Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2461

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.355.425/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:52 BWArt. 6:83 BWArt. 6:119a BWArt. 6:136 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep toewijzing geldvordering BioMCN tegen ChemCom wegens niet-betaalde utilities

BioMCN vordert betaling van ruim €1,8 miljoen van ChemCom voor doorgeleverde utilities zoals elektriciteit en stikstof, die ChemCom niet heeft voldaan. ChemCom stelt dat de vordering is voldaan door verrekening met eigen vorderingen en beroept zich op opschorting. De voorzieningenrechter wees de vordering af op grond van opschorting.

In hoger beroep oordeelt het hof dat BioMCN een spoedeisend belang heeft bij betaling, gelet op haar financiële situatie en het onbetwiste karakter van de vordering. Het hof verwerpt het beroep op opschorting omdat de vorderingen van ChemCom onvoldoende samenhang vertonen met die van BioMCN. Ook het beroep op verrekening faalt wegens gebrek aan bewijs in kort geding.

Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter, wijst de vordering van BioMCN toe met wettelijke handelsrente, en veroordeelt ChemCom tot betaling van proceskosten. Een verbod op verrekening wordt afgewezen wegens gebrek aan noodzaak. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering van BioMCN tot betaling van €1.801.702,74 met rente toe en verwerpt de verweren van ChemCom op opschorting en verrekening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.425/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 243447
arrest van 21 april 2026
in de zaak van
Biomethanol Chemie Nederland B.V. (BioMCN)
die is gevestigd in Farmsum
advocaten: mrs. S.H.P. Koster en M. Boevink
en
Chemcom Industries B.V. (ChemCom)
die is gevestigd in Groningen
advocaten: mrs. K.J. Krzeminski, L. Gasseling en L. Zeldenrust

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Op 27 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna heeft BioMCN op 10 februari 2026 een akte genomen. ChemCom heeft daar op 24 februari 2026 op gereageerd. Het hof heeft toen bepaald arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
Dit is het hoger beroep in een kort geding dat aanhangig is gemaakt door BioMCN. BioMCN heeft een vordering op ChemCom van ruim € 1,8 miljoen in verband met
utilities,zoals elektriciteit, stikstof, water, lucht, die BioMCN ten behoeve van ChemCom van andere aanbieders heeft afgenomen en één-op-één aan ChemCom doorlevert. ChemCom stelt zich op het standpunt dat die vordering door verrekening (grotendeels) is betaald. Voor zover nodig beroept zij zich op opschorting. Aan haar beroep op verrekening en opschorting legt zij ten grondslag dat zij zelf vorderingen op BioMCN heeft in verband met verschillende afspraken rondom leveringen van methanol.
Het geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond.
2.2
ChemCom en BioMCN zijn beide actief op het Chemiepark Delfzijl, een geïntegreerd industrieterrein in de Oosterhoek van Delfzijl. Zij hebben ook een gezamenlijke voorgeschiedenis. Beide ondernemingen vloeien voort uit een in de jaren ‘80 opgesplitste joint venture tussen AkzoNobel en DSM, waardoor zij onderling afhankelijk zijn voor de levering van diverse goederen en diensten. Op het Chemiepark Delfzijl zijn naast BioMCN en ChemCom verscheidene andere bedrijven actief die elkaars producten en diensten afnemen en verwerken. Tussen de bedrijven op het Chemiepark Delfzijl bestaan dan ook de nodige onderlinge logistieke verbindingen. Zo maken BioMCN en ChemCom gebruik van dezelfde methanolinfrastructuur op het Chemiepark, verlopen leveringen aan ChemCom via het leidingwerk van BioMCN, en is BioMCN op haar beurt afhankelijk van ChemCom en JPB voor methanolopslag. ChemCom is sinds januari 2022 bovendien afhankelijk van de steigers en methanolinfrastructuur van BioMCN en JPB voor de levering van methanol.
2.3
Voor de genoemde
utilitiesgeldt tussen partijen al jarenlang de volgende werkwijze. BioMCN neemt deze af van Nobian en Linde Gas en betaalt hun daarvoor rechtstreeks. BioMCN levert deze
utilitieséén-op-één door aan ChemCom, zonder voor het doorleveren enige vergoeding in rekening te brengen. ChemCom betaalt BioMCN steeds maandelijks achteraf het bedrag dat BioMCN voor deze
utilitiesaan Nobian en Linde Gas heeft betaald.
