Conclusie
adv.: mr. J.F. de Groot
adv.: mr. T.T. van Zanten
[eiseres]respectievelijk
[verweerster].
1.Feiten en procesverloop
Vastgoed) een aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de bouw van twintig appartementen en commerciële ruimten aan de [a-straat] te [plaats] (hierna:
de complexovereenkomst) [2] .
de broer). [verweerster] was in die tijd in dienst van Vastgoed.
het appartementsrecht) van Vastgoed gekocht voor een bedrag van € 282.000, bestaande uit een aankoopsom voor het gronddeel van € 185.000 en een voorschot op de aanneemsom voor de (af)bouw van het appartement van € 97.0000.
de appartementsovereenkomst) [3] voor de aanneemsom van € 194.000. In de overeenkomst is bepaald dat de helft van de aanneemsom (€ 97.000) voor rekening van Vastgoed komt.
de vaststellingsovereenkomst) [6] aan de broer geleverd. [7]
Immo [10] ) – waarvan hij bestuurder is – te vorderen heeft of zal krijgen uit hoofde van de complexovereenkomst, dit tot een bedrag van € 155.000, te vermeerderen met rente en kosten (hierna:
de overeenkomst van borgtocht en schuldbekentenis). [eiseres] heeft zich in de overeenkomst verplicht het retentierecht op de commerciële ruimten van het complex op te heffen. Op 20 juli 2012 is de overeenkomst van borgtocht en schuldbekentenis van 19 maart 2012 vastgelegd in een notariële akte. [11]
Zij heeft daartoe de regeling van het retentierecht in de artikelen 3:290 (rov. 5.2) en 3:291 BW (rov. 5.4) uiteengezet.
Bij de toetsing aan
‘De vereisten van art. 3:290 BW Pro’heeft zij overwogen dat na contractsoverneming met betrekking tot de complexovereenkomst sprake is van een opeisbare vordering van [eiseres] op Immo van in elk geval € 95.442,75 (rov. 5.5 en 5.9), dat [eiseres] de feitelijke macht over het appartement uitoefent als uitvloeisel van de normale uitoefening van de aannemingsovereenkomst en dat sprake is van voldoende samenhang tussen de vordering van [eiseres] op Immo op grond van de complexovereenkomst en de verplichting tot afgifte van het appartement, zodat [eiseres] over een retentierecht beschikt (rov. 5.7).
Onder het kopje
‘De vereisten van artikel 3:291 lid 1 BW Pro’heeft de rechtbank geoordeeld dat [verweerster] , als jonger gerechtigde, het retentierecht op grond van art. 3:291 lid 1 BW Pro tegen zich moet laten gelden (rov. 5.10).
De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat uitoefening van het retentierecht tegen [verweerster] in dit geval niet ontoelaatbaar is (rov. 5.11-5.14).
Dit brengt met zich dat het hof, ten aanzien van de complexovereenkomst, zal beoordelen of [verweerster] een ouder of jonger recht heeft dan [eiseres] als retentor.
Dit is van belang omdat de vereisten voor de inroeping van het retentierecht tegen derden met een jonger recht anders (lichter) zijn dan voor inroeping tegen derden met een ouder recht (rov. 4.4).
VCG/GE Sea Co.)) heeft uitgemaakt, is de strekking van die bepaling dat het retentierecht jegens een derde met een ouder recht alleen kan worden uitgeoefend als er een (voldoende) verband bestaat tussen de vordering van de schuldeiser (hier: [eiseres] ) en de zaak die het betreft. Daarvan is in dit geval geen sprake. Naar het oordeel van het hof hoefde [verweerster] , als koopster van één appartement in een complex, waarvoor een afzonderlijke aannemingsovereenkomst was gesloten, en degene met een ouder (eigendoms)recht, er geen rekening mee te houden dat haar appartement gebruikt zou worden voor verhaal van vorderingen die [eiseres] uit hoofde van de complexovereenkomst, waarbij [verweerster] geen partij was, zou krijgen op Vastgoed (dan wel later mogelijk Immo) en bestond er om die reden onvoldoende verband tussen [eiseres] vordering uit de complexovereenkomst en het appartement van [verweerster] (rov. 4.7).
[verweerster] heeft tegen de voortdurende uitoefening van dit retentierecht bij memorie van grieven aangevoerd dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij voert aan dat ze meermalen het aanbod heeft gedaan om € 14.550 te betalen. Dit bedrag heeft zelfs al een tijd op de derdenrekening van het advocatenkantoor gestaan. Desondanks weigert [eiseres] het retentierecht op te heffen en jaagt zij [verweerster] op kosten. [eiseres] heeft hier te weinig tegenin gebracht. Haar verweer is gebaseerd op de stelling dat zij tegen [verweerster] een retentierecht kan inroepen voor haar totale vordering op Immo van meer dan € 100.000 (dus inclusief haar vordering uit de complexovereenkomst die zij op ten minste € 95.442,75 stelt) (rov. 4.9).
