ECLI:NL:GHARL:2026:2244

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
Wahv 200.358.132/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1.1 Regeling voertuigenArt. 5.2.51 Regeling voertuigenArt. 5.2.64 Regeling voertuigenArt. 13a WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor rijden met niet-conforme richtingaanwijzers en verlichting

Betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd voor het rijden met een voertuig voorzien van niet-toegestane verblindende verlichting en continu brandende richtingaanwijzers. De kantonrechter mat de sanctie wegens schending van de hoorplicht en kende een proceskostenvergoeding toe.

In hoger beroep voerde de gemachtigde aan dat de richtingaanwijzers amberkleurig waren en niet verblindend, en dat de verklaring van de ambtenaar onvoldoende bewijs vormde. Het hof oordeelde dat de verklaring dat het licht als verblindend kan worden ervaren onvoldoende is om de overtreding vast te stellen, mede omdat geen ondersteunend bewijs zoals foto’s aanwezig was.

Hoewel het dossier aanwijzingen bevatte dat de verlichting niet aan de voorschriften voldeed, achtte het hof een wijziging van de feitcode in deze fase niet opportuun. Het hof vernietigde de eerdere beslissingen, verklaarde het beroep gegrond, en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten aan betrokkene.

Uitkomst: Het hof vernietigt de sanctie wegens onvoldoende bewijs van verblindende verlichting en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.358.132/01
CJIB-nummer
: 261090300
Uitspraak d.d.
: 15 april 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 120,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 226,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “N640 - als bestuurder v.e. voertuig rijden, terwijl het is voorzien v. niet toegestane verblindende/knipperende verlichting”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 september 2023 om 03.38 uur op de Siciliëweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 120,- omdat de hoorplicht is geschonden door de officier van justitie.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de richtingaanwijzers een amberkleur uitstraalden, maar dat deze niet een verblindende werking hadden. De verklaring van de ambtenaar dat de verlichting als verblindend kan worden ervaren is onvoldoende om de gedraging vast te stellen. De gemachtigde verwijst naar een arrest van het hof van 3 juli 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:5558). De richtingaanwijzers stralen niet meer licht uit dan het geval is bij de uitstraling bij de reguliere werking van richtingaanwijzers. De betrokkene verzet zich tegen een feitcodewijziging, nu het voertuig van de betrokkene wel degelijk goed werkende richtingaanwijzers had. Deze knipperden immers deugdelijk als betrokkene deze vanuit zijn voertuig voerde.
4. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag daadwerkelijk betrokkene met bovengenoemd voertuig rijden op de Siciliëweg in Amsterdam. Ik verbalisant stelde na onderzoek vast dat beide richtingaanwijzers van bovengenoemd voertuig oranje van kleur waren en zonder enige onderbreking tegelijkertijd brandden. Ik verbalisant stelde vast dat er sprake was van dergelijke lichten onder de noemer “running lights”.
6. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar onder meer verklaart:
“Op bovengenoemd dag, datum en tijdstip zag ik een voertuig voorzien van kenteken 12SFZH daadwerkelijk rijden over de Siciliëweg. Ik zag dat het voertuig zogenaamde “Running Lights” had. Ik verbalisant zag dat beide richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig voortdurend bleven branden in een amber kleur. (…)
Ik constateerde dat het bovenstaande in strijd is met artikel 5.2.51 Regeling voertuigen, onder andere onder lid 1.D. aangezien deze niet knipperden.
Ik verbalisant stel vast dat het licht, komende uit bovengenoemde richtingaanwijzers verblindend kan worden ervaren. Hiervan uitgaand, komt deze in aanmerking voor feitcode N640. Echter kan in deze situatie ook feitcode N514A gebruikt worden. Dit aangezien de lampen richtingaanwijzers blijven, zelfs als deze niet aan de inrichting, dan wel permanente eisen voldoen.”
7. De onderhavige gedraging met feitcode N640 betreft een overtreding van artikel 5.1.1, eerste lid en onder c, in samenhang met artikel 5.2.64 van de Regeling voertuigen (Rv). Artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, Rv houdt in, voor zover hier van belang:
“Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig: (...)
c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen.”
8. Paragraaf 10 van bedoelde afdeling 2 handelt over de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van personenauto’s. Het in deze paragraaf opgenomen artikel 5.2.64 Rv houdt in dat personenauto’s, met uitzondering van groot licht, niet voorzien mogen zijn van verblindende lichten.
9. De gedraging met feitcode N514A betreft een overtreding van artikel 5.1.1, eerste lid en onder c, in samenhang met artikel 5.2.51, eerste lid, onder d, Rv, waarin is bepaald:
“dat personenauto’s moeten zijn voorzien van twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen.”
10. Naar het oordeel van het hof volgt uit de verklaringen van de ambtenaar onvoldoende dat de gedraging met feitcode N640 is verricht. De verklaring van de ambtenaar dat het licht als verblindend kan worden ervaren is daarvoor in dit geval op zichzelf onvoldoende. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat dit slechts bij aanvullend proces-verbaal is aangevuld. Er bevindt zich ook geen ondersteund bewijs in het dossier, bijvoorbeeld in de vorm van een foto. De gedraging kan daarom niet worden vastgesteld.
11. In de stukken in het dossier zijn wel aanwijzingen te vinden dat de verlichting zoals die gevoerd werd niet voldoet aan de voorschriften in de Rv. Het hof zal de feitcode echter niet wijzigen zoals door de advocaat-generaal bij subsidiair standpunt is voorgesteld. De toepasselijkheid van de voorgestelde feitcode N514A kan namelijk ter discussie worden gesteld (vgl. het arrest van het hof van 20 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3076). Nu deze wijziging pas bij verweerschrift is voorgesteld terwijl de officier van justitie op basis van dezelfde informatie in het dossier eerder geen aanleiding tot wijziging heeft gezien, acht het hof niet opportuun om in dit stadium te beoordelen welke feitcode van toepassing is en de feitcode vervolgens te wijzigen. Het hof zal daarom beslissen zoals hierna vermeld.
12. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, beroepschrift bij de kantonrechter, hoger beroepschrift, een nadere toelichting daarop en het verschijnen op de zitting van de kantonrechter dienen in totaal 4,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 666,- en voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie en de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 zijn bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 741,63 (= (1 x € 666,- x 0,5) + (3,5 x € 934,- x 0,5 x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 741,63.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.