Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2717

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
20/85
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27e AWRArt. 27h lid 2 AWRArt. 4.13 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aanslag inkomstenbelasting voordeel uit aanmerkelijk belang 2012

Belanghebbende werd een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2012 opgelegd op basis van een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.525.365. De Inspecteur handhaafde deze aanslag na bezwaar. De Rechtbank Gelderland had de aanslag verminderd tot € 1.209.282, maar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt anders.

Het geschil betreft de vraag of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan en of de aanslag gebaseerd is op een redelijke schatting. Het Hof stelt vast dat belanghebbende een te laag voordeel uit aanmerkelijk belang heeft aangegeven, omdat de waardering van de aandelen in [NV1] op nominale waarde onjuist was. De Inspecteur heeft de waarde in het economische verkeer vastgesteld op basis van dividenduitkeringen, verkooptransacties en multipliers uit onderhandelingen.

Het Hof concludeert dat de bewijslast omgekeerd en verzwaard moet worden wegens het niet doen van de vereiste aangifte. De correctie van de Inspecteur is niet willekeurig maar redelijk onderbouwd. Belanghebbende slaagt er niet in overtuigend tegenbewijs te leveren. Het verzoek tot aanhouding van de zitting wegens beslaglegging en gebrek aan rechtsbijstand wordt afgewezen. De aanslag en belastingrente worden bevestigd, het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur gegrond.

De procedure heeft lang geduurd, maar het Hof ziet geen aanleiding tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak is gedaan op 28 april 2026 door een meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2012 wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 20/85
uitspraakdatum: 28 april 2026
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats] , [buitenland1](hierna: belanghebbende)
en het incidentele hoger beroep van
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Utrecht(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 december 2019, nummer AWB 18/1691, ECLI:NL:RBGEL:2019:5713, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van € 1.525.365 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 191.263. Verder is € 10.853 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 februari 2018 de aanslag IB/PVV 2012 en de beschikking belastingrente gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de aanslag IB/PVV 2012 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.209.282 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 191.263, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd en vergoedingen toegekend voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht van respectievelijk € 500, € 2.044 en € 46.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.6.
Belanghebbende heeft gereageerd op het incidentele hoger beroep.
1.7.
Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting van het Hof op 16 september 2021. Op verzoek van belanghebbende is de zaak aangehouden in verband met de inbeslagname van stukken van belanghebbende.
1.8.
In reactie op een brief van het Hof heeft belanghebbende op 3 november 2023 meegedeeld dat ondanks verzoeken daartoe er nog geen zicht is op teruggaaf van de in beslag genomen stukken en bescheiden.
1.9.
In reactie op een bericht van het Hof heeft belanghebbendes gemachtigde op 1 oktober 2025 meegedeeld dat hij in onderhavige zaak niet langer als gemachtigde optreedt. Belanghebbende heeft zelf aan het Hof laten weten dat er nog steeds geen zicht is op teruggaaf van de in beslag genomen stukken en bescheiden
.
1.10.
Het Hof heeft 14 januari 2026 een zogenoemde regiezitting gehouden om met partijen te overleggen hoe de zaak verder zal worden behandeld. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn partner [naam partner] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en [naam2] . De zaken met de nummers 19/782 tot en met 19/784 en 20/85 zijn gezamenlijk behandeld. Van deze regiezitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegestuurd.
1.11.
Belanghebbende heeft op 9 maart 2026 een nader stuk ingebracht.
1.12.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn partner voornoemd. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en [naam2] . De zaken met de nummers 19/782 tot en met 19/784 en 20/85 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende, geboren in 1968, heeft tot 3 december 2004 in Nederland gewoond. Nadien heeft belanghebbende tot 7 januari 2009 in [buitenland2] gewoond. Op die datum is belanghebbende teruggekeerd naar Nederland. In zijn aangifte IB/PVV 2012 heeft belanghebbende aangegeven dat hij op 7 december 2012 is geëmigreerd naar [buitenland1] .
2.2.
In mei 2009 heeft belanghebbende alle aandelen in [NV1] verkregen van [NV2] . De formele bestuurder van [NV1] is [NV2] , gevestigd te [buitenland2] .
