ECLI:NL:GHARL:2026:242

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
21-004612-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dierenarts veroordeeld voor aanranding van assistentes in dierenkliniek

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een dierenarts die was veroordeeld voor het meermalen aanranding van vier assistentes in een dierenkliniek. De dierenarts, geboren in 1960, had zijn assistentes gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, waarbij hij zijn machtspositie als werkgever misbruikte. Het hof oordeelde dat de aangiftes van de slachtoffers betrouwbaar waren en dat er voldoende steunbewijs was voor de beschuldigingen. De rechtbank had eerder een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, maar het hof verhoogde deze naar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden. Daarnaast werden de slachtoffers schadevergoedingen toegekend voor de geleden schade, zowel materieel als immaterieel. Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, de impact op de slachtoffers en de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De vorderingen van de benadeelde partijen werden grotendeels toegewezen, met specifieke bedragen voor materiële en immateriële schade, en wettelijke rente werd toegewezen vanaf de datum van de aanvang van de schade.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004612-22
Uitspraakdatum: 15 januari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 oktober 2022 met parketnummer 05-341098-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1960 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 17 december 2025 en 15 januari 2026 en wat er op de zitting van de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. van der Goot, de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] en hun advocaat mr. M. Pals en de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 4] en hun advocaat mr. A. van den Berg hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte voor het meermaals aanranden van vier personen veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Verder zijn de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen. Steeds met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 april 2020 tot en met 6 juli 2020 te [plaats] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van haar borst(en), door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- onverhoeds en/of ongewenst te handelen en/of
- misbruik te maken van zijn machtspositie als dierenarts ten opzichte van [benadeelde partij 1] , zijnde zijn assistente en/of misbruik te maken van het leeftijdsverschil ten opzichte van [benadeelde partij 1] en/of
- [benadeelde partij 1] in een positie te dirigeren waarin ze zich niet aan de situatie kon onttrekken, te weten het (strak) tegen zich aan moeten houden, althans het vasthouden van een hond/kat en/of
- te handelen in het bijzijn van klanten waardoor [benadeelde partij 1] zich niet vrij voelde zich verbaal dan wel fysiek te verweren tegen voornoemde handelingen;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 13 juli 2020 te [plaats] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van haar borst(en), door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- onverhoeds en/of ongewenst te handelen en/of
- misbruik te maken van zijn machtspositie als dierenarts ten opzichte van [benadeelde partij 2] , zijnde zijn assistente en/of
- [benadeelde partij 2] in een positie te dirigeren waarin ze zich niet aan de situatie kon onttrekken, te weten het (strak) tegen zich aan moeten houden van een hond, althans het vasthouden van een hond en/of
- te handelen in het bijzijn van klanten waardoor [benadeelde partij 2] zich niet vrij voelde zich verbaal dan wel fysiek te verweren tegen voornoemde handelingen;
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2003 tot en met 8 mei 2007 te [plaats] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, [benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van haar borst(en), door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- onverhoeds en/of ongewenst te handelen en/of
- misbruik te maken van zijn machtspositie als dierenarts ten opzichte van die [benadeelde partij 3] , zijnde zijn assistente en/of
- die [benadeelde partij 3] in een positie te dirigeren waarin ze zich niet aan de situatie kon onttrekken, te weten het (strak) tegen zich aan moeten houden van een hond, althans het vasthouden van een hond en/of
- te handelen in het bijzijn van klanten waardoor die [benadeelde partij 3] zich niet vrij voelde zich verbaal dan wel fysiek te verweren tegen voornoemde handelingen;
4.
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2002 tot en met 30 november 2004 te [plaats] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, [benadeelde partij 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van haar borst(en), door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- onverhoeds en/of ongewenst te handelen en/of
- misbruik te maken van zijn machtspositie als dierenarts ten opzichte van [benadeelde partij 4] , zijnde zijn assistente en/of
- [benadeelde partij 4] in een positie te dirigeren waarin ze zich niet aan de situatie kon onttrekken, te weten het (strak) tegen zich aan moeten houden van een hond, althans het vasthouden van een hond en/of
- te handelen in het bijzijn van klanten waardoor [benadeelde partij 4] zich niet vrij voelde zich verbaal dan wel fysiek te verweren tegen voornoemde handelingen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd om de feiten bewezen te verklaren op dezelfde wijze als de rechtbank heeft gedaan, waarbij de door de benadeelde partijen ingebrachte stukken en het rapport d.d. 15 september 2020 opgesteld door [bedrijfsrecherche] als aanvullend steunbewijs gebruikt kunnen worden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de ten laste gelegde gedragingen hebben plaatsgevonden. De verklaringen van aangeefsters zijn onbetrouwbaar. De verklaringen zijn inconsistent en er is mogelijk sprake van beïnvloeding en onderling overleg, waardoor de aangiftes niet als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt. Daarnaast is per feit niet voldaan aan het bewijsminimum. Er is niet voldoende steunbewijs aanwezig. De rechtbank heeft ten onrechte van schakelbewijs gebruik gemaakt voor de bewijsconstructie. De handelwijze zoals beschreven in de aangiftes verschilt op essentiële punten en aangeefsters [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 3] , hun aangiftes komen het meest met elkaar overeen, hebben voordat zij aangifte hebben gedaan contact met elkaar gehad. De rechtbank heeft ten slotte ten onrechte het rapport van [bedrijfsrecherche] buiten beschouwing gelaten.
