Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2209

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.359.164/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 806 RvArtikel 5 lid 1 HVV 2000Artikel 13 lid 1 HVV 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep onderbewindstelling wegens overschrijding termijn

De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter die onderbewindstelling van de goederen van de rechthebbende heeft ingesteld en een bewindvoerder heeft benoemd. Verzoeker, een zoon van de rechthebbende, stelde dat de onderbewindstelling niet nodig was en dat hij op basis van een levenstestament de rechthebbende kon bijstaan.

De kantonrechter wees het verzoek tot onderbewindstelling toe op 16 mei 2025. Verzoeker stelde dat hij pas op 11 juni 2025 kennis had genomen van de beschikking en diende zijn beroepschrift op 9 september 2025 in. Verweerder betwistte dit en stelde dat verzoeker al op 26 mei 2025 bekend was met de beschikking, waardoor de beroepstermijn op die datum begon te lopen.

Het hof oordeelde dat verzoeker niet als belanghebbende was aangemerkt en dat de beschikking niet aan hem was betekend. Uit app-berichten en verklaringen bleek dat verzoeker op 26 mei 2025 op de hoogte was van het bewind. De beroepstermijn was daarmee op die datum gestart en het beroepschrift van 9 september 2025 was te laat. Verzoeker werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof sprak tevens de wens uit dat de zoons in het belang van hun vader, de rechthebbende, zullen handelen en de bewindvoerder zijn werk kunnen doen in harmonie en rust.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.164/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 11342932)
beschikking van 14 april 2026
in de zaak van
[verzoeker]( [verzoeker] ),
die woont in [woonplaats1] te Thailand,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. M. Helmantel te Sappemeer,
en
[verweerder]( [verweerder] ),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. M.R.P. Ossentjuk te Groningen.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende](de rechthebbende),
die woont in [woonplaats2] ,
en
Kompas Zuidlaren B.V.(de bewindvoerder),
gevestigd te Zuidlaren.

1.De procedure in eerste aanleg

1.1
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 16 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage, ingekomen ter griffie op 9 september 2025;
- een journaalbericht namens [verzoeker] van 29 september 2025 met bijlagen;
- een brief van de bewindvoerder van 6 november 2025;
- het verweerschrift van [verweerder] met bijlagen;
- een journaalbericht namens [verzoeker] van 19 februari 2026 met bijlagen;
- een e-mail namens [verweerder] van 25 februari 2026 bij bijlagen.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- [verzoeker] met zijn advocaat;
- [verweerder] met zijn advocaat;
- de rechthebbende met zijn begeleider, [naam1] , aan wie bijzondere toegang is verleend om de mondelinge behandeling bij te wonen;
- de bewindvoerder, vertegenwoordigd door [naam2] .

3.De feiten

3.1
De rechthebbende is geboren [in] 1946. [verzoeker] en [verweerder] zijn de zoons van de rechthebbende.
3.2
De rechthebbende heeft in zijn levenstestament van 28 juli 2023 een algemene volmacht gegeven aan zijn zoons. In het levenstestament staat als doel omschreven:
‘Met dit levenstestament wil ik mede voorzien in de situatie dat ik om wat voor reden dan ook niet meer zelf mijn wil kan bepalen en beslissingen kan nemen.’ … ‘Ik geef een algemene volmacht om mijn vermogensrechtelijke en andere zakelijke belangen te behartigen (…).’ … ‘Ik tref deze maatregelen om te voorkomen dat ik onder curatele wordt gesteld, dat over mijn goederen beschermingsbewind of ten behoeve van mij mentorschap wordt ingesteld. Ook als ik niet meer wilsbekwaam ben, …, blijft dit levenstestament met de daarin opgenomen volmachten gelden.’Het testament is verleden voor notaris mr. E. Akkerman.
3.3
De rechthebbende zelf heeft medio oktober 2024 bij de kantonrechter een verzoek tot onderbewindstelling van zijn goederen ingediend. Hij geeft in zijn verzoek aan dat hij niet in staat is zijn financiën goed te beheren. Hij verzoekt om mr. E. Akkerman van Notariaat Zuidlaren & Aa en Hunze tot bewindvoerder te benoemen.
3.4
De mondelinge behandeling van het verzoekschrift bij de kantonrechter heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 mei 2025. Op deze zitting zijn onder meer verschenen de rechthebbende en [verweerder] .
3.5
[verzoeker] is in de procedure bij de kantonrechter niet verschenen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de rechthebbende toegewezen en een bewind ingesteld over de goederen van de rechthebbende en Kompas Zuidlaren B.V. tot bewindvoerder benoemd.
4.2
[verzoeker] is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij wil dat de bestreden beschikking wordt vernietigd. [verzoeker] vindt dat een onderbewindstelling van de goederen van de rechthebbende niet nodig is en dat hij al dan niet tezamen met [verweerder] op basis van de volmacht uit het levenstestament de rechthebbende kan bijstaan.
4.3
[verweerder] voert verweer en hij verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De bewindvoerder heeft in zijn brief van 6 november 2025 het hof geïnformeerd over de stand van zaken en aangegeven de benoeming van een onafhankelijke bewindvoerder in het belang van de rechthebbende te vinden, omdat hij anders klem komt te zitten tussen zijn zoons [verzoeker] en [verweerder] .

