Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2232

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
200.351.749
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:217 BWArt. 3:37 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt rechtsgeldige ontbinding aannemingsovereenkomst door opdrachtnemer

In deze civiele zaak stond de ontbinding van een aannemingsovereenkomst centraal tussen appellant en geïntimeerde. Appellant had de overeenkomst ontbonden wegens vermeende tekortkomingen in de uitvoering en gebrekkig werk, terwijl geïntimeerde de overeenkomst eveneens ontbond vanwege niet-nakoming van betalingsverplichtingen door appellant.

De rechtbank had de vordering van geïntimeerde grotendeels toegewezen en de tegenvorderingen van appellant afgewezen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet zelf partij was, maar dat de overeenkomst met zijn vennootschap was gesloten, en dat hij de offerte van 2 februari 2023 niet had geaccepteerd. Het hof verwierp deze stellingen op grond van de Haviltex-maatstaf en concrete gedragingen, waaronder betalingen en correspondentie.

Het hof oordeelde dat appellant in verzuim was gekomen door niet tijdig te betalen en dat geïntimeerde zijn werkzaamheden rechtsgeldig had opgeschort. Hierdoor kon appellant niet rechtsgeldig ontbinden, terwijl geïntimeerde dat wel kon. De rechtbank had de waarde van de geleverde prestatie vastgesteld op €74.310,- inclusief btw, en het hof bevestigde dit bedrag. Appellant had onvoldoende concreet bewijs geleverd voor zijn stellingen over gebrekkig werk en minderwerk.

Het hoger beroep werd afgewezen, appellant werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten en de wettelijke rente. De vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland werden bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat de opdrachtnemer de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden wegens schuldeisersverzuim van de opdrachtgever, die veroordeeld wordt tot betaling van €74.310,-.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.749
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 566930)
arrest van 14 april 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. B. Coskun
en
[geïntimeerde] , h.o.d.n. [handelsnaam]
die woont c.q. gevestigd is in [woonplaats2]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. A.M.C.C. Verblackt

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank) op 22 mei 2024 (vonnis in incident) en 13 november 2024 (eindvonnis) tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 11 februari 2025
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord.
1.2.
Op 6 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.Waar gaat deze zaak over

2.1.
Beide partijen hebben de tussen hen gesloten aanneemovereenkomst van hun kant ontbonden vanwege een gestelde toerekenbare tekortkoming in de nakoming door hun wederpartij. Kort gezegd is de vraag die in deze procedure voorligt wie van beiden rechtsgeldig heeft ontbonden en als gevolg daarvan recht heeft op een (schade)vergoeding van de andere partij.

3.De achtergrond van de zaak en de beslissing van het hof

3.1.
De rechtbank heeft de feiten weergegeven in rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.5 van het bestreden eindvonnis van 13 november 2024. Voor zover [appellant] bedoeld heeft bezwaar te maken tegen deze feitenvaststelling, zal het hof daar, waar relevant, rekening mee houden. De door de rechtbank vastgestelde feiten, waar nodig aangepast en aangevuld met andere feiten, komen er samengevat op neer dat het volgende is voorgevallen.
3.2.
Begin januari 2023 heeft [appellant] [geïntimeerde] benaderd in verband met een
verbouwing van zijn restaurant in Amsterdam. [geïntimeerde] heeft op 2 februari 2023 een offerte opgesteld waarin alleen in grote lijnen staat welke werkzaamheden hij zal uitvoeren voor een
totale aanneemsom van € 95.000,- (exclusief btw). Over de betaling is opgenomen dat 40% van de aanneemsom betaald moet worden bij akkoord op de offerte en dat het restant van de aanneemsom betaald moet worden in wekelijkse termijnen van 20%.
3.3.
