Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2075

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
200.357.382/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251 lid 2 BWArt. 1:253n BWArt. 1:251a lid 1 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afwijzing verzoek eenhoofdig gezag minderjarige

De ouders van de minderjarige zijn na hun scheiding in 2021 gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De moeder verzocht meerdere malen om eenhoofdig gezag, maar de rechtbank wees deze verzoeken af. In hoger beroep verzocht de vader om het gezamenlijk gezag te handhaven.

Het hof oordeelt dat het uitgangspunt van de wetgever is dat gezamenlijk gezag blijft bestaan tenzij er een relevante wijziging van omstandigheden is die het belang van het kind vereist dat één ouder alleen het gezag krijgt. Het hof constateert dat sinds de laatste beschikking van de rechtbank in november 2024 geen wezenlijke wijziging heeft plaatsgevonden die een wijziging rechtvaardigt.

De moeizame communicatie en het gebrek aan vertrouwen tussen de ouders, met name rondom vakanties van de minderjarige, vormen het onderliggende probleem. Het hof benadrukt het belang van het behoud van het ouderlijk gezag als fundamenteel onderdeel van het familie- en gezinsleven en wijst het verzoek van de moeder af. Tevens beveelt het hof begeleiding van de vader door de gecertificeerde instelling om de relatie met de minderjarige te verbeteren.

