Uitspraak
,
1.[belanghebbende1] ( [belanghebbende1] ),die woont in [woonplaats3] ,
[belanghebbende2]( [belanghebbende2] ),
die woont in [woonplaats2] ,
[belanghebbende3]( [belanghebbende3] ),
die woont in [woonplaats4] ,
[belanghebbende4]( [belanghebbende4] ),
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
- bij die oproeping de afschriften van alle tot dusverre ingediende processtukken
moeten worden betekend;
- [appellante] op de rolzitting van 8 oktober 2024 kopieën van de oproepingen moet
overleggen;
- voor zover [belanghebbende3] , [belanghebbende1] , [belanghebbende2] en [belanghebbende4] verschijnen op de rolzitting van
8 oktober 2024, zij uiterlijk zes weken daarna een conclusie mogen nemen, waarin zij hun
standpunten uiteen kunnen zetten
- de exploiten van oproepingen namens [appellante] van 24 september 2024 en van
- een H2-formulier namens [geïntimeerde] van 23 oktober 2024;
2.De toelichting op de beslissing van het hof
€ 113.445,05 bedroeg. Verder is niet in geschil dat [geïntimeerde] recht heeft op 1/14e deel van de banksaldi per 8 januari 2019 op de gezamenlijke bankrekeningen van erflater en [naam1] (hier is geen grief tegen gericht). Het hof constateert dat er verder geen grief is gericht tegen de wijze waarop de rechtbank de waarde van de nalatenschap van erflater heeft berekend. Ook staan de door de rechtbank in aanmerking genomen uitvaartkosten van erflater ter hoogte van € 974,31 niet ter discussie. Er is verder geen grief opgeworpen tegen de wijze waarop de rechtbank rekening heeft gehouden met die uitvaartkosten. Dat leidt ertoe dat het hof de berekeningswijze van de rechtbank met betrekking tot de waarde van de nalatenschap van erflater als uitgangspunt zal nemen en ook de wijze waarop de rechtbank rekening heeft gehouden met de uitvaartvaartkosten van € 974,31.
- de waarde van de inmiddels verkochte woning (grief 1);
- de waarde van de inboedel/sieraden (grief 2).