[geïntimeerde] is begin maart 2023 begonnen met de werkzaamheden. In mei 2023 is vervolgens discussie ontstaan over de uitsplitsing van de kosten waar [appellant] om vroeg, de hoogte van de kosten en het overeengekomen meer- en/of minderwerk. Partijen zijn niet in staat gebleken hun meningsverschillen toen samen op te lossen. [geïntimeerde] heeft
vervolgens zijn werkzaamheden opgeschort op de grond dat [appellant] de betaalafspraken niet nakwam. [appellant] heeft de overeenkomst in reactie daarop ontbonden, omdat hij van mening was dat [geïntimeerde] ten onrechte weigerde de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren en daarnaast gebrekkig werk had geleverd. Kort daarna heeft [geïntimeerde] de overeenkomst op zijn beurt ontbonden. Hij is vervolgens deze procedure gestart.
3.4.
[geïntimeerde] heeft de rechtbank gevraagd om [appellant] te veroordelen om de volledige aanneemsom vermeerderd met overeenkomen meerwerk te betalen, onder aftrek van het bedrag dat [appellant] al heeft betaald. In totaal komt dit neer op een vordering van € 76.730,-. Bij wijze van tegenvordering heeft [appellant] schadevergoeding ter hoogte van € 94.484,11 gevorderd. De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] grotendeels toegewezen en de tegenvorderingen van [appellant] afgewezen.
3.5.
[appellant] is het met deze beslissingen niet eens. De bedoeling van zijn hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen en dat zijn afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. Daarnaast heeft hij zijn eis in hoger beroep vermeerderd in de zin dat hij – kort gezegd – het hof vraagt om voor recht te verklaren dat de ontbinding door [appellant] rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, en die door [geïntimeerde] niet.
3.6.
Het hof zal beslissen dat [geïntimeerde] de aanneemovereenkomst terecht heeft ontbonden en recht heeft op betaling door [appellant] van het door de rechtbank vastgestelde bedrag aan (schade)vergoeding. De bestreden vonnissen van de rechtbank blijven dus in stand. Het hof licht deze beslissingen hierna toe.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

Contractspartijen
4.1.
[geïntimeerde] vordert in deze procedure – kort gezegd – betaling van de resterende aanneemsom van [appellant] . [appellant] brengt daar in de eerste plaats tegenin dat hij in de gesprekken over de verbouwing steeds heeft gehandeld als vertegenwoordiger van [naam1] B.V. (hierna: [naam1] ) waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder is. Volgens [appellant] is [naam1] dan ook partij bij de aanneemovereenkomst en niet hijzelf. [geïntimeerde] heeft dus de verkeerde partij in rechte betrokken en moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, aldus [appellant] . Dat verweer faalt.
4.2.
Het hof stelt voorop dat een partij in beginsel degene met wie hij tot zaken is gekomen als wederpartij mag beschouwen, tenzij duidelijk is dat de wederpartij niet zichzelf maar een ander heeft willen binden. Deze regel brengt mee dat degene die stelt dat hij niet voor zichzelf maar namens een ander heeft gehandeld, hier [appellant] , de bewijslast van die stelling draagt als de wederpartij, hier [geïntimeerde] , die stelling betwist. Dat laatste is hier het geval. Het (bevrijdend) verweer van [appellant] stelt het hof voor de vraag in welke hoedanigheid [appellant] jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. Beslissend voor de beantwoording daarvan is wat [appellant] en [geïntimeerde] jegens elkaar hebben verklaard en wat zij over en weer uit elkaars gedragingen mochten afleiden (de Haviltex-maatstaf). Daarbij komt niet alleen betekenis toe aan de inhoud van de wederzijdse verklaringen maar ook aan de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de door de wederpartij kenbare hoedanigheid van de handelende persoon en de context waarin partijen optraden, omdat die medebepalend kunnen zijn voor de wederzijdse verwachtingen en voor de betekenis die partijen aan elkaars verklaringen en gedragingen geven. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn. Gelet op dit toetsingskader, overweegt het hof in deze zaak als volgt.
4.3.