5.De motivering van de beslissing

IPR
5.1
Er is sprake van een zaak met een internationaal karakter nu verzoeker in Thailand woont. Het Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen, het Haags Volwassenenbeschermingsverdrag 2000 (hierna: het HVV 2000) wordt in Nederland anticiperend toegepast [1] . Op basis van dit verdrag zijn de gerechtelijke autoriteiten van de staat waar de rechthebbende zijn gewone verblijfplaats heeft bevoegd maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van diens persoon of vermogen [2] en past die gerechtelijke autoriteit zijn eigen recht toe [3] . Dit betekent dat het hof bevoegd is en op basis van het Nederlandse recht beslist nu de rechthebbende in Nederland woont op het moment dat het hof deze beslissing neemt.
Ontvankelijkheid
5.2
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad zijn rechtsmiddelentermijnen van openbare orde en moeten deze door de rechter ambtshalve worden toegepast. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddeltermijnen dient dan ook strikt de hand te worden gehouden.
5.3
Op grond van artikel 806, eerste lid, aanhef en sub b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan in zaken als de onderhavige een belanghebbende die in eerste aanleg niet is verschenen en die geen afschrift van het verzoekschrift heeft ontvangen, van een beschikking in hoger beroep komen binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hem op een andere wijze bekend is geworden.
5.4
De bestreden beschikking dateert van 16 mei 2025. [verzoeker] heeft gesteld dat de rechtbank aan hem toen geen afschrift van de beschikking heeft verstrekt of verzonden.
Pas op 11 juni 2025 heeft de rechtbank op verzoek van [verzoeker] zelf een afschrift van de beschikking aan hem verstrekt en is de beschikking hem bekend geworden. Volgens [verzoeker] is voor hem de termijn van drie maanden om hoger beroep in te stellen aangevangen op 11 juni 2025 en is zijn beroepschrift op 9 september 2025 daarom tijdig ingediend.
5.5
[verweerder] is van mening dat [verzoeker] zijn beroepschrift te laat heeft ingediend en dat hij daarom niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard door het hof. [verweerder] stelt dat [verzoeker] in ieder geval vanaf 26 mei 2025 bekend is met de beschikking en dat voor [verzoeker] de termijn om hoger beroep in te stellen op 9 september 2025 al was verstreken.
5.6
Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroepschrift van [verzoeker] gaat het hof er van uit dat de kantonrechter [verzoeker] niet als belanghebbende heeft aangemerkt, dat de beschikking van 16 mei 2025 niet aan [verzoeker] is betekend en dat door de rechtbank aan [verzoeker] op 16 mei 2025 ook geen afschrift van de beschikking is verstrekt. Voor [verzoeker] is daarom de beroepstermijn niet aangevangen op 16 mei 2026. [verzoeker] wordt door het hof aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel 806 eerste Pro lid sub b. Rv voor wie de beroepstermijn gaat lopen nadat de beschikking hem op andere wijze bekend is geworden.
5.7
Aan de hand van de door [verweerder] overgelegde stukken stelt het hof vast dat [verzoeker] op 26 mei 2025 aan [verweerder] app-berichten heeft gestuurd met onder meer de volgende inhoud:

[verweerder] , kunnen wij vandaag of morgen met elkaar praten om wat zaken over de bewindvoering en [belanghebbende] door te nemen.’,

[verweerder] , de bewindvoerder zal alleen het financiële deel voor hem regelen.’ en

Ja Jan, ik h … pas gesproken … de bewindvoerder nog niet met de zorg mentor maar de bewindvoerder is heel duidelijk dat hij alle touwtjes in handen heeft en hij gaat kijken of [belanghebbende] nog terug kan naar dit appartement en hij heeft alles zeggenschap over de spullen.’
5.8
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de bewindvoerder aangegeven dat [verzoeker] hem op een vrijdag voor 28 mei 2025 heeft gebeld over het bewind en dat [verzoeker] toen aangaf op de hoogte te zijn van het bewind. De datum 28 mei 2025 was de dag van de notitie in zijn dossier. [verzoeker] heeft bij het hof aangegeven dat hij op of omstreeks 28 mei 2025 inderdaad met de bewindvoerder heeft gesproken over het ingestelde bewind. Ook blijkt uit de stukken dat [verzoeker] voorafgaand aan het door de rechthebbende indienen van het verzoek om de onderbewindstelling door de notaris mr. E. Akkerman was gevraagd of hij het eens was met de aanvraag voor een bewind.
5.9
Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande dat [verzoeker] bekend was met het verzoek tot onderbewindstelling van de goederen van de rechthebbende. Het hof leidt uit de app-berichten en verklaringen tevens af dat [verzoeker] kort na de beschikkingsdatum, maar in ieder geval op 26 mei 2025 op de hoogte was van het feit dat de goederen van de rechthebbende onder bewind waren gesteld door de kantonrechter. Dit betekent dat zijn beroepstermijn op 26 mei 2025 is gestart en het beroepschrift van [verzoeker] uiterlijk op
26 augustus 2025 bij het hof moest zijn ingediend. Het beroepschrift is pas op 9 september 2025 door het hof ontvangen. Dit is te laat en [verzoeker] is daarom niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
5.1
Het hof heeft op de mondelinge behandeling met de rechthebbende gesproken en hij heeft duidelijk aangegeven te verlangen naar harmonie, rust en vrede, en het vreselijk te vinden dat zijn zoons ruzie hebben met elkaar. De rechthebbende gaf aan een gevoelsmens te zijn en te verlangen naar - in zijn eigen woorden - ‘hartewarmte’. Het hof hoopt dat [verzoeker] en [verweerder] dit verlangen van de rechthebbende, hun vader, hebben gehoord en dat zij de bewindvoerder zijn werk in het belang van de rechthebbende zullen laten doen en dat zij zullen handelen in het belang van hun vader en volgens zijn wens.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 16 mei 2025.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. F. Kleefmann en mr. J.G. Knot, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 14 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:147.
2.Artikel 5 lid 1 HVV Pro 2000.
3.Artikel 13 lid 1 HVV Pro 2000.