2.Inleiding
samenhangbestaat om de opschorting te rechtvaardigen (art. 6:52 lid 1 BW Pro). Dit criterium is in wezen geen andere norm dan de vraag of de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door afgifte van de zaak te vorderen zonder zelf te presteren. [28] Het impliceert een toetsing van (i) de samenhang tussen de vordering en de afgifteverplichting (connexiteit) en (ii) de omvang van de opschorting (proportionaliteit). [29] Ter verduidelijking noemt art. 6:52 lid 2 BW Pro enuntiatief twee situaties waarin de vereiste samenhang aanwezig kan (maar niet behoeft te) zijn: als vordering en verbintenis voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding, of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan. Een belangrijk geval waarin samenhang mag worden aangenomen is dat van de overeenkomst van aanneming van werk: de aannemer verbindt zich een stoffelijk werk tot stand te brengen tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld (art. 7:750 BW Pro). [30]
feitelijke machtover de zaak uitoefenen, in dier voege dat ‘afgifte’ in de zin van art. 3:290 BW Pro nodig is om de zaak weer in de macht van de schuldenaar of de rechthebbende te brengen. [31] Dit geldt ook voor retentierecht op een onroerende zaak, met dien verstande dat hier in de regel de afgifte, waardoor de zaak weer in de macht van de schuldenaar of de rechthebbende moet worden gebracht, geschiedt door haar te ontruimen. [32]
hebbenvan het retentierecht laat zich naar mijn mening onderscheiden van het
uitoefenenervan. Uitoefening van het retentierecht is vanzelfsprekend wel van belang voor het intreden van de rechtsgevolgen ervan [34] , maar het moment van uitoefenen heeft geen zelfstandige betekenis voor het ontstaan van het recht. [35]
nadat het retentierecht is ontstaan’ en kiest het eerste lid
verbandvereiste. [51] Volgens de wetgever is de werking van het retentierecht jegens derden met een ouder recht redelijk voor gevallen van ‘
debitum cum re iunctum’ en is in lid 2 een regel van deze strekking neergelegd. [52] Uw Raad heeft uit zowel uit de tekst van de bepaling als de wetsgeschiedenis afgeleid dat het inroepen van het retentierecht jegens derden met een ouder recht in beperktere mate is toegestaan dan jegens de schuldenaar zelf of jegens derden met een jonger recht en heeft, tegen de achtergrond van de door de wetgever beoogde belangenafweging, de bepaling aldus uitgelegd dat deze ertoe strekt dat het retentierecht jegens een derde met een ouder recht alleen kan worden uitgeoefend als er een (voldoende) verband bestaat tussen de
vorderingvan de schuldeiser en de
zaakdie het betreft. [53] In het aan de orde zijnde geval, waarin een (raam)overeenkomst was aangegaan met betrekking tot soortzaken die in eigendom toebehoorden aan een aantal (rechts)personen, kon het retentierecht alleen worden uitgeoefend voor zover het ging om zaken waarop de vordering betrekking had en niet op andere zaken die onder de overeenkomst vielen. De eigenaren van die laatste zaken behoeven in het maatschappelijk verkeer geen rekening ermee te houden dat hun zaken zullen worden gebruikt voor het verhaal van vorderingen die betrekking hebben op andere opgeslagen of gerepareerde zaken, aldus uw Raad.
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
subonderdeel 1.3niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd in het licht van de in het subonderdeel (onder 1.3.1-1.3.6) genoemde feiten en omstandigheden.
Nu ook [verweerster] ervan uitgaat dat [eiseres] vanaf september 2011 een retentierecht heeft uitgeoefend op het appartement(srecht), is voldaan aan de voorwaarde dat [eiseres] op een voor [verweerster] voldoende duidelijke wijze de feitelijke macht over het appartement(srecht) uitoefent.
lid 1en niet aan
lid 2van art. 3:291 BW Pro heeft getoetst. [68] In haar antwoordakte stelt [eiseres] zich op het standpunt dat dit eerst bij akte overgelegde betoog, nu in de memorie van grieven niet is gegriefd tegen rov. 5.10 van het vonnis, als een nieuwe en dus tardieve grief moet worden aangemerkt, zodat het oordeel van de rechtbank in rov. 5.10 onbestreden is. [69]
Ouder of jonger recht: onderwerp van dit hoger beroep?’) van de vraag of [verweerster] in haar memorie van grieven voldoende duidelijk heeft gegriefd tegen ‘
de overweging van de rechtbank dat zij moet worden gezien als een derde met een jonger recht als gevolg van de teruglevering van het appartement in 2016’ (rov. 4.3). De positieve beantwoording van die vraag (in ieder geval wat betreft de commerciële ruimten) heeft het hof vervolgens gebracht tot een beoordeling van de vraag ‘
of [verweerster] een ouder of jonger recht heeft dan [eiseres] als retentor’ (rov. 4.4, slot).