Niet in geschil is dat de offerte van 2 februari 2023 ter attentie van [appellant] zelf is gesteld zonder vermelding van [naam1] , en dat [appellant] daar niet tegen heeft geprotesteerd. Vaststaat ook dat de naam van [naam1] in de Whatsappcorrespondentie tussen partijen nooit is genoemd. [appellant] heeft de brief die hij op 17 mei 2023 aan [geïntimeerde] heeft gestuurd met bezwaren tegen de hoogte en opsplitsing van de kosten zelf ondertekend, zonder vermelding van (zijn functie bij) [naam1] . De e-mail van 10 augustus 2023 waarmee de juridisch adviseur van [appellant] de ontbinding van de aanneemovereenkomst inroept, vermeldt expliciet dat [appellant] zelf de cliënt van de betreffende adviseur is en dat hij tot ontbinding van de aanneemovereenkomst wenst over te gaan. Dit zijn allemaal aanknopingspunten die wijzen richting de totstandkoming van een overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] zelf. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd hoe [geïntimeerde] desondanks had kunnen en moeten weten dat [naam1] (en niet [appellant] zelf of één van zijn andere groepsvennootschappen) zijn contractspartij was. De stelling dat [geïntimeerde] moest weten dat het om de verbouwing van een restaurant ging en de overeenkomst daarmee een zakelijk karakter had, is daartoe ontoereikend. Het enkele gegeven dat een verbouwing een zakelijk karakter heeft, betekent niet dat [appellant] daar niet in persoon opdracht toe zou kunnen geven. Daarmee gaat [appellant] er namelijk aan voorbij dat ook natuurlijke personen een zakelijke overeenkomst aan kunnen gaan, dat is niet voorbehouden aan rechtspersonen. Hiervan getuigt het feit dat ook [geïntimeerde] deze zakelijke overeenkomst als privépersoon met zijn eenmanszaak is aangegaan. Dat [geïntimeerde] btw op de offerte heeft vermeld, is ook onvoldoende om aan te nemen dat [geïntimeerde] moest begrijpen dat [appellant] niet voor zichzelf maar namens zijn vennootschap handelde. Los van de vraag of de opdrachtgever de btw kan verrekenen, dient de btw bij een dergelijke overeenkomst hoe dan ook afzonderlijk op de offerte vermeld te worden. Als [appellant] een eenmanszaak had gehad, had hij de btw wel kunnen verrekenen. Dat [geïntimeerde] op de hoogte is gesteld van de juridische structuur waarin [appellant] zijn onderneming(en) drijft, is niet gebleken. [appellant] wijst er in dat kader wel op dat uit de Whatsappcorrespondentie volgt dat [appellant] heeft verwezen naar zijn indirecte aandeelhouders danwel medeaandeelhouders. Desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] de berichten aangehaald waarop hij daarbij doelt. In die berichten wordt gesproken over “
partners”, “
they” en “
the finance department”. Dat zijn geen expliciete verwijzingen naar (indirecte of mede-) aandeelhouders van een vennootschap; “partners” is een ruim begrip en zij kunnen ook in een andere (contractuele) samenwerkingsvorm bij [appellant] en zijn onderneming betrokken zijn. Daarentegen brengen deze verwijzingen met zich dat het [geïntimeerde] niet hoefde te bevreemden dat de betalingen werden gedaan door [naam1] . Dit nog los van het gegeven dat het een contractspartij vrijstaat om haar financiële verplichtingen te laten voldoen door derden. Deze betalingen door [naam1] zijn, anders dan [appellant] betoogt, dan ook onvoldoende om de conclusie te dragen dat [naam1] als contractspartij heeft te gelden. Zeker nu de facturen van vakmensen die [appellant] in deze procedure heeft overgelegd ten bewijze van zijn stelling dat de verbouwing door deze vakmensen is afgemaakt, zijn gesteld op naam van [naam2] B.V. en niet [naam1] . Kennelijk zijn er dus meer vennootschappen waar [appellant] bij betrokken is. Op welke wijze [geïntimeerde] kon en moest weten dat juist [naam1] deze overeenkomst wenste aan te gaan, heeft [appellant] in het licht van het voorgaande dus onvoldoende onderbouwd.
4.4.
