Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2224

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
200.357.428
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019h RvArt. 1019i RvArt. 4 Verordening Brussel I-bisArt. 7 punt 2 Verordening Brussel I-bisArt. 8 punt 1 Verordening Brussel I-bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter en auteursrechtinbreuk op Tripp Trapp-stoel vastgesteld

In deze zaak staat de auteursrechtelijke bescherming van de Tripp Trapp-stoel centraal, evenals de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om over de vorderingen te oordelen. Stokke c.s. vorderen een verbod op de verhandeling van de Iris-stoel van Cybex c.s., die volgens hen inbreuk maakt op het auteursrecht van de Tripp Trapp-stoel.

Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is voor de vorderingen die betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied, maar niet voor grensoverschrijdende verboden binnen de Europese Unie. De Tripp Trapp-stoel wordt als een auteursrechtelijk beschermd werk aangemerkt, omdat het ontwerp de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt door vrije en creatieve keuzes die niet uitsluitend technisch zijn bepaald.

Voorts stelt het hof vast dat de Iris-stoel inbreuk maakt op de Tripp Trapp-stoel, ondanks enkele verschillen. De vorderingen van Stokke c.s. worden voor het grootste deel toegewezen, maar het verbod wordt beperkt tot Nederland en het verbod op export wordt ingetrokken. De dwangsom wordt gehandhaafd op het niveau van de voorzieningenrechter. Het hof wijst het incidentele hoger beroep van Stokke c.s. af en compenseert de proceskosten in eerste aanleg en het principale hoger beroep.

Daarnaast oordeelt het hof dat de brieven van Cybex c.s. aan distributeurs niet onrechtmatig zijn. De zaak wordt niet aangehouden vanwege lopende procedures in Duitsland en Italië, omdat er geen litispendentie of connexiteit is. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak wordt op zes maanden gesteld.

Uitkomst: Het hof bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter voor Nederland, erkent auteursrechtinbreuk op de Tripp Trapp-stoel door de Iris-stoel en beperkt het verbod tot Nederland.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.428
zaaknummer rechtbank Gelderland 450845
arrest in kort geding van 14 april 2026
in de zaak van

1.Cybex GmbH

2. Columbus Trading-Partners & Co. KG

3. Cybex Retail GmbH

die zijn gevestigd in Bayreuth, Duitsland
hierna: Cybex, Columbus Trading en Cybex Retail en hierna gezamenlijk: Cybex c.s.
advocaat: mr. M.E. Verwoert (voor Cybex en Columbus Trading) en mr. M.B. van Oostrum (voor Cybex Retail)
en

1.Stokke AS

die is gevestigd in Alesund, Noorwegen
2. [geïntimeerde2]
die is gevestigd in Oslo, Noorwegen
hierna: Stokke en [geïntimeerde2] en hierna gezamenlijk: Stokke c.s.
advocaat: mr. T. Cohen Jehoram

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Cybex c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de voorzieningenrechter) op 30 juni 2025 tussen partijen heeft uitgesproken en op 2 juli 2025 heeft gecorrigeerd. [1] Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
  • het depot van vier stoelen door Stokke c.s. (de Tripp-Trapp-stoel van Stokke, de Nomi-stoel van Stokke, de Iris Chair van Cybex c.s. en de Lemo-stoel van Cybex c.s.)
  • het depot van één stoel door Cybex c.s. (de Click & Fold stoel van Cybex c.s.)
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 9 december 2025 is gehouden en waarvoor aanvullende producties zijn overgelegd zoals vermeld in dat verslag
1.2.
Partijen hebben het hof gevraagd arrest te wijzen.
1.3.
Cybex c.s. hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling (onder meer) bezwaar gemaakt tegen het door Stokke c.s. overgelegde productie 70. Het gaat om een opgave van proceskosten in hoger beroep als bedoeld in artikel 1019h Rv. Op grond van artikel 87 lid 6 Rv Pro worden stukken tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding gebracht en worden stukken die na die termijn in het geding zijn gebracht buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. Voor het verstrekken van de proceskostenopgave geldt deze regel ook, waarbij tot uiterlijk 24 uur voor de zitting nog een aanvullende opgave kan worden verstrekt (zie punt 6 van de Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven). Het gaat hier echter niet om een aanvullende opgave, maar om de reguliere proceskostenopgave. Stokke c.s. hebben dus (zonder goede reden) nagelaten in hoger beroep tijdig een proceskostenopgave te verstrekken. De te laat verstrekte opgave wordt daarom geweigerd.

2.De kern van de zaak

2.1.
Stokke is een Noors bedrijf dat onder meer de in hoogte verstelbare Tripp Trapp-stoel produceert en verkoopt.
2.2.
De Duitse ondernemingen Cybex c.s. hebben de in hoogte verstelbare Iris Chair (hierna ook: Iris-stoel) ontwikkeld. Zij hebben de Iris-stoel in maart 2025 op de Europese markt gelanceerd. In een winkel van het Nederlandse retailbedrijf Baby-Dump B.V. (hierna: Baby-Dump) heeft de Iris-stoel enige tijd gestaan. Op de website van Baby-Dump heeft een afbeelding van de Iris-stoel gestaan met de vermelding dat de Iris-stoel per 2026 leverbaar is. Verder heeft een ander Nederlands retailbedrijf, Babypark B.V. (hierna: Babypark), de Iris-stoel op 24 maart 2025 verkocht aan een klant in een Babypark-winkel in Gouda. Deze klant betrof een aan Stokke gelieerd persoon.
2.3.
Stokke c.s. zijn het onderhavige kort geding gestart tegen Cybex c.s., Babypark en Baby-Dump. Stokke c.s. hebben bij de voorzieningenrechter onder meer gevorderd dat Cybex c.s. en Babypark en Baby-Dump worden veroordeeld om zich te onthouden van iedere inbreuk op de auteursrechten die rusten op het Tripp Trapp-ontwerp. Wat betreft Babypark en Baby-Dump hebben Stokke c.s. een verbod gevorderd voor het grondgebied van Nederland. Wat betreft Cybex c.s. hebben Stokke c.s. een verbod gevorderd voor de gehele Europese Unie.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Stokke c.s. voor een belangrijk deel toegewezen. De voorzieningenrechter heeft Cybex c.s. veroordeeld zich te onthouden van iedere inbreuk op de auteursrechten, in het bijzonder door met onmiddellijke ingang te staken het (laten) vervaardigen, het aanbieden ter verkoop of ter verhuur, het in de handel brengen, invoeren en/of uitvoeren van de Iris-stoel, op het grondgebied van de Europese Unie, met uitzondering van de landen Bulgarije, Cyprus, Estland, Kroatië, Letland, Litouwen, Malta en Slovenië. De voorzieningenrechter heeft aan dit verbod een dwangsomveroordeling verbonden en Cybex c.s. verder veroordeeld in de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv.
2.5.
De bedoeling van het (principale) hoger beroep van Cybex c.s. is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. De bedoeling van het (incidentele) hoger beroep van Stokke c.s. is dat hun vorderingen alsnog voor de gehele Europese Unie worden toegewezen. Stokke c.s. hebben daarnaast in hoger beroep hun eis vermeerderd (en op de mondelinge behandeling voorwaardelijk verminderd). Stokke c.s. vorderen in hoger beroep om Cybex c.s. ook te verbieden derden aan te moedigen inbreuk te (blijven) maken op de auteursrechten die rusten op het Tripp Trapp-ontwerp. Zij vorderen daarnaast een hogere dwangsom.
2.6.
Het hof zal beslissen dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over de vorderingen te oordelen voor zover het gaat om het Nederlandse grondgebied, dat er geen reden is voor aanhouding van de zaak in verband met aanhangige buitenlandse procedures, en dat de Tripp Trapp-stoel een auteursrechtelijk beschermd werk is en de Iris-stoel daarop inbreuk maakt. De nieuwe vorderingen van Stokke c.s. in hoger beroep zijn niet toewijsbaar. Het hof laat het vonnis van de voorzieningenrechter deels in stand en beslist voor een deel anders. Voordat het hof zijn beslissing nader toelicht, zal het hierna eerst de feiten schetsen.

