ECLI:NL:GHARL:2026:264

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
24/1246 en 24/1584
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over geheimhouding in belastingzaak met soevereinenbeweging

In deze tussenuitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gedateerd 20 januari 2026, wordt de verzoek tot geheimhouding van de namen van medewerkers van de Belastingdienst behandeld. De zaak betreft een hoger beroep van een belanghebbende tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland, waarin de inspecteur van de Belastingdienst anoniem wenst te procederen vanwege de dreiging die uitgaat van de soevereinenbeweging. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze geheimhouding, maar het Hof oordeelt dat er gewichtige redenen zijn om de namen geheim te houden. De inspecteur heeft aangegeven dat er een risico bestaat op intimidatie en geweld tegen medewerkers van de Belastingdienst, wat wordt onderbouwd door een fenomeenanalyse van de AIVD. Het Hof stelt vast dat de belangen van de inspecteur zwaarder wegen dan die van de belanghebbende, en dat de geheimhouding gerechtvaardigd is. De uitspraak benadrukt het belang van een eerlijk proces, maar erkent ook de noodzaak om de veiligheid van ambtenaren te waarborgen. De beslissing is openbaar gemaakt, maar de namen van de betrokken medewerkers blijven vertrouwelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1246 en 24/1584
uitspraakdatum: 20 januari 2026
Tussenuitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer (geheimhoudingskamer)
in het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 30 april 2024, nummer ARN 23/5436, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Den Haag(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is over het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.470. Bij beschikkingen is belastingrente berekend van € 380 en is een verzuimboete van € 385 opgelegd.
1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.220 en de beschikking belastingrente overeenkomstig verminderd tot € 253. De verzuimboete is niet verminderd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Voorafgaand aan de zitting heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat hij anoniem wenste te blijven. De Rechtbank heeft dit verzoek opgevat als een beroep op geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft bij mondelinge beslissing van 16 april 2024 het verzoek van de Inspecteur om anoniem te mogen procederen ter zitting bij de Rechtbank toegewezen.
1.5.
De Rechtbank heeft het beroep op 16 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben twee vertegenwoordigers van de Inspecteur deelgenomen. Belanghebbende is niet verschenen.
1.6.
De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 30 april 2024 ongegrond verklaard.
1.7.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.8.
Bij brief van 11 maart 2025 heeft de Inspecteur verzocht ‘de namen van de medewerkers geheim te houden en dus anoniem te procederen’. Het Hof begrijpt dat de Inspecteur verzoekt te bepalen dat slechts het Hof zal mogen kennisnemen van de na(a)m(en) van de medewerkers van de Inspecteur die hem ter zitting zullen vertegenwoordigen. Het Hof zal dit verzoek behandelen met zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing van artikel 8:29 van de Awb. [1]
1.9.
Belanghebbende heeft bij brief van 11 juni 2025 op dit verzoek gereageerd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Het rapport ‘Met de rug naar de samenleving. Een analyse van de soevereinenbeweging in Nederland’ (hierna: de fenomeenanalyse) van april 2024, uitgegeven door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende: [2]
“(…)
In deze analyse wordt ingegaan op de vraag hoe de Nederlandse soevereinenbeweging zich verhoudt tot deze democratische rechtsorde: is er vanuit deze beweging sprake van een ondermijning hiervan en zo ja, hoe uit dit zich?
(…)