[appellant] heeft op dit punt een bewijsaanbod gedaan, inhoudende dat de manager en de medeaandeelhouders van [naam1] hierover kunnen getuigen. Op grond van vaste jurisprudentie mag een bewijsaanbod worden gepasseerd als het betrekking heeft op onvoldoende concrete stellingen dan wel indien het niet voldoet aan de eisen die daaraan in het kader van de stelplicht mogen worden gesteld. In dit geval heeft [appellant] volstaan met algemene en niet nader gespecificeerde stellingen, zonder voldoende feitelijke onderbouwing. Zo heeft hij niet concreet gemaakt in welk gesprek en in welke context is besproken dat [naam1] als contractspartij zou optreden. Ten aanzien van de medeaandeelhouders (ook wel aangeduid als indirecte aandeelhouders) heeft hij niet concreet gemaakt wie dit zijn en in welke verhouding zij tot [appellant] danwel [naam1] staan. Dit terwijl [appellant] enig aandeelhouder en bestuurder van [naam1] is en in dat licht überhaupt niet valt in te zien hoe er in dat geval sprake kan zijn van indirecte danwel medeaandeelhouders. [appellant] heeft geen verklaringen, stukken of andere aanwijzingen overgelegd die zijn stelling in enige mate ondersteunen. Het bewijsaanbod is dan ook onvoldoende gespecificeerd en het hof zal [appellant] daarom niet tot bewijslevering toelaten.
4.5.
De slotsom is dan ook dat als vaststaand moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] met [appellant] zelf heeft gecontracteerd en niet met [naam1] . Hij heeft dus terecht [appellant] gedagvaard.
[appellant] heeft de offerte van 2 februari 2023 geaccepteerd
4.6.
Vervolgens is de vraag wat de inhoud is van de afspraken tussen partijen. Volgens [geïntimeerde] ligt die vast in de offerte van 2 februari 2023 maar [appellant] betwist dat hij die offerte heeft geaccepteerd. Hij voert daartoe aan dat partijen na 2 februari 2023 verder hebben onderhandeld en uiteindelijk op 13 maart 2023 mondelinge afspraken hebben gemaakt die afwijken van de offerte. Daaruit volgt dat hij de offerte van 2 februari 2023 heeft afgewezen, aldus [appellant] . Daar volgt het hof [appellant] niet in.
4.7.
Een overeenkomst komt tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW Pro), waarbij de wijze van aanbod en aanvaarding vormvrij is. Een aanvaarding kan daarom ook in één of meer gedragingen besloten liggen (artikel 3:37 lid 1 BW Pro). Een ‘formeel akkoord’ met een handtekening is dus niet noodzakelijk. In deze zaak staat vast dat [geïntimeerde] op 2 februari 2023 een offerte (aanbod) aan [appellant] heeft gestuurd. Op 8 februari 2023 stuurt [appellant] in reactie daarop een bericht waarin hij schrijft: “
I will call you Friday to finalize the contractand will initiate the advance” [onderstreping hof]. Begin maart 2023 is [geïntimeerde] gestart met de werkzaamheden. Op 3 maart 2023 heeft [appellant] een eerste betaling van € 20.000,- gedaan en op 12 maart 2023 een tweede van € 20.000,-, waarbij beide betalingen als omschrijving vermelden: “
Offerte nummer: 2023-02”. Dat is het offertenummer dat [geïntimeerde] heeft gegeven aan de offerte van 2 februari 2023. Het enkele gegeven dat [appellant] eenzijdig heeft besloten zich niet te houden aan de betalingstermijnen zoals afgesproken in de offerte door niet bij aanvang een aanbetaling ter hoogte van 40% van de aanneemsom te voldoen, kan er niet aan afdoen dat hij voor 13 maart 2023, de datum waarop er volgens [appellant] van de offerte afwijkende betaalafspraken zijn gemaakt, betalingen aan [geïntimeerde] heeft gedaan. Hij heeft [geïntimeerde] begin maart 2023 laten starten met het werk, zonder dat hij daar in de uitvoerige Whatsappcorrespondentie tussen partijen tegen heeft geprotesteerd en/of heeft gevraagd om een aangepaste offerte voordat [geïntimeerde] met de werkzaamheden kon beginnen. Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [appellant] door deze gedragingen (stilzwijgend) met de offerte van 2 februari 2023 heeft ingestemd. Overigens bevestigt [appellant] later in de tijd ook zelf dat hij de offerte heeft geaccepteerd. Zo schrijft hij onder meer in zijn brief van 17 mei 2023: “
We found the quote provided doesn’t make any sense and does not alignwith the contract which we had initially agreed (before starting the project)” [onderstreping hof]. Ook in de e-mail van de juridisch adviseur van [appellant] van 10 augustus 2023 schrijft deze dat de offerte van 2 februari 2023 de basis vormt van de afspraken tussen partijen. Zonder nadere toelichting van [appellant] , die ontbreekt, valt dit niet te rijmen met het voor het eerst in hoger beroep ingenomen standpunt van [appellant] dat hij de offerte van 2 februari 2023 niet heeft geaccepteerd.