3.De vaststaande feiten in hoger beroep

3.1.
Voor de feiten verwijst het hof naar de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.18 van het vonnis, voor zover daartegen geen bezwaar is gemaakt. Cybex c.s. hebben naar voren gebracht dat de in overwegingen 2.1, 2.3, 2.6, 2.12 en 2.17 vermelde feiten onjuist of onvolledig zijn weergegeven, maar zij zijn hier op de mondelinge behandeling in hoger beroep deels (wat betreft het makerschap en de auteursrechtoverdracht) van teruggekomen. Voor zover nodig gaat het hof in het arrest op deze bezwaren in. Samengevat zijn in hoger beroep de volgende feiten van belang.
3.2.
De Tripp Trapp-stoel is in 1972 ontworpen door de Noorse ontwerper [de maker] . [de maker] heeft in 1984 het auteursrecht op de Tripp Trapp-stoel overgedragen aan [geïntimeerde2] . Stokke heeft een wereldwijde exclusieve licentie om de Tripp Trapp-stoel te produceren en te verkopen. De Tripp Trapp-stoel ziet er als volgt uit:
3.3.
Cybex is een Duits bedrijf dat zich richt op het ontwerp en de ontwikkeling van kinderproducten. Cybex Retail is verantwoordelijk voor de commerciële uitvoering van de online verkoopactiviteiten van Cybex-producten in verschillende Europese landen. Columbus Trading is een Duitse vennootschap die zich onder meer bezighoudt met de marketing en offline distributie van Cybex-producten in de Europese Unie.
3.4.
Babypark en Baby-Dump zijn Nederlandse ondernemingen die online en in fysieke winkels baby- en kinderartikelen verkopen.
3.5.
Op 12 maart 2025 hebben Cybex c.s. de Iris-stoel gelanceerd in verschillende landen van de Europese Unie. De Iris-stoel ziet er als volgt uit:
3.6.
Babypark en Baby-Dump hebben de Iris-stoel in hun assortiment opgenomen. Babypark en Baby-Dump hebben dit verwerkt in hun (online) administratie, met daarbij de opmerking dat de stoel nog niet leverbaar was. Babypark en Baby-Dump hebben de Iris-stoel vervolgens vanaf 15 maart 2025 in hun respectievelijke webshops aangeboden, met de vermelding dat de stoel leverbaar is per 2026. De Iris-stoel is vanaf 15 maart 2025 ook in de vestiging van Baby-Dump in Hoogeveen tentoongesteld in de zogenaamde shop-in-shop van Cybex.
3.7.
Babypark heeft de Iris-stoel niet fysiek in haar winkels tentoongesteld en ter verkoop aangeboden. Nadat een klant in de vestiging van Babypark in Gouda specifiek naar de Iris-stoel vroeg, heeft de klant op 24 maart 2025 de Iris-stoel besteld en betaald. De klant betrof een aan Stokke gelieerd persoon. De orderbevestiging vermeldt als gewenste levermaand maart 2025.
3.8.
Zowel Baby-Dump als Babypark hebben na ontvangst van een sommatiebrief van Stokke c.s. van 26 maart 2025 de (voorgenomen) verkoop van de Iris-stoel gestaakt. Baby-Dump heeft de Iris-stoel die in de vestiging in Hoogeveen is tentoongesteld weggehaald. Babypark heeft de verkoop van de Iris-stoel van 24 maart 2025 geannuleerd.
3.9.
Stokke c.s. zijn een aantal procedures gestart.
 Stokke c.s. hebben op 24 maart 2025 Cybex en Cybex Retail (en een andere Nederlandse retailer) in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Den Haag. Dit kort geding hebben Stokke c.s. kort daarna weer ingetrokken. [2]
 Stokke c.s. hebben ook op 24 maart 2025 Cybex en Cybex Retail (en een andere Nederlandse retailer) in een bodemprocedure gedagvaard voor de rechtbank Den Haag tegen roldatum van 24 september 2025.
 Stokke c.s. hebben op 1 april 2025 opnieuw Cybex en Cybex Retail (samen met Babypark en Baby-Dump) in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Den Haag. Ook dit kort geding hebben Stokke c.s. weer ingetrokken. [3]
 Stokke c.s. hebben op 28 april 2025 Cybex c.s.,Babypark en Baby-Dump gedagvaard in de onderhavige kortgedingprocedure.
 Stokke c.s. zijn nadien een bodemprocedure gestart tegen Cybex c.s. bij de rechtbank Gelderland.
3.10.
Ook Cybex en Cybex Retail zijn procedures gestart over de Iris-stoel.
 Cybex en Cybex Retail hebben op 25 maart 2025 een bodemprocedure aanhangig gemaakt in Duitsland, waarin zij een verklaring voor recht vragen dat de Iris-stoel in Duitsland geen inbreuk maakt op de Tripp Trapp-stoel.
 Cybex en Cybex Retail hebben op 22 april 2025 een bodemprocedure aanhangig gemaakt in Italië, waarin zijn een verklaring voor recht vragen dat de Iris-stoel in Italië geen inbreuk maakt op de Tripp Trapp-stoel.
Columbus Trading heeft zich in deze beide procedures gevoegd aan de zijde van Cybex en Cybex Retail.
3.11.
Cybex c.s. hebben verder een kort geding gevoerd bij de rechtbank Oost-Brabant over door Stokke c.s. gelegde beslagen naar aanleiding van de veroordeling van de voorzieningenrechter in de onderhavige procedure. De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft in die procedure beslist dat Cybex c.s. geen dwangsommen verschuldigd zijn en heeft Stokke c.s. veroordeeld om de gelegde beslagen op te heffen. [4] Hiertegen is hoger beroep ingesteld.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