2.3.
Vanaf december 2009 houdt [NV1] de aandelen in de volgende buitenlandse vennootschappen (hierna ook wel: deelnemingen), die alle (indirect) actief zijn in het aanbieden van online kansspelen:
- 33,3% van de aandelen in [NV4] , die op haar beurt alle aandelen houdt in [LTD1] ;
- 25% van de aandelen in [LTD2] ; voorheen: [LTD3] ), die op haar beurt alle aandelen houdt in [LTD4] en [LTD5] ; en
- 25% van de aandelen in [NV5] .
2.4.
Blijkens de jaarrekeningen heeft [NV1] in de jaren 2009 tot en met 2012 de volgende bedragen aan dividenden ontvangen van voornoemde deelnemingen: € 2.700.013 (2009), € 3.687.315 (2010), € 4.582.119 (2011) en € 2.482.956 (2012).
2.5.
Belanghebbende heeft in een e-mailbericht van 1 december 2011 de concept-jaarcijfers van [NV1] toegestuurd aan zijn belastingadviseur met de vraag om vanuit Nederlands fiscaal oogpunt daarnaar te kijken en van commentaar te voorzien. Zijn belastingadviseur heeft in een e-mailbericht van 13 december 2011 onder meer als volgt gereageerd:
“Forfaitair rendement
We bespraken al eerder dat er in beginsel jaarlijks een zogenaamd forfaitair rendement in box II moet worden aangegeven ten aanzien van de aandelen in [NV1] . Het rendement wordt berekend op 4% van de waarde in het economisch verkeer (i.e. de werkelijke- of verkoopwaarde) van de aandelen [NV1] op 1 januari van ieder jaar. Over dit rendement betaal je 25% box II belasting - ook als er in het betreffende jaar geen dividend is uitgekeerd. Dividenden die in enig jaar worden uitgekeerd komen overigens in mindering op het forfaitaire rendement van dat jaar.
In de aangifte IB 2009 hebben we het standpunt ingenomen dat bij jouw remigratie de aandelen in [NV1] geen waarde hadden (het eigen vermogen van [NV1] was negatief), en dus ook het forfaitaire rendement nihil was.
Voor 2010 geldt dat de waarde volgende de balans op 1 januari eveneens nihil is, en zullen we ook in jouw IB aangifte 2010 geen forfaitair rendement in aanmerking nemen. Ook hier bestaat de (theoretische) kans dat de belastingdienst vragen zal stellen over de werkelijk waarde van [NV1] .
Ten aanzien van de aangifte IB 2011 geldt dat we er sowieso niet aan zullen ontkomen om een forfaitair rendement in aanmerking te nemen. Op basis van de huidige balans zou dit rendement € 278 962 bedragen (i.e. 4% van het eigen vermogen van [NV1] op 1/1/2011 ad € 6 974.052). Hierover is dan 25% box II belasting verschuldigd, dus € 69.740 (25% x 278.962). Dit los van het feit dat de waarde in het economische verkeer wellicht hoger (of lager) is. Een overweging is dan ook om in 2011, indien mogelijk en zover er (liquide) middelen aanwezig zijn, een dividend uit te keren van hetzelfde bedrag als het forfaitaire rendement (i.e € 278.962). Dan betaal je evenveel box II belasting, maar heb je het bedrag ook daadwerkelijk tot je beschikking. Houd er hierbij rekening mee dat de ontvangen gelden wel meetellen voor je box III bezit (als gevolg van gewijzigde regels in dit verband overigens pas vanaf 2012).”
2.6.
Belanghebbendes belastingadviseur heeft in een intern e-mailbericht van 25 oktober 2012 het volgende aan een collega geschreven:
“Meeting met [belanghebbende] ging goed (…). Hij gaat snel een huis kopen in [buitenland1] , [woonplaats] - villa van 5 mio aan het [meer] , kan slechter. Hij heeft al een verzoek ingediend om een Pauschaal regeling en verwacht die ook te krijgen. Vast bedrag aan belasting, ongeacht dividenden of capital gains.