Oordeel van het hof [1]
Verdachte was ten tijde van de tenlastegelegde feiten werkzaam als dierenarts bij dierenkliniek [dierenkliniek] (hierna: [dierenkliniek] ) in [plaats] . Aangeefsters zijn als assistentes bij [dierenkliniek] werkzaam (geweest). Zij hebben alle vier aangifte gedaan van aanranding door verdachte. Alle aangeefsters hebben verklaard dat verdachte tijdens het werk hun borsten heeft aangeraakt, terwijl zij dit niet wilden. Verdachte heeft steeds stellig ontkend dat hij aangeefsters met een seksuele intentie heeft aangeraakt. Het hof moet de vraag beantwoorden of de verklaringen van aangeefsters betrouwbaar zijn en zo ja, of deze verklaringen voldoende bevestiging vinden in andere bewijsmiddelen. Gelet op de nauwe samenhang tussen de ten laste gelegde feiten zal het hof de feiten gezamenlijk behandelen.
Betrouwbaarheid van de verklaringen
[benadeelde partij 1] , heeft verklaard dat zij sinds januari 2020 werkzaam is als dierenartsassistent bij [dierenkliniek] . Vanaf april 2020 kreeg zij vreemde opmerkingen van verdachte, bijvoorbeeld dat haar werkpolo wel een maatje kleiner kon en dat hij van vrouwen met mooie rondingen hield. [benadeelde partij 1] heeft er eerst niets van gezegd, omdat verdachte haar werkgever was, zij er nog maar kort werkte en zich daardoor geïntimideerd voelde. De eerste keer dat verdachte haar aanraakte was tijdens een onderzoek aan een grote hond. Verdachte raakte met de buitenkant van zijn hand haar borst aan. Het was een kort tikje. Zij dacht dat het per ongeluk was, omdat het tijdens een onderzoek van een grote hond was. Bij een ander onderzoek aan een kat raakte verdachte ook haar borsten aan. terwijl dat toen niet nodig was. Verdachte raakte haar aan bij haar borst als hij met zijn handen naar de kat toe ging of als hij na het onderzoek zijn handen weer terugtrok. Deze beweging duurde 1 of 2 seconden waarbij de hand niet stilstond op de borst. Daarna gebeurde het steeds vaker. [benadeelde partij 1] en verdachte werkten een keer in de twee weken samen en iedere keer raakte hij haar aan. In totaal heeft verdachte haar vijf of zes keer bij haar borsten aangeraakt. Verdachte wist dat ze er niet van gediend was, omdat ze eerder een keer zijn hand heeft weggetikt en daarna is weggelopen. [2]
Aangeefster [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat zij sinds 2010 dierenartsassistente is bij [dierenkliniek] . Als ze een hond moest vasthouden op de onderzoekstafel dan deed zij haar rechterarm onder de buik en haar linkerarm onder de kop van de hond. Tijdens het onderzoek aan de hond kwam verdachte met zijn hand langs haar borst. Verdachte ging daarbij met zijn hand over de vacht van de hond en raakte haar daarbij aan. De eigenaar van de hond stond er vaak bij. Soms stapte zij terug, maar ook dan raakte verdachte haar borsten aan. Dit gebeurde met de bovenzijde van zijn hand. Als de hond van tafel was liep verdachte achter aangeefster langs en raakte daarbij met zijn elleboog haar borst aan. Deze aanrakingen zijn ongeveer negen à tien jaar geleden begonnen en in de zomer van 2020 gestopt. In die periode heeft verdachte bijna dagelijks haar borsten aangeraakt. Het gebeurde altijd als zij samen met hem werkte en er een grote hond was. [benadeelde partij 2] durfde er niets van te zeggen uit angst om haar baan te verliezen. [3]
[benadeelde partij 3] heeft verklaard dat ze in maart 2003 bij [dierenkliniek] is komen te werken als paraveterinair. Verdachte had vaak grote honden op het spreekuur. Zij hield dan de honden vast en drukte deze stevig tegen haar lichaam aan. Bij andere dierenartsen kon zij meer afstand houden. Dan kon ze een stap naar achteren zetten of een stap opzij als de dierenarts bij de hond moest zijn. Van verdachte mocht dat niet. De eigenaar van de hond stond er ook bij. Verdachte voerde bij het algehele onderzoek onder meer een onderzoek uit aan de thorax van de hond. Daarbij ging verdachte met zijn hand tussen de hond en haar door, waarbij hij met de buitenkant van zijn hand haar borsten aanraakte. Zij heeft toen een stap achteruit gezet, maar verdachte zei dan direct dat ze de hond wel stevig vast moest houden. Anders zou de hond van tafel springen en er andere problemen ontstaan. Het gebeurde dagelijks bij elke grote hond dat verdachte met de achterkant van zijn hand haar borst aanraakte. Na een tijd bij hem op spreekuur te hebben gestaan, heeft verdachte zijn hand ook af en toe omgedraaid en haar borst vastgepakt. Ze stond altijd zo dat de eigenaar van de hond haar niet konden zien. Verdachte ging ondertussen door met het onderzoeken van de hond en bleef praten met de eigenaar van de hond. Zij bevroor en durfde niets te zeggen. Verdachte zei tegen haar 'wel goed je best doen, anders dan weetje wel wat er gebeurt'. Dat heeft hij meerdere keren gezegd. Er gebeurde nooit echt iets, maar zij was bang om haar baan kwijt te raken. [4]
[benadeelde partij 4] heeft verklaard dat zij een soort oproepkracht was in [dierenkliniek] in de periode van november 2020 (het hof begrijpt: november 2002) tot november 2004. Haar werkzaamheden waren voornamelijk het assisteren tijdens spreekuren. Verdachte had een eigen manier van hoe een hond vastgehouden moest worden. Het was belangrijk dat de hond strak tegen het lichaam gehouden werd, waardoor er geen ruimte meer was tussen de assistente en de hond. Verdachte begon dan zijn onderzoek aan de hond. Verdachte ging met zijn hand tussen haar en de hond en kwam daarbij met de buitenkant van zijn hand tegen haar borsten aan. Dit gebeurde bij ieder spreekuur. Uiteindelijk veranderde de stand van de hand van verdachte. Hij draaide zijn hand dan om en kwam met de binnenkant tegen haar borsten. Ze voelde zijn vingertoppen over haar borsten gaan. Ze bevroor. Eerst waren het seconden, later duurde het steeds langer. Het gebeurde op zo'n manier dat de eigenaar van de hond deze handeling niet kon zien. Het gebeurde niet bij kleine honden of kortharige honden, want dan was het zichtbaar. Ze durfde er niets van te zeggen. Hij was ook haar baas.