Uitkomst: Het hof handhaaft het gezamenlijk gezag over de minderjarige en wijst het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.382/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 242406)
beschikking van 7 april 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. L.H. Haarsma te Paterswolde,
en
[verweerster](de moeder),
die woont op een geheim te houden adres,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. J.G. Brands te [woonplaats] .
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen(de GI),
die gevestigd is in Groningen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 18 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 18 juli 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 11 augustus 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 18 augustus 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift;
- een journaalbericht namens de vader van 9 februari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 16 februari 2026 met bijlage(n).
2.2
Op 16 februari 2026 is de minderjarige [de minderjarige] naar het hof gekomen. [de minderjarige] heeft de voorzitter van het hof verteld wat hij vindt van het verzoek.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 17 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader met zijn advocaat, die pleitnotities heeft overgelegd;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- een vertegenwoordiger van de raad.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , die is geboren [in] 2009. De ouders hebben samen nog een inmiddels meerderjarige zoon ( [kind1] ) en dochter ( [kind2] ). De ouders hebben enkele maanden na de geboorte van [de minderjarige] geregeld dat zij samen het gezag over [de minderjarige] hebben. Na een relatie van meer dan 20 jaar zijn de ouders in 2021 uit elkaar gegaan. [de minderjarige] en [kind2] zijn bij de moeder blijven wonen. Zij hebben sindsdien geen contact meer gehad met de vader. [kind1] woont bij de vader en heeft geen contact met de moeder. [de minderjarige] en [kind2] enerzijds en [kind1] anderzijds hebben ook geen contact met elkaar.
3.2
Bij beschikking van 5 september 2023 is bepaald dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. Bij diezelfde beschikking is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is sindsdien verlengd en de GI heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat de ondertoezichtstelling in ieder geval nog doorloopt in afwachting van de uitkomst van dit hoger beroep.
3.3
Bij beschikkingen van 12 juli 2024 en 11 november 2024 heeft de rechtbank eerdere verzoeken van de moeder om haar alleen met het gezag over [de minderjarige] te belasten afgewezen. Bij genoemde beschikking van 12 juli 2024 heeft de rechtbank in de plaats van de vader toestemming gegeven voor een vakantie van [de minderjarige] met zijn zus [kind2] in augustus en september 2024 naar het Verenigd Koninkrijk.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] gewijzigd en is bepaald dat de moeder voortaan alleen het gezag over hem uitoefent.
4.2
De vader is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 april 2025. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt de beschikking van 18 april 2025 te vernietigen en te bepalen dat hij en de moeder met onmiddellijke ingang gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] worden belast.
4.3
De moeder voert verweer en zij verzoekt het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren, met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof komt tot een andere beslissing dan de rechtbank. Het hof is van oordeel dat het wijzigingsverzoek van de moeder moet worden afgewezen en dat het gezamenlijk gezag van de ouders in stand moet blijven. Het hof zal uitleggen waarom het dat vindt.
5.2
Ter beoordeling ligt voor het derde verzoek van de moeder in negen maanden tijd om alleen met het gezag over [de minderjarige] te worden belast. Aan de eerdere verzoeken van de moeder was steeds een verzoek om vervangende toestemming voor een voor [de minderjarige] geplande buitenlandreis gekoppeld. Het huidige verzoek om eenhoofdig gezag is op 18 februari 2025 ingediend bij de rechtbank. Slechts enkele maanden daarvoor had de rechtbank bij beschikking van 11 november 2024 eenzelfde verzoek van de moeder afgewezen. In diezelfde procedure had de moeder een verzoek gedaan om vervangende toestemming voor een korte vakantie naar Duitsland en vervolgens had zij dat na de mondelinge behandeling ingetrokken. Zoals tijdens die mondelinge behandeling op 18 oktober 2024 door partijen afgesproken, had de moeder namelijk van de vader een door hem ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring voor de betreffende vakantie met kopie van zijn identiteitsbewijs ontvangen. De rechtbank zag vervolgens in haar beschikking van 11 november 2024 geen wettelijke grond voor wijziging als bedoeld in artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.3
Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders die gezamenlijk het gezag hebben dit ook als zij niet meer samen zijn gezamenlijk blijven uitoefenen. [1] Alleen in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat dit wordt gewijzigd en een van de ouders alleen met het gezag wordt belast. Zo moet zich een relevante wijziging van omstandigheden hebben voorgedaan of er is bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens uitgegaan. Daarnaast moet sprake zijn van een situatie waardoor handhaving van het gezamenlijk gezag ofwel het onaanvaardbaar risico met zich brengt dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders ofwel het anderszins in zijn of haar belang noodzakelijk is dat voortaan alleen één ouder met het gezag belast is. [2]
5.4
Het hof stelt vast dat de feitelijke situatie op het moment dat de moeder dit verzoek deed niet wezenlijk anders was dan toen de rechtbank zich in de vorige procedure een oordeel moest vormen over het voortduren van het gezamenlijk gezag en daarover op 11 november 2024 een beslissing heeft gegeven. Daarom ziet het hof inhoudelijk geen grond om het gezag over [de minderjarige] te wijzigen. De moeder heeft onvoldoende gesteld dat de omstandigheden sinds de beschikking van 11 november 2024 zodanig zijn gewijzigd of dat bij het nemen van die beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat tot een wijziging van het gezag moet worden gekomen. De niet met stukken onderbouwde stelling van de moeder dat een voor 27 tot en met 31 december 2024 geplande vliegreis van [de minderjarige] en zijn zus [kind2] naar het Verenigd Koninkrijk niet is doorgegaan, acht het hof daarvoor onvoldoende. Volgens de moeder kwam [de minderjarige] op 27 december 2024 niet door de douane op Schiphol, omdat het toestemmingsformulier dat hij bij zich had niet juist was ingevuld door de vader en hij ook geen onbewerkte kopie van het identiteitsbewijs van de vader kon laten zien. De vader heeft daartegenover met stukken onderbouwd gesteld dat hij alle voor deze reis benodigde stukken, die conform de adviezen van de Rijksoverheid nodig zijn, heeft aangeleverd. De vader voert aan dat hij het [de minderjarige] van harte gunt om op vakantie te gaan en dat hij daar altijd toestemming voor wil en zal geven, net zoals hij eerder heeft gedaan. Bij gebrek aan vertrouwen in de moeder wil de vader zijn burgerservicenummer (bsn) echter niet prijsgeven. Voor het verstrekken van een veilige kopie van zijn identiteitsbewijs aan de moeder maakt de vader daarom gebruik van de KopieID-app van de Rijksoverheid. Daarmee kun je bepaalde gegevens van je identiteitsbewijs wegstrepen en een watermerk over de kopie plaatsen, aldus de vader.