2.4
ChemCom heeft de facturen van BioMCN die betrekking hebben op afgenomen
utilitiesin de maanden december 2024 tot en met maart 2025 niet betaald. Het totaalbedrag van deze facturen is € 1.801.702,74.
2.5
BioMCN heeft de (door)levering van utilities niet stopgezet.
2.6
ChemCom heeft de facturen van BioMCN met betrekking tot de
utilitiesover de periode vanaf maart 2025 tot de datum van de mondelinge behandeling steeds voldaan.
2.7
BioMCN heeft in kort geding betaling gevorderd van € 1.801.702,74, naast een verbod voor ChemCom om zich in de toekomst nog op verrekening te beroepen in verband met vorderingen van BioMCN op ChemCom in verband met
utilities.
2.8
ChemCom heeft zich in de kortgedingprocedure op het standpunt gesteld dat de geldvordering van BioMCN is voldaan door verrekening met vorderingen van haar.
2.9
De voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft op 23 mei 2025 het beroep van ChemCom op opschorting gehonoreerd en de vorderingen van BioMCN afgewezen [1] . De bedoeling van het hoger beroep van BioMCN is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. ChemCom heeft incidenteel hoger beroep ingesteld voor het geval het hof oordeelt dat haar beroep op opschorting niet terecht is. De bedoeling van het beroep van ChemCom is dat het hof dan haar beroep op verrekening honoreert en de vorderingen van BioMCN op die grond afwijst.
2.1
Het hof zal beslissen dat de vordering van BioMCN toewijsbaar is en dat de verweren daartegen van ChemCom niet slagen. Het hof laat het vonnis van de voorzieningenrechter dus niet in stand. Hierna licht het hof dit oordeel toe. Het hof zal daarbij de grieven niet afzonderlijk, maar thematisch bespreken.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Spoedeisend belang
3.1
Bij het hoger beroep van een kort geding moet het hof ambtshalve onderzoeken of het spoedeisende belang ten tijde van de uitspraak van het hof nog bestaat. Tegen deze achtergrond heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich na de mondelinge behandeling in hoger beroep bij akte uit te laten over het spoedeisend belang van BioMCN. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is het hof namelijk gebleken dat BioMCN feiten en omstandigheden naar voren zou willen brengen die in dit verband relevant kunnen zijn. Vanwege het bedrijfs- of koersgevoelige karakter van deze informatie, kon die op dat moment niet worden gedeeld. De informatie kon wel op een termijn van een week na de mondelinge behandeling openbaar worden gemaakt.
3.2
BioMCN heeft haar spoedeisend belang als volgt toegelicht. BioMCN heeft haar activiteiten sinds juli 2021 grotendeels gestaakt en heeft sindsdien nauwelijks, en in ieder geval niet structureel, inkomsten gegenereerd. Zij heeft echter wel kosten die blijven doorlopen en substantieel zijn. Dit hield verband met het in stand houden van haar faciliteiten om de optie van herstart van methanolproductie in de toekomst open te houden. Tegen die achtergrond heeft zij in de jaren 2022 en 2023 al reorganisaties doorgevoerd in haar onderneming die ertoe hebben geleid dat zij afscheid moest nemen van circa 70% van haar personeelsbestand. BioMCN heeft erop gewezen dat zij na de mondelinge behandeling, op 3 februari 2026, ter zake een voorgenomen reorganisatie een adviesaanvraag heeft ingediend bij de ondernemingsraad. In die door haar overgelegde adviesaanvraag is te lezen dat de voorgenomen reorganisatie, die tot gevolg zou hebben dat het aantal functies binnen de onderneming met 2/3 krimpt, noodzakelijk is voor het voortbestaan van BioMCN.