De dierenkliniek heeft op een gegeven moment, toen ze er al wat langer werkte, aan haar gevraagd of zij teksten wilde schrijven voor de website van de kliniek. Toen zij achter een computer zat in een ruimte kwam verdachte binnen. Hij kwam achter haar staan en las over haar schouder mee. Vervolgens stak verdachte zijn hand onder haar blouse, shirt, hemd en bh en pakte met zijn hand haar borst vast. Zij wist niet wat zij moest doen en bevroor. Verdachte hield enkele seconden haar borst vast, haalde zijn hand weer uit haar blouse en ging weg. Hij zei daarbij niets. Zij was heel bang en heeft er niets van gezegd. [5]
Het hof is van oordeel dat de verklaringen van alle vier de aangeefsters betrouwbaar zijn. Ten aanzien van de inhoud van de verklaringen overweegt het hof dat de aangeefsters gedetailleerd hebben verklaard, zowel in het informatief gesprek zeden als bij de aangifte, over wat er tussen ieder van hen en verdachte is voorgevallen, onder welke omstandigheden dit gebeurde en hoe zij zich daarbij voelden. De verklaringen komen authentiek over. Dat de verklaringen van de vier aangeefsters zoveel overeenkomsten vertonen, draagt voor het hof in grote mate bij aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen. Ook wordt de betrouwbaarheid van hun verklaringen versterkt door het gegeven dat niet is gebleken van concrete aanknopingspunten dat er voor de aangeefsters aanleiding was om verdachte – hun (oud) werkgever/collega – ten onrechte te beschuldigen van het tenlastegelegde.
Aan de betrouwbaarheid van de aangiftes draagt daarnaast bij de omstandigheid dat [benadeelde partij 3] in 2006 al een klacht heeft ingediend tegen verdachte wegens een aanraking [6] en dat [benadeelde partij 1] jaren later in 2020 naar haar [getuige 3] is gegaan en heeft verteld dat verdachte haar borsten heeft betast. [7] [benadeelde partij 1] heeft toen ook overstuur aan [getuige 2] verteld dat verdachte haar aanraakte. [8] Ook [benadeelde partij 2] heeft aan [getuige 3] verteld dat verdachte haar had lastig gevallen. [9]
De verdediging betoogt dat [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 3] in 2007 door [getuige 1] , die verdachte uit de maatschap probeerde krijgen, zijn benaderd om te verklaren en dat dit de betrouwbaarheid van de verklaringen raakt. Het hof gaat hieraan voorbij omdat [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 3] veel later pas, in 2021, aangifte hebben gedaan en er overigens geen onderbouwing van die stelling is.
Dat betekent dat het hof de verklaringen van de aangeefsters bruikbaar acht voor het bewijs en dat zij deze als uitgangspunt neemt.
Steunbewijs
De aangifte van [benadeelde partij 1] wordt ondersteund door de verklaringen die zijn afgelegd door getuigen [getuige 2] en [getuige 3] .