(…)
Conserverende aanslag is geen probleem, 10 jaar stilzitten en minder de 90% van de reserves uitkeren moet lukken. Aangegeven dat hij heel voorzichtig moet zijn met het opzoeken van de 90% grens.
Wel heeft hij moeite met de zekerheidsstelling. Waarde aandelen nu zo’n 15 mio, aanslag dan 3,75 mio. Bankgarantie bij 1% fee zou dan jaarlijks € 37,5k kosten. De vraag is of verpanding van de aandelen of OG mogelijk is en wat voor en nadelen zijn.”
2.7.
Zijn belastingadviseur heeft in een e-mailbericht van 9 november 2012 onder meer het volgende aan belanghebbende geschreven:
“Dividenduitkering 2012
Overigens moet je in (net als in voorgaande jaren) ook in 2012 sowieso een forfaitair rendement van 4% over de waarde van de aandelen aangeven. Bij een waarde van € 15 mio is deze fictieve dividenduitkering € 600k (€ 15 mio x 4%) Nu je hier toch belasting over betaalt (namelijk 25% x € 600k = € 150k) adviseren wij om dit bedrag van € 600k sowieso uit te keren vóór je emigratie. Als dit dan op een geblokkeerde rekening wordt gezet, is weer een deel van de zekerheidsstelling gedekt. Ook verlaag je hiermee het eigen vermogen van [NV1] op het moment van emigratie en dus de op te leggen conserverende aanslag - en de hoogte van de zekerheidsstelling.”
2.8.
Belanghebbendes belastingadviseur heeft in een e-mailbericht van 25 juni 2013 onder meer het volgende aan belanghebbende geschreven:
“We hebben even gekeken naar de 'openstaande items' voor jou in privé voor de jaren 2010, 2012 en 2013. Het gaat om de volgende punten. (…)
Aangifte IB 2012
Verder willen we graag jouw aangifte inkomstenbelasting voor 2012 opstellen, i.e. de zogenaamde exit aangifte. Laten we dit op korte termijn oppakken gezien de mogelijke discussie over de waardering van jouw aandelenbelang op emigratiedatum en de te stellen zekerheden in dit kader (zie ook onze bijgesloten mail dd 9 november 2012 in dit kader). Dan weet je ook eerder waar je aan toe bent.
Voor de emigratiedatum houden we 17 december 2012 aan, i e. de datum dat je je in Nederland hebt uitgeschreven. Heb je al de IB gegevens voor 2012 beschikbaar? Het gaat dan om:
  • de 2012 balans van [NV1] ,
  • (WOZ) waarde 2012 [plaats] ,
  • de waarde van het box III vermogen op 1/1/2012 hebben we al, dit is immers gelijk aan de waarden op 31/12/2011. Deze waarden zijn voldoende voor de 2012 aangifte. Indien je ons echter ook de waarden op 31/12/2012 cq 1/1/2013 stuurt, dan kunnen we gelijk de aangifte 2013 opstellen - nadat voor 2012 alles in afgerond uiteraard.”
2.9.
Belanghebbende heeft bij zijn e-mailbericht van 6 november 2013 de jaarrekening van [NV1] van het jaar 2012 toegestuurd aan zijn belastingadviseur. De balans luidt als volgt:
Activa(in €): 2012 2011
Financiële vaste activa
Deelnemingen 235.326 235.326
Effecten en obligaties
9.146.223 9.615.300
Totaal 9.381.549 9.850.626
Vlottende activa
Leningen 5.000.000
Andere vorderingen 39.297 1.232
Kas
(3.941) 1.354.648
Totaal 5.035.356 1.355.880
Totaal activa
14.416.904 11.206.506
Passiva(in €):
Kapitaal en reserves
Nominaal kapitaal 4.485 4.485
Agio 2.941.677 2.941.677
Winstreserves 8.253.299 4.027.890
Dividend (421.000)
Resultaat lopend jaar
3.604.519 4.225.409
Totaal 14.382.980 11.199.461
Verplichtingen
Te betalen winstbelasting 26.597
Overige crediteuren
7.326 7.045
Totale verplichtingen 33.923 7.045
Totaal passiva
14.416.904 11.206.506
Toelichting op de jaarrekening eindigend op 31 december 2012
Belangrijke boekhoudkundige beginselen
a) Grondslag van de boekhouding
De jaarrekening van de onderneming is opgesteld in overeenstemming met de toepasselijke boekhoudkundige beginselen.