3.3
ChemCom heeft een en ander uitvoerig en onderbouwd betwist. Die betwisting komt erop neer dat (a) BioMCN in de periode 2021 tot 2023 ruim EUR 191 miljoen aan de verkoop van emissierechten heeft verdiend en in 2022 en 2023 miljoenenwinsten (netto EUR 19 miljoen resp. EUR 39,6 miljoen) heeft gerapporteerd. Omdat BioMCN ook in 2025 emissierechten heeft verkregen en verkocht, valt te verwachten dat dat ook in 2026 het geval zal zijn. ChemCom stelt verder dat (b) Methanex garant staat voor alle huidige en toekomstige schulden van BioMCN. De reorganisatie kan dus niet noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van BioMCN, maar zal haar achtergrond hebben in het terugbrengen van kosten, in afwachting van een herstart van de methanolfabriek. ChemCom stelt daarnaast nog dat (c) de adviesaanvraag voor de voorgenomen reorganisatie niet overtuigt, gelet op de vele zwartgelakte passages, en dat daarnaast hetgeen daarin wél te lezen is het standpunt van BioMCN niet overtuigend ondersteunt.
3.4
Het hof stelt voorop dat de voorziening die BioMCN in kort geding vordert naar de kern [2] een veroordeling tot betaling van een geldvordering is. Daarvoor geldt dat terughoudendheid op zijn plaats is, en dat van BioMCN wordt gevergd om naar behoren feiten en omstandigheden aan te wijzen die meebrengen dat een zodanige voorziening (betaling van de geldsom) uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. [3] Het terughoudend omgaan met de eis van spoedeisend belang betekent echter niet dat nodig is dat BioMCN in een financiële noodsituatie komt te verkeren als betaling langer achterwege blijft. [4] Verder geldt dat het spoedeisend belang bij geldvorderingen zich ook verhoudt tot de andere wegingsfactoren in kort geding – aannemelijkheid van de vordering en de belangafweging – in die zin dat wel aangenomen wordt dat sprake is van communicerende vaten. Dat wil zeggen: als in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen, bijvoorbeeld omdat deze erkend is of qua bestaan en omvang niet betwist wordt, dan is er geen goede grond om enkel op grond van het niet blijken van een spoedeisend belang van de eiser te vergen om een tweede procedure – ditmaal voor de bodemrechter – te voeren om voldoening te krijgen van die vordering, waarvan zeker is dat hem die in de verhouding tot zijn wederpartij toekomt. [5]
3.5
Het hof is van oordeel dat BioMCN op dit moment nog steeds spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Dat oordeel berust op het volgende.
3.6
Het hof is allereerst van oordeel dat hetgeen BioMCN met name in haar akte van 10 februari 2023 heeft aangevoerd over de ontwikkelingen binnen haar onderneming, voldoende aanwijzing vormt voor het hof om aan te nemen dat sprake is van een dusdanige financiële situatie bij BioMCN dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Daarbij gaat het immers om de terugbetaling van aanzienlijke bedragen die zij – onbetwist – vanuit haar bedrijfsvoering met zeer beperkte inkomsten heeft voorgeschoten. ChemCom heeft weliswaar gemotiveerd betwist dat de financiële situatie bij BioMCN is zoals zij stelt, maar met de aard van dit kort geding strookt niet om de juistheid van de stellingen van BioMCN nader te onderzoeken aan de hand van (nog) verdere uitlating van partijen en eventuele bewijslevering. Wat BioMCN heeft gesteld en onderbouwd, is voor het hof voldoende om een spoedeisend belang aan te nemen.
3.7
Hier komt nog bij dat de vordering van BioMCN inhoudelijk niet betwist is, noch voor wat betreft de verschuldigdheid, noch voor wat betreft de omvang van de bedragen. ChemCom heeft zich daartegen niet inhoudelijk verweerd, maar enkel zich erop beroepen dat zij de vordering van BioMCN nu niet hoeft te betalen (opschorting) dan wel dat die met haar eigen tegenvordering is betaald (verrekening). In het kader van het terughoudend benaderen van de geldvordering van BioMCN zou het te ver gaan om van BioMCN te verlangen dat zij een bodemprocedure begint om voldoening te verkrijgen voor een vordering die inhoudelijk niet betwist is, terwijl het voor BioMCN bezwaarlijk is om nog langere tijd op haar geld te moeten wachten. Ook in zoverre moet spoedeisend belang worden aangenomen.
Opschorting
3.8
BioMCN richt zich in hoger beroep met haar eerste grief vanuit verschillende invalshoeken tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het beroep van ChemCom op opschorting slaagt.