[getuige 2] heeft in 2021 verklaard dat hij sinds anderhalf jaar bij [dierenkliniek] werkt als paraveterinair. Op een dag trof hij [benadeelde partij 1] van slag aan in de behandelkamer. Zij had een rood gezicht en rode ogen. [getuige 2] vroeg aan haar hoe het met haar ging, waarop zij zei ‘het is weer zo ver’. [getuige 2] heeft toen gezegd dat [benadeelde partij 1] hiervan melding moest maken, voordat het verder uit de hand loopt en hij (het hof begrijpt: verdachte) aan haar gaat zitten. [benadeelde partij 1] heeft daarop geantwoord dat het al is gebeurd, waarmee zij volgens [getuige 2] het aanraken bedoelde. [getuige 2] verklaart verder dat [benadeelde partij 1] tegen hem heeft gezegd dat verdachte met een stethoscoop onder de buik van de hond langsging en daarbij de borst van [benadeelde partij 1] aanraakte. [benadeelde partij 1] heeft aan [getuige 2] ook verteld dat zij eerst dacht dat het per ongeluk ging, maar dat het vaker gebeurde en dat verdachte dit doelbewust doet. Volgens [getuige 2] was [benadeelde partij 1] aangedaan, alsof ze elk moment in tranen kon uitbarsten, toen ze dit aan hem vertelde. Ze was duidelijk overstuur. [10]
[getuige 3] heeft verklaard dat zij sinds 2007 in de dierenkliniek werkt als dierenarts en leidinggevende (Clinical Director). Begin juli 2020 hoorde zij over het voorval tussen verdachte en [benadeelde partij 1] . [getuige 2] kwam bij haar binnen en vroeg of zij even met [benadeelde partij 1] wilde praten. [benadeelde partij 1] was heel emotioneel en trilde helemaal. Zij vertelde aan [getuige 3] dat verdachte opmerkingen maakte en dat het steeds verder ging. [benadeelde partij 1] heeft volgens [getuige 3] aan haar verteld dat verdachte op een gegeven moment ook aan haar heeft gezeten en dat dat al meerdere keren was gebeurd. Verdachte kwam volgens haar regelmatig tegen haar borsten aan tijdens een onderzoek. Die dag had verdachte met zijn hand van boven haar rug naar beneden gestreeld. [11]
De aangifte van [benadeelde partij 2] wordt eveneens ondersteund door de verklaring die is afgelegd door [getuige 3] .
[getuige 3] heeft verklaard dat zij, na wat er speelde met [benadeelde partij 1] , iedereen heeft geïnformeerd dat verdachte langdurig afwezig zou zijn. De vertrouwenspersoon heeft toen aangegeven dat er een onderzoek liep maar niet waar dat over ging. [benadeelde partij 2] is meteen na dat gesprek naar [getuige 3] toegekomen en heeft aan haar gevraagd wat er met verdachte aan de hand was en of het onderzoek over de seksuele intimidatie van verdachte ging. Zij gaf aan dat ze het jammer vond dat zij niet is gehoord door het [bedrijfsrecherche] . Zij gaf daarbij aan dat zij ook wat had willen vertellen en dat verdachte haar ook had lastig gevallen. [12]
De aangifte van [benadeelde partij 3] wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 4] afgelegd bij de rechter-commissaris op 19 september 2022, waaruit volgt dat [benadeelde partij 3] al in 2006 een klacht heeft ingediend tegen verdachte over een vermeende aanraking. [13]
De aangifte van [benadeelde partij 3] wordt naar het oordeel van het hof voorts ondersteund door een brief die verdachte op 8 mei 2007 aan haar heeft gestuurd. Verdachte heeft ter zitting bevestigd deze brief destijds aan [benadeelde partij 3] te hebben gestuurd. [14] In de brief staat onder meer: '
Ruim 1 jaar geleden hebben er driehoeks gesprekken plaats gevonden tussen jou [naam 1] en mij. Dit alles omdat jij jouw onheus bejegend voelde bij mij op de spreekkamer. [naam 1] stelde toen een verslag samen. Ik zelf vond dit verslag erg eenzijdig richting jou, maar op dat moment heb ik dat zo gelaten. Achteraf realiseer ik mij dat ik daar ook duidelijk een aandeel in heb gehad, maar dat nooit met zoveel worden naar jou heb uitgesproken. Het is nooit mijn bedoeling geweest om je te kwetsen of pijn te doen, en voor het geval dat dat wel is gebeurd wil ik je mijn excuses aanbieden. Ik hoop dat wij in de toekomst weer elkaar gewoon onder ogen kunnen komen. ’(...) 'Ik realiseer mij nu dat ik de laatste jaren niet makkelijk ben geweest. (...) Beste [benadeelde partij 3] , ik hoop dat ik je op deze manier meer duidelijkheid heb kunnen verschaffen over hetgeen anderhalf jaar geleden heeft plaats gevonden. Ik heb er spijt van zoals het toen gelopen is en dat jij het gevoel had dat de schuld bij jou lag. maar nogmaals ik heb daar duidelijk ook een aandeel in gehad en daarvoor nogmaals mijn excuses.' [15]
Het hof maakt hieruit op dat tussen verdachte en [benadeelde partij 3] in 2007 een en ander is voorgevallen. Verdachte schrijft dat hij spijl heeft en een aandeel heeft gehad vanwege een onheuse bejegening. Naar het oordeel van het hof past dit bij de verklaring van [benadeelde partij 3] .
Schakelbewijs
Met de term schakelbewijs wordt aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. De vraag of de redengevendheid van dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs begrijpelijk is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering. Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen (HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303).
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomende modus operandi kunnen betrokken worden de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen zij zich hebben voorgedaan, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het desbetreffende handelen van de verdachte, alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Daarbij kan het bewijs in verschillende zaken over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk – dus los van de schakelbewijsconstructie – wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het hof gaat uit van schakelbewijs ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten op grond van de verklaringen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] . Het hof zal hun verklaringen over en weer gebruiken als steunbewijs van de bewezenverklaarde feiten. Daartoe gaat het hof over, omdat het bewijsmateriaal ten aanzien van de tenlastegelegde feiten onderling, zoals reeds hiervoor aangegeven, op essentiële punten belangrijke overeenkomsten en kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van de andere te bewijzen feiten, hetgeen volgens het hof duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte.