3.Drie categorieën

Er zijn dus verschillen in gedachtegoed en narratieven en ook in de verschillende soorten gedragingen en mate waarin personen een dreiging kunnen vormen voor de democratische rechtsorde. Het geweld dat voortkomt uit de beweging is nog beperkt. De hierboven besproken narratieven zelf zetten in principe ook niet aan tot gewelddadig handelen, ondanks het vijandbeeld van een kwaadaardige elite die het volk wil onderdrukken, knechten of vermoorden. Iedereen kan er een eigen invulling aan geven.
Hierbij worden er grofweg drie verschillende categorieën onderscheiden, namelijk:
• Autonomen of soevereinen die verandering voorstaan binnen het huidige systeem.
• Soevereinen die de legitimiteit en geldigheid van het huidige systeem ontkennen en zich daaraan onttrekken.
• Actief verzet tegen het huidige systeem, al dan niet met geweld.
De laatste stroming maakt per definitie deel uit van de tweede stroming; men moet eerst het systeem ontkennen om zich er actief tegen te zullen verzetten, desnoods met geweld. Andersom is dit niet het geval. Mensen kunnen het systeem ontkennen, zonder zich hier met geweld tegen te verzetten. Deze categorieën zijn niet altijd zo zwart-wit als ze lijken. Personen wisselen van categorie of maken deel uit van meerdere tegelijkertijd. Dit onderscheid betekent ook dat niet ieder persoon die zichzelf soeverein noemt per definitie wordt beschouwd als dreiging tegen de democratische rechtsorde. Behalve gedachtegoed zijn gedragingen dus evenzeer van belang. De drie categorieën zijn hieronder nader uitgewerkt
(…)
Gewelddadig verzet tegen het systeem
De laatste categorie soevereinen bestaat uit mensen die geloven dat een toekomstige gewelddadige strijd met de overheid en democratische instituties onvermijdelijk is. Dit is de kleinste groep van enkele tientallen tot honderd mensen en betreft een subcategorie van de tweede categorie.
Door de verspreiding van een angstaanjagend vijandbeeld van een kwaadaardige elite die uit is op onderdrukking, slavernij en moord, kunnen sommige soevereinen de conclusie trekken dat gewelddadig verzet noodzakelijk is. Dergelijke vijandbeelden demoniseren en dehumaniseren tegenstanders; het gebruik van termen als ‘onderdrukking’, ‘tribunalen’, ‘genocide’, ‘heilige oorlog’ en ‘existentiële strijd’ kan bijdragen aan de veronderstelde geweldsnood. De vermeende vertegenwoordigers van de elite ontvangen regelmatig bedreigingen. Hierbij wordt over het algemeen gedreigd met burgerarresten of tribunalen. Hoe deze tribunalen eruit moeten komen te zien, wordt niet duidelijk. Bij een deel van deze groep blijft het mogelijk bij grootspraak, maar zulke boodschappen kunnen voor enkelen gewelddadig handelen legitimeren tegen deze veronderstelde vertegenwoordigers. Deze dreiging wordt vergroot door doxing. In online groepen van soevereinen worden regelmatig adressen en persoonsgegevens verspreid van bijvoorbeeld deurwaarders, politiepersoneel en (gemeente)ambtenaren.
Vanuit de overtuiging dat ieder individu eigen rechten heeft waaraan niemand mag tornen, circuleren er bovendien handleidingen voor zogenaamde ‘sheriffs’ en soevereine ‘rechtbanken’. De sheriffs zijn zelf soeverein en zouden het natuur- en gewoonterecht verdedigen. Door de inzet van deze sheriffs moet bovendien de overgang naar een nieuwe samenleving worden bewerkstelligd. Zij zouden zijn gekwalificeerd en getraind in (vuur)wapengebruik en zelfverdedigingstechnieken. De gearresteerde personen moeten vervolgens op grond van het gewoonterecht worden berecht. Ook wordt gesproken over het vormen van ‘burgermilities’ die onder leiding van zulke sheriffs het gewoonterecht moeten handhaven. Als men vanwege die eigenrichting tegenover de politie komt te staan of tegenover personen die weigeren om mee te werken, kan dat in potentie tot geweld leiden.
Daarnaast wordt in sociale mediakanalen een zogenaamde ‘Resolutie van het soevereine Nederlandse volk’ gedeeld. Hierin staan verwijzingen naar de ‘kwaadaardige elite’ en de termen ‘oorlog’ en ‘genocide’. Deze resolutie kan worden beschouwd als een oproep tot geweld. Zo wordt er in deze resolutie gesteld: “(…) Doen wij, het vrije Nederlandse volk, de onherroepelijke aanzegging die ons het recht geeft om de plegers van de misdaden tegen de menselijkheid te arresteren, te berechten en hen zo nodig in het kader daarvan te doden (…)”. In de resolutie wordt verder opgeroepen tot eigen bewapening en de arrestatie van vijanden.
Een nog kleinere groep soevereinen gaat zo ver dat zij zichzelf online en fysiek organiseert en voorbereidt om zich te kunnen verdedigen in de, door deze groep verwachte, gewelddadige strijd met de overheid en instituties, of spreekt zelfs van een offensieve aanpak. Eenzelfde ontwikkeling vond eerder plaats onder Amerikaanse sovereign citizens en de Duitse Reichsbürger. Ook in Nederland worden lessen in vechtsporten gevolgd of wordt gesproken over het gebruik van geweld en het verzamelen van (veelal ook legale) wapens. Dit verlaagt mogelijk de drempel om geweld te gebruiken. Zulke voorbereidingen zijn vaak defensief van aard, hoewel er ook aanhoudingen zijn verricht wegens bedreiging met geweld tegen ambtenaren, het bezetten van- of een aanslag plegen op een gemeentehuis en het arresteren van een rechter. Bij meerdere soevereinen werden (vuur)wapens en munitie aangetroffen. In september werd een soeverein veroordeeld tot acht maanden celstraf, omdat hij had geprobeerd om semi-automatische wapens en munitie te kopen voor een groep gelijkgestemden.
(…)

