselolietoeslag die hoger was dan het percentage dat Laarman in rekening bracht - het hof verwijst daarvoor naar de tegenfacturen zoals die als productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg door Laarman in het geding zijn gebracht - was het door Laarman gehanteerde tarief ook niet onredelijk hoog dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Timmerman verdedigt de door haar aan Laarman gefactureerde hogere dieselolietoeslag door te stellen dat het om palletprijzen in plaats van prijzen op basis van een uurtarief gaat, maar zij geeft niet aan waarom palletprijzen een hogere toeslag rechtvaardigen. Het hof gaat hier dan ook aan voorbij.
3.19
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Laarman betaling kon vorderen van de dieselolietoeslag zoals zij die in rekening had gebracht op de openstaande facturen.
3.2
Met hetgeen Timmerman heeft aangevoerd heeft zij ten aanzien van de reeds betaalde facturen voor wat betreft de dieselolietoeslag vervolgens onvoldoende gesteld dat deze zonder rechtsgrond is betaald. Het hof verwijst kortheidshalve naar hetgeen in rechtsoverweging 3.18 is overwogen. [5]
De conclusie
3.21
Het voorgaande betekent dat het hof alsnog Timmerman zal veroordelen tot betaling van de openstaande facturen voor in totaal € 125.607,42 inclusief btw. Hierop dient nog in mindering te worden gebracht het volgens partijen te verrekenen bedrag van de facturen van Timmermans ter hoogte van € 933,24 inclusief btw (vergelijk artikel 6:127 juncto Pro artikel 6:129 BW Pro). Laarman heeft in haar vordering een bedrag aan te betalen handelsrente voor de periode van 26 september 2022 tot en met 2 maart 2023 opgenomen. Daarnaast vordert Laarman een veroordeling tot betaling van de wettelijke rente vanaf 3 maart 2023. Timmerman heeft terecht aangevoerd dat de berekening van de wettelijke handelsrente gelet op de op de facturen vermelde betalingstermijn van 14 dagen na factuurdatum, onjuist is. Het hof zal daarom de wettelijke handelsrente toewijzen vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen tot aan 2 maart 2023. Daarnaast zal het hof Timmerman veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf 3 maart 2023.
3.22
Het principaal hoger beroep van Timmerman slaagt niet. Het incidenteel hoger beroep van Laarman slaagt wel. Omdat Timmerman in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Timmerman zowel tot betaling van de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep veroordelen alsook tot betaling van de proceskosten bij de rechtbank in reconventie. [6] Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening
. [7]
3.23
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel appel
4.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 17 juli 2024, behalve de beslissingen onder 6.1, 6.5 en 6.7 die hierbij worden vernietigd en beslist verder als volgt:
4.2
veroordeelt Timmerman om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Laarman te betalen € 125.607,42 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de tot dit bedrag optellende bedragen vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen tot en met 2 maart 2023 en met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat totale bedrag vanaf 3 maart 2023 tot aan de dag van algehele voldoening, na verrekening van € 933,24 dat Laarman nog aan Timmerman is verschuldigd,
4.3
veroordeelt Timmerman tot betaling van de volgende proceskosten van Laarman tot aan de uitspraak van de rechtbank in reconventie:
€ 1.929,- aan salaris van de advocaat van Laarman (1 procespunt x het toepasselijke tarief V à € 1.929,-)
en tot betaling van de volgende proceskosten van Laarman in principaal hoger beroep:
€ 6.561,- aan griffierecht
€ 7.594,- aan salaris van de advocaat van Laarman (2 procespunten x het toepasselijke tarief V à € 3.797,- )
en tot betaling van de volgende proceskosten van Laarman in incidenteel hoger beroep:
€ 3.797,- aan salaris van de advocaat van Laarman (2 procespunten x het toepasselijke tarief V à € 3.797,- gedeeld door 2),
4.4
bepaalt dat al deze proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente,
4.5
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. drs. J.E. Wichers, mr. M.E.L. Fikkers en mr. C.P. Lunter, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.

Voetnoten

1.Vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 17 juli 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:3881.
2.Grief 1 van Timmerman in principaal hoger beroep slaagt in zoverre.
3.Voor zover Timmerman met haar grief 2 in principaal hoger beroep anders betoogt, faalt die grief.
4.De grieven 3, 4, 5 en 6 van Timmerman in principaal hoger beroep slagen evenmin.
5.Grief I en II van Laarman in incidenteel hoger beroep slagen.
6.De grieven 7 en 8 van Timmerman in principaal hoger beroep slagen niet, grief III van Laarman in incidenteel hoger beroep slaagt wel.
7.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.