ECLI:NL:GHARL:2026:2417

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
Wahv 200.358.261/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie rijden op fietspad en proceskostenvergoeding

De betrokkene kreeg een sanctie van €150 opgelegd voor het rijden op het fietspad op 17 april 2022 in Tilburg. De kantonrechter mat deze sanctie met 25% vanwege overschrijding van de redelijke termijn en kende een proceskostenvergoeding toe, waarbij samenhang met andere zaken werd aangenomen.

De betrokkene ging in hoger beroep tegen deze beslissing, met name tegen de samenhangsaanname en de bevoegdheid van de ambtenaar. Het hof oordeelde dat de ambtenaar wel bevoegd was en verwierp het verweer tegen de sanctie. De kantonrechter had echter onterecht samenhang met andere zaken aangenomen zonder nadere motivering.

Het hof vernietigde daarom het besluit over de proceskostenvergoeding en kende een correcte vergoeding toe voor zowel de procedure bij de kantonrechter als het hoger beroep. De sanctie werd bevestigd met matiging vanwege termijnoverschrijding. De advocaat-generaal werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €957,35.

Uitkomst: Het hof bevestigt de matiging van de sanctie en kent een hogere proceskostenvergoeding toe door vernietiging van het besluit over samenhang.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.358.261/01
CJIB-nummer
: 249142811
Uitspraak d.d.
: 22 april 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 14 maart 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 453,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 april 2022 om 16:05 uur op de Nieuwlandstraat in Tilburg met het voertuig met het kenteken [kenteken]. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag met 25 procent gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene zich niet met de beslissing van de kantonrechter kan verenigen. De betrokkene ontkent namelijk de gedraging (het hof begrijpt: de betrokkene betwist de bevoegdheid van de ambtenaar tot oplegging van de sanctie). Ten tijde van de vermeende overtreding had het openbaar ministerie nog geen instemming verleend. De gemachtigde verwijst naar het arrest van het hof van 21 augustus 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:5340). Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter ten onrechte samenhang met twee andere zaken heeft aangenomen. Het is onduidelijk met welke zaken de kantonrechter samenhang heeft aangenomen.
3. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in het arrest van 28 april 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:2594) is het hof van oordeel dat de ambtenaar bevoegd was om een sanctie op te leggen voor de onderhavige gedraging. De grond treft geen doel.
4. Ten aanzien van de grond van de gemachtigde, waarin de gemachtigde stelt dat de kantonrechter ten onrechte samenhang heeft aangenomen met twee andere zaken, overweegt het hof als volgt. De kantonrechter heeft voor de berekening van de proceskostenvergoeding factor 1,5 (vier of meer zaken) wegens samenhang toegepast en de proceskostenvergoeding gedeeld door drie. Uit de overwegingen van de beslissing van de kantonrechter blijkt niet met welke zaken en op welke gronden de kantonrechter samenhang heeft aangenomen. Ook het dossier bevat geen informatie hieromtrent. Het hof is dan ook van oordeel dat de kantonrechter onderhavige zaak ten onrechte heeft aangemerkt als samenhangend met andere zaken. Dit brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter, voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenvergoeding, zal vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk een proceskostenvergoeding voor onderhavige zaak toekennen.
5. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in de procedure bij de kantonrechter gemaakte kosten € 934,- (= 2 x € 934,- x 0,5).
6. Naar het oordeel van het hof bestaat in het onderhavige geval tevens aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de fase van het hoger beroep. De kantonrechter heeft de betrokkene een onjuiste proceskostenvergoeding toegekend. De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep moeten instellen om alsnog een juiste proceskostenvergoeding te krijgen. Het is dan ook redelijk om voor het hoger beroep een proceskostenvergoeding toe te kennen.
7. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt voor de vaststelling van de vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte kosten € 23,35 (= 1 x € 934,- x 0,25 x 0,1).
8. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor wat betreft zijn beslissing op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 957,35.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.