5.Conclusie

In deze analyse wordt de vraag beantwoord of er vanuit de Nederlandse soevereinenbeweging sprake is van een ondermijning van de democratische rechtsorde en zo ja, hoe deze zich uit. De democratische rechtsorde bestaat uit een democratische rechtsstaat (politiek systeem) en de manier van samenleven (open samenleving), ook wel de verticale en horizontale dimensie van de democratische rechtsorde genoemd.
(…)
De verticale dimensie wordt wel degelijk ondermijnd. Dit gebeurt zowel op de langere termijn door de feitelijk onjuiste boodschappen achter de soevereine ideologie en narratieven, als door de geweldsdreiging op korte termijn. En dan zijn er ook nog tal van strafbare gedragingen die de werking van de democratische rechtsorde kunnen aantasten. Het gaat dan bijvoorbeeld om de intimidatie en bedreiging van ambtenaren en politici, waardoor zij worden belemmerd in de uitvoering van hun werk. Autonomen of soevereinen die verandering zoeken binnen het huidige systeem ondermijnen de democratische rechtsorde weliswaar niet door hun gedragingen, maar ook zij dragen bij aan de instandhouding en mogelijke groei van de beweging als geheel. Het onderstaande gaat nader in op de ondermijning van de verticale dimensie van de democratische rechtsorde.
(…)
Geweldsdreiging op de korte termijn
In tegenstelling tot de bredere anti-institutionele beweging, schrijven het soevereine narratief en organisaties en personen verschillende mogelijkheden tot handelen voor. Bovendien weet de soevereine beweging zich te organiseren. Dit is met name zorgwekkend als het gaat om de tweede en de derde categorie binnen de beweging van soevereinen: personen die het huidige systeem ontkennen en personen die plannen maken om zich actief tegen het huidige systeem te verzetten, desnoods met gewelddadige handelingen. Vanuit aanhangers van die categorieën is geregeld sprake van geweldsincidenten, bijvoorbeeld in een reactie op verkeerscontroles, aanhoudingen of huisuitzettingen. Bovendien zijn bij verschillende aanhangers (vuur)wapens aangetroffen. Sommige soevereinen bereiden zich voor op een gewelddadige confrontatie met de overheid en dreigen met geweld. In combinatie van de verwachte groei van de soevereinenbeweging als geheel, is het aannemelijk dat ook deze dreiging in de toekomst zal toenemen.”

