Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 11 februari 2025
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord.
2.Waar gaat deze zaak over
3.De achtergrond van de zaak en de beslissing van het hof
4.De toelichting op de beslissing van het hof
partners”, “
they” en “
the finance department”. Dat zijn geen expliciete verwijzingen naar (indirecte of mede-) aandeelhouders van een vennootschap; “partners” is een ruim begrip en zij kunnen ook in een andere (contractuele) samenwerkingsvorm bij [appellant] en zijn onderneming betrokken zijn. Daarentegen brengen deze verwijzingen met zich dat het [geïntimeerde] niet hoefde te bevreemden dat de betalingen werden gedaan door [naam1] . Dit nog los van het gegeven dat het een contractspartij vrijstaat om haar financiële verplichtingen te laten voldoen door derden. Deze betalingen door [naam1] zijn, anders dan [appellant] betoogt, dan ook onvoldoende om de conclusie te dragen dat [naam1] als contractspartij heeft te gelden. Zeker nu de facturen van vakmensen die [appellant] in deze procedure heeft overgelegd ten bewijze van zijn stelling dat de verbouwing door deze vakmensen is afgemaakt, zijn gesteld op naam van [naam2] B.V. en niet [naam1] . Kennelijk zijn er dus meer vennootschappen waar [appellant] bij betrokken is. Op welke wijze [geïntimeerde] kon en moest weten dat juist [naam1] deze overeenkomst wenste aan te gaan, heeft [appellant] in het licht van het voorgaande dus onvoldoende onderbouwd.
I will call you Friday to finalize the contractand will initiate the advance” [onderstreping hof]. Begin maart 2023 is [geïntimeerde] gestart met de werkzaamheden. Op 3 maart 2023 heeft [appellant] een eerste betaling van € 20.000,- gedaan en op 12 maart 2023 een tweede van € 20.000,-, waarbij beide betalingen als omschrijving vermelden: “
Offerte nummer: 2023-02”. Dat is het offertenummer dat [geïntimeerde] heeft gegeven aan de offerte van 2 februari 2023. Het enkele gegeven dat [appellant] eenzijdig heeft besloten zich niet te houden aan de betalingstermijnen zoals afgesproken in de offerte door niet bij aanvang een aanbetaling ter hoogte van 40% van de aanneemsom te voldoen, kan er niet aan afdoen dat hij voor 13 maart 2023, de datum waarop er volgens [appellant] van de offerte afwijkende betaalafspraken zijn gemaakt, betalingen aan [geïntimeerde] heeft gedaan. Hij heeft [geïntimeerde] begin maart 2023 laten starten met het werk, zonder dat hij daar in de uitvoerige Whatsappcorrespondentie tussen partijen tegen heeft geprotesteerd en/of heeft gevraagd om een aangepaste offerte voordat [geïntimeerde] met de werkzaamheden kon beginnen. Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [appellant] door deze gedragingen (stilzwijgend) met de offerte van 2 februari 2023 heeft ingestemd. Overigens bevestigt [appellant] later in de tijd ook zelf dat hij de offerte heeft geaccepteerd. Zo schrijft hij onder meer in zijn brief van 17 mei 2023: “
We found the quote provided doesn’t make any sense and does not alignwith the contract which we had initially agreed (before starting the project)” [onderstreping hof]. Ook in de e-mail van de juridisch adviseur van [appellant] van 10 augustus 2023 schrijft deze dat de offerte van 2 februari 2023 de basis vormt van de afspraken tussen partijen. Zonder nadere toelichting van [appellant] , die ontbreekt, valt dit niet te rijmen met het voor het eerst in hoger beroep ingenomen standpunt van [appellant] dat hij de offerte van 2 februari 2023 niet heeft geaccepteerd.
€ 22.990,- per week. Dit stond immers zo in de offerte van 2 februari 2023. Daarbij is geen voorbehoud gemaakt dat betaling gelijke tred zou houden met de voortgang van de werkzaamheden en/of dat [geïntimeerde] eerst een (toereikende) uitsplitsing van kosten moest verstrekken alvorens tot betaling zou worden over gegaan. [appellant] betoogt, zo begrijpt het hof, dat dergelijke afspraken op 13 maart 2023 zijn gemaakt. Maar uit de door hem zelf opgestelde en door [geïntimeerde] overgelegde notitie van deze bijeenkomst maakt het hof op dat er een eerste betaling van € 40.000,- zou plaatsvinden, een tweede van € 20.000,- en dat een derde betaling van € 20.000,- op 24 maart zou plaatsvinden. Vaststaat dat [appellant] 25 maart 2023 in totaal € 60.000,- aan [geïntimeerde] heeft betaald, en dat hij na die datum geen betalingen meer heeft gedaan. Daarmee heeft hij niet voldaan aan zijn betalingsverplichtingen, ook niet als het hof [appellant] erin zou volgen dat partijen op 13 maart 2023 van de offerte afwijkende betalingsafspraken hebben gemaakt. In dat geval had [appellant] op 24 maart 2023 immers een totaalbedrag van € 80.000,- overgemaakt moeten hebben aan [geïntimeerde] . De afspraak dat betaling gelijke tred houdt met het werk en/of dat is overeengekomen dat [geïntimeerde] eerst een toereikende uitsplitsing van de kosten moest verstrekken voordat [appellant] zou betalen, volgt niet uit de overgelegde notitie. Integendeel, bij de derde betaling is expliciet de datum van 24 maart vermeld. [appellant] heeft voor wat betreft zijn bewijsaanbod ook op dit punt volstaan met algemene en niet nader gespecificeerde stellingen, zonder voldoende feitelijke onderbouwing en een voldoende concrete aanduiding van de specifieke feiten en omstandigheden waarop het aanbod betrekking heeft. Ook dit bewijsaanbod zal het hof daarom passeren.
€ 74.310,- (incl. btw) aan [geïntimeerde] moet betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.