Activa en passiva zijn opgenomen tegen historische kosten en vermeld tegen hun nominale waarde, tenzij anders vermeld.
(…)
2.10.
Op 4 maart 2014 heeft de [buitenlandse3] vennootschap [AB1] de aandelen in [LTD2] gekocht van [NV1] . Daarnaast heeft [AB1] de activa en de passiva van [NV4] en [NV5] overgenomen. In een persbericht van 7 februari 2014 van [AB1] is vermeld dat [AB1] € 100 miljoen betaalt, waarvan € 60 miljoen in eigen aandelen en € 40 miljoen contant. Dit komt overeen met een prijs van EBIT [1] (2013) maal 4,5. De prijs kan volgens het persbericht uiteindelijk nog oplopen tot € 145 miljoen (EBIT maal 6,6), afhankelijk van de ontwikkelingen in Nederland op het gebied van online kansspelen. [AB1] verwacht uiteindelijk € 130 miljoen (EBIT maal 5,9) te zullen betalen. In het persbericht is het volgende vermeld:
“ [AB1] acquires leading casino operator on the Dutch market
[AB1] acquires a private online gaming group (" [casino1] and [casino2] ") based in [buitenland4] consisting of [casino1] , [casino2] and an affiliate business. The companies are primarily targeting the Dutch market, but [casino2] also has a presence in [buitenland5] .
"With this acquisition, [AB1] gains a strategic position in the Netherlands and become one of the biggest players on the Dutch market which is expected to be re-regulated during 2015. This would give [AB1] ’s profits from locally-regulated markets exceeding 25% of the group’s total profit. The deal also gives [AB1] a larger and more significant presence in continental Europe", said [naam3] , President and CEO of [AB1] .
In 2013, revenues in [casino1] and [casino2] amounted to EUR 32.5 million with an EBIT of EUR 22.1 million, equivalent to an EBIT margin of 67,8%. Registered customers amount to 209 000.
In addition to incremental earnings, the transaction contributes with more than 300 new domains, a [buitenland5] license and a number of proprietary developed and exclusive casino games. [AB1] acquires [casino1] and [casino2] from three entrepreneurs. They will continue as external advisors to [AB1] . [AB1] has also secured other key employees to remain with the business.
[AB1] acquires a combination of shares and assets from the sellers for an initial purchase consideration amounting to EUR 100 million (enterprise value), of which EUR 60 million are payable in [AB1] shares and the remaining 40 million is payable in cash. The initial purchase consideration corresponds to 4.5 times EBIT in 2013.
In addition to the initial purchase consideration, a remaining purchase consideration may become payable, based on the outcome of the anticipated re-regulation in Holland. A more attractive re-regulation for [casino1] and [casino2] will trigger a higher remaining amount to be settled by [AB1] . The maximum remaining purchase consideration amounts to EUR 45 million, which implies a maximum total purchase consideration of EUR 145 million, which corresponds to 6.6 times EBIT for 2013.
However, the expected remaining purchase consideration is EUR 30 million, representing a total purchase consideration of EUR 130 million, corresponding to 5.9 times EBIT for 2013.
[AB1] estimates that the acquisition and integration costs will not exceed SEK 30.0 million over the next 12 months. In addition to these costs further depredation of immaterial assets will be triggered, in conjunction with [AB1] 's previous acquisitions, these have no cash flow impact.
The acquisition is financed through equity, own generated cash and a newly secured EUR 90 million bank fadlity. The funding creates flexibility for the future and will also be used to repay current outstanding debt.
The shares issued as payment in kind as part of the purchase consideration are issued under the authorization that the board in [AB1] has from the Annual General Meeting. The price for the shares will be determined based on [AB1] 's share price before the completion of the transaction.
The acquisition is subject to customary regulatory approvals, and closing is expected to take place during first quarter 2014.”
2.11.