3.9
Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof het volgende voorop. In dit geval gaat het niet om verbintenissen die tegenover elkaar staan. Het beroep op opschorting van ChemCom moet daarom aan de hand van artikel 6:52 BW Pro worden beoordeeld. Op grond van die bepaling moet onder meer beoordeeld worden of sprake is van voldoende samenhang tussen de vordering van BioMCN en de vorderingen die ChemCom stelt te hebben, om de opschorting te rechtvaardigen. Bij toepassing van dit criterium gaat het in wezen om de vraag of BioMCN in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door betaling te vorderen, zonder zelf te voldoen aan de vordering die haar wederpartij stelt te hebben. [6]
3.1
Het hof stelt vast dat dit geval zich kenmerkt door het volgende.
3.11
De
vordering van BioMCNhoudt verband met het volgende. Omdat ChemCom zelf geen aansluiting heeft die haar directe toegang geeft tot leveringen van
utilities, bestaan er tussen ChemCom en BioMCN mondelinge afspraken. Die afspraken houden onder meer in dat BioMCN op eigen naam en voor eigen rekening ten behoeve van ChemCom
utilitiesafneemt van Nobian en van Linde Gas, en die
utilitiesvia de tussen BioMCN en ChemCom bestaande infrastructuur aan ChemCom doorlevert. Het bedrag dat BioMCN hiervoor door Nobian en Linde Gas in rekening gebracht krijgt, betaalt BioMCN ook aan die partijen, en zij brengt diezelfde bedragen aan ChemCom in rekening, zonder enige vorm van opslag of extra kosten daarover te rekenen. Deze afspraken worden – met uitzondering van de periode waarover de vordering van BioMCN in dit kort geding gaat – al jarenlang probleemloos door partijen op deze manier uitgevoerd, ook tot op heden.
3.12
De
vorderingen van ChemCombaseert zij op het volgende. ChemCom lost de methanol die zij afneemt vanaf de zogenoemde Binnensteiger. Die Binnensteiger is eigendom van JPB en zij verricht ook de werkzaamheden aan de laad- en losarm bij die steiger. Voor het gebruik van de Binnensteiger – de laad- en losarm en het leidingwerk – brengt JPB ChemCom kosten in rekening. Die kosten dient BioMCN volgens ChemCom te dragen. ChemCom vordert verder de schade die bestaat uit meerkosten die het gevolg zijn van een volgens haar te lage lossnelheid bij de Binnensteiger. De aansprakelijkheid van BioMCN berust volgens ChemCom op bepalingen uit de zogeheten Leidingbrug- of Leidingwerkovereenkomst (artikelen 4 en 6), en daarnaast op een zogenoemde Voorraadverplichting. Die Voorraadverplichting baseert ChemCom op, of leidt zij af uit verschillende verklaringen en gedragingen van BioMCN.
3.13
De vraag is of tussen deze vorderingen voldoende samenhang bestaat in de zin van artikel 6:52 BW Pro. Het hof is van oordeel dat die samenhang onvoldoende aanwezig is. Anders dan de voorzieningenrechter, is het hof van oordeel dat hier niet sprake is van vorderingen die over en weer voortvloeien uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan. Dat geldt wel voor de vordering van BioMCN, maar voor de vordering van ChemCom is dat niet het geval. Die vordering houdt daarnaast ook geen verband met de levering van
utilitiesdoor BioMCN. Het hof ziet in de vorderingen van partijen geheel los van elkaar staande vorderingen die noch qua aard, noch qua inhoud op elkaar ingrijpen of met elkaar verband houden, hoezeer het hier ook gaat om partijen die regelmatig zaken met elkaar doen. Enkel dat laatste is niet de maatstaf van artikel 6:52 BW Pro.
3.14
Dit betekent dat grief 1B van BioMCN slaagt. Grieven I en II hoeven bij die stand van zaken niet (verder) besproken te worden.
Verrekening
3.15
Aan de voorwaarde waaronder het hoger beroep van ChemCom is ingesteld, is voldaan.