5.5
De moeizame gang van zaken rondom vakanties van [de minderjarige] is kenmerkend voor de verstoorde verstandhouding tussen partijen. Dat is hier het onderliggende probleem, maar dat is en was toen de moeder dit verzoek deed niets nieuws. Sinds hun relatiebreuk is de communicatie tussen de ouders slecht. Er is sprake van veel wederzijds wantrouwen.
Het hof constateert dat de ondertoezichtstelling daar tot nu toe kennelijk geen verbetering in heeft kunnen brengen. Hoewel de moeder van mening is dat de vader bewust moeilijk doet bij het invullen en verstrekken van de juiste reispapieren voor [de minderjarige] , stelt het hof vast dat de moeder zelf ook niet steeds het betreffende buitenlandformulier naar behoren heeft ingevuld. Voorstelbaar is dat als de vader niet precies weet waar, wanneer en voor hoe lang [de minderjarige] ergens naartoe reist, de vader terughoudend is met het geven van zijn toestemming. Verder ontstaat uit de stukken de indruk dat de moeder betrekkelijk snel de juridische route kiest als [de minderjarige] een tripje naar het buitenland wil maken, terwijl de vader juist graag met de moeder wil overleggen. Aan de andere kant werkt de hardnekkige weigering van de vader om een onbewerkte kopie van zijn identiteitsbewijs te verstrekken niet bevorderend.
Al met al is het hof van oordeel dat het door de moeder aan haar huidige verzoek ten grondslag gelegde reisincident in december 2024 een wijziging van het gezamenlijk gezag niet rechtvaardigt. De vader heeft ter zitting toegezegd in het vervolg een onbewerkte kopie van zijn identiteitsbewijs te zullen delen met de moeder als [de minderjarige] naar het buitenland wil reizen.
5.6
De beslissing van het hof leidt tot een andere uitkomst dan [de minderjarige] graag had gezien. Hij vertelde in zijn gesprek met de voorzitter dat hij wilde dat de situatie bleef zoals die was. Het hof kan zich voorstellen dat het verwarrend is voor [de minderjarige] dat de beslissing van de rechtbank na bijna een jaar toch wordt teruggedraaid. Het is op juridische gronden dat het hof afwijkt van het advies van de raad om de wens van [de minderjarige] te volgen. Voor het hof is echter ook duidelijk geworden dat de aanhoudende strijd tussen zijn ouders bijzonder ingewikkeld is voor [de minderjarige] . [de minderjarige] lijkt uit zelfbescherming de kant van de moeder te hebben gekozen en daarom al jaren ieder contact met de vader af te wijzen. Ondanks dat [de minderjarige] inmiddels 16 jaar is en op basis van zijn leeftijd in staat zou kunnen worden geacht om zelfstandig een mening te vormen, plaatst het hof [de minderjarige] standpunt in deze zaak wel in dit perspectief. Gebleken is dat de GI nauwelijks iets heeft geprobeerd om de vader nog in het leven van [de minderjarige] terug te krijgen, terwijl [de minderjarige] aan het begin van de ondertoezichtstelling toch nog maar 14 jaar oud was. De mening en het belang van [de minderjarige] zijn belangrijk, maar het hof dient ook de belangen van de vader in ogenschouw te nemen. Het ouderlijk gezag is een fundamenteel onderdeel van het familie- en gezinsleven. [3] Aangezien de vader al geen contact met [de minderjarige] heeft, is het ouderlijk gezag het enige lijntje dat hij nog heeft met zijn zoon. De vader moet beschermd worden tegen het bij herhaling door de moeder aanvechten van zijn gezagspositie, hoe uitgekleed die in dit geval ook mag zijn. De strenge criteria van artikel 1:253n BW dragen bij aan die bescherming. Overigens acht het hof het ook in het belang van [de minderjarige] dat de laatste band met zijn vader niet wordt doorgeknipt, ook al ziet [de minderjarige] dat nu zelf anders. Zelfs in de situatie dat er helemaal geen contact is, blijft het belangrijk dat de vader [de minderjarige] op welke manier dan ook kan laten zien dat hij onvoorwaardelijk van hem houdt. Om het vertrouwen van [de minderjarige] terug te winnen heeft de moeder de vader ter zitting opgeroepen [de minderjarige] via de GI een brief te schrijven waarin hij erkent wat er in het verleden is gebeurd en daarvoor zijn excuses maakt. Het hof acht het wenselijk dat de vader handvatten krijgt van een deskundige over hoe hij zich op een positieve, betekenisvolle manier tot [de minderjarige] kan richten met erkenning voor zijn gevoelens, zonder daarbij iets van [de minderjarige] terug te verwachten. De afhoudende opstelling van de moeder maakt het de vader daarbij niet makkelijk. De moeder wil haar nieuwe adres niet met de vader delen en het is voor haar ook geen optie dat de vader post voor [de minderjarige] naar een familielid of gezamenlijke kennis stuurt. Het hof acht het van belang dat de GI de vader binnen de ondertoezichtstelling helpt om de juiste stappen richting [de minderjarige] te zetten; dit is in het belang van [de minderjarige] . Het hof acht dit de enige kans om de vader in de toekomst nog weer een rol van betekenis te kunnen laten spelen in het leven van [de minderjarige] . Een genuanceerder vaderbeeld zou [de minderjarige] (identiteits)ontwikkeling ten goede kunnen komen. Daarbij betrekt het hof dat de moeder na de bestreden beschikking is gestopt met het maandelijks sturen van informatie over [de minderjarige] aan de vader zoals dat met de GI was afgesproken in het gezinsplan. Dat geeft het hof weinig vertrouwen in de situatie die zou ontstaan als het eenhoofdig gezag van de moeder in stand blijft en de ondertoezichtstelling daarom wordt beëindigd.
5.7
Voor de bestreden beschikking waren puur de kindspecifieke factoren en de wens van [de minderjarige] doorslaggevend. Voor zover sprake is van een ambtshalve beslissing gebaseerd op een door [de minderjarige] gebruikte informele rechtsingang, stond dat de rechtbank gezien genoemde eerdere beschikking van 11 november 2024 niet vrij. [4]

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
18 april 2025, en opnieuw beschikkende:
wijst af het verzoek van de moeder tot wijziging van het ouderlijk gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2009;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. A.P. de Jong-de Goede en
mr. C. Coster, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 7 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:251 lid 2 BW Pro
2.Artikel 1:253n in combinatie met artikel 1:251a lid 1 BW
3.Artikel 8 EVRM Pro en de daarop gebaseerde jurisprudentie van het EHRM