De belastingadviseur van belanghebbende heeft op 22 april 2014 aangifte IB/PVV 2012 gedaan naar een voordeel uit aanmerkelijk belang van € 421.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 213.359. Het voordeel uit aanmerkelijk belang betreft een dividenduitkering van [NV1] . Ter berekening van het forfaitaire voordeel in de zin van artikel 4.13 Wet IB 2001 is belanghebbende uitgegaan van het eigen vermogen van [NV1] (van € 11.199.461) zoals vermeld in de balans van 2012 (zie 2.9). Het aldus berekende forfaitaire voordeel (van € 410.646) bedraagt minder dan de daadwerkelijke dividenduitkering van € 421.000, zodat geen forfaitair voordeel in aanmerking is genomen. De berekening in de aangifte IB/PVV 2012 luidt als volgt:
Waarde aandelen [NV1] op 1 januari 2012 € 11.199.461
Fictief rendement (4%) (art. 4.13 Wet IB 2001) € 447.978
Tijdsgelang (11 maanden) € 410.646
Minus: daadwerkelijk dividenduitkering -/- € 421.000
Fictief rendement 0
Regulier voordeel uit aanmerkelijk belang (dividend) € 421.000
2.12.
De belastingadviseur heeft in een e-mailbericht van 13 mei 2015 het volgende aan belanghebbende geschreven:
“Om niet allerlei vervolgvragen te krijgen, moeten we zo volledig mogelijk aanleveren. Vandaar dat ik je nog even moet lastig vallen.
SPF [naamstichting]
Ik zie de docs mbt de oprichting graag tegemoet.
Als ik het goed zie, is op 15 december 2008 besloten de SPF te liquideren/ontbinden. Volgens de jaarrekening tot en met december 2009 waren er inderdaad geen deelnemingen. Enkel beleggingen (Securities & Bonds) - waartegenover met name schulden staan.
Zijn er ook jaarrekeningen SPF [naamstichting] voor 2010-2012?
[NV1] en deelnemingen
De jaarrekeningen 2009 - 2012 van [NV1] hebben we inderdaad. Van de deelnemingen heb ik het volgende:
[NV3] - 2009 tot en met 2012
[NV5] -2009 tot en met 2011 - hier missen we dus nog 2012
[NV4] - 2009 tot en met 2011 - hier missen we dus nog 2012
[LTD1] . - 2009 tot en met 2011 - hier missen we dus nog 2012
[LTD4] . - 2009 tot en met 2011 - -hier missen we dus nog 2012
[LTD5] . - 2010 en 2011 - hier missen we dus nog 2012
Kan ik er vanuit gaan dat jij 2009 tot en met 2012 steeds hetzelfde belang had in deze vennootschappen?
Overigens had [NV1] volgens de JRR 2009 geen deelneming(en) van waarde op de balans (slechts voor € 1). SPF [naamstichting] had in 2009 echter ook geen deelneming. Wanneer zijn de deelnemingen van SPF [naamstichting] naar [NV1] gegaan en hoe is dit precies gelopen? Zoals je zult begrijpen moeten we ook dit goed inzichtelijk hebben om de brief te kunnen beantwoorden.”
2.13.
Belanghebbende heeft in een e-mailbericht van 13 mei 2015 als volgt gereageerd:
“Hieronder mijn opmerkingen/antwoorden.
- Een overzicht van de bezittingen en schulden van de deelnemingen van SPF [naamstichting] ;
Ik heb geen gegevens van deelnemingen.
- Verkrijgingsprijs van [NV1] en haar deelnemingen
[NV1] , [buitenland2] : USD 15000? weet ik niet zeker, maar dit bedrag staat me bij.
[NV4] , [buitenland2] : EUR 400
[NV5] , [buitenland2] : EUR 278
[LTD3] , [buitenland4] : EUR 234.648
- Jaarrekeningen 2009 tot heden van [NV1] en haar deelnemingen.
Van de deelnemingen heb ik niets, dus ook geen jaarrekeningen. Jaarrekeningen [NV1] heb je destijds allemaal van me gehad en zouden in je archief te vinden moeten zijn?