De volgorde van de te bespreken onderwerpen
4.1.
Het hof zal hierna eerst toelichten waarom de Nederlandse rechter bevoegd is en de zaak niet vanwege litispendentie of connexiteit moet worden aangehouden. Daarna wordt toegelicht dat de Tripp Trapp-stoel een auteursrechtelijk beschermd werk is en dat er sprake is van een inbreuk. Ten slotte komen de vorderingen in hoger beroep aan de orde.
De uitgangspunten bij de beoordeling van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter
4.2.
De vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegdheid toekomt, moet aan de hand van de Verordening Brussel I-bis [5] worden beantwoord. De rechter moet zich bij het onderzoek naar deze bevoegdheid niet beperken tot de stellingen van de eisende partij, maar moet acht slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verwerende partij. Voor bewijslevering is bij de beoordeling van de bevoegdheid echter geen plaats [6] (nog daargelaten dat het hier om een kort geding gaat). De internationale bevoegdheidsregels zijn in procesrechtelijke zin van openbare orde. [7]
4.3.
In artikel 4 Verordening Pro Brussel I-bis is bepaald dat, onverminderd deze verordening, zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Gelet op deze hoofdregel dienen Cybex c.s. dus in beginsel voor de Duitse rechter te worden opgeroepen nu zij daar zijn gevestigd. De vraag is of in dit geval één van de bijzondere bevoegdheidsregels van Verordening Brussel I-bis bevoegdheid voor de Nederlandse rechter kunnen opleveren. Volgens Stokke c.s. leveren de bijzondere bevoegdheidsregels bevoegdheid van de Nederlandse rechter op om bovendien een grensoverschrijdend verbod te kunnen opleggen, terwijl Cybex c.s. dat bestrijden.
De bevoegdheidsgrond van artikel 8 punt Pro 1 Verordening Brussel I-bis (nauwe band)
4.4.
Op grond van artikel 8 punt Pro 1 Verordening Brussel I-bis kan, indien er meer dan één verweerder is, een verwerende partij die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft ook worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van één van die verweerders, op de voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat de goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.
4.5.
De bevoegdheidsregel van artikel 8 punt Pro 1 Verordening Brussel I-bis strekt ertoe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende processen zo veel mogelijk te beperken en dus te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Omdat met deze bevoegdheidsregel wordt afgeweken van de hoofdregel van Verordening Brussel I-bis dat de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd is (artikel 4), moet deze regel eng worden uitgelegd. Die uitleg mag zich alleen uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen. [8]
4.6.
Het gevaar op onverenigbare beslissingen dient te worden verstaan als het gevaar op tegenstrijdige beslissingen. Beslissingen kunnen niet reeds tegenstrijdig worden geacht in de zin van artikel 8 punt Pro 1 Verordening Brussel I-bis op grond van enkele divergentie in de beslechting van het geschil. Vereist is dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. [9] Daarbij kan van belang zijn of de verwerende partijen onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld. Ook de rechtsgrondslag van de vorderingen is een relevante factor. Een identieke rechtsgrondslag is echter geen onmisbare voorwaarde voor toepassing van artikel 8 punt Pro 1 Verordening Brussel I-bis. Wanneer tegen de verschillende verwerende partijen ingestelde vorderingen verschillende rechtsgrondslagen hebben, staat dat dus op zich niet in de weg aan toepassing van artikel 8 punt Pro 1, mits voor deze partijen voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar ten minste één van hen woonplaats had.
4.7.
Niet in geschil is dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 Verordening Pro Brussel I-bis gelet op de vestigingsplaats van Babypark en Baby-Dump in Nederland bevoegd was om kennis te nemen van de vorderingen van Stokke c.s. tegen deze twee verwerende partijen.
4.8.
Stokke c.s. hebben bepleit dat sprake is van een nauwe band tussen de vorderingen van Stokke c.s. tegen de Nederlandse gedaagden Babypark en Baby-Dump en de vorderingen tegen de buitenlandse gedaagden Cybex, Cybex Retail en Columbus Trading. Er is volgens Stokke c.s. sprake van een nauwe band omdat kort samengevat het verwijt dat ten grondslag ligt aan de vorderingen tegen verschillende partijen voortvloeit uit dezelfde omstandigheden, namelijk het op de markt brengen en verhandelen van de Iris-stoel, en omdat jegens alle partijen eenzelfde auteursrechtelijk verbod is gevorderd.
4.9.
Cybex c.s. hebben hiertegen aangevoerd dat geen sprake is van dezelfde feitelijke situatie. Babypark en Baby-Dump enerzijds en Cybex c.s. anderzijds verschillen en behoren niet tot hetzelfde concern. De reikwijdte van de vorderingen verschilt van elkaar. Alleen voor de beoordeling van de vorderingen tegen Cybex c.s. is een beoordeling voor alle landen van de Europese Unie nodig. Van feitelijke samenhang tussen de vorderingen voor het grondgebied buiten Nederland is dus geen sprake. Daarmee kan er volgens Cybex c.s. per definitie geen sprake zijn van tegenstrijdige beslissingen. Er is ook geen sprake van eenzelfde situatie rechtens, aangezien het auteursrecht niet volledig is geharmoniseerd. Cybex c.s. wijzen erop dat het niet voorzienbaar was dat zij in Nederland werden opgeroepen, aangezien zij geen handelsrelatie hebben met Babypark en Baby-dump buiten Nederland. In Duitsland zou het volgens Cybex c.s. bovendien ondenkbaar zijn dat een rechter een Europees verbod toekent op basis van het auteursrecht. Er is sprake van misbruik door deze bevoegdheid in te roepen met het enkele doel om de zaak te laten beoordelen door de Nederlandse rechter omdat Stokke c.s. de kansen bij de Nederlandse rechter het grootst achten.
4.10.
Voor de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen Cybex c.s. en Babypark en Baby-Dump moeten gemeenschappelijke rechtsvragen worden beantwoord. Het gaat immers bij alle gedaagde partijen om de gestelde auteursrechtinbreuk door de verhandeling van de Iris-stoel. Het auteursrecht is bovendien Europeesrechtelijk geharmoniseerd voor wat betreft de vragen of sprake is van een werk en of een vermeende kopie daarvan een ongeoorloofde bewerking is. Dat betekent dat, ondanks dat het verwijt tegen Baby-Dump en Babypark beperkt is tot Nederland, de rechtsgrondslag van de vorderingen in zoverre overeenkomt. Het hof is echter van oordeel dat niet sprake is van een eenzelfde feitelijke situatie zoals vereist door artikel 8 punt Pro 1 van de Verordening Brussel I-bis. Daarvoor heeft de zakelijke relatie tussen Cybex c.s. enerzijds en de twee Nederlandse gedaagden anderzijds onvoldoende substantie. Vast staat dat zowel Baby-Dump als Babypark de Iris-stoel in hun online administratie hebben opgenomen en korte tijd op hun website hebben aangeboden, en dat Baby-Dump één Iris-stoel korte tijd in een winkel heeft getoond, maar niet meer dan dat. Er is gebleken van slechts één daadwerkelijke bestelling waarbij aannemelijk is dat Stokke deze zelf heeft geïnitieerd, vele maanden voor de mogelijke leverdatum. In de context van dit kort geding is niet gebleken dat Baby-Dump en Babypark een positie hebben die meer inhoudt dan dat zij lokale retailers zijn die net als andere lokale retailers tot de zakelijke contacten van Cybex c.s. behoren en bij Cybex c.s. producten konden bestellen. Cybex c.s. wijzen er terecht op dat de Nederlandse retailers Baby-Dump en Babypark en de Duitse vennootschappen Cybex, Cybex Retail en Columbus Trading niet tot hetzelfde concern behoren en er tussen deze partijen slechts een niet-exclusieve distributierelatie voor Nederland bestaat. Een exclusieve contractuele relatie maakt het volgens rechtspraak van het Hof van Justitie waarschijnlijker dat de gestelde inbreukmakende handelingen kunnen worden geacht deel uit te maken van een en dezelfde feitelijke situatie die kan rechtvaardigen dat één enkele rechterlijke instantie bevoegd is om uitspraak te doen over de vorderingen tegen alle actoren die deze handelingen hebben verricht. [10] Die situatie is hier echter niet aan de orde. Aangezien – althans voor zover in dit kort geding kan worden vastgesteld – de commerciële relatie tussen Cybex c.s. enerzijds en de twee Nederlandse gedaagden anderzijds niet meer inhield dat dat de laatsten bij Cybex c.s. als retailers producten konden bestellen, was voor Cybex c.s. ook niet te voorzien dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden opgeroepen. Dat alles maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 punt Pro 1 Verordening Brussel I-bis en de Nederlandse rechter daaraan geen bevoegdheid aan kan ontlenen jegens Cybex c.s.
De bevoegdheidsgrond van artikel 7 punt Pro 2 Verordening Brussel I-bis
4.11.
De volgende vraag is of de Nederlandse rechter een bevoegdheid toekomt op grond van artikel 7 punt Pro 2 Verordening Brussel I-bis. Dat is het geval. Dit artikel bepaalt dat voor verbintenissen uit onrechtmatige daad bevoegd is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Dit kan betrekking hebben op zowel de plaats waar de gebeurtenis heeft plaatsgevonden die de oorzaak is van de schade (Handlungsort) als de plaats waar de schade is ingetreden (Erfolgsort). Deze bijzondere bevoegdheidsregel moet autonoom en strikt worden uitgelegd.
4.12.
In dit geval is het Handlungsort in Duitsland gelegen aangezien aangenomen kan worden dat daar de beslissing tot het vermeende inbreukmakend handelen is genomen. Aangezien de Iris-stoel mede via een in Nederland toegankelijke website is aangeboden of openbaar gemaakt, is het Erfolgsort mede in Nederland gelegen. Daarom is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 punt Pro 2 Verordening Brussel I-bis bevoegd om van de vorderingen van Stokke c.s. kennis te nemen. De bevoegdheid van de rechter van het Erfolgsort is echter beperkt tot het grondgebied van zijn eigen lidstaat. [11] Deze bevoegdheidsgrondslag biedt de Nederlandse rechter dus geen grensoverschrijdende bevoegdheid. Ten aanzien van de vorderingen die zien op de brieven die Cybex c.s. hebben gestuurd aan andere verkopers, hebben Cybex c.s. de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet betwist. Het hof beschouwt dit als een stilzwijgende forumkeuze.
Artikel 35 Verordening Pro Brussel I-bis
4.13.
De vraag is of in weerwil van het voorgaande (en de hierna te bespreken litispendentieregeling) artikel 35 Verordening Pro Brussel I-bis een ruimere bevoegdheid kan opleveren om toch over alle vorderingen te beslissen. Aangezien artikel 35 een Pro uitzondering op het bevoegdheidsstelsel vormt, moet deze bepaling restrictief worden uitgelegd.
4.14.
