Dat niet aan de buitensporigheidseis is voldaan, is door de kantonrechter als volgt gemotiveerd:
“Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is gebleken dat [werknemer] op een gegeven moment niet meer in staat was om aangiftes op juistheid te controleren terwijl hij zelf beschuldigd werd van willens en wetens onjuist aangifte doen en dat hij hierdoor psychisch overbelast is geraakt. De kantonrechter neemt het zonder meer voor waar aan dat [werknemer] door de privékwestie met de fiscus, die zich vele jaren heeft voortgesleept, spanningen heeft ervaren die in zijn geval er zelfs toe hebben geleid dat hij overbelast is geraakt, maar dat levert naar het oordeel van de kantonrechter nog geen reden op om de werkomstandigheden als objectief buitensporig aan te merken. [werknemer] heeft na de door hem als beschuldiging opgevatte stelling in het verweerschrift van de fiscus dat hij willens en wetens een onjuiste aangifte heeft gedaan, het idee dat zijn integriteit in twijfel werd getrokken niet meer kunnen loslaten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [werknemer] dit zich meer aangetrokken dan van een gemiddelde werknemer van werknemer[het hof begrijpt: de Belastingdienst als werkgever]
mag worden verwacht. Werkgever had, zoals hiervoor in ander verband al overwogen, weliswaar eerder actie kunnen nemen door met [werknemer] in gesprek te gaan over de privékwestie met de fiscus en daarna, toen duidelijk werd dat hij onder druk stond door het conflict met de fiscus, met de afdeling Particulieren contact op te nemen om een oplossing van de privékwestie (te proberen) te bespoedigen, maar aanknopingspunten voorde conclusie dat de houding en bejegening van werkgever tegenover [werknemer] zodanig waren dat de werkomstandigheden als buitensporig moeten worden aangemerkt, zijn er niet.(…)
De kantonrechter begrijpt dat het in verband met oplopende spanningen bij [werknemer]
voor hem op enig moment ook lastig was dat onderscheid[tussen de Belastingdienst als fiscus en de Belastingdienst als werkgever – hof]
te maken, maar het gaat niet aan
om eventuele steken die de belastingdienst als fiscus heeft laten vallen bij de afhandeling van de privékwestie en de bejegening van [werknemer] daarbij, aan de belastingdienst als
werkgever aan te rekenen, laat staan om het handelen van de belastingdienst als fiscus aan te merken als een omstandigheid die heeft bijgedragen aan werkomstandigheden van een
buitensporig karakter. Verder leest de kantonrechter in de brief van 30 mei 2023 van
werkgever dat er begrip wordt getoond voor de situatie waarin [werknemer] is komen te
verkeren, maar anders dan [werknemer] kan dit niet worden opgevat als een onderkenning
van de buitensporigheid van de werksituatie.”