Het hof gaat daarbij meer in het bijzonder uit van de volgende modus operandi.
Alle vier vrouwen waren werkzaam als assistente in de kliniek waar verdachte als dierenarts werkte. Zij stonden dus alle vier in een bepaalde gezagsverhouding tot verdachte. Zij verklaren alle vier dat op het moment dat zij een, meestal groot, dier vasthielden op de tafel en verdachte het dier onderzocht, verdachte daarbij met de buitenkant van zijn hand hun borsten aanraakte. Dat gebeurde heel regelmatig. De eigenaar van het dier stond erbij. Zowel [benadeelde partij 3] als [benadeelde partij 4] verklaren dat verdachte een eigen manier had waarop de hond moest worden vastgehouden namelijk strak tegen de assistente aan. En zowel [benadeelde partij 3] als [benadeelde partij 4] verklaren dat hij op een bepaald moment zijn hand omdraaide en hun borst vastgreep.
Daarmee is het hof van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de afzonderlijke aangiftes.
Onderzoeksrapport [bedrijfsrecherche]
Het hof ziet geen aanleiding om acht te slaan op het rapport zoals opgesteld door [bedrijfsrecherche] , meer specifiek van de verslagen van de gesprekken die door de onderzoekers van [bedrijfsrecherche] zijn gevoerd met de aangeefsters. Hoewel dit onderzoek verklaringen heeft opgeleverd die van eerdere datum zijn dan de verhoren van aangeefsters, zijn dit verklaringen die zonder de waarborgen van een strafrechtelijk onderzoek zijn afgenomen, door niet tot zedenrechercheur opgeleide personen.
Op de zitting in hoger beroep gehoorde getuigen
Op verzoek van de verdediging zijn op de zitting in hoger beroep vier getuigen gehoord. Drie getuigen waren dierenbezitters die met hun huisdier op het spreekuur zijn geweest bij verdachte, terwijl verdachte zich liet assisteren door [benadeelde partij 1] . Alle drie de getuigen hebben onder ede verklaard niet te hebben waargenomen dat verdachte de hem onder 1 tenlastegelegde verweten gedragingen heeft begaan. Het hof wil best geloven dat deze getuigen de aanrakingen van verdachte niet hebben waargenomen of niets aan [benadeelde partij 1] hebben gemerkt. De baasjes waren met het hun blikveld en aandacht gericht op het wel en wee van hun huisdier en verdachte heeft deze handelingen naar het oordeel van het hof verricht terwijl de getuigen dit niet zagen of meegekregen. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stelling van verdachte dat hij nooit de verweten handelingen ongezien verricht zou kunnen hebben.
Conclusie
Het hof acht de genoemde bewijsmiddelen en overwegingen - in onderling verband en samenhang beschouwd - voldoende redengevend voor het oordeel dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de borsten van de aangeefsters meerdere keren met de achterkant van zijn hand heeft aangeraakt, en bij twee aangeefsters ook met de voorkant van zijn hand de borst heeft betast. Bij [benadeelde partij 4] is verdachte ook een keer met zijn hand onder de blouse van [benadeelde partij 4] gegaan en heeft hij haar borst vastgepakt.
Het hof is van oordeel dat deze handelingen, gelet op de frequentie en de plek van de aanrakingen, zonder meer zijn aan te merken als ontuchtig en dat er sprake was van opzet.
Aangeefsters hebben verklaard dat zij moeite hadden om er iets van te zeggen of om weg te lopen, omdat zij bevroren en onder meer bang waren dat zij hun baan zouden verliezen en door de hiërarchische verhoudingen in de kliniek. Feitelijk konden zij vaak ook niet weglopen, omdat zij bezig waren met een onderzoek van een hond. Gelet op voornoemde omstandigheden is het hof ook van oordeel dat er sprake is van dwang door feitelijkheden.
Al hetgeen hiervoor is overwogen in onderling verband en in samenhang bezien, leidt tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde handelingen onder de feiten 1 tot en met 4.
Ten aanzien van [benadeelde partij 3] (feit 3) gaat het hof uit van een pleegperiode tot 1 maart 2006, omdat zij na deze datum geen spreekuren meer heeft gewerkt met verdachte.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij in
of omstreeksde periode van 1 april 2020 tot en met 6 juli 2020 te [plaats] ,
althans in Nederland,meermalen,
althans eenmaal,[benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot het
plegen en/ofdulden van een
of meerontuchtige handeling
en, te weten het betasten van haar borst
(en
), door
geweld ofeen andere feitelijkheid
en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- onverhoeds en
/ofongewenst te handelen en
/of
- misbruik te maken van zijn machtspositie als dierenarts ten opzichte van [benadeelde partij 1] , zijnde zijn assistente
en/of misbruik te maken van het leeftijdsverschil ten opzichte van [benadeelde partij 1]en
/of
- [benadeelde partij 1] in een positie te dirigeren waarin ze zich niet aan de situatie kon onttrekken, te weten het (strak) tegen zich aan moeten houden
, althans het vasthoudenvan een hond/kat en
/of
- te handelen in het bijzijn van klanten waardoor [benadeelde partij 1] zich niet vrij voelde zich verbaal dan wel fysiek te verweren tegen voornoemde handelingen;
2.