- Een kopie van de oprichtingsakte van SPF [naamstichting] ;
Ik heb alleen een "deed of assignment of founder's authorities".
@ [naam4] / [naam5] : die hebben jullie ook (USB). Is dat handig om die toe te voegen?
Of toch beter om die oprichtingsakte op te vragen? In de oprichtingsakte staat mijn naam niet.
- Een overzicht van de bezittingen en schulden van SPF [naamstichting] ;
De jaarrekening van 2009 is toegevoegd.
Ik heb alleen deze Draft.
  • Een structuurschema ten aanzien van SPF [naamstichting] , inclusief (middellijke) deelnemingen en tussentijdse wijzigingen.
  • Een structuurschema ten aanzien van [NV1] , inclusief (middellijke) deelnemingen en tussentijdse wijzigingen;
Deze liggen in elkaars verlengde en heb ik samengevoegd in corpsetup.pdf (toegevoegd)”
2.14.
Op 6 juli 2017 heeft de Inspecteur de onderhavige aanslag IB/PVV 2012 aan belanghebbende opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.525.365 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 191.263. Het voordeel uit aanmerkelijk belang betreft een forfaitair voordeel in de zin van artikel 4.13 Wet IB 2001 ter zake van de aandelen in [NV1] . De Inspecteur heeft het forfaitaire voordeel uit aanmerkelijk belang als volgt berekend:
EBIT (jaar-rekening 2011)
Multiplier
Waarde
Zichtbaar
Intr. waarde
Bezit [NV1]
Waarde [NV1]
[LTD2]
13.120.321
6,6
86.594.119
7.548.686
25%
23.535.701
[NV4]
2.356.593
6,6
15.553.514
4.175.422
33,33%
6.575.654
[NV5]
157.686
6,6
1.040.728
769.708
25%
452.609
30.563.964
Zichtbaar EV [NV1]
11.272.210
Af: waardering deelneming
-/- 235.322
WEV [NV1] per 1-1-2012
41.600.852
Forfaitair voordeel (volledig jaar)
4%
1.664.034
Forfaitair voordeel 11 maanden
1.525.365
Af: (aangegeven) werkelijk dividend
-/- 421.000
Correctie forfaitair voordeel [NV1]
1.104.365
2.15.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2012 en de beschikking belastingrente. Bij uitspraak op bezwaar van 13 februari 2018 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2012 en de beschikking belastingrente gehandhaafd.
2.16.
Belanghebbende is tegen die uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen. Tijdens de beroepsfase heeft belanghebbende een ongedateerd rapport ingebracht van [naam6] en [naam7] van [BV1] , waarin onder meer wordt geconcludeerd dat de uitkomsten van de berekeningen zoals die door de Inspecteur zijn gemaakt, niet een weerspiegeling vormen van de waarde in het economische verkeer van de minderheidsbelangen die [NV1] heeft in [LTD2] , [NV5] en [NV4] . In het rapport worden geen eigen waardebepalingen gegeven.
2.17.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, dat daarom aanleiding bestaat voor omkering en verzwaring van de bewijslast, dat het voordeel uit aanmerkelijk belang evenwel niet berust op een redelijke schatting en dat daarom dat voordeel moet worden verminderd tot € 1.209.282 (op basis van EBIT maal 4,5). Verder heeft de Rechtbank de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd en belanghebbende vanwege overschrijding van de redelijke termijn een schadevergoeding van € 500 toegekend.
2.18.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, waarna de Inspecteur een verweerschrift heeft ingediend en incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
2.19.
