Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2240

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
200.362.915
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid in hoger beroep echtscheidingszaak

In deze civiele zaak heeft geïntimeerde een incidentele vordering ingesteld om appellant niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank had appellant niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet opvolgen van een bevel tot verbetering van verzoeken in een echtscheidingsprocedure.

Appellant stelde hoger beroep in via een beroepschrift, terwijl het hof oordeelde dat de dagvaardingsprocedure gevolgd had moeten worden. Het hof paste daarom de wisselbepaling van artikel 69 Rv Pro toe en beval dat appellant alsnog dagvaardt. Geïntimeerde stelde dat het hof op die beslissing terug moest komen en appellant alsnog niet-ontvankelijk moest verklaren wegens overschrijding van de termijn.

Het hof oordeelde dat partijen voldoende gelegenheid hadden gehad om zich uit te laten over de toepasselijkheid van artikel 69 Rv Pro en het vermeende misbruik van procesrecht. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een terugkomen op de bindende eindbeslissing rechtvaardigden. De incidentele vordering werd daarom afgewezen en geïntimeerde werd veroordeeld in de proceskosten van het incident.

De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt, en verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Het hof wijst de incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid af en veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.362.915
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 596304
arrest in het incident van 14 april 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. J. el Hannouche
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. M. Cortet

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 20 augustus 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift in hoger beroep met daarin de grieven;
  • de e-mails van partijen van 24 november 2025;
  • de beschikking van het hof van 4 december 2025;
  • het oproepingsexploot van 15 december 2025;
  • de memorie in het incident tot het niet-ontvankelijk verklaren van [appellant] ;
  • de conclusie van antwoord in het incident;
  • de memorie van antwoord.