Wanneer de rechter op een van de bevoegdheidsgronden van artikelen 4 en 7 tot en met 26 bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen, is hij tevens bevoegd om voorlopige of bewarende maatregelen te gelasten zonder dat deze laatste bevoegdheid afhankelijk is van nadere voorwaarden. Dit wordt ook wel het eerste spoor genoemd. Omdat de Nederlandse rechter jegens Cybex c.s. bevoegd is op grond van artikel 7 punt Pro 2 Verordening Brussel I-bis is er ook (een zelfde) bevoegdheid een voorlopige voorziening te treffen. Artikel 35 bevat Pro daarnaast een aanvullende bevoegdheidsregel, die inhoudt dat ook indien de rechter niet bevoegd is kennis te nemen van het bodemgeschil, hij voorlopige of bewarende maatregelen kan gelasten mits het maatregelen zijn die kunnen worden bevolen krachtens zijn nationale wetgeving. Dit wordt ook wel het tweede spoor genoemd. Daarvoor is vereist dat het gaat om een voorlopige of bewarende maatregel en dat wordt voldaan aan het zogenaamde reële band-vereiste. Aan het reële-bandvereiste zal in beginsel zijn voldaan indien de maatregel wordt gelast door de rechter van de lidstaat waar hij moet worden gerealiseerd, de plaatselijke rechter. Daarnaast geldt dat de maatregel moet kunnen worden bevolen krachtens het nationale recht en dat deze rechter dus internationaal bevoegd is op grond van nationale bevoegdheidsregels.
4.15.
In dit geval bieden de nationale bevoegdheidsregels van artikel 6 onder Pro e en artikel 7 lid 1 Rv Pro geen ruimere (dus: grensoverschrijdende) bevoegdheid dan op grond van artikel 7 punt Pro 2 of artikel 8 punt Pro 1 Verordening Brussel I-bis. Artikel 6 onder Pro e Rv schept in dit geval immers alleen bevoegdheid om kennis te nemen van de vorderingen voor zover dit Nederland betreft. Bovendien is er ten aanzien van het verbod buiten Nederland niet zonder meer duidelijk dat aan het reële band-vereiste wordt voldaan.
Aanhouding vanwege litispendentie (artikel 29 Verordening Pro Brussel I-bis) of connexiteit (artikel 30 Verordening Pro Brussel I-bis)
4.16.
Cybex c.s. voeren aan dat de voorzieningenrechter in eerste aanleg de zaak had moeten aanhouden in verband met de procedures in Duitsland en Italië. Zij verwijzen naar artikelen 29 en 30 Verordening Brussel I-bis.
4.17.
Op grond van artikel 29 Verordening Pro Brussel I-bis dient te worden onderzocht of tussen partijen bij het gerecht in Duitsland en het gerecht in Italië vorderingen aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en die op dezelfde oorzaak berusten. Indien dit het geval is, dient het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht deze procedure ambtshalve aan te houden totdat het gerecht waarbij de zaak eerder is aangebracht over zijn bevoegdheid heeft beslist (de litispendentieregel).
4.18.
De procedures voor het gerecht in Duitsland en het gerecht Italië zijn naar de maatstaf van artikel 32 Brussel Pro I-bis eerder aangebracht dan deze procedure. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Daarbij wordt opgemerkt dat de omstandigheid dat er ook een Haagse bodemprocedure aanhangig is gemaakt, hierbij niet ter zake doet. De vraag is of tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten.
4.19.
De procedures in Duitsland en Italië betreffen dezelfde partijen als in de onderhavige zaak. In alle procedures staat de vraag centraal of er (mede in Duitsland respectievelijk Italië) auteursrecht rust op de Tripp Trapp-stoel en of de Iris-stoel auteursrechtinbreuk maakt. In de Duitse procedure wordt kort samengevat gevorderd te oordelen dat Stokke c.s. in Duitsland geen auteursrecht hebben op de Tripp Trapp-stoel en dat Stokke c.s. geen recht hebben op een voorlopige voorziening tegen Cybex c.s. tot het verbieden van de Iris-stoel in Duitsland. In de Italiaanse procedure wordt (onder meer) gevorderd om te oordelen dat er geen geldig auteursrecht op de Tripp Trapp-stoel rust althans dat er geen inbreuk wordt gemaakt. Op de mondelinge behandeling in hoger beroep is toegelicht dat deze procedure ziet op het Italiaanse grondgebied.
4.20.
Aangezien de Nederlandse rechter alleen bevoegdheid toekomt om over de vorderingen die betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied te oordelen, is geen sprake van litispendentie en is ambtshalve aanhouding niet aan de orde. De resterende vorderingen voldoen immers niet aan hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak.
4.21.
In artikel 30 Verordening Pro Brussel I-bis is bepaald dat wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak kan aanhouden (connexiteit). Dit betreft een discretionaire bevoegdheid. Er moet sprake zijn van samenhangende vorderingen, waarin een zo nauwe band bestaat dat de goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling, om te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Aangezien de procedures in Duitsland en Italië betrekking hebben op het Duitse respectievelijk Italiaanse grondgebied, is er geen reëel gevaar van tegenstrijdige uitspraken. Het hof ziet in deze zaak geen aanleiding om op grond van artikel 30 Verordening Pro Brussel I-bis tot aanhouding te concluderen.
Slotsom bevoegdheid en aanhouding
4.22.
De slotsom van het voorgaande is dat de Nederlandse rechter alleen bevoegdheid toekomt voor de vorderingen met betrekking tot Nederland en dat aanhouding van de onderhavige zaak niet aan de orde is. Dat betekent dat het bezwaar dat Cybex c.s. naar voren hebben gebracht tegen het vonnis (grief 4) voor een deel terecht is en voor een deel niet. Verder betekent het voorgaande ook dat het bezwaar van Stokke c.s. (grief 1) in het incidentele hoger beroep niet opgaat. Dat bezwaar is immers gericht tegen de door de voorzieningenrechter aangebrachte territoriale beperking van het verbod (door het afwijzen een verbod in Bulgarije, Cyprus, Estland, Kroatië, Malta en Slovenië). Aangezien het hof tot de conclusie komt dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft betreffende vorderingen die niet zien op Nederland, wordt aan de vraag of daar inbreuk wordt gepleegd en een verbod kan worden opgelegd niet toegekomen.
Het toepasselijk recht
4.23.
Het hof hoeft niet ambtshalve te oordelen over het toepasselijk recht. De voorzieningenrechter heeft zich niet expliciet uitgelaten over de vraag welk recht van toepassing is op de aangevoerde rechtsgrondslag. De voorzieningenrechter heeft echter naar Nederlands recht (met inbegrip van het Unierecht) beoordeeld of de vorderingen toewijsbaar zijn. Tegen de impliciete toepassing van het Nederlands recht door de voorzieningenrechter zijn geen bezwaren naar voren gebracht.
4.24.
Wel hebben Cybex c.s. naar voren gebracht dat de voorzieningenrechter onvoldoende heeft onderkend dat het auteursrecht niet volledig is geharmoniseerd. Zoals volgt uit de rechtspraak van het Europese Hof met betrekking tot de Auteursrechtrichtlijn is voor de vragen wanneer sprake is van een werk en wie de auteur is aan wie een auteursrecht toekomt sprake van volledige (maximum) harmonisatie. Ook de vraag wanneer sprake is van een inbreuk is inmiddels Europeesrechtelijk geharmoniseerd. Dat er over de
toepassingvan geharmoniseerde begrippen in de praktijk discussie bestaat, zoals Cybex c.s. uitgebreid hebben toegelicht, is in dit verband niet relevant. De vraag aan de hand van welke verwijzingsregel en naar welk recht het makerschap en de overdracht ter zake de Tripp Trapp-stoel moet worden beoordeeld, kan in het midden blijven, omdat in hoger beroep deze onderwerpen niet langer in discussie zijn.
4.25.
Stokke c.s. hebben naast de auteursrechtelijke vorderingen in hoger beroep een nieuwe vordering ingesteld die is gebaseerd op een onrechtmatige daad. Stokke c.s. stellen dat Cybex c.s. hun Franse, Duitse en Italiaanse retailers opzetten tot het plegen van onrechtmatige daden ten opzichte van Stokke c.s. en daarmee onrechtmatig handelen. Het toepasselijk recht voor dit door Stokke c.s. gestelde onrechtmatig handelen van Cybex c.s. (dat niet direct voortvloeit uit een recht van intellectuele eigendom) dient te worden beoordeeld aan de hand van Rome II. [12] Uit artikel 14 Rome Pro II vloeit voort dat Nederlands recht van toepassing is. Beide partijen beroepen zich ten aanzien van deze grondslag en de betwisting ervan op Nederlands recht, zodat sprake is van een rechtskeuze die voldoende blijkt uit de omstandigheden van het geval.
Het toetsingskader in kort geding
4.26.
Volgens Cybex c.s. heeft de voorzieningenrechter kort samengevat een onjuist toetsingskader toegepast zowel wat betreft de kortgedingprocedure als het auteursrecht.
4.27.
Het hof moet in hoger beroep opnieuw beoordelen of de door Stokke c.s. gevraagde voorlopige voorziening – die wat betreft het verbod naar zijn aard een ingrijpend karakter heeft – in kort geding kan worden toegewezen. Daarbij is een oordeel in kort geding een voorlopig oordeel, dat is gebaseerd op de aannemelijkheid van de stellingen van partijen. Voor (uitgebreide) bewijslevering is geen plaats. Onderzocht moet voorts worden of Stokke c.s. nog een spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof.
4.28.
Stokke c.s. hebben ook in hoger beroep nog een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening die strekt tot het staken en gestaakt houden van de gestelde auteursrechtinbreuk. Ook al is er in Nederland nog niet aan eindgebruikers geleverd, Cybex c.s. hebben de Iris-stoel op de Europese markt gelanceerd en willen de stoel verhandelen. Het spoedeisend belang van Stokke c.s. volgt uit de aard van de gestelde inbreuk en de aanzienlijke commerciële belangen die daarbij een rol spelen. Terecht heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de omstandigheid dat het een complex geschil is, niet betekent dat de zaak zich niet leent voor kort geding. De omstandigheid dat het hier gaat om de auteursrechtelijke bescherming van een gebruiksvoorwerp waarbij verschillende juridische vraagstukken een rol spelen, maakt dus niet dat er geen voorziening kan worden gegeven. Voor zover met grief 3 dat wel zou zijn betoogd, wordt dat argument verworpen.
Auteursrechtelijke bescherming van een gebruiksvoorwerp als de Tripp Trapp-stoel
4.29.
De volgende vraag is of de Tripp Trapp-stoel een auteursrechtelijk beschermd werk is. Volgens Stokke c.s. is dat het geval, terwijl Cybex c.s. dit gemotiveerd betwisten. Cybex c.s. wijzen daarbij erop dat het Hof van Justitie sinds het Cofemel-arrest een nieuwe lijn voor de auteursrechtelijke bescherming van gebruiksvoorwerpen heeft ingezet en dat deze lijn meer vergt van de partij die zich op auteursrechtelijke bescherming beroept dan ten tijde van de eerder gewezen Stokke-arresten. Volgens Cybex c.s. is de drempel zoals die in Nederland wordt gehanteerd te laag gelet op de Europese rechtspraak.
4.30.
Het werkbegrip is een autonoom Unierechtelijk begrip dat op uniforme wijze moet worden uitgelegd en toegepast. Om als auteursrechtelijk werk beschermd te kunnen zijn, is ten eerste vereist dat het voorwerp oorspronkelijk is in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur (maker) ervan. Ten tweede kunnen alleen de bestanddelen die de uitdrukking van een dergelijke intellectuele schepping zijn, als werk worden aangemerkt. Zowel noodzakelijk als voldoende is dat het voorwerp de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt door uitdrukking te geven aan de vrije en creatieve keuzen van die auteur. Wanneer daarentegen voor de vervaardiging van een voorwerp technische overwegingen, regels of andere beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid, kan dat voorwerp niet worden geacht de oorspronkelijkheid te hebben die vereist is om een werk te kunnen vormen. [13] Voor de beoordeling van oorspronkelijkheid van voorwerpen van toegepaste kunst gelden dezelfde vereisten als die welke gelden voor de beoordeling van de oorspronkelijkheid van andere soorten voorwerpen. [14]