hij in
of omstreeksde periode van 1 september 2010 tot en met 13 juli 2020 te [plaats] ,
althans in Nederland, meermalen
, althans eenmaal,[benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot het
plegen en/ofdulden van een
of meerontuchtige handeling
en, te weten het betasten van haar borst
(en
), door
geweld ofeen andere feitelijkheid
en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,te weten door
- onverhoeds en
/ofongewenst te handelen en
/of
- misbruik te maken van zijn machtspositie als dierenarts ten opzichte van [benadeelde partij 2] , zijnde zijn assistente en
/of
- [benadeelde partij 2] in een positie te dirigeren waarin ze zich niet aan de situatie kon onttrekken, te weten het (strak) tegen zich aan moeten houden van een hond
, althans het vasthouden van een honden
/of
- te handelen in het bijzijn van klanten waardoor [benadeelde partij 2] zich niet vrij voelde zich verbaal dan wel fysiek te verweren tegen voornoemde handelingen;
3.
hij in
of omstreeksde periode van 1 maart 2003 tot en met 1 maart 2006 te [plaats]
, althans in Nederland,meermalen
, althans eenmaal,[benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot het
plegen en/ofdulden van een
of meerontuchtige handeling
en, te weten het betasten van haar borst
(en
), door
geweld ofeen andere feitelijkheid
en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,te weten door
- onverhoeds en
/ofongewenst te handelen en
/of
- misbruik te maken van zijn machtspositie als dierenarts ten opzichte van die [benadeelde partij 3] , zijnde zijn assistente en
/of
- die [benadeelde partij 3] in een positie te dirigeren waarin ze zich niet aan de situatie kon onttrekken, te weten het (strak) tegen zich aan moeten houden van een hond
, althans het vasthouden van een honden
/of
- te handelen in het bijzijn van klanten waardoor die [benadeelde partij 3] zich niet vrij voelde zich verbaal dan wel fysiek te verweren tegen voornoemde handelingen;
4.
hij in
of omstreeksde periode van 1 november 2002 tot en met 30 november 2004 te [plaats]
, althans in Nederland, meermalen
, althans eenmaal,[benadeelde partij 4] heeft gedwongen tot het
plegen en/ofdulden van een
of meerontuchtige handeling
en, te weten het betasten van haar borst
(en
), door
geweld ofeen andere feitelijkheid
en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,te weten door
- onverhoeds en
/ofongewenst te handelen en
/of
- misbruik te maken van zijn machtspositie als dierenarts ten opzichte van [benadeelde partij 4] , zijnde zijn assistente en
/of
- [benadeelde partij 4] in een positie te dirigeren waarin ze zich niet aan de situatie kon onttrekken, te weten het (strak) tegen zich aan moeten houden van een hond
, althans het vasthouden van een honden
/of
- te handelen in het bijzijn van klanten waardoor [benadeelde partij 4] zich niet vrij voelde zich verbaal dan wel fysiek te verweren tegen voornoemde handelingen;
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde levert op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van dierenarts meermalen gedurende een langere periode meerdere assistentes op intieme plekken aangeraakt met seksuele intenties. Verdachte heeft door zijn handelen de slachtoffers een veilige werkomgeving ontnomen en hen in plaats daarvan een traumatische ervaring gegeven. Verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn gezagspositie, status, rol en verantwoordelijkheid als werkgever, dierenarts en collega. Ook was zijn handelen stelselmatig, de assistentes werden steeds opnieuw aangerand. Zelfs nadat er in de praktijk uitdrukkelijk aandacht was voor (het voorkomen van) ongewenste intimiteiten, is verdachte in herhaling gevallen. Ter terechtzitting hebben de slachtoffers duidelijk en op indrukwekkende wijze onder woorden gebracht wat het handelen van verdachte bij hen teweeg heeft gebracht en welke gevolgen zij daarvan nog steeds ervaren. Zo hebben zij naar voren gebracht dat zij therapie hebben moeten volgen om zichzelf staande te kunnen houden. Het heeft veel invloed gehad op hun functioneren in het dagelijkse leven. Bij meerdere slachtoffers is PTSS vastgesteld als gevolg van de gebeurtenissen. Verdachte heeft voor zijn handelen geen enkele verantwoordelijkheid genomen of inzicht in zijn handelen getoond.
Uit het strafblad van verdachte van 18 november 2025 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.
Alles afwegend acht het hof geen andere straf rechtdoen aan de bewezen verklaarde feiten dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden passend. Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf geen recht doen aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd en de proceshouding van verdachte, zoals hiervoor overwogen.
Het hof houdt rekening met het feit dat de procedure niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Namens verdachte is op 27 oktober 2022 hoger beroep ingesteld en het hof wijst arrest op 15 januari 2026, dus na een periode van ongeveer drie jaren en ruim twee maanden. Dit terwijl als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een uitspraak binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is in deze zaak naar het oordeel van het hof geen sprake. Er is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van veertien maanden. Deze overschrijding van de termijn in hoger beroep, dient naar het oordeel van het hof tot strafmatiging te leiden. Een vermindering van één maand gevangenisstraf acht het hof passend om de schending van de redelijke termijn te compenseren.
