Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2085

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
200.365.472
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk bij te late indiening tegen tussentijdse beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling

Appellant was toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) en werd bij vonnis van 16 februari 2026 tussentijds uit de regeling gezet vanwege tekortschieten in de nakoming van zijn sollicitatieplicht. Hij stelde hoger beroep in op 25 februari 2026, één dag na het verstrijken van de wettelijke termijn van acht dagen.

Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van het hoger beroep en concludeerde dat de beroepstermijn strikt moet worden nageleefd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals een fout van het gerecht. Appellant voerde verschoonbare redenen aan, waaronder het ontbreken van tijdige juridische bijstand, dakloosheid en medische noodzaak, maar deze werden niet voldoende geacht.

Het hof nam mee dat appellant tijdig op de hoogte was gesteld van de termijn en dat het vonnis hem dezelfde dag bereikte. Ondanks begrip voor zijn persoonlijke omstandigheden, oordeelde het hof dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en verklaarde het appellant niet-ontvankelijk. Een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep zou niet tot een andere uitkomst hebben geleid.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.472
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 16/23/155
arrest van 7 april 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in Utrecht
hierna: [appellant]
advocaat: mr. J.R.A. Röschlau

1.De procedure bij de rechtbank

1.1.
Bij vonnis van 12 december 2023 heeft de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank) [appellant] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: de wsnp), met benoeming van mevrouw [bewindvoerder] tot bewindvoerder (hierna: de bewindvoerder).
1.2.
Op 14 mei 2025 heeft een verificatievergadering plaatsgevonden. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 juni 2025 vastgesteld dat [appellant] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn sollicitatieplicht en bepaald dat de wsnp wordt verlengd tot 12 juni 2026.
1.3.
Bij vonnis van 16 februari 2026 heeft de rechtbank de wsnp van [appellant] tussentijds beëindigd zonder dat de rechtbank daarbij aan hem de zogenoemde ‘schone lei’ heeft verleend. De rechtbank heeft bepaald dat [appellant] in staat van faillissement zal komen te verkeren zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

2.De procedure bij het hof

2.1.
Door middel van een op 25 februari 2026 gedateerd en op diezelfde datum bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Het hoger beroep van [appellant] heeft als doel om het vonnis te laten vernietigen en de wsnp te laten voortduren dan wel het hof een minder vergaande maatregel te laten treffen dan de rechtbank heeft gedaan.
2.2.
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het beroepschrift;
- de brief van de bewindvoerder van 18 maart 2026 met bijlagen;
- het bericht van mr. Röschlau van 27 maart 2026 met bijlagen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Hierbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Röschlau. Verder is de bewindvoerder verschenen.

3.Motivering van de beslissing in hoger beroep

Het oordeel van de rechtbank
3.1.
De rechtbank heeft de wsnp van [appellant] tussentijds beëindigd, omdat hij is tekortgeschoten in de nakoming van de sollicitatieplicht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellant] zich onvoldoende ingespannen ten behoeve van zijn schuldeisers door geen sollicitatiebewijzen aan te leveren en geen inzicht te geven in zijn medische situatie en/of bewijs aan te leveren waaruit blijkt dat hij onder behandeling is en had kunnen worden ontheven van zijn sollicitatieverplichting.
Ontvankelijkheid
3.2.
Het hof zal eerst nagaan of [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Op basis van artikel 351 lid 1 Fw Pro heeft de schuldenaar het recht om hoger beroep in te stellen gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak tot beëindiging van de wsnp. De rechtbank heeft de wsnp tussentijds beëindigd bij vonnis van 16 februari 2026. De termijn voor het instellen van hoger beroep tegen dit vonnis is verstreken op 24 februari 2026. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld op 25 februari 2026.
3.3.
Rechtsmiddelentermijnen zijn van openbare orde en moeten door de rechter ambtshalve worden toegepast. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. [1] Aan rechtsmiddelentermijnen moeten dan ook strikt de hand worden gehouden. Dit is ook zo – en zelfs juist – in zaken waarin een korte beroepstermijn geldt. Op dat uitgangspunt kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt, zoals in het geval het hoger beroep te laat is ingediend ten gevolge van een door (de griffie van) het gerecht begane fout of verzuim.
3.4.
[appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar is. Daartoe voert hij aan dat hij niet tijdig juridische bijstand kon krijgen, dakloos is en dringende medische hulp nodig heeft. [appellant] heeft eerst getracht zelfstandig een advocaat te vinden en ter zitting heeft hij verklaard meermaals te zijn afgewezen, terwijl een advocaat die zijn zaak wel aannam op 19 februari 2026 liet weten die wegens ziekte toch niet te kunnen doen. Naar blijkt uit hun overgelegde advies heeft [appellant] op 24 februari 2026 aan het Juridisch Loket advies gevraagd over het instellen van hoger beroep, waarop hij de volgende dag doorverwijzingen naar andere advocaten kreeg.
3.5.
Geen van de door [appellant] aangevoerde gronden leidt ertoe dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat blijkens het proces-verbaal van de op 9 februari 2026 gehouden zitting de behandelende rechter aan het einde van de terechtzitting [appellant] heeft medegedeeld dat uiterlijk de maandag daarop, dus op 16 februari 2026 uitspraak zou worden gedaan. Het op 16 februari 2026 uitgesproken vonnis van de rechtbank heeft [appellant] dezelfde dag bereikt doordat de bewindvoerder het vonnis per e-mail heeft verstuurd. Ter zitting heeft de bewindvoerder verklaard dat zij diezelfde dag het vonnis met [appellant] telefonisch heeft besproken. Op het vonnis staat uitdrukkelijk vermeld dat hoger beroep alleen kan worden ingesteld door een advocaat binnen een termijn van acht dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van de uitspraak. Van een apparaatsfout is niet gebleken. Het hof wil aannemen dat [appellant] moeite heeft gehad om een advocaat te vinden voordat hij mr. Röschlau bereid vond hem bij te staan, maar dat is onvoldoende voor een verschoonbare termijnoverschrijding. Bovendien blijft het onduidelijk welke handelingen [appellant] heeft verricht in de periode tussen 20 februari 2026 en het contact met het Juridisch Loket.
3.6.
Gelet op het voormelde kan [appellant] niet in zijn hoger beroep worden ontvangen.
3.7.
Zou het hof wel aan een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep zijn toegekomen, dan zou het oordeel niet tot een toewijzing van het verzoek van [appellant] hebben geleid. Het hof heeft begrip voor de huidige situatie van [appellant] en ziet dat hij stappen heeft gezet in een moeilijke periode waarin hij meerdere ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt. Zijn situatie is echter nog onvoldoende stabiel. Na de verlenging van de wsnp, die als waarschuwing telt, en ondanks herhaald aandringen door de bewindvoerder, heeft [appellant] zich onvoldoende (aantoonbaar) ingespannen voor werk en behandeling. De door hem op zitting geschetste veranderingen, ook al zijn die zonder meer bemoedigend, zijn te laat ingezet en onvoldoende concreet om tot doorlopen (met eventueel verdere verlenging) van de wsnp te komen.
3.8.
Gelet op het vorenstaande zal het hof [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaren.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, D.M.I. De Waele en H. Wammes en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489,