AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheid Nederlandse rechter en auteursrechtinbreuk op Tripp Trapp-stoel vastgesteld
In deze zaak staat de auteursrechtelijke bescherming van de Tripp Trapp-stoel centraal, evenals de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om over de vorderingen te oordelen. Stokke c.s. vorderen een verbod op de verhandeling van de Iris-stoel van Cybex c.s., die volgens hen inbreuk maakt op het auteursrecht van de Tripp Trapp-stoel.
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is voor de vorderingen die betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied, maar niet voor grensoverschrijdende verboden binnen de Europese Unie. De Tripp Trapp-stoel wordt als een auteursrechtelijk beschermd werk aangemerkt, omdat het ontwerp de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt door vrije en creatieve keuzes die niet uitsluitend technisch zijn bepaald.
Voorts stelt het hof vast dat de Iris-stoel inbreuk maakt op de Tripp Trapp-stoel, ondanks enkele verschillen. De vorderingen van Stokke c.s. worden voor het grootste deel toegewezen, maar het verbod wordt beperkt tot Nederland en het verbod op export wordt ingetrokken. De dwangsom wordt gehandhaafd op het niveau van de voorzieningenrechter. Het hof wijst het incidentele hoger beroep van Stokke c.s. af en compenseert de proceskosten in eerste aanleg en het principale hoger beroep.
Daarnaast oordeelt het hof dat de brieven van Cybex c.s. aan distributeurs niet onrechtmatig zijn. De zaak wordt niet aangehouden vanwege lopende procedures in Duitsland en Italië, omdat er geen litispendentie of connexiteit is. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak wordt op zes maanden gesteld.
Uitkomst: Het hof bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter voor Nederland, erkent auteursrechtinbreuk op de Tripp Trapp-stoel door de Iris-stoel en beperkt het verbod tot Nederland.
Voetnoten
5.de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1 (Verordening Brussel I-bis)
6.HvJ EU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, Kolassa/Barclays Bank
8.Zie onder meer: HvJ EU 20 april 2016, C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282, Profit Investments SIM, punten 61 en 63
9.Zie onder meer: HvJ EU 12 juli 2012, ECLI:EU:C:2012:445, Solvay/Honeywell, punt 24
10.vgl. HvJ EU 7 september 2023, C-832/21, ECLI:EU:C:2023:635, Beverage City Polska, punt 38
11.HvJ EU 3 oktober 2013, C-170/12, ECLI:EU:C:2013:635, Pinckney en HvJ EU 22 januari 2015, C-441/13, ECLI:EU:C:2015:28, Hejduk
12.Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II)
13.HvJ EU 2 september 2019, C‑683/17, ECLI:EU:C:2019:721, Cofemel, punten 30 en 31
14.HvJ EU 4 december 2025, C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941, Mio en Konektra, punt 57
15.HvJ EU 11 juni 2020, C‑833/18, ECLI:EU:C:2020:461, Brompton, punten 26 en 27
16.HvJ EU 4 december 2025, C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941, Mio en Konektra, punten 65-67 en 75
17.HvJ EU 4 december 2025, C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941, Mio en Konektra, punten 86 en 87 en antwoord 3.