4.31.
Een voorwerp kan oorspronkelijk zijn, ook al wordt de verwezenlijking ervan deels door technische overwegingen bepaald, op voorwaarde dat een dergelijke bepaling de auteur niet heeft belet om zijn persoonlijkheid in dat voorwerp te weerspiegelen door vrije en creatieve keuzen tot uiting te brengen. Aan het criterium van oorspronkelijkheid kan niet worden voldaan door onderdelen van een voorwerp die uitsluitend door hun technische functie worden gekenmerkt, aangezien auteursrechtelijke bescherming zich niet uitstrekt tot ideeën. [15]
4.32.
De rechter moet bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid van een gebruiksvoorwerp de creatieve keuzen in de vorm ervan onderzoeken en identificeren om het als auteursrechtelijk beschermd te kunnen aanmerken, met dien verstande dat, zelfs wanneer de auteur ervan keuzen heeft gemaakt die niet door technische of andere beperkingen zijn ingegeven, de creatieve aard van die keuzen in de zin van het auteursrecht niet mag worden verondersteld. Daarbij geldt dat de componenten van een gebruiksvoorwerp zijn onderworpen aan dezelfde regeling als het voorwerp in zijn geheel. Daarbij geldt verder dat artistieke of esthetische overwegingen weliswaar deel uitmaken van de creatieve activiteit maar dat de omstandigheid dat een voorwerp een dergelijk effect teweegbrengt, het op zich niet mogelijk maakt om vast te stellen of dit voorwerp een intellectuele schepping is die de keuzevrijheid en de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt en dus voldoet aan het vereiste van oorspronkelijkheid. Bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid kan rekening worden gehouden met het scheppingsproces en de bedoelingen van de auteur, op voorwaarde dat die elementen tot uitdrukking zijn gebracht in het voorwerp zelf, zonder dat de rechter evenwel zijn beoordeling uitsluitend op die elementen mag baseren. [16]
4.33.
Het hof is voorshands van oordeel dat de Tripp Trapp-stoel een auteursrechtelijk beschermd werk is omdat deze de persoonlijkheid van [de maker] weerspiegelt doordat daarin uitdrukking is gegeven aan vrije en creatieve keuzen die niet (uitsluitend) technisch zijn bepaald. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.34.
De Tripp Trapp-stoel is samengesteld uit twee evenwijdige (beukenhouten) staanders waartussen een rugleuning, zitvlak en voetensteun (van multiplex) zijn geklemd. De voetensteun en het zitvlak zijn panelen die in verschillende horizontale (halfronde) sleuven aan de binnenzijden van de staanders kunnen worden geschoven. De staanders worden op afstand van elkaar geplaatst door de rugsteun, een houten dwarsligger in de voet en twee ronden stalen stangen. Voor de ondersteuning op de vloer zijn aan de onderzijde van de staanders twee liggers aangebracht. Hierdoor ontstaat een schuine L-vorm. Door verschillende posities te kiezen voor het zitvlak en de voetensteun is de stoel geschikt te maken voor gebruikers met verschillende lengten. Daarbij is er een beschermingsbeugel voor baby’s aan te brengen.
4.35.
In het ontwerp heeft [de maker] de keuze gemaakt om alle elementen van de stoel in schuine, achterover hellende staanders te verwerken, wat tot de (hiervoor benoemde) schuine L-vorm leidt (met een scherpe hoek). Er is verder gekozen voor een vorm waarbij alle elementen van de kinderstoel in de staanders zijn verwerkt en wel zodanig dat deze elementen, van opzij bezien, zoveel mogelijk “wegvallen” tegen die staanders. Hierdoor ontstaat van de zijkant bezien het beeld van een oplopende trap en wordt een zwevend effect van de voetenplank en het zitvlak gecreëerd. Daarbij is sprake van een strakke vormgeving. Het zitvlak, het voetenplateau en de achterzijde van de rugleuning hebben dezelfde welving. Het vooraanzicht wordt gekenmerkt door een strak lijnenspel, dat gevormd wordt door verticale en horizontale elementen. Aldus geeft de Tripp Trapp-stoel naar het (voorlopig) oordeel van het hof uitdrukking aan keuzes die zowel vrij als creatief zijn, en de persoonlijkheid van de maker ( [de maker] ) weerspiegelen. Daarbij moet ook het navolgende in aanmerking worden genomen.
4.36.
In verband met de beoordeling of de genoemde keuzes creatief zijn, hebben Cybex c.s. erop gewezen dat er eerdere voorbeelden van stoelen zijn die een L-vorm tonen. Dat betekent naar het (voorlopig) oordeel van het hof echter niet dat de door [de maker] gekozen vormgeving niet creatief is of dat hij de door hem gekozen vormgeving zelfs zou hebben ontleend aan eerdere stoelen. Stokke c.s. hebben onder meer gewezen op een verklaring van prof. ing. A.H. Marinissen (emeritus hoogleraar Industrieel Ontwerpen aan de TU Delft) waarin wordt toegelicht dat het ontwerp van de Tripp Trapp-stoel duidelijk afwijkt van de gangbare kinderstoelen uit die tijd (die veelal zijn afgeleid van al bestaande stoelen voor volwassenen) en dat de Tripp Trapp-stoel een eigen karakteristieke benadering vertoont waarbij vooral het visuele, open en zwevende effect aan dat karakter bijdraagt. Anders dan Cybex c.s. naar voren hebben gebracht, betekent de omstandigheid dat dit een partijdeskundige is en zijn verklaring al uit 2008 dateert, niet dat hieraan geen betekenis toekomt.
4.37.
Stokke c.s. hebben verder gewezen op opinies van twee experts (J. Gebert, professor product design aan de Kunsthochshule Kassel, en M. Digel, professor Industrial Design en decaan aan de Fachbereichs Gestaltung van de Folkwang Universität der Künste in Essen) van 2014 en 2015 in een eerdere Duitse “Stokke”-procedure. Deze experts (waarvan Gebert door de Duitse rechter is benoemd) lichten gemotiveerd toe dat sprake is van een individuele creatieve prestatie. Daarnaast is van belang dat de Tripp Trapp-stoel is opgenomen in musea (onder meer in MOMA New York en het Centre Pompidou in Parijs) en ontwerpprijzen heeft ontvangen. Deze omstandigheden zijn weliswaar niet doorslaggevend of noodzakelijk, maar vormen wel een bevestiging van de door Stokke c.s. gestelde vrije en creatieve keuzen van [de maker] . De omstandigheid dat aan het ontwerp volgens Cybex c.s. een kinderlijk eenvoudig idee ten grondslag ligt van een houten ladder met een sledepoot, doet aan het voorgaande niet af.
4.38.
In verband met de beoordeling of de eerdergenoemde keuzen ‘vrij’ zijn, of binnen de resterende vrijheid voldoende creatief zijn, hebben Cybex c.s. gewezen op het volgende. Volgens Cybex c.s. is de combinatie van schuin oplopende staanders ten opzichte van de horizontale liggers waardoor de L-vorm ontstaat en de omstandigheid dat de schuine staanders veertien ronde sleuven hebben waarin het zitvlak en het voetenplateau kunnen worden geplaatst, technisch bepaald. Zij wijzen ter onderbouwing daarvan onder meer op het Amerikaanse octrooischrift voor de Tripp Trapp-stoel, waarin wordt beschreven welke technische doelen de schuinoplopende staanders en de ronde sleuven voor de plateaus dienen. Het aldus gecreëerde zwevende effect is volgens Cybex c.s. daarom geen beschermde creatieve keuze maar een technisch resultaat. Verder wijzen Cybex c.s. onder meer op een opinie van ir. H. van der Vegt. In deze opinie wordt geconcludeerd dat het ontwerp van de Tripp Trapp-stoel wordt bepaald door de gekozen draagconstructie en dat de sledepoot of L-vorm één van de technische keuzemogelijkheden is om de schuine ladder te stabiliseren. Volgens deze expert is met de keuze voor een houten ladderconstructie met sledepoot nog zeer beperkte keuzevrijheid over en heeft [de maker] , waar vrije keuze aanwezig is, gekozen voor praktische oplossingen, efficiënte productie en minimalisme zoals gebruikelijk binnen de Scandinavische ontwerpstijl.
4.39.
De omstandigheid dat het hier gaat om een kinderstoel met een meegroeifunctie brengt mee dat sommige keuzen worden ingegeven door technische of ergonomische overwegingen. Dat doet in dit geval echter niet aan af dat er vrije en creatieve keuzen zijn gemaakt die blijken uit het ontwerp. Stokke c.s. wijzen terecht erop dat de gekozen vormgeving niet nodig is om te kunnen voldoen aan de functionele eisen van een verstelbare kinderstoel. Dat wordt onderbouwd door de omstandigheid dat er veel verschillende meegroeistoelen op de markt zijn die ook aan deze vereisten voldoen en een geheel ander uiterlijk vertonen. In de opinie van Marinissen is aan de hand van afbeeldingen toegelicht dat de vormgeving van de Tripp Trapp-stoel niet dwingend volgt uit de technische kenmerken van het octrooi dat voor de stoel werd aangevraagd dan wel verleend en dat [de maker] bij het toepassen van de meegroei techniek originele vormgevingskeuzen heeft gemaakt. Stokke c.s. hebben erop gewezen dat uit de octrooischriften blijkt dat het octrooi alleen betrekking heeft op het sleuvensysteem dat is toegepast in de Tripp Trapp-stoel, niet op het ontwerp daaromheen.
4.40.
Ten slotte hebben Cybex c.s. nog betoogd dat geen sprake is van een voorwerp dat voldoende nauwkeurig en objectief kan worden geïdentificeerd, zoals volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie is vereist. Daarbij maken Cybex c.s. echter ten onrechte geen onderscheid tussen enerzijds het voorwerp waarvoor Stokke c.s. bescherming inroepen (de Tripp Trapp-stoel), en anderzijds de elementen die Stokke c.s. aanwijzen waaruit zou volgen dat de stoel auteursrechtelijke bescherming verdient. Over het voorwerp waarvoor bescherming wordt gevraagd bestaat geen enkele onduidelijkheid en het is daarmee voldoende nauwkeurig en objectief geïdentificeerd. De vrije en creatieve keuzen die in de vormgeving worden weerspiegeld zijn hierboven door het hof geïdentificeerd; daarbij gaat het om een ander criterium.
4.41.
Het hof komt in dit kort geding voorshands tot de slotsom dat de Tripp Trapp-stoel een auteursrechtelijk beschermd werk is. Dat betekent dat het bezwaar van Cybex c.s. tegen het vonnis op dit onderdeel (grief 5) niet slaagt. De in dit verband door Cybex c.s. nog naar voren gebrachte bezwaren (waaronder dat de voorzieningenrechter buiten de rechtsstrijd is getreden en ten onrechte niet een eigen feitelijke beoordeling maakt maar achterhaalde rechtspraak overneemt en dat Stokke c.s. in eerste aanleg niet hebben voldaan aan de substantiëringsplicht), leiden in hoger beroep gelet op het voorgaande niet tot een andere uitkomst.
Wordt met de Iris-stoel inbreuk gemaakt op de Tripp Trapp-stoel?
4.42.
Cybex c.s. komen op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Iris-stoel inbreuk maakt op de Tripp Trapp-stoel.
4.43.
Om een inbreuk op het auteursrecht vast te stellen is vereist dat ten minste oorspronkelijke creatieve elementen van het beschermde werk zonder toestemming zijn gebruikt en dat deze elementen (dat wil zeggen elementen die uitdrukking geven aan de keuzen die de persoonlijkheid van de auteur van dat werk weerspiegelen) op herkenbare wijze zijn overgenomen in het beweerdelijk inbreukmakende voorwerp. Voor de beoordeling van de inbreukvraag is het feit dat dezelfde algemene indruk wordt gegeven niet relevant. [17]