Het hof acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partijen

De vorderingen
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 3.071,73 ingediend, bestaande uit € 571,73 aan materiële (therapiekosten € 385,-, reiskosten € 171,25 en telefoniekosten van € 15,48) en € 2.500,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.571,73, bestaande uit € 571,73 aan materiële en € 1.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 26.539,29 ingediend, bestaande uit € 6.539,29 aan materiële (zorgkosten € 470,00, reiskosten € 79,98, gederfd inkomen € 989,31 en kosten hoger beroep van € 5.000,00) en € 20.000 aan immateriële schade. Ook zijn er proceskosten gevorderd. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 6.424,29, bestaande uit € 1.424,29 aan materiële en € 5.000,00 aan immateriële schade en de proceskosten. De benadeelde handhaaf in hoger beroep niet langer de proceskosten. Voor het overige wordt de vordering gehandhaafd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over wat resteert van de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.565,60 ingediend, bestaande uit € 565,60 aan materiële (therapiekosten € 385,- en reiskosten € 180,60 en € 10.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 3.065,60, bestaande uit € 565,60 aan materiële en € 2.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij handhaaft in hoger beroep het oorspronkelijke bedrag. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 24.916,54 ingediend, bestaande uit € 19.916,54 aan materiële (zorgkosten € 383,80,-, kosten van de studievertraging € 11.237,50, studiemateriaal € 2.680, reiskosten € 615,24 en kosten hoger beroep van € 5.000,00) en € 5.000,00 aan immateriële schade. Ook zijn er proceskosten gevorderd. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 3.498,04, bestaande uit € 998,04 aan materiële en € 2.500,00 aan immaterieel schade en de proceskosten. De benadeelde partij handhaaft in hoger beroep niet langer de proceskosten. Voor het overige wordt de vordering gehandhaafd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over wat resteert van de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal stelt dat alle vorderingen geheel toewijsbaar zijn.
Standpunt van de verdediging
Primair heeft de raadsman de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen van de benadeelde partijen bepleit vanwege de bepleitte vrijspraak. Subsidiair is bij benadeelde [benadeelde partij 4] de rechtstreekse schade tussen het feit en de schade niet eenvoudig vast te stellen omdat zij in haar kindertijd seksueel is misbruikt. Verder moet het immateriële deel van de vorderingen van [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 4] gematigd worden, er moet aansluiting worden gezocht bij de Rotterdamse schaal. Het uitgangspunt is € 1.000,00.- per benadeelde.
Oordeel van het hof
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vorderingen is gebleken, is vast komen te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder de feiten 1 tot en met 4 bewezen verklaarde handelen schade hebben geleden waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.
Materiële schade
Ten aanzien van de post ‘hoger beroep’ (een bedrag groot € 5.000,-) zoals door benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 4] gevorderd, stelt het hof voorop dat een vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij niet kan worden verhoogd in de hoger beroepsfase. Ingevolge het derde lid van artikel 421 Sv kan de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering, voor zover die vordering door de rechtbank niet is toegewezen. Volgens vaste jurisprudentie moet de in deze wetsbepaling opgenomen beperking zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd, en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg wel opgevoerde schadeposten mag verhogen (vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945 en HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1279).
Het hof zal de posten die in eerste aanleg reeds zijn gespecificeerd en waarvoor een post toekomstige schade is opgenomen in de vordering in eerste aanleg in hoger beroep inhoudelijk beoordelen.
Ten aanzien van [benadeelde partij 2] zijn dat de sinds de zitting in eerste aanleg gemaakte zorgkosten, reiskosten en gederfde inkomen (daardoor komt het in totaal gevorderde bedrag per post neer op respectievelijk € 744,25, € 114,24 en € 4.314,31).
Ten aanzien van [benadeelde partij 4] betreft dat de sinds de zitting in eerste aanleg gemaakte zorgkosten en reiskosten (daardoor komt het in totaal gevorderde bedrag per post neer op respectievelijk € 2.585,43 en € 661,80).
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat (voor zover hier van belang) zij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt het hof vast vast dat de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde schade hebben geleden, Zij zijn op andere wijze in hun persoon aangetast. Er is immers een inbreuk op hun persoonlijke integriteit gemaakt en bij alle vier de benadeelden is sprake van geestelijk letsel. Bij [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] is blijkens de overgelegde stukken de diagnose PTSS gesteld, bij [benadeelde partij 2] een trauma/stress-gerelateerde stoornis. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
Het hof houdt bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld rekening met de de aard, duur en ernst van de normschending, de duur daar, de gevolgen die dit heeft gehad voor de benadeelde partijen en zoekt voor wat betreft de immateriële vorderingen aansluiting bij de categorieën van de Rotterdamse schaal.
Conclusie
Ten aanzien van [benadeelde partij 1] (feit 1) acht het hof aan immateriële schade een bedrag
van € 1.500,00 toewijsbaar. Er is door de verdediging geen verweer gevoerd ten aanzien van de hoogte van de materiële vordering en deze zijn dan ook voor toewijzing vatbaar voor een bedrag van € 571,73.
Ten aanzien van [benadeelde partij 2] (feit 2) acht het hof aan immateriële schade een bedrag van € 5.000,00 toewijsbaar, mede gelet op de lange duur van de bewezen verklaarde periode. Er is geen verweer gevoerd ten aanzien van de hoogte van de materiële vordering.
Met in achtneming van hetgeen hiervoor onder het kopje ‘materiele schade’ uiteen is gezet acht het hof deze vordering voor toewijzing vatbaar voor een bedrag van € 1.847.80. De verhoging van de post gederfde inkomsten in hoger beroep is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd en zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Het hof wijst dus enkel de post gederfde inkomsten zoals in eerste aanleg opgevoerd en onderbouwd toe.