3.Geschil

In geschil is of geheimhouding/beperkte kennisneming van de namen van de personen die ter zitting namens de Inspecteur optreden gerechtvaardigd is, zoals de Inspecteur stelt doch belanghebbende bestrijdt.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
In zijn brief van 11 juni 2025 schrijft belanghebbende onder meer als volgt:
“Onder voorbehoud van al zijn natuurlijke rechten, zonder vrijwillige onderwerping aan fictieve juridische constructies, richt de schrijver zich tot u niet als ‘persoon’ in civielrechtelijke zin, maar als levend mens van vlees, bloed, geest en ziel, spiritueel soeverein geboren en niet voortkomend uit een staatsstructuur of registratie.”
4.2.
Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende is aan te merken als behorend tot de in de fenomeenanalyse beschreven soevereinenbeweging.
4.3.
Het recht op een eerlijk proces is onder meer neergelegd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Ook los van deze verdragsbepalingen geldt dit recht in de nationale fiscale procedure en omvat onder meer het recht op gelijke proceskansen. Daaruit vloeit voort dat partijen in een procedure in beginsel recht hebben op kennisneming van alle stukken uit het dossier. Dit vormt dan ook het uitgangspunt. Dat neemt niet weg dat op dit recht uitzonderingen mogelijk zijn.
4.4.
Het eerste lid van artikel 8:29 van de Awb houdt een beperking in van het recht op gelijke proceskansen. [3] Om aan die beperking toe te kunnen komen is allereerst vereist dat sprake is van ‘gewichtige redenen’ als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. Indien die gewichtige redenen er zijn, beslist – gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb – de rechter vervolgens of de gewichtige redenen beperking van de kennisneming van een stuk rechtvaardigen. Deze volgorde blijkt ook uit de wetsgeschiedenis:
“De rechter die moet beslissen op een verzoek om toepassing van artikel 8:29 kan drie beslissingen nemen. Hij kan het verzoek afwijzen, hij kan de weigering om de informatie te verschaffen honoreren dan wel de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd achten. Hij zal deze beslissingen motiveren. Afwijzing volgt, indien naar het oordeel van de rechter geen gewichtige redenen aanwezig zijn. Indien die redenen op zich aanwezig zijn, ligt niettemin afwijzing van het verzoek voor de hand, indien de informatie van groot belang voor een goede beoordeling van het bestreden besluit, en het dus van belang is dat de andere partij zich hierover kan uitlaten. De beslissing dat weigering gerechtvaardigd is ligt voor de hand, indien gewichtige redenen aanwezig zijn en de informatie niet van significant belang is.” [4]
4.5.
De in artikel 8:29, derde lid, van de Awb bedoelde beslissing door de rechter vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het (hoger) beroep relevante informatie. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden. Bij de beoordeling van een verzoek om beperkte kennisneming speelt de betekenis van het stuk voor het oordeel van de rechter in de hoofdzaak en de procespositie van partijen een belangrijke rol. Verder is daarbij van belang of de partij aan wie kennisneming van een stuk wordt onthouden door de beperkte kennisneming wezenlijk in haar procesvoering wordt belemmerd. [5]
4.6.
Het Hof stelt voorop dat bij de toepassing van dit artikellid de grootst mogelijke terughoudendheid dient te worden betracht. Slechts indien de door de Inspecteur voor beperkte kennisneming aangevoerde gewichtige redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbenden bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die beperkte kennisneming rechtvaardigen.
4.7.
De Inspecteur heeft verzocht de namen van de medewerkers die namens de Belastingdienst ter zitting bij het Hof in onderhavige procedure zullen verschijnen geheim te houden, alsmede geheim te houden de van deze medewerkers overgelegde mandaten in verband met de veiligheid van deze medewerkers. Ter onderbouwing verwijst de Inspecteur naar de fenomeenanalyse soevereinbeweging in Nederland ‘Met de rug naar de samenleving’ van april 2024 (zie 2.1). De Inspecteur schrijft als volgt:
“In de beroepsprocedures van [belanghebbende] (…) heeft uw gerechtshof de inspecteur uitgenodigd voor de zitting van 8 april 2025. Ik verzoek u om de namen van de medewerkers geheim te houden en dus anoniem te procederen. De reden voor mijn verzoek is de volgende.