4.44.
Het hof is voorshands van oordeel dat met de Iris-stoel inbreuk wordt gemaakt op de Tripp Trapp-stoel. Weliswaar wijzen Cybex c.s. terecht erop dat er verschillen bestaan tussen de beide stoelen, maar deze verschillen doen voorshands niet af aan het feit dat in de Iris-stoel oorspronkelijke creatieve elementen van de Tripp Trapp-stoel (zoals hiervoor vastgesteld) op herkenbare wijze zijn overgenomen. Net zoals de Tripp Trapp-stoel heeft de Iris-stoel dezelfde schuine L-vorm en zijn de elementen van de stoel in de staanders verwerkt op zodanige wijze dat tussen de staanders de rugleuning, zitting en voetenplank zijn opgenomen, waardoor deze elementen wegvallen tegen de staanders en vanaf de zijkant bezien hetzelfde beeld van een oplopende trap ontstaat en een zwevend effect wordt gecreëerd.
4.45.
Volgens Cybex c.s. is het ontwerpproces van de Iris-stoel uitgebreid gedocumenteerd en bouwt deze stoel voort op haar eerdere Click & Fold stoel (hieronder links weergegeven) en is de Iris-stoel mede geïnspireerd op het klassieke onderstel van de (hieronder rechts weergegeven) Vitra Kufenstuhl uit 1950. Cybex c.s. wijzen verder erop dat het externe vormgevingserfgoed ten minste zeven concurrerende stoelen bevat die ofwel gebruikmaken van een schuine staander in L-vorm of van schuine staanders waarin alle elementen van de stoel zijn verwerkt, of beide. Stokke c.s. hebben dit gemotiveerd weersproken en erop gewezen dat Cybex c.s. welbewust en met medewerking van oud-werknemers en leveranciers van Stokke c.s. het ontwerp van de Tripp Trapp-stoel hebben nagebootst.
4.46.
Hoewel een onafhankelijk gecreëerd gelijkaardig voorwerp geen inbreuk oplevert, is het aan de aangesproken partij om die onafhankelijke creatie aan te tonen. Dat is in het kader van dit kort geding mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van Stokke c.s. onvoldoende gedaan. De verwijzing naar de Kufenstuhl volstaat in dit verband niet om te kunnen concluderen dat Cybex c.s. onafhankelijk tot de creatie van de Iris-stoel is gekomen. Ook de verwijzing naar de Click & Fold stoel en een aantal andere meegroeistoelen kan die conclusie voorshands niet dragen.
4.47.
Het voorgaande betekent dat ook op dit punt het bezwaar van Cybex c.s. (grief 6) tegen het vonnis niet tot succes leidt.
De omvang en de ingangsdatum van het verbod
4.48.
Cybex c.s. komen op tegen de in de veroordeling opgenomen formulering en ingangsdatum van het verbod. Naast hun bezwaren tegen de door de voorzieningenrechter opgelegde grensoverschrijdende verboden, is volgens Cybex c.s. ten onrechte een verbod op het in- en uitvoeren opgenomen. Cybex c.s. wijzen erop dat aangezien vrijwel alle productiefaciliteiten en voorraden zich in de Europese Unie bevinden, het Cybex c.s. onmogelijk wordt gemaakt de in voorraad zijnde exemplaren naar grondgebied buiten de Europese Unie uit te voeren. In hoeverre dit argument opgaat met betrekking tot Nederland, waar het verbod toe zal worden beperkt, is door Cybex c.s. niet toegelicht. Voor zover Cybex c.s. de Iris stoelen nog zouden willen importeren naar Nederland is een verbod op zijn plaats omdat dit impliceert dat het inbreukmakende product (vervolgens) ook door Cybex c.s. aan het publiek ter beschikking zal worden gesteld. Voor eventuele export geldt dat – zonder nadere toelichting van Stokke c.s., die ontbreekt – echter niet en het hof zal het verbod wat dat betreft inperken.
4.49.
De bezwaren van Cybex c.s. tegen de ingangsdatum van het verbod (te weten onmiddellijk na betekening van het vonnis) leiden in hoger beroep niet tot succes. Dat een opgelegd verbod een grote impact heeft, is een gegeven. Dit komt evenwel voor rekening van de inbreukmaker. Bovendien hadden Cybex c.s. gelet op de insteek van de vorderingen met deze uitkomst rekening kunnen houden. In hoger beroep komt het hof bovendien alleen tot een verbod voor Nederland. Het hof ziet in de gegeven omstandigheden geen reden voor het opnemen van een uitfaseringstermijn zoals Cybex c.s. hebben bepleit.
Geen lagere of juist hogere dwangsom
4.50.
Zowel Cybex c.s. als Stokke c.s. zijn in hoger beroep opgekomen tegen de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom.
4.51.
Volgens Cybex c.s. is de gevorderde (en in eerste aanleg toegewezen) dwangsom van € 50.000,- per dag voor iedere partij afzonderlijk disproportioneel en getuigt de toewijzing ervan niet van de in acht te nemen terughoudendheid in kort geding. Deze argumenten overtuigen niet. Een dwangsom is een middel om een partij te dwingen tot nakoming van een veroordeling. Deze raakt alleen verbeurd als de hoofdveroordeling niet wordt nagekomen. Bij het opleggen van een gevorderde dwangsom en de hoogte ervan is het uitgangspunt dat de dwangsom in kwestie voor de veroordelende partij een voldoende prikkel vormt om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Daarbij speelt mede de financiële draagkracht een rol. Het hof is van oordeel dat voor een vergaande matiging of maximering van de gevorderde dwangsom bij grote ondernemingen zoals Cybex c.s. geen plaats is.
4.52.
Voor zover Cybex c.s. er een punt van maken dat er drie maal een dwangsom is opgelegd, gaat dat bezwaar niet op. Cybex c.s. hebben immers geen argumenten naar voren gebracht tegen de door Stokke c.s. bepleite en de voorzieningenrechter aangenomen aansprakelijkheid van alle drie de aangesproken partijen wat betreft de inbreuk. Er zijn dus geen aanknopingspunten om de hoofdveroordeling niet voor alle drie de partijen te laten gelden. Er zijn daarom evenmin aanknopingspunten om voor één van de drie partijen af te zien van een dwangsomveroordeling.
4.53.
Stokke c.s. vorderen in hoger beroep een hogere dwangsom. Zij stellen dat de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen niet voldoende financiële prikkel zijn om zich aan het verbod te houden omdat Cybex c.s. nog steeds inbreuk maken en het maximaal opgelegde bedrag aan dwangsommen zijn verbeurd. Cybex c.s. betwisten dit. Zij voeren aan dat er geen aanwijzingen zijn dat Cybex c.s. zich niet houdt aan het vonnis en dat de noodzaak van een dwangsom van deze hoogte ontbreekt.
4.54.
Het hof ziet geen grond voor het opleggen van een hogere dwangsom, zoals door Stokke c.s. in (incidenteel) hoger beroep is bepleit. Het hof kan in het kader van deze procedure niet vaststellen dat de hoogte van de opgelegde dwangsom een onvoldoende prikkel is voor Cybex c.s. om zich aan het verbod te houden.
4.55.
Het hof zal de door de voorzieningenrechter uitgesproken veroordeling bekrachtigen voor zover dit ziet op het Nederlandse grondgebied.
Geen onrechtmatig handelen door verzending brieven
4.56.
Stokke c.s. stellen dat Cybex c.s. brieven hebben gestuurd aan Franse, Italiaanse en Duitse retailers waarin zij aanmoedigen om de Iris-stoel te blijven verkopen. Hiermee zetten Cybex c.s. aan tot onrechtmatig handelen ten opzichte van Stokke c.s. Stokke c.s. hebben in hun memorie gewezen op de volgende passages (die ze hebben overgenomen uit een Nederlandse machinevertaling van de Franse brief):
De in Nederland gewezen uitspraak betreft en is uitsluitend bindend voor de bij deze procedure betrokken partijen. Het betreft een voorlopige beslissing die door één rechter van de rechtbank Gelderland in kort geding is gegeven. Cybex zal deze week tegen de uitspraak in beroep gaan, aangezien er nog geen definitieve uitspraak is gedaan. Deze uitspraak kan dus op geen enkele manier voorkomen dat een distributeur de stoel in Frankrijk op de markt blijft brengen. We kunnen niet beoordelen of en hoe bestaande contractuele relaties tussen bepaalde distributeurs en Stokke zouden kunnen worden beïnvloed.
(...)
CYBEX heeft de Tripp Trapp-stoel overigens niet gekopieerd, laat staan op een onrechtmatige wijze. Met de IRIS-stoel heeft CYBEX onder andere een op de markt gangbaar technisch concept voor een meegroeistoel geïmplementeerd. Dit concept is niet auteursrechtelijk beschermbaar.
4.57.
Cybex c.s. betwisten met de verzending van de brieven onrechtmatig te hebben gehandeld. Zij wijzen (onder meer) erop dat deze alleen zijn verzonden door Columbus Trading en verder een reactie vormden op een dreigende brief die Stokke c.s. op hun beurt aan klanten van Cybex c.s. stuurden die ook distributeur van Stokke c.s. zijn. Daarin hebben Stokke c.s. erop gewezen dat het distributeurs van Tripp Trapp-stoelen contractueel is verboden om stoelen te verkopen die inbreuk maken op de ie-rechten van Stokke c.s.
4.58.
Het hof is voorshands van oordeel dat de verzending van de brieven door Columbus Trading niet onrechtmatig is. In deze brieven wordt gerefereerd aan het vonnis van de voorzieningenrechter en geeft Columbus Trading haar mening over dat vonnis. Dat staat haar vrij om te doen. Verder wordt duidelijk dat Columbus Trading zich op het standpunt stelt dat de Tripp Trapp-stoel niet beschermd is en dat Cybex c.s. geen auteursrechtinbreuk hebben gepleegd. Hierin kan in de gegeven omstandigheden geen oproep of aanmoediging tot het plegen van auteursrechtinbreuk worden gelezen en er zijn geen aanknopingspunten dat de geadresseerden dat zo hebben opgevat. Daarbij komt dat deze geadresseerden kennelijk ook een bericht van Stokke c.s. hebben gehad, waarin het tegengestelde standpunt is toegelicht.
Geen bewijslevering
4.59.
Stokke c.s. hebben een (algemeen) bewijsaanbod gedaan. Door de aard van het kort geding is in deze procedure in het algemeen geen plaats voor uitgebreide bewijslevering. Er zijn geen redenen om van dat uitgangspunt af te wijken. Het hof gaat daarom aan deze bewijsaanbieding voorbij.
De conclusie en de proceskosten
4.60.
Het (principale) hoger beroep van Cybex c.s. slaagt deels. Het (incidentele) hoger beroep van Stokke c.s. slaagt niet. Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigen voor zover daarin een veroordeling buiten Nederland is opgenomen, voor zover daarin een verbod op export is opgenomen en voor zover het de proceskostenveroordeling in eerste aanleg betreft (zie hierna) en voor het overige bekrachtigen.
4.61.
Omdat partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld ziet het hof aanleiding om de proceskosten in eerste aanleg en in (het principale) hoger beroep te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
4.62.
Het hof zal Stokke c.s. veroordelen tot betaling van de proceskosten in incidenteel hoger beroep. Voor zover het incidenteel hoger beroep ook zou kunnen worden aangemerkt als betrekking hebbende op de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, hebben Cybex c.s. onvoldoende duidelijk gespecifieerd welk deel van de proceskosten zijn toe te rekenen aan het incidenteel hoger beroep. Het hof zal Stokke c.s. daarom veroordelen in de proceskosten ter hoogte van het liquidatietarief.
4.63.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4.64.
De termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak in de zin van artikel 1019i Rv zal worden bepaald op zes maanden na de datum van dit arrest.