overgeheveld naar’ (dan wel ‘verplaatst naar’ resp. ‘gevestigd op’) het appartement, dat op dat moment toebehoorde aan de vrouw van de broer maar voor de hypotheek waarop [verweerster] nog altijd hoofdelijk aansprakelijk was. [72] Dit bewust en onrechtmatig ‘schuiven’ met het retentierecht (zonder instemming van [verweerster] en in haar nadeel) maakt dat dit niet rechtsgeldig op het appartement ligt en niet jegens haar kan worden uitgeoefend. [73] Bovendien heeft [eiseres] geen vordering (meer) op Vastgoed/Immo, althans is nakoming blijvend onmogelijk, aldus [verweerster] in haar memorie van grieven. [74]
oudergerechtigde ten opzichte van het retentierecht van [eiseres] (noch welke consequenties daaraan verbonden zouden zijn). Uit de memorie van antwoord blijkt ook niet dat [eiseres] de stellingen van [verweerster] in die zin heeft opgevat. Zij herhaalt slechts haar in eerste aanleg gevoerde verweer dat [eiseres] beschikt over een sinds 2011 uitgeoefend retentierecht, hetgeen [verweerster] na de levering van het appartement in 2016 tegen zich als jonger gerechtigde moet laten gelden. [75] Zij betwist nergens dat, naar [verweerster] zou hebben beweerd, [verweerster] als ouder gerechtigde moet worden aangemerkt.
onderdeel 1slaagt.
maart 2010steeds de feitelijke macht op de bouwplaats te hebben uitgeoefend. [82]
ditverband dat zij heeft aangevoerd
sinds 2011de feitelijke macht over het appartement van [verweerster] te hebben. [85] Dit komt overeen met haar benadering in eerste aanleg, waarbij zij voor haar verweer dat aan de eisen van art. 3:291 lid 1 BW Pro is voldaan aanknoopt bij de situatie op 5 september 2011. [86] Anders dan het middel doet voorkomen [87] , heeft [eiseres] in haar memorie van antwoord (nrs. 20 en 33) geen gewag gemaakt van een periode van machtsuitoefening vóór 5 september 2011.
eersteplaats wordt geklaagd (
subonderdeel 3.2 [89] ) dat het hof in rov. 4.5 (1e volzin) een onjuiste peildatum heeft gehanteerd: het zou ten onrechte zijn uitgegaan van het moment waarop het retentierecht voor het eerst actief werd uitgeoefend (5 september 2011) in plaats van het moment waarop de vordering van de retentor is ontstaan en de zaak in diens macht is gekomen (art. 3:291 lid 1 BW Pro).
tweedeplaats lees ik in onderdeel 3 de klacht dat het hof in rov. 4.5 en 4.6 heeft miskend dat op grond van art. 3:291 lid 1 BW Pro de anciënniteit van het retentierecht uitsluitend wordt bepaald door vergelijking van het moment waarop aan de cumulatieve eisen van lid 1 is voldaan (ontstaan van de vordering en machtsuitoefening) enerzijds met het moment waarop de derde zijn (actuele, door de retentie te treffen) recht op de zaak heeft verkregen anderzijds (in casu 2016) (
subonderdeel 3.2). Althans heeft het hof onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd waarom in dit specifieke geval een uitzondering moet worden gemaakt op de onverkorte toepassing van art. 3:291 lid 1 BW Pro (
subonderdeel 3.3).
terugverkrijgingdoor een derde die eerder als ouder gerechtigde gold, een relevante factor kan zijn bij een afweging in het kader van de vraag of het inroepen van het retentierecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
VGC/GE SeaCo [93] bestaat tussen [eiseres] vordering uit de complexovereenkomst en het appartement van [verweerster] . Naar het oordeel van het hof hoefde [verweerster] , als koopster van één appartement in een complex, waarvoor een afzonderlijke aannemingsovereenkomst was gesloten, en als degene met een ouder recht, er geen rekening mee te houden dat haar appartement gebruikt zou worden voor verhaal van vorderingen die [eiseres] uit hoofde van de complexovereenkomst, waarbij [verweerster] geen partij was, zou krijgen op Vastgoed (dan wel later mogelijk Immo).
subonderdeel 4.2slaagt.
voortdurende uitoefening van het retentierecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn’. Het klaagt dat dit oordeel onjuist, alhans niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd is in het licht van een zestal met a-f aangeduide (clusters van) essentiële stellingen.
subonderdeel 5.3is de beslissing van het hof om het gebod tot, kort gezegd, opheffing van het retentierecht uitvoerbaar bij voorraad te verklaren (rov. 4.10 en dictum) onjuist dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Aangevoerd wordt dat het hof, op grond van de devolutieve werking van het appel, tenminste zichtbaar had moeten responderen op de gemotiveerde betwisting door [eiseres] van de gevorderde uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring. [97]
subonderdeel 5.3slaagt.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep
klachtis gericht tegen rov. 4.7, voor zover het hof daarin overweegt: