Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
Bij onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek zijn op meerdere plekken in en op de onderbroek van het slachtoffer – zowel aan de binnen- en buitenzijde van het voorpand als aan de binnen- en buitenzijde van het achterpand – biologische contactsporen van de verdachte aangetroffen. Verder zijn er huidschilfers van de verdachte op de borst en op de pyjamabroek van het slachtoffer aangetroffen, zijn vanaf de pyjamabroek een haar en een haardeel van de verdachte en vanaf de onderbroek een haar van de verdachte veiliggesteld en is op de onderbroek een aanwijzing voor de aanwezigheid van speeksel van de verdachte aangetroffen.
Bij de duiding van het sporenbeeld is het hof, gelet op getuigenverklaringen, ervan uitgegaan dat het slachtoffer zijn pyjamabroek en onderbroek voorafgaand aan zijn vermissing op de normale wijze droeg. Het celmateriaal van de verdachte op de onderbroek van het slachtoffer is met name op de tailleband en op de binnenzijde van het voorpand aangetroffen. Het hof heeft geoordeeld dat het sporenbeeld duidt op (gerichte) handelingen met een seksueel motief. In dit verband heeft het hof onder meer overwogen dat bij de normale wijze van dragen van de onderbroek de binnenzijde van het voorpand zich bij de penis, althans de schaamstreek, bevindt en dat de binnenzijde van het achterpand, waar ook celmateriaal van de verdachte is aangetroffen, zich dan bij de anus, althans de billen, bevindt. Daarbij heeft het hof – op grond van een brief van B. Kokshoorn, deskundige humane biologische sporen en DNA (bewijsmiddel 31) – in aanmerking genomen dat “in algemene zin het aantreffen van DNA-sporen van een persoon op meer locaties op een voorwerp beter past bij een langdurig en/of intensief contact dan bij een eenmalig oppervlakkig contact.”
Het hof heeft uit de omstandigheid dat zowel de pyjamabroek als de onderbroek van het slachtoffer op het moment van het aantreffen van zijn lichaam binnenstebuiten en achterstevoren was gekeerd, afgeleid dat het slachtoffer tussen het moment van zijn vermissing en het aantreffen van zijn lichaam geheel ontkleed is geweest. Uit de omstandigheid dat vanaf de onderbroek een haar van de verdachte is veiliggesteld, heeft het hof verder afgeleid dat de verdachte, op het moment dat het slachtoffer in ieder geval van zijn pyjamabroek was ontdaan, in de nabijheid van het slachtoffer is geweest.
Het hof heeft gemotiveerd op grond waarvan het deze constructie van ‘schakelbewijs’ heeft gebruikt en heeft in dat verband onder meer overwogen dat de verschillende incidenten uit 1984 en 1985 en de onderhavige zaak uit 1998 “zodanig op essentiële punten overeenkomen of kenmerkende gelijkenissen vertonen, dat hieruit een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kan worden opgemaakt”. Het hof heeft in dat verband onder meer vastgesteld dat het telkens gaat om incidenten waarbij (i) de verdachte jongens in de leeftijd van tien tot twaalf jaar heeft benaderd en ontuchtige handelingen met hen heeft verricht, die bestonden uit het betasten van het geslachtsdeel van de jongens, (ii) het misbruik in de zomerperiode plaatsvond in een buitengebied/bosgebied dat de verdachte goed kende, in de nabije omgeving van zijn woning, en (iii) de verdachte die jongens niet kende en zij hem ook niet kenden.
Op verzoek van de verdediging heeft het hof op die terechtzitting – voor een goed begrip van de duiding van de antwoorden van Kloosterman en het formuleren van eventuele vervolgvragen door de verdediging – R. Eikelenboom, een voormalig medewerker van het Nederlands Forensisch Instituut, in de gelegenheid gesteld om via een Skype-verbinding het verhoor van de deskundige Kloosterman te volgen. Daarbij heeft het hof het onderzoek op de terechtzitting onderbroken om de verdediging in de gelegenheid te stellen tijdens het verhoor van Kloosterman ruggespraak te houden met Eikelenboom, die beschikte over het gehele forensische dossier en over de schriftelijke beantwoording door Kloosterman van de voorlopige nadere vragen van de verdediging.
6.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
7.Beslissing
26 september 2023.