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
bekrachtigt de vonnissen van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 30 juni 2025 en 2 juli 2025 voor zover gewezen tussen Stokke c.s. en Cybex c.s., behalve de beslissing in 5.4 voor wat betreft EU-landen buiten Nederland en voor wat betreft het uitvoeren en behalve de beslissing in 5.6 over de proceskosten, en vernietigt alleen in zoverre, en bepaalt dat de veroordeling tot het onthouden van iedere inbreuk alleen ziet op Nederland en niet ziet op het uitvoeren;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de eerste aanleg en het (principale) hoger beroep van Cybex c.s. draagt;
5.3.
veroordeelt Stokke c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van Cybex c.s. in het incidentele hoger beroep:
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van Cybex c.s. (2 procespunten x het toepasselijke tarief II x factor 0,5);
5.4.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na vandaag en dat als er niet op tijd wordt betaald die kosten dan worden verhoogd met de wettelijke rente;
5.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
veroordeelt Stokke c.s. tot terugbetaling aan Cybex c.s. van wat Cybex c.s. aan proceskosten op grond van het vonnis aan Stokke c.s. hebben betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door Cybex c.s. tot aan de dag van terugbetaling;
5.7.
bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak in de zin van artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van dit arrest;
5.8.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. C. Bakker, G.J. Meijer en M. Schut, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Voetnoten

5.de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1 (Verordening Brussel I-bis)
6.HvJ EU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, Kolassa/Barclays Bank
7.HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077, NRSC/Kompas Overseas
8.Zie onder meer: HvJ EU 20 april 2016, C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282, Profit Investments SIM, punten 61 en 63
9.Zie onder meer: HvJ EU 12 juli 2012, ECLI:EU:C:2012:445, Solvay/Honeywell, punt 24
10.vgl. HvJ EU 7 september 2023, C-832/21, ECLI:EU:C:2023:635, Beverage City Polska, punt 38
11.HvJ EU 3 oktober 2013, C-170/12, ECLI:EU:C:2013:635, Pinckney en HvJ EU 22 januari 2015, C-441/13, ECLI:EU:C:2015:28, Hejduk
12.Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II)
13.HvJ EU 2 september 2019, C‑683/17, ECLI:EU:C:2019:721, Cofemel, punten 30 en 31
14.HvJ EU 4 december 2025, C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941, Mio en Konektra, punt 57
15.HvJ EU 11 juni 2020, C‑833/18, ECLI:EU:C:2020:461, Brompton, punten 26 en 27
16.HvJ EU 4 december 2025, C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941, Mio en Konektra, punten 65-67 en 75
17.HvJ EU 4 december 2025, C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941, Mio en Konektra, punten 86 en 87 en antwoord 3.