4.8.
[appellant] heeft ook op dit punt bewijs aangeboden door getuigen in de persoon van de manager en de medeaandeelhouders. Daaraan gaat het hof voorbij. [appellant] legt daaraan namelijk de stelling ten grondslag dat partijen pas op 13 maart 2023 mondelinge afspraken hebben gemaakt. Maar zoals het hof hiervoor heeft overwogen, moet worden aangenomen dat [appellant] de offerte van 2 februari 2023 al voor die datum stilzwijgend heeft aanvaard. Daarmee is het bewijsaanbod in dit kader niet ter zake dienend, zodat het hof dat zal passeren.
[geïntimeerde] mocht zijn werkzaamheden opschorten en de aanneemovereenkomst ontbinden
4.9.
Het voorgaande betekent dat tot uitgangspunt strekt dat de betalingsverplichting die op [appellant] rustte, inhield dat hij bij aanvang van de werkzaamheden 40% van de aanneemsom moest betalen (te weten € 45.980,- incl. btw) en in de weken daarna steeds
€ 22.990,- per week. Dit stond immers zo in de offerte van 2 februari 2023. Daarbij is geen voorbehoud gemaakt dat betaling gelijke tred zou houden met de voortgang van de werkzaamheden en/of dat [geïntimeerde] eerst een (toereikende) uitsplitsing van kosten moest verstrekken alvorens tot betaling zou worden over gegaan. [appellant] betoogt, zo begrijpt het hof, dat dergelijke afspraken op 13 maart 2023 zijn gemaakt. Maar uit de door hem zelf opgestelde en door [geïntimeerde] overgelegde notitie van deze bijeenkomst maakt het hof op dat er een eerste betaling van € 40.000,- zou plaatsvinden, een tweede van € 20.000,- en dat een derde betaling van € 20.000,- op 24 maart zou plaatsvinden. Vaststaat dat [appellant] 25 maart 2023 in totaal € 60.000,- aan [geïntimeerde] heeft betaald, en dat hij na die datum geen betalingen meer heeft gedaan. Daarmee heeft hij niet voldaan aan zijn betalingsverplichtingen, ook niet als het hof [appellant] erin zou volgen dat partijen op 13 maart 2023 van de offerte afwijkende betalingsafspraken hebben gemaakt. In dat geval had [appellant] op 24 maart 2023 immers een totaalbedrag van € 80.000,- overgemaakt moeten hebben aan [geïntimeerde] . De afspraak dat betaling gelijke tred houdt met het werk en/of dat is overeengekomen dat [geïntimeerde] eerst een toereikende uitsplitsing van de kosten moest verstrekken voordat [appellant] zou betalen, volgt niet uit de overgelegde notitie. Integendeel, bij de derde betaling is expliciet de datum van 24 maart vermeld. [appellant] heeft voor wat betreft zijn bewijsaanbod ook op dit punt volstaan met algemene en niet nader gespecificeerde stellingen, zonder voldoende feitelijke onderbouwing en een voldoende concrete aanduiding van de specifieke feiten en omstandigheden waarop het aanbod betrekking heeft. Ook dit bewijsaanbod zal het hof daarom passeren.
4.10.