Ten aanzien van [benadeelde partij 3] (feit 3) acht het hof aan immateriële schade een bedrag van € 2.500,00 toewijsbaar. Er is geen verweer gevoerd ten aanzien van de hoogte van de materiële vordering en deze is dan ook voor toewijzing vatbaar voor een bedrag van € 565,60.
Ten aanzien van [benadeelde partij 4] (feit 4) acht het hof aan immateriële schade een bedrag van
€ 2.500,00 toewijsbaar.
Het hof acht, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder het kopje ‘materiele schade’ is overwogen, een bedrag van € 3.247,23 aan materiële schade voor toewijzing vatbaar.
De posten die betrekking hebben op de studievertraging voor een bedrag van € 11.237,50 en
studiemateriaal wegens wegvallen lerarenbeurs voor een bedrag van € 2.680,- acht het hof niet voor toewijzing vatbaar, omdat onvoldoende is gebleken dat deze posten een
rechtstreeks gevolg zijn van het bewezen verklaarde feit. De benadeelde zal daarvoor niet-
ontvankelijk worden verklaard.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op bij alle vorderingen.
De gevorderde wettelijke rente is ten aanzien van de toegewezen materiële schade van:
  • [benadeelde partij 1] toewijsbaar vanaf 13 april 2022;
  • [benadeelde partij 2] toewijsbaar vanaf 22 september 2022;
  • [benadeelde partij 3] toewijsbaar vanaf 12 mei 2022;
  • [benadeelde partij 4] toewijsbaar vanaf 22 september 2022.
De gevorderde wettelijke rente is ten aanzien van het toegewezen smartengeld van:
  • [benadeelde partij 1] toewijsbaar vanaf 6 juli 2020;
  • [benadeelde partij 2] toewijsbaar vanaf 13 juli 2020;
  • [benadeelde partij 3] toewijsbaar vanaf 1 maart 2006;
  • [benadeelde partij 4] toewijsbaar vanaf 30 november 2004.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.071,73 (tweeduizend eenenzeventig euro en drieënzeventig cent) bestaande uit € 571,73 (vijfhonderdeenenzeventig euro en drieënzeventig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.071,73 (tweeduizend eenenzeventig euro en drieënzeventig cent) bestaande uit € 571,73 (vijfhonderdeenenzeventig euro en drieënzeventig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
13 april 2022
en van de immateriële schade op
6 juli 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 6.847,80 (zesduizend achthonderdzevenenveertig euro en tachtig cent) bestaande uit € 1.847,80 (duizend achthonderdzevenenveertig euro en tachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.847,80 (zesduizend achthonderdzevenenveertig euro en tachtig cent) bestaande uit € 1.847,80 (duizend achthonderdzevenenveertig euro en tachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 59 (negenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
22 september 2022
en van de immateriële schade op
13 juli 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.065,60 (drieduizend vijfenzestig euro en zestig cent) bestaande uit € 565,60 (vijfhonderdvijfenzestig euro en zestig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.065,60 (drieduizend vijfenzestig euro en zestig cent) bestaande uit € 565,60 (vijfhonderdvijfenzestig euro en zestig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
12 mei 2022
en van de immateriële schade op
1 maart 2006.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.747,23 (vijfduizend zevenhonderdzevenenveertig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 3.247,23 (drieduizend tweehonderdzevenenveertig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.747,23 (vijfduizend zevenhonderdzevenenveertig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 3.247,23 (drieduizend tweehonderdzevenenveertig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 53 (drieënvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
22 september 2022
en van de immateriële schade op
30 november 2004.
Dit arrest is gewezen door
mr. J. Steenbrink, voorzitter,
mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. L.A. Kjellevold, raadsheren,
in aanwezigheid van de griffier mr. S.J.H. Salvino
en op 15 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam 2] . van de politie eenheid Oost- Nederland. [district] , opgemaakte proces-verbaal. Dossiernummer PL0600-2021586650. gesloten op 17 december 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vïndplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal informatief gesprek zeden met [benadeelde partij 1] p. 32-33; proces-verbaal aangifte door [benadeelde partij 1] . p. 35-40.
3.Proces-verbaal informatief gesprek zeden met [benadeelde partij 2] . p. 83-84; proces-verbaal aangifte door [benadeelde partij 2] . p. 86-89.
4.Proces-verbaal informatief gesprek zeden met [naam 3] , p. 57-59; proces-verbaal aangifte door [benadeelde partij 3] . p. 62-67.
5.Proces-verbaal informatief gesprek zeden met [benadeelde partij 4] . p. 43-45; proces-verbaal aangifte door [benadeelde partij 4] , p.47-51.
6.Proces-verbaal verhoor [naam 4] door de rechter-commissaris. p. 8-9.
7.Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] , p. 104.
8.Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] p. 92-93.
9.Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] . p. 106.
10.Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] p. 92-93.
11.Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] . p. 103-104.
12.Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] . p. 106.
13.Proces-verbaal verhoor [naam 4] door de rechter-commissaris, p. 8-9.
14.Verklaring verdachte ter terechtzitting van de rechtbank van 30 september 2022.
15.Bijlage 3-1 bij het proces-verbaal aangifte door [benadeelde partij 3] , p. 80.