3.16
ChemCom komt op tegen het passeren door de voorzieningenrechter van haar beroep op verrekening. Zij stelt dat de vordering van BioMCN tenietgegaan is door verrekening met vorderingen van haar. Voor een bedrag van € 1.630.122,28, waarvoor zij een drietal facturen heeft verstuurd, zou dit (in ieder geval) zijn gebeurd op grond van de verrekeningsverklaringen van 29 januari en 7 maart 2025. Het restantbedrag van € 171.580,45 zou zijn betaald door verrekening met vorderingen voor een totaalbedrag van € 172.725,97, waarvoor 4 facturen zijn verstuurd en ten aanzien waarvan op 24 april 2025 een verrekeningsverklaring is uitgebracht, aldus ChemCom.
3.17
De voorzieningenrechter overwoog in dat verband:
“4.5 De voorzieningenrechter merkt hierover op dat in kort geding niet vast te stellen is
of de door ChemCom genoemde tegenvorderingen juist zijn. Daarvoor is nader feitelijk
onderzoek en bewijslevering nodig, waarvoor in kort geding geen plaats is.
4.6.
Gelet op het voorgaande is voor de voorzieningenrechter niet vast te stellen dat door
ChemCom bevoegdelijk is verrekend en de vordering van BioMCN daarmee in zoverre
reeds is voldaan. Dit verweer van ChemCom slaagt dan ook niet.
4.7.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat indien zou moeten
worden aangenomen dat sprake is van een verrekeningsverweer in de zin van artikel 6:136
BW, hetgeen volgens ChemCom niet het geval is, dat verweer niet aan toewijzing van de
vordering van BioMCN in de weg staat gelet op hetgeen onder 4.5 en 4.6 is overwogen.
Daaruit volgt immers dat de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te
stellen.”
3.18
Het hof stelt voorop dat, anders dan ChemCom stelt, wel degelijk sprake is van een verrekenings
verweer,ook wanneer de rechter in een procedure beoordeelt of een eerder uitgebrachte verrekeningsverklaring effect heeft gesorteerd. De rechter heeft de mogelijkheid om in het kader van die beoordeling toepassing te geven aan artikel 6:136 BW Pro als hij daar aanleiding toe ziet. [7] Voor wat betreft de beoordeling van het verrekeningsberoep van ChemCom verenigt het hof zich met het oordeel van de voorzieningenrechter en de gronden voor dat oordeel en maakt dat tot het zijne: ook in hoger beroep dient nader partijdebat, feitelijk onderzoek, en mogelijk ook bewijslevering plaats te vinden voordat kan worden vastgesteld of de tegenvorderingen juist zijn die ChemCom aan haar verrekeningsberoep en -verklaringen ten grondslag heeft gelegd. Daarvoor is in dit kort geding geen plaats. Daarom, ook gelet op artikel 6:136 BW Pro, slaagt het beroep van ChemCom op verrekening niet.
Tussenconclusie: toewijzing geldvordering BioMCN; verdere beslispunten
3.19
Nu het beroep van ChemCom op opschorting en op verrekening moet worden verworpen, bestaat aanleiding voor toewijzing van de geldvordering van BioMCN. Ook een belangenafweging valt naar het oordeel van het hof in het voordeel van BioMCN uit. Haar belang om de aanzienlijke bedragen terug te krijgen die zij, zonder tegenprestatie, in essentie heeft voorgeschoten om ChemCom in staat te stellen over
utilitieste beschikken, prevaleert boven het belang van ChemCom om die betaling af te houden totdat in rechte ten gronde over haar gestelde tegenvorderingen is beslist. De overige grieven van BioMCN die strekken tot toewijzing van haar geldvordering hoeven verder dus niet besproken te worden.
3.2
BioMCN heeft ook een grief gericht tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van het door haar gevorderde verrekeningsverbod. Die grief faalt. De verhouding tussen partijen is momenteel zo dat ChemCom, afgezien van de betaling voor
utilitieswaarover dit kort geding gaat, sinds maart 2025 betaalt voor hetgeen zij aan
utilitiesvan BioMCN krijgt doorgeleverd. De noodzaak voor, en proportionaliteit van een dergelijk vergaand verbod is het hof bij de huidige stand van zaken niet gebleken.