Omdat het om fatale termijnen gaat, waar [appellant] niet aan heeft voldaan, verkeerde [appellant] in verzuim zonder dat een ingebrekestelling nodig was. Het hof neemt daarbij tot uitgangspunt dat het verzuim in ieder geval op 25 maart 2023 is ingetreden; toen moest volgens de notitie van [appellant] zelf immers € 80.000,- zijn overgemaakt, terwijl er pas een dag later in totaal € 60.000,- was overgemaakt. Een en ander betekent dat [appellant] de overeenkomst niet op 10 augustus 2023 kon ontbinden. Hij verkeerde op dat moment immers in schuldeisersverzuim. Los daarvan verkeerde [geïntimeerde] op die datum niet in verzuim omdat hij zijn werkzaamheden rechtsgeldig had opgeschort, er voor hem überhaupt nog geen opeisbare verplichting gold om de werkzaamheden op te leveren en [appellant] hem toen ook nog niet in gebreke had gesteld voor de beweerdelijk gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden. Omdat [appellant] in verzuim verkeerde, kon [geïntimeerde] de overeenkomst op 16 augustus 2023 rechtsgeldig ontbinden.
De gevolgen van de ontbinding – hoogte van de waarde-/schadevergoeding
4.11.
De rechtbank heeft vastgesteld wat de waarde is van de prestatie die [geïntimeerde] heeft geleverd en [appellant] dus aan hem moet vergoeden, en welk bedrag aan schade. Uiteindelijk komt de rechtbank tot het oordeel dat [appellant] een bedrag van
€ 74.310,- (incl. btw) aan [geïntimeerde] moet betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.12.
[appellant] brengt tegen de uitvoerige onderbouwing van de rechtbank in dat de vordering van [geïntimeerde] moet worden afgewezen omdat [geïntimeerde] (i) de hoogte van zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd, (ii) het overeengekomen werk zeer slecht en gebrekkig heeft uitgevoerd en niet bereid c.q. niet in staat was om het te herstellen, en (iii) het overeengekomen werk nimmer heeft opgeleverd. Dit gaat niet op, en daarvoor is het volgende redengevend.
4.13.
Voor wat betreft het eerste argument (hoogte vordering niet onderbouwd) geldt dat de rechtbank is uitgegaan van een tussen partijen overeengekomen aanneemsom van € 95.000,- (exclusief btw). Gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen over de offerte van 2 februari 2023, is er geen reden om daarvan af te wijken. Voor de volledigheid: ook de notitie van [appellant] met de afspraken van 13 maart 2023 komt uit op een bedrag van € 95.000,.
De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld wat partijen aan meer- en minderwerk zijn overeengekomen. [appellant] grieft daar wel tegen maar maakt zijn bezwaren niet, althans onvoldoende concreet. Gelet op de uitvoerige motivering van de rechtbank, mocht dat wel van hem worden verwacht. [appellant] volstaat ermee te stellen dat de offerte niet als leidend kan worden gezien en dat alles onderdeel was van “de mondelinge afspraken” van 13 maart 2023. Maar hij geeft niet aan welke gevolgen dit dan vervolgens heeft voor de conclusies die de rechtbank heeft getrokken en/of waarom die niet juist zijn. Voor wat betreft het minderwerk, geldt verder dat [appellant] ook niet concreet heeft gemaakt welk bedrag hiervoor dan in mindering zou moeten worden gebracht op de oorspronkelijke aanneemsom. [appellant] maakt ten slotte bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat de werkzaamheden op het moment van ontbinding voor 90% waren uitgevoerd. Volgens hem waren slechts 50% van de werkzaamheden uitgevoerd. Maar ook dat maakt hij onvoldoende concreet. Een appje waarin hij dat schrijft op 25 mei 2023 is daarvoor onvoldoende, zeker nu [geïntimeerde] na die datum nog werkzaamheden heeft verricht. Het had op de weg van [appellant] gelegen om aan te geven welke werkzaamheden, die onderdeel uitmaakten van de tussen partijen overeenkomen werkzaamheden, [geïntimeerde] nog niet had verricht en hoe dat deel zich verhield tot de totale hoeveelheid overeengekomen werkzaamheden. Ditzelfde geldt voor de besparingen die [geïntimeerde] volgens [appellant] heeft genoten: hij heeft dit op geen enkele manier concreet gemaakt. Niet waaruit de besparingen zouden bestaan noch wat de hoogte van die besparingen volgens hem is. Dit alles leidt ertoe dat het hof het oordeel van de rechtbank, zoals neergelegd in r.o. 4.7. tot en met 4.34., tot het zijne maakt en daarnaar verwijst. Daarbij gaat het hof ook voorbij aan het bewijsaanbod dat [appellant] heeft gedaan op het punt van het meerwerk, minderwerk en het percentage afgeronde werkzaamheden. Ook daarbij ontbreekt een voldoende concrete aanduiding van de specifieke feiten en omstandigheden waarop het aanbod betrekking heeft.