In het incidentele hogerberoepschrift heeft de Inspecteur gewezen op bijlage 41 (verslag derdenonderzoek bij [derde partij1] ) en bijlage 42 (e-mailcorrespondentie met onderhandelaar [derde partij1] ) bij zijn verweerschrift in eerste aanleg, waarin diverse keren over een zogenoemde multiplier wordt gesproken in het kader van een mogelijke verkoop, namelijk:
“- In 2009: in de onderhandelingen met [derde partij1] (derde partij) wordt gesproken over een EBIT vermenigvuldigd met multiplier 7 tot 8;
- In juli 2010: bod door [derde partij2] (derde partij) EBIT 4,0 (indien in aandelen). Dit bod is niet geaccepteerd door aandeelhouder(s) gaming-groep;
- In juli 2010: bod door [derde partij2] (derde partij) EBIT 4,5 (indien in cash). Dit bod is niet geaccepteerd door aandeelhouder(s) gaming-groep;
- In april 2011: waarde volgens aandeelhouder(s) gaming-groep EBIT x 7 (ongereguleerde markt);
- In april 2011: waarde volgens aandeelhouder(s) gaming-groep EBIT x 9 (gereguleerde markt);
- In juli 2011: volgens aandeelhouder(s) gaming-groep ligt er een bod van [derde partij1] van EBIT x 7;
- In september 2011: in de onderhandeling met [derde partij3] wordt gesproken over een multiplier van 8.”
2.20.
Nadat partijen op 19 juli 2021 waren uitgenodigd voor de zitting van het Hof op 16 september 2021, heeft belanghebbendes gemachtigde verzocht de zaak aan te houden in verband met de inbeslagname van stukken van belanghebbende.
2.21.
In reactie op een brief van het Hof heeft belanghebbendes gemachtigde op 3 november 2023 meegedeeld dat ondanks de verzoeken daartoe er nog geen zicht is op teruggaaf van de in beslag genomen stukken en bescheiden.
2.22.
In reactie op een bericht van het Hof heeft belanghebbendes gemachtigde op 1 oktober 2025 meegedeeld dat hij in onderhavige zaak niet langer als gemachtigde optreedt. Belanghebbende heeft zelf aan het Hof laten weten dat er nog steeds geen zicht is op teruggaaf van de in beslag genomen stukken en bescheiden
.
2.23.
Het Hof heeft 14 januari 2026 een zogenoemde regiezitting gehouden om met partijen te overleggen hoe de zaak verder zal worden behandeld. Op deze zitting is aan partijen meegedeeld dat de zaak op 18 maart 2026 inhoudelijk wordt behandeld.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de aanslag IB/PVV 2012 tot een te hoog bedrag is opgelegd.
3.2.
Belanghebbende betoogt primair dat hij door het aangeven van een voordeel uit aanmerkelijk belang van € 421.000 de vereiste aangifte heeft gedaan, zodat geen sprake kan zijn van omkering en verzwaring van de bewijslast. Subsidiair betoogt belanghebbende dat het door de Rechtbank verminderde voordeel uit aanmerkelijk belang nog steeds niet is gebaseerd op een redelijke schatting.
3.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende een te laag voordeel uit aanmerkelijk belang heeft aangegeven, en dat daarom de vereiste aangifte niet is gedaan en de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. In het incidentele hoger beroep stelt de Inspecteur dat het door hem vastgestelde voordeel uit aanmerkelijk belang weldegelijk is gebaseerd op een redelijke schatting en dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de schatting of de daarvoor gebruikte gegevens onjuist zijn.
3.4.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag overeenkomstig de gedane aangifte. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4.Beoordeling van het geschil

Verzoek aanhouding zitting afgewezen
4.1.
Op de regiezitting heeft het Hof aangezegd dat de inhoudelijke behandeling ter zitting zal plaatsvinden op 18 maart 2026. Daarop heeft belanghebbende verzocht de behandeling ter zitting aan te houden totdat de – in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen belanghebbende plaatsgevonden – beslaglegging op zijn vermogen is opgeheven en hij weer in staat is beroepsmatige rechtsbijstand in te schakelen en te bekostigen.
4.2.
Naar belanghebbendes verklaring is de reden voor dit verzoek dat hij sinds 1 mei 2025 niet langer wordt bijgestaan door zijn advocaat-gemachtigde, dat vanwege de beslaglegging medio 2021 op zijn vermogen en de bevriezing daarvan door het Openbaar Ministerie hij niet in staat is zelf rechtsbijstand te bekostigen en hij bovendien geen aanspraak kan maken op gefinancierde rechtsbijstand aangezien zijn vermogen uitkomt boven de normen van de Raad voor Rechtsbijstand. Zoals op de regiezitting reeds medegedeeld, geeft het Hof geen gevolg aan dit verzoek tot aanhouding. Redengevend daarvoor is het volgende.