De Belastingdienst heeft de afgelopen periode veel dossiers te behandelen gekregen van burgers die het soevereine gedachtegoed volgen. Het volgen van dit gedachtegoed is een persoonlijke keuze. Het resultaat is echter ook dat er onjuiste aangiften inkomstenheffing of verzoeken om vermindering en bezwaren tegen eerdere aanslagen worden ingediend.
De meeste zaken betreffen het opvoeren van huur, premies ziektekosten en andere overheidsheffingen als gift. Dat is fiscaal onjuist. Deze giften worden door de inspecteur gecorrigeerd. Als gevolg van deze correcties is bij de behandeling van dergelijke zaken gebleken dat namen van medewerkers op internet (onder andere via Facebook) worden verspreid. Ook worden de namen van medewerkers opgezocht op het internet teneinde op privé-accounts bedreigingen te uiten. Deze voorvallen acht de Belastingdienst volstrekt onacceptabel.
De Belastingdienst heeft om die reden gekozen om in zaken van soevereine mensen anoniem te werken (onder nummer of via postbussen). Op deze wijze kan de Belastingdienst de medewerker beschermen. Bij de afhandeling van zaken van soevereine mensen is overigens een beperkt aantal medewerkers betrokken waarbinnen één lijn wordt getrokken om te voorkomen dat via een achterdeur namen alsnog bekend worden bij andere zich soevereinnoemende mensen.
Onlangs heeft de AIVD in hun fenomeenanalyse geconcludeerd dat de soevereinenbeweging de democratische rechtsorde ondermijnt. Van een klein deel van de soevereinenbeweging gaat ook een geweldsdreiging uit op korte termijn.
Recent zijn ter zitting, bij een rechtszaak van een andere burger, de namen van de vertegenwoordigers van de Belastingdienst genoteerd door de als bijstand meegegane burger met de opmerking: ‘nu wordt het interessant’. U begrijpt dat deze quote in de context van het soevereine gedachtegoed, de fenomeenanalyse van de AIVD en de eerdergenoemde voorvallen bedreigend is voor de medewerkers van de Belastingdienst.
Ik hoop dat deze toelichting voldoende is en verzoek u dan ook de namen van de ambtenaren niet te vermelden. Bijgevoegd treft u de mandaten van de medewerkers die namens de inspecteur ter zitting aanwezig zullen zijn. Ten overvloede merk ik op dat deze stukken ook onder het verzoek om geheimhouding vallen en enkel zijn bijgevoegd om aan u aan te tonen dat deze medewerkers bevoegd zijn namens de Belastingdienst op te treden.”
4.8.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de namen en de mandaten bekend moeten worden gemaakt. Hierbij geeft belanghebbende onder andere aan dat van zijn zijde geen sprake is van een concrete dreiging of geweldsintentie, dat hij nimmer betrokken is bij strafrechtelijke of gewelddadige acties en dat hij vreedzaam, spiritueel en juridisch principieel is. Ook geeft belanghebbende aan dat de fenomeenanalyse geheimhouding in onderhavige zaak niet rechtvaardigt en dat geheimhouding disproportioneel is en strijdig met de rechtstatelijke beginselen van hoor en wederhoor, transparantie en gelijke procespositie. Belanghebbende verzoekt het Hof het verzoek van de Belastingdienst tot geheimhouding af te wijzen, te waarborgen dat de zitting plaatsvindt onder openbare, normale omstandigheden, met zichtbare en aanspreekbare vertegenwoordigers van de Staat en belanghebbende zijn fundamentele recht op een eerlijk, transparant en onbevooroordeeld proces te garanderen.
4.9.
Het Hof neemt als uitgangspunt dat de enkele stelling dat de in de stukken vermelde personen gevaar kunnen lopen in haar algemeenheid onvoldoende is om reeds daarom een gewichtige reden te hebben bij beperking van de kennisneming. Vereist is dat aannemelijk wordt gemaakt dat de mogelijkheid van gevaar in concreto aanwezig is. [6]
4.10.
Blijkens de fenomeenanalyse kennen de soevereinen in Nederland weliswaar een geweldloos verleden, maar is er de afgelopen tijd sprake van intimidatie, bedreiging en een aantal vooralsnog kleine gewelddadige confrontaties. De fenomeenanalyse laat zien dat een deel van de soevereinen gelooft in een toekomstige gewelddadige strijd (derde categorie). De dreiging wordt vergroot door onder andere doxing. Online worden in groepen van soevereinen regelmatig adressen en persoonsgegevens verspreid van bijvoorbeeld ambtenaren. Alhoewel er geen aanwijzingen bestaan in het dossier dat belanghebbende zich identificeert met de derde categorie soevereinen en ook niet dat hij zich zelf schuldig maakt aan intimidatie, bedreiging en geweld, acht het Hof aannemelijk, gelet op de inhoud van de fenomeenanalyse, dat bij vermelding van de namen van de medewerkers van de Belastingdienst en openbaarmaking van de mandaten, dat deze gegevens worden verspreid onder soevereinen, waardoor deze medewerkers via bijvoorbeeld doxing potentieel gevaar lopen. Het Hof acht dit niet alleen een “gewichtige reden” als bedoeld in het eerste lid van artikel 8:29 van de Awb, maar acht het belang dat de Inspecteur heeft bij beperkte kennisneming van die gegevens op de vermelde gronden ook zwaarder wegen dan het door belanghebbende aangevoerde belang dat hij kennisneemt van deze gegevens. Het Hof zal vaststellen dat de vertegenwoordigers van de Inspecteur daartoe bevoegd zijn. Ter zitting zullen beide partijen hun standpunten kunnen toelichten en op elkaars standpunten kunnen reageren. Daarvoor is niet nodig dat belanghebbende op de hoogte is van de namen van de vertegenwoordiger(s) van de Inspecteur. De door de Inspecteur verlangde beperkte kennisneming van de namen van de medewerkers die ter zitting zullen verschijnen en de mandaatbesluiten van deze medewerkers, is dan ook gerechtvaardigd.
4.11.
Artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bepaalt dat indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak kan doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.
4.12.
Indien belanghebbende geen toestemming geeft dat de hoofdkamer de mandaatbesluiten ook kan bekijken en door middel van legitimatie ter zitting (welke ook geheim kan blijven) de medewerkers kan identificeren (beperkte kennisneming), kan de hoofdkamer praktisch gezien niet controleren dat de namen van degene die zich ter zitting melden namens de Inspecteur, ook overeenkomen met de namen die de geheimhoudingskamer thans ziet staan in de mandaatbesluiten. In dat geval zal een raadsheer die geen onderdeel uitmaakt van de hoofdkamer benoemd worden tot raadsheer-commissaris (artikel 8:12 van de Awb) en op de geplande zittingsdatum aanwezig zijn voordat de zitting begint om te kunnen controleren dat de personen die zich melden namens de Inspecteur genoemd staan op de mandaatbesluiten die de geheimhoudingskamer kent. De raadsheer-commissaris zal alleen de positieve of negatieve uitkomst (dus zonder de namen van de betrokken personen te noemen) van die identificatie en controle van het mandaatbesluit vastleggen in een proces-verbaal en dit proces-verbaal direct aan de hoofdkamer doen toekomen. Daarbij zal de raadsheer-commissaris bij het begin van de zitting ten overstaan van de hoofdkamer elke medewerker van de Belastingdienst een nummer geven dat op dat moment aan de hoofdkamer zal worden medegedeeld en waarmee de hoofdkamer kan onderscheiden welke medewerker ter zitting verklaart of handelt. Deze nummering zal op (de afschriften van) de mandaten worden genoteerd en eveneens onder de geheimhouding vallen. Op deze wijze is te allen tijde controleerbaar wie wat heeft gedaan namens de Belastingdienst.
4.13.
In het proces-verbaal van de zitting(en) en de uitspraak zullen de vertegenwoordigers van de Inspecteur - in afwijking van artikel 8:61, vierde lid, en artikel 8:77, eerste lid, van de Awb - worden aangeduid met het hiervoor bedoelde nummer.
4.14.
Het vorengaande betekent dat het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming wordt toegewezen.

5.Beslissing

De geheimhoudingskamer:
  • bepaalt dat beperking van de kennisgeving van de namen van de medewerkers van de Belastingdienst die ter zitting zullen verschijnen gerechtvaardigd is;
  • stelt belanghebbende op de voet van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb in de gelegenheid binnen twee weken het Hof te berichten of hij toestemming geeft dat het Hof uitspraak doet met kennisname van de namen van de medewerkers van de Belastingdienst die ter zitting aanwezig zullen zijn.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (A.E. Keulemans)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen tussenbeslissingen, zoals de onderhavige, stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie open. Tegen dergelijke beslissingen kan ingevolge artikel 28, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak.

Voetnoten

1.Vgl. artikel 2.8b van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (Stcrt. 2024, 37.982).
3.Vgl. ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367.
4.Kamerstukken II 1996/1997, 25 175, nr. 5, p. 13.
5.Vgl. ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367.
6.Vgl. CRvB 10 oktober 2001, nr. 00/1590 AKW, ECLI:NL:CRVB:2001:AD5972.