Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2572

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
25/1181
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:108 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet betalen griffierecht in belastingzaak

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake een belastinggeschil met de heffingsambtenaar van de gemeente Woerden. Het hogerberoepschrift werd tijdig ingediend, maar het griffierecht van €579,00 is niet betaald ondanks meerdere aanmaningen en herinneringen.

Het hof heeft het hoger beroep in een cluster van vergelijkbare zaken behandeld, waarbij de gemachtigde van belanghebbende namens meerdere cliënten optreedt. Tijdens de zittingen, gehouden via beeldverbinding en later fysiek, verscheen alleen de gemachtigde; de wederpartij was niet aanwezig conform gemaakte afspraken.

Het hof concludeert dat het niet betalen van het griffierecht een onverschoonbaar verzuim vormt en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens wijst het hof het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens vermeende termijnoverschrijding af, omdat de redelijke termijn niet is overschreden.

Er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door de vijfde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 21 april 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

R
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/1181
uitspraakdatum: 21 april 2026
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 april 2025, nummer ARN 22/3572, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Woerden(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Het namens belanghebbende ingediende hogerberoepschrift is op 20 mei 2025 ontvangen ter griffie van het Hof.
1.2.
Bij brief van 6 juni 2025, gericht aan het bij het Hof bekende adres van mr. D.A.N. Bartels MRE (hierna: de gemachtigde), heeft de griffier gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van € 579,00. In deze brief is meegedeeld dat het bedrag binnen vier weken na dagtekening van de brief moet zijn bijgeschreven op de in de brief vermelde bankrekening en dat als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
1.3.
Bij aangetekende brief van 7 juli 2025 gericht aan het bij het Hof bekende adres van de gemachtigde heeft de griffier nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van € 579,00. Ook in deze brief is meegedeeld dat als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven op de in de brief vermelde bankrekening, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
1.4.
De hiervoor bedoelde brieven zijn niet door het Hof retour ontvangen. Uit onderzoek is gebleken dat de aangetekende brief van 7 juli 2025 op 9 juli 2025 is afgehaald bij een PostNL-punt en dat voor ontvangst is getekend.
1.5.
Het griffierecht is niet betaald (ook niet voor een deel).
1.6.
Het onderhavige hoger beroep is gaan behoren tot een cluster van zaken. Dit cluster bestaat uit alle hoger beroepen waarin de gemachtigde voor verschillende belanghebbenden optreedt, met verschillende heffingsambtenaren als wederpartij en die zijn ingekomen vóór 1 september 2025. Op 3 december 2025 heeft het Hof op een regiezitting met partijen procesafspraken gemaakt voor de behandeling van de zaken die tot het cluster behoren. Het Hof heeft de procesafspraken voor de clustergewijze behandeling bij brief van 19 december 2025 bevestigd. Daarbij is ook het proces-verbaal van de regiezitting meegezonden.
1.7.
Het Hof heeft als bijlage bij de brief van 19 december 2025 een overzicht verstrekt van zaken (A) waarin een verzuim is geconstateerd in de voorfase van het hoger beroep. De onderhavige zaak staat op dat overzicht. De gemachtigde is daarbij een termijn gesteld om dit overzicht op juistheid te controleren en daarop schriftelijk te reageren.
1.8.
Binnen de daarvoor gestelde termijn heeft de gemachtigde gereageerd bij berichten van 21 januari 2026, 14:34 en 15:00 uur. Het Hof heeft andere berichten, die buiten de gegeven termijn zijn ingekomen, buiten beschouwing gelaten.
1.9.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026 via beeldverbinding. Daarbij is verschenen en gehoord de gemachtigde namens belanghebbende. Overeenkomstig de afspraken die zijn gemaakt op de regiezitting is de heffingsambtenaar niet verschenen. Het proces-verbaal van de zitting is aan partijen toegezonden.
1.10.
Het Hof heeft het onderzoek heropend vanwege een technische storing aan de zijde van de gemachtigde bij de zitting van 28 januari 2026. De tweede zitting heeft op
4 maart 2026 te Arnhem plaatsgevonden. Daarbij is verschenen en gehoord de gemachtigde namens belanghebbende. Overeenkomstig de afspraken die zijn gemaakt op de regiezitting is de heffingsambtenaar wederom niet verschenen. Het proces-verbaal van de zitting is aan partijen toegezonden.

2.Beoordeling door het Hof

2.1.
Het verschuldigde griffierecht is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven op de bankrekening die is vermeld in de brief van de griffier.
2.2.
Gemachtigde heeft desgevraagd niet concreet aangegeven dat, en zo ja, in hoeverre, het door het Hof verstrekte overzichtsbestand onjuistheden bevat. Gemachtigde heeft in zijn reacties, samengevat weergegeven, aangevoerd dat hij de informatie op de griffierechtnota's onjuist vindt. Dit betoog is reeds eerder door het Hof beoordeeld en kan niet leiden tot het oordeel dat geen sprake is van een (onverschoonbaar) verzuim. [1] Voor zover de gemachtigde betwist dat hij in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen dan wel de ontvangst van de aangetekend verzonden herinnering van de griffierechtnota betwist, missen die betwistingen feitelijke grondslag (zie 1.4).
2.3.
De conclusie is dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.4.
Dit betekent dat het hoger beroep volgens artikel 8:108, eerste lid, in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het Hof laat daarbij de vertegenwoordigingsbevoegdheid in hoger beroep van de gemachtigde uitdrukkelijk in het midden.
2.5.
Belanghebbende heeft voor de hogerberoepsfase verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op de datum van binnenkomst van het hogerberoepschrift is de redelijke termijn in hoger beroep niet overschreden, zodat het verzoek om vergoeding van immateriële schade moet worden afgewezen.
Slotsom
2.6.
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep niet-ontvankelijk.

3.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

Het Hof:
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk,
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. J.W. Keuning en
mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van A. Tax als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
De griffier, De voorzitter,
(A. Tax) (J.M.W. van de Sande)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5979.