3.21
Voor wat betreft de vordering van BioMCN zal het gevorderde bedrag van € 1.801.702,74 worden toegewezen, inclusief de wettelijke handelsrente daarover. Met het falen van de opschortings- en verrekeningsverweren van ChemCom, die zij aan haar betwisting van de verschuldigdheid van de handelsrente ten grondslag heeft gelegd, staat niets aan toewijzing daarvan in de weg. Het hof is van oordeel dat, anders dan BioMCN onder verwijzing naar artikel 6:83 onder Pro c BW voor een deel van de facturen had betoogd, ten aanzien van alle facturen uitgegaan moet worden van de uiterste betaaldatum daarvan als ingangsmoment voor de wettelijke handelsrente. De buitengerechtelijke kosten die BioMCN had gevorderd, worden niet toegewezen nu zij tegen de afwijzing daarvan door de voorzieningenrechter niet is opgekomen.
Eiswijziging in hoger beroep; volledige proceskosten
3.22
BioMCN heeft ná haar eerste conclusie in hoger beroep, bij memorie van antwoord in incidenteel appel tevens akte van eiswijziging haar eis in zoverre gewijzigd dat zij niet langer een forfaitaire, maar een reële proceskostenveroordeling vordert. Zij legt daaraan ten grondslag dat ChemCom bewust en uit eigen belang voor het hof en voor BioMCN essentiële informatie heeft achtergehouden. Dit is volgens BioMCN een ernstige schending van artikel 21 Rv Pro. Als ChemCom dat niet zou hebben gedaan, dan hadden de procedures over BioMCN’s onbetwiste vordering achterwege kunnen blijven, aldus BioMCN.
3.23
De informatie waar het volgens BioMCN om gaat, is het volgende. ChemCom baseert haar tegenvorderingen er voor het grootste deel op dat zij voor een totaalbedrag van € 1.826.171,22 aan kosten heeft moeten maken. Die kosten hebben voor het grootste deel betrekking op bedragen die haar door JPB en Methanex in rekening zijn gebracht voor het gebruik van steiger- en leidingwerk, overliggeld en manuren. Voor een relatief gering deel (€ 137.621) gaat het om overige kosten. ChemCom vordert deze kosten als schade, en heeft tot en met haar memorie van antwoord gesteld dat zij de betreffende facturen van JPB heeft betaald of moet betalen, evenals die van Methanex. BioMCN heeft echter na die memorie vanuit Methanex – de leverancier van methanol van ChemCom, en na een recente overname de moedermaatschappij van BioMCN – begrepen dat ChemCom al sinds 2022 facturen van JPB bij Methanex indient, en dat Methanex die kosten ook voor ChemCom betaalt. Alle facturen van JPB die ChemCom in deze procedure ter onderbouwing van haar gestelde schade heeft overgelegd blijken betaald te zijn door Methanex, en Methanex heeft ten aanzien van de door haar zelf in rekening gebrachte kosten wegens overliggeld een deel gecrediteerd. Van de door ChemCom gestelde kosten van € 1.826.171,22 is door de betalingen door Methanex, na correctie voor btw, nog een bedrag van € 562.344,31 over.
3.24
ChemCom heeft betwist deze informatie bewust te hebben achtergehouden. Zij stelt weliswaar niet te hebben aangegeven dat Methanex de hiervoor bedoelde kosten aan haar heeft vergoed, maar dat die vergoeding is gebaseerd op afspraken die zij met haar methanolleverancier Methanex heeft gemaakt in de (amendementen op de) Methanol Sales Agreement. ChemCom heeft gemeend dat die afspraken voor dit geschil niet ter zake doen. BioMCN moet volgens ChemCom namelijk zelfstandig op grond van de tussen partijen geldende overeenkomsten de JPB-kosten aan ChemCom voldoen. Voor een deel van de kosten geldt bovendien dat BioMCN daarvan had kunnen weten. ChemCom eet verder niet van twee walletjes door gedeeltelijke betaling van Methanex te krijgen en van BioMCN te vragen (zij noemt dit
double dippen), omdat ChemCom ondertussen aanmerkelijk meer moet betalen voor de methanol die zij van Methanex afneemt, in verband met de betalingen waarvoor Methanex in hun onderlinge verhouding op grond van de Methanol Sales Agreement opdraait. Verder stelt ChemCom dat BioMCN de bedragen onjuist weergeeft; al met al is van Methanex slechts een bedrag van € 992.046,98 ontvangen, maar dan wel zonder btw. ChemCom maakt verder bezwaar tegen de eiswijziging, omdat deze in een te laat stadium van de procedure plaatsvindt.
3.25
Het hof oordeelt dat de eiswijziging van BioMCN op zichzelf toelaatbaar is, omdat die is gebaseerd op feiten die pas na de eerste memorie van BioMCN zijn opgekomen. Het hof is echter van oordeel dat de hoge lat van onrechtmatig procederen niet gehaald wordt, omdat niet blijkt dat ChemCom bewust onjuistheden heeft gedebiteerd of anderszins op enig punt tegen beter weten in heeft geprocedeerd. Wel is het hof het met BioMCN eens dat ChemCom niet in overeenstemming met artikel 21 Rv Pro heeft gehandeld door pas na memorie van antwoord in hoger beroep onomwonden op te merken dat de facturen van JPB door Methanex werden vergoed/betaald. Dat ChemCom de facturen van JPB noodgedwongen en ter voorkoming van verdere schade heeft voorgeschoten, is in het licht van de betalingen door Methanex weliswaar niet het hele verhaal, [8] maar dat betekent niet dat het hof de vergoeding van volledige proceskosten van BioMCN geraden voorkomt. Het hof constateert dat de discussie tussen partijen meer omvat dan het punt waarop ChemCom niet in lijn met artikel 21 Rv Pro heeft gehandeld, en daarnaast geldt dat het zwaartepunt van de beslissing van het hof in deze zaak ook niet op dit onderwerp ligt. Wel ziet het hof aanleiding om de proceskostenveroordeling ten laste van ChemCom zowel voor de procedure bij de voorzieningenrechter als bij het hof met één punt te verzwaren, omdat het hof het passend oordeelt om de benadeling die BioMCN door de procedeerwijze van ChemCom heeft ondervonden op deze manier tot uitdrukking te brengen.
De conclusie
3.26
Het hoger beroep van BioMCN slaagt en dat van ChemCom niet. Omdat ChemCom in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep (principaal en incidenteel) als bij de voorzieningenrechter van de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [9]
3.27
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 23 mei 2025 en beslist:
4.2
veroordeelt ChemCom tot betaling van een bedrag van € 1.801.702,74, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf het in rov. 3.21 vermelde moment;
4.3
veroordeelt ChemCom tot betaling van de volgende proceskosten van BioMCN tot aan de uitspraak van de voorzieningenrechter:
€ 10.188 aan griffierecht
€ 2.214 aan salaris van de advocaat van BioMCN (1 + 1 [10] procespunten x het toepasselijke tarief van € 1.107)
en tot betaling van de volgende proceskosten van BioMCN in hoger beroep, zowel in het principaal als voorwaardelijk incidenteel hoger beroep:
€ 13.608 aan griffierecht
€ 119,40 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding
€ 29.740,50 aan salaris van de advocaat van BioMCN (3,5 [11] + 1 [12] procespunten x het toepasselijke tarief VIII van € 6.609)
4.4
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.5
verklaart de veroordelingen/proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.6
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Essed, M.W. Zandbergen en H.M. Fahner, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
21 april 2026.

Voetnoten

2.BioMCN vordert ook een verbod op verrekening, maar dat is klaarblijkelijk een nevenvordering: uit met name nr. 87 van de inleidende dagvaarding leidt het hof af dat deze vordering uitgaat van de situatie dat de geldvordering wordt toegewezen.
3.HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522, rov. 3.3; HR 14 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5519, rov. 3.2.; HR 22 januari 1982,
4.Vgl. HR 29 maart 1985,
5.Zie Conclusie A-G Bakels voor HR 14 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5519, nr. 2.6;
6.Zie Conclusie A-G Rank-Berenschot voor HR 23 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2022:1077, nr. 2.7.
7.Zie bijvoorbeeld HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2005.
8.Zie bijvoorbeeld cva nr. 50.
9.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.
10.Zie rov. 3.25.
11.Twee memories (2), de mondelinge behandeling met extra spreektijd (1,5). Geen punten voor de akte na mondelinge behandeling, omdat dit diende ter nadere onderbouwing van het spoedeisend belang aan de klant van BioMCN.
12.Zie rov. 3.25.