ECLI:NL:GHARL:2026:236

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/7
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19a Wet BPMBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens afschrijving en waardebepaling

Belanghebbende is geconfronteerd met een naheffingsaanslag BPM van €5.304 voor twee auto's, Mercedes-Benz GLE-klasse en BMW X5, waarbij discussie bestaat over de juiste waardebepaling en afschrijving. De rechtbank had de naheffingsaanslag gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard, maar wel proceskosten en immateriële schade toegekend.

In hoger beroep betoogt belanghebbende dat de handelsinkoopwaarde verder verminderd moet worden wegens meer dan normale gebruiksschade, dat de afschrijving op juiste BPM-waarden moet worden gebaseerd, dat een interne beleidsmededeling van de Belastingdienst vertrouwen geeft over toepassing koerslijsten bij geringe CO2-afwijkingen, en dat het griffierecht onjuist is vergoed.

Het Hof oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat meer schade in aanmerking moet worden genomen en dat een hogere CO2-uitstoot in het algemeen een waardeverhogende invloed heeft op de handelsinkoopwaarde. Het interne e-mailbericht geeft geen grond voor het vertrouwensbeginsel omdat het niet is gepubliceerd. Het Hof vernietigt het deel van de uitspraak over griffierechtvergoeding, veroordeelt de Staat tot vergoeding van het volledige griffierecht en immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, en bevestigt de rest van de uitspraak.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de griffierechtvergoeding wordt volledig toegekend en immateriële schade vergoed, de rest van de uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/7
uitspraakdatum: 13 januari 2026
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 3 november 2023, nummer ARN 22/1444, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 5.304.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag BPM gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor proceskosten, griffierecht en immateriële schade toegekend van respectievelijk € 837, € 184 en € 500.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor een Mercedes-Benz GLE-klasse en een BMW X5 (hierna: de auto’s) op aangifte bedragen aan BPM voldaan. Bij de aangiften zijn taxatierapporten gevoegd waarin de herstelkosten op respectievelijk € 13.463 en € 11.940 zijn gecalculeerd. Deze herstelkosten zijn voor respectievelijk € 13.297 en € 8.594 als schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarden die zijn gebaseerd op koerslijsten.
2.2.
De Inspecteur heeft voor beide auto’s een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van deze onderzoeken zijn rapporten opgemaakt. In deze rapporten zijn de herstelkosten gecalculeerd op respectievelijk € 254 en € 1.524, waarvan 72% in mindering is gebracht op de handelsinkoopwaarde. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag BPM als volgt berekend:
Mercedes (auto 1)
BMW (auto 2)
Catalogusprijs
€ 101.771
€ 127.644
BPM
(CO2 199 gr/km) 29.539
(CO2 179 gr/km) 30.515
= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
131.31
158.159
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Xray)
€ 48.931
€ 48.782
Schade
-/- 183
-/- 1.097
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
48.748
47.685
Afschrijving
62,88%
69,85%
Historische BPM
(CO2 205 gr/km) € 32.287
(CO2 175 gr/km) € 28.333
Afschrijving
(62,88%) -/- 20.303
(69,85%) -/- 19.791
= Verschuldigde BPM
11.984
8.542
Extra leeftijdskorting
-/- 431
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 8.388
6.403
Naheffingsaanslag
€ 3.165
€ 2.139
2.3.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag in stand gelaten en in dat verband onder meer overwogen dat belanghebbende met haar taxatierapporten en de daarbij behorende foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat meer schade in aanmerking moet worden genomen.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
( i) dat de handelsinkoopwaarde van beide auto’s verder moet worden verminderd wegens meer dan normale gebruiksschade;
ii) dat voor het berekenen van de afschrijving van de Mercedes-Benz de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een CO2-uitstoot van 205 gr/km) is verschuldigd, en niet aan de hand van de BPM die voor de referentieauto’s (met een CO2-uitstoot van 199 gr/km) is verschuldigd;
(iii) dat op grond van intern beleid van de Belastingdienst een geringe afwijking in CO2-uitstoot niet in de weg staat aan toepassing van een koerslijst, waardoor voor de Mercedes-Benz geen aanleiding bestaat de handelsinkoopwaarde te verhogen bij een hogere CO2-uitstoot;
(iv) dat de Rechtbank een bedrag van € 365 aan griffierecht heeft geheven, maar na gegrondverklaring van het beroep slechts € 184 heeft laten vergoeden; en
( v) dat wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep een schadevergoeding moet worden toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Taxatiemethode; waardevermindering in verband met schade (auto’s 1 en 2)
4.1.
Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat op basis van de taxatierapporten en foto’s meer schade in aanmerking moet worden genomen dan waarvan de Inspecteur en de Rechtbank zijn uitgegaan. Aangezien belanghebbende in hoger beroep zijn standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet het Hof geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel dan dat van de Rechtbank.
Handelsinkoopwaarde; invloed van hogere CO2-uitstoot (auto 1)
4.2.
Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen. [1] Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dat geval ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld. De handelsinkoopwaarde is blijkens de aangifte gebaseerd op een auto met een CO2-uitstoot van 199 gr/km, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 205 gr/km heeft.
4.3.
Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig. [2] Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben.
4.4.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen. [3] Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken. [4] Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
4.5.
Belanghebbende is niet in zijn bewijslast geslaagd. Hij heeft op generlei wijze zijn stelling onderbouwd dat de afwijkende CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, bijvoorbeeld met een koerslijst of deskundigenonderzoek waaruit dit blijkt. Het bij de aangifte gevoegde taxatierapport – welke taxatie is gebaseerd op de koerslijst van Xray – voldoet niet, omdat daarin nu juist een auto met een CO2-uitstoot van respectievelijk 199 gr/km is getaxeerd. Dit betekent dat het Hof ervan uitgaat dat de hogere CO2-uitstoot van de te registreren auto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt. Het gelijk is in zoverre aan de Inspecteur.
Vertrouwensbeginsel (auto 1)
4.6.
Belanghebbende heeft ter zitting gewezen op een intern e-mailbericht van de Belastingdienst van 15 april 2024, met als onderwerp ‘Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten’. Daarin is onder meer het volgende vermeld: “Vanzelfsprekend is het wel van belang om goed te blijven beoordelen of de koerslijst daadwerkelijk overeenkomt met het voertuig uit de aangifte en of er sprake is van verdergaande afwijkingen dan in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot (dergelijke kleine verschillen verhinderen toepassing van de koerslijst immers niet). In eerdere gesprekken gaven koerslijstproviders ook aan dat verschillen vaak zijn terug te voeren op onjuist gebruik van de koerslijsten door gebruikers daarvan.” Volgens belanghebbende betreft deze mededeling beleid waaraan het vertrouwen kan worden ontleend dat een geringe afwijking in CO2-uitstoot – zoals in het onderhavige geval bij auto 1 – niet in de weg staat aan toepassing van een koerslijst, zodat in die gevallen geen aanleiding bestaat de handelsinkoopwaarde te verhogen bij een hogere CO2-uitstoot.
4.7.
Anders dan belanghebbende betoogt, kan aan dit intern e-mailbericht geen vertrouwen worden ontleend. Nu dit bericht niet is gepubliceerd, komt aan het vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geen rol toe. [5]
Griffierecht Rechtbank
4.8.
De Rechtbank heeft een bedrag van € 365 aan griffierecht geheven. Na toekenning van een schadevergoeding heeft de Rechtbank ten onrechte slechts een bedrag van € 184 aan griffierecht laten vergoeden. Gelet hierop zal het Hof de Staat alsnog veroordelen tot vergoeding van het bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 365.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn hoger beroep
4.9.
Het hoger beroepschrift is ontvangen op 1 december 2023. Met onderhavige uitspraak is de redelijke termijn overschreden. Naar boven afgerond is dat een half jaar. Nu bijzondere omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, dient het bedrag van de immateriële schadevergoeding te worden berekend op € 500. [6] De Staat zal daartoe worden veroordeeld.
Slotsom
Gelet op het overwogene in 4.8 wordt het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548.
5.2.
Het Hof vindt bovendien aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3.
Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 467 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 934). In de omstandigheid dat de uitspraak van de Rechtbank is vernietigd wegens het toekennen van een te lage vergoeding van het griffierecht, ziet het Hof aanleiding een wegingsfactor 0,25 aan deze zaak toe te kennen. Voor het in hoger beroep gedane verzoek tot vergoeding van immateriële schade wordt geen aanvullend punt toegekend. [7]

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de beslissing over de vergoeding van het griffierecht;
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
  • draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op het door belanghebbende bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 365 te vergoeden;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende voor de hogerberoepsfase tot een bedrag van € 467;
  • draagt de Staat op het door belanghebbende bij het Hof betaalde griffierecht van € 548 te vergoeden; en
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
De griffier, De raadsheer,
(J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.4.
2.Vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3.
3.HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3.
4.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.
5.Vgl. HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1235.
6.Weliswaar is artikel 19a lid 3 Wet BPM (vergoeding van € 50 per half jaar) op 1 januari 2024 in werking getreden, maar deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn na 1 januari 2024 is aangevangen (artikel IV, aanhef en letter b Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu het hogerberoepschrift op 1 december 2023 is ingediend.
7.Vgl. HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:860, waarin de Hoge Raad het cassatieberoep gegrond heeft verklaard en tevens een vergoeding voor immateriële schade heeft toegekend. De staatssecretaris is veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie tot een bedrag van € 3.628, te weten vier punten (cassatieberoepschrift en repliek) x € 907 x gewichtsfactor 1. Daarbij is de Staat niet veroordeeld in de proceskosten voor het ingediende schadeverzoek.