4.14.
Van een aftrek op de door [appellant] te betalen vergoeding vanwege gestelde gebrekkigheid (argument ii) hierboven) kan geen sprake zijn. [appellant] heeft ook in hoger beroep onvoldoende concreet gemaakt wat de gestelde gebreken precies zijn. Het rapport van het bouwkundig onderzoek dat [appellant] kennelijk door Loyal Experts heeft laten uitvoeren, heeft hij ook in hoger beroep niet ingebracht. Dit ondanks het gegeven dat hier van de kant van [geïntimeerde] in eerste aanleg en ook in hoger beroep op is gewezen. De verklaringen die [appellant] van de vakmensen en de verhuurder heeft overgelegd zijn te algemeen en onvoldoende onderbouwd (bijvoorbeeld voor wat betreft de stelling dat bepaalde werkzaamheden niet voldoen aan de eisen van het toepasselijke Bouwbesluit). Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is dat [appellant] [geïntimeerde] in gebreke heeft gesteld op dit punt en hem een termijn voor herstel heeft gegund. Ook heeft [appellant] niet becijferd wat de waarde van de door [geïntimeerde] geleverde prestatie volgens hem dan wel zou moeten zijn, rekening houdend met de gestelde gebreken.
4.15.
Het laatste argument (werk is nooit opgeleverd) kan [appellant] ook niet baten omdat [geïntimeerde] , zoals hiervoor overwogen, zijn werkzaamheden rechtsgeldig heeft opgeschort. Oplevering was dus nog niet aan de orde, nog los van het gegeven dat niet is gebleken dat er tussen partijen überhaupt een (fatale) opleverdatum is overeengekomen. Daarbij komt dat [appellant] aan deze stelling ook geen (rechts)gevolg heeft verbonden voor wat betreft de door hem te betalen (hoogte van de) (schade)vergoeding.
4.16.
[appellant] heeft in hoger beroep ten slotte aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de kosten van een onderaannemer van [geïntimeerde] , die [naam1] heeft voldaan, niet in mindering heeft gebracht op de door [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen vergoeding. [geïntimeerde] heeft dit gemotiveerd betwist en in dat licht heeft [appellant] zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Zo heeft hij bijvoorbeeld geen betaalbewijs overgelegd. Hij heeft überhaupt niet gesteld om welk bedrag het hier ging. Het hof gaat hier dan ook aan voorbij.
4.17.
Dit alles leidt tot de slotsom dat [geïntimeerde] recht heeft op betaling door [appellant] aan hem van een bedrag van € 74.310,- (inclusief btw). Het in hoger beroep gedane algemene bewijsaanbod van [appellant] – bewijs van al zijn stellingen, onder meer over wat destijds is overeengekomen en tussen wie en de toestand van de ruimte ten tijde van de opschorting van de werkzaamheden – is algemeen en niet specifiek. Voor het hof is dat een reden om ook dit bewijsaanbod te passeren.
De conclusie
4.18.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [1]
4.19.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 22 mei 2024 en 13 november 2024;
5.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 827,- aan griffierecht
€ 4.704,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief IV);
5.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.W.J.M. Kemperink, C. Hoogland en J.G.J. Rinkes, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.