2.De kern van de zaak

2.1.
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank een verzoek tot echtscheiding ingediend en daarnaast (onder andere) verzoeken over de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk tussen partijen. De rechtbank heeft bevolen dat de procedure ten aanzien van de verzoeken over de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk werd voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure. De rechtbank heeft verder [geïntimeerde] bevolen de verzoeken over de vermogensrechtelijke afwikkeling te verbeteren en/of aan te vullen volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure tegen de roldatum van 4 juni 2025. Aangezien [geïntimeerde] het bevel van de rechtbank niet heeft opgevolgd, heeft de rechtbank hem bij vonnis van 20 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
[appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank en heeft tegen het vonnis van 20 augustus 2025 hoger beroep ingesteld bij beroepschrift gedateerd op 20 november 2025.
2.3.
Bij beschikking van 4 december 2025 heeft het hof overwogen dat [appellant] hoger beroep had moeten instellen bij dagvaarding. Het hof heeft daarom conform artikel 69 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bevolen dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt, wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure en dat [appellant] alsnog [geïntimeerde] dient op te roepen tegen de rol van 23 december 2025, met betekening van het beroepschrift en de beschikking. [appellant] heeft hieraan gehoor gegeven door haar beroepschrift te laten betekenen aan [geïntimeerde] bij exploot van 15 december 2025.
2.4.
[geïntimeerde] heeft vervolgens een incidentele vordering ingesteld strekkende tot niet-ontvankelijkheid. Hij vraagt het hof [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, met veroordeling van de kosten in het incident.
2.5.
Het hof zal het incidentele verzoek van [geïntimeerde] afwijzen en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
Als de rechter constateert dat een zaak is ingeleid met een beroepschrift in plaats van een dagvaarding, dan zorgt hij er ambtshalve voor dat de procedure wordt doorgeleid naar de juiste procedure. Deze regel is neergelegd in artikel 69 Rv Pro. Op basis van deze zogenaamde wisselbepaling beveelt de rechter, zo nodig, de indiener van het hoger beroep het stuk waarmee de procedure is ingeleid te verbeteren of aan te vullen (lid 1). De rechter beveelt verder dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor die juiste procedure (lid 2). Als de rechter beveelt dat de procedure wordt voortgezet volgens de dagvaardingsprocedure, dan wordt ook een dag bepaald waarop de zaak op de rol kan komen en dat (als nog geen oproeping heeft plaatsgevonden) deze dag door de indiener van het hoger beroep bij exploot aan de verweerder wordt aangezegd (lid 3). In artikel 69 lid 5 Rv Pro is bepaald dat tegen een beslissing volgens het eerste, tweede en derde lid geen hogere voorziening openstaat.
3.2.
Op grond van de wisselbepaling heeft het hof bij beschikking van 4 december 2025 het hoger beroep van [appellant] verwezen naar de dagvaardingsprocedure. Voorafgaand aan die beslissing hebben de advocaten van partijen bij e-mails van 24 november 2025 hun standpunt over de vorm van het inleidende processtuk aan het hof kenbaar gemaakt. Mr. El Hannouche heeft namens [appellant] uiteengezet waarom volgens haar het hoger beroep moest worden ingesteld bij beroepschrift. Volgens [appellant] is een verzoekschriftprocedure de juiste procedure omdat de beslissing is genomen in het kader van een echtsscheidingsprocedure, wat naar haar aard een verzoekschriftprocedure is. Mr. Cortet heeft namens [geïntimeerde] het standpunt ingenomen dat sprake is van misbruik van procesrecht. [appellant] zou volgens [geïntimeerde] bewust hebben gekozen voor een onjuiste rechtsingang door op het allerlaatste moment beroep in te stellen via een beroepschrift, terwijl duidelijk sprake is van hoger beroep tegen een vonnis. Op het moment van indiening van het beroepschrift was dagvaarden niet meer mogelijk. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] uitsluitend een beroepschrift ingediend om tijdig in hoger beroep te (kunnen) komen.
3.3.
Volgens [geïntimeerde] had het hof in de beschikking van 4 december 2025 [appellant] niet-ontvankelijk moeten verklaren in haar hoger beroep wegens overschrijding van de termijn voor het instellen van het hoger beroep met een dagvaarding, in plaats van de wisselbepaling toe te passen. Met het incident wil hij bereiken dat [appellant] alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar hoger beroep. In zoverre strekt het incident ertoe dat het hof terugkomt op de beslissing in de beschikking van 4 december 2025 ten aanzien van de wisselbepaling. Dit betreft een bindende eindbeslissing, omdat het hof uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist (op het geschilpunt) over de toepassing van de wisselbepaling. De rechter mag van een dergelijke beslissing in dezelfde instantie in beginsel niet terugkomen, tenzij blijkt van zodanige bijzondere omstandigheden dat het onaanvaardbaar zou zijn dat de rechter (in dit geval het hof) dat niet doet, dan wel blijkt dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Uit hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd begrijpt het hof dat volgens hem nu pas voor het eerst hoor en wederhoor plaats kan vinden over het punt van misbruik van procesrecht en dat dus de grondslag van de bindende eindbeslissing niet deugt, althans dat het onaanvaardbaar is dat het hof aan deze beslissing vasthoudt.
3.4
Gelet de gang van zaken zoals hiervoor weergeven onder 3.2 op het bovenstaande is het hof van oordeel dat, anders dan [geïntimeerde] stelt in zijn incidentele memorie, partijen zich voldoende hebben kunnen uitlaten (en ook hebben uitgelaten) over de eventuele toepassing van artikel 69 Rv Pro. Het hof heeft aldus bij zijn beslissing om de wisselbepaling toe te passen rekening kunnen houden met de door partijen aangevoerde argumenten, waaronder het door [geïntimeerde] aangevoerde misbruik van procesrecht door [appellant] . Het standpunt van [geïntimeerde] dat geen sprake is geweest van hoor en wederhoor en evenmin van toetsing van misbruik van procesrecht volgt het hof dan ook niet. [geïntimeerde] heeft dan ook geen bijzondere omstandigheden gesteld die het onaanvaardbaar zouden maken dat het hof aan zijn eindbeslissing vasthoudt. Verder is er geen sprake van dat het hof op een ondeugdelijke juridische of feitelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Het hof ziet daarom geen aanleiding terug te komen op de bindende eindbeslissing en dus ook niet om in dit incident alsnog te komen tot een niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in hoger beroep.
De conclusie
3.4.
Het hof wijst de incidentele vordering af. Omdat [geïntimeerde] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de kosten van het incident veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [1]
3.5.
De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten van het incident van [appellant] ter hoogte van € 1.290 aan salaris van de advocaat van [appellant] (1 procespunt x tarief II);
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt en
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Schoemaker, K. Mans en G.A. Diebels, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022,