4.3.
Onderhavige procedure inzake de aanslag IB/PVV 2012 neemt al bijna negen jaren in beslag, waarbij de procedure in hoger beroep al meer dan 6 jaar duurt. Belanghebbendes advocaat-gemachtigde heeft op 20 januari 2020 een beroepschrift ingediend met daarin de gronden van het hoger beroep, waarna de Inspecteur in zijn verweerschrift van 17 april 2020 daarop inhoudelijk heeft gereageerd. Verder heeft belanghebbendes advocaat-gemachtigde op 15 mei 2020 inhoudelijk gereageerd op het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur. Vervolgens is op verzoek van belanghebbende de onderhavige procedure vanaf september 2021 aangehouden wegens de beslaglegging op stukken.
4.4.
Het belang van een voortvarende procesgang brengt mee dat het Hof de behandeling ter zitting in hoger beroep niet langer zal aanhouden. Naar het oordeel van het Hof weegt dit belang, gelet op voornoemde tijdspanne, zwaarder dan het belang van belanghebbende om zich ter zitting te laten bijstaan door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener. Bij deze afweging laat het Hof meewegen dat door belanghebbendes advocaat-gemachtigde de inhoudelijke gronden van het hoger beroep reeds begin 2020 zijn ingediend, dat deze advocaat-gemachtigde na ontvangst van het verweerschrift ruim 5 jaar in de gelegenheid is geweest daarop te reageren, dat door belanghebbendes toedoen de behandeling ter zitting al bijna 4,5 jaar is aangehouden en dat volgens belanghebbende geen zicht bestaat op verandering in de huidige situatie van beslaglegging en bevriezing.
4.5.
Daarbij komt nog dat onvoldoende is komen vast te staan over de beslaglegging op en de bevriezing van belanghebbendes vermogen, alsmede over het verzoek en de afwijzing van het verzoek om gefinancierde rechtsbijstand, om daaruit de gevolgtrekking te kunnen maken dat belanghebbende daadwerkelijk niet in staat is rechtsbijstand te bekostigen, ook niet door bijdragen of ter leen verstrekte bedragen van anderen. Deze twijfel wordt verder gevoed door de vaststelling dat belanghebbende en zijn partner zeer wel in staat zijn gebleken om per trein (eerste klasse, kosten ruim € 2.000 per keer) vanuit de woonplaats in [buitenland1] tweemaal naar de zitting in Arnhem te reizen.
4.6.
Verder heeft belanghebbende betoogd dat hij door de beslaglegging door het Openbaar Ministerie op zijn administratie en die van de betrokken rechtspersonen, hij niet in staat is zich effectief te verweren in deze procedure. Ook dit algemene betoog kan niet slagen. Zonder nadere motivering en onderbouwing, die belanghebbende niet heeft gegeven, is niet duidelijk over welke stukken hij zou kunnen beschikken zonder de beslaglegging, die van belang zouden kunnen zijn om in onderhavige procedure effectief verweer te kunnen voeren. Ook overigens valt aan het dossier geen enkele aanwijzing te ontlenen dat belanghebbende door de beslaglegging in zijn verdedigingsbelang is geschaad.
Vereiste aangifte
4.7.
Voor de vraag of de onderhavige aanslag tot een juist bedrag is opgelegd, onderzoekt het Hof eerst of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard wegens het niet doen van de vereiste aangifte.
4.8.
Artikel 27e AWR, in samenhang gelezen met artikel 27h, lid 2, AWR, schrijft dwingend de omkering en verzwaring van de bewijslast voor, onder meer indien de vereiste aangifte niet is gedaan.
4.9.
Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Bij de beoordeling of aan deze maatstaf is voldaan, dienen alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. [2]
4.10.
Het forfaitaire reguliere voordeel als bedoeld in artikel 4.13 Wet IB wordt gesteld op 4% per jaar van de waarde in het economische verkeer die bij het begin van het kalenderjaar aan de tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen kan worden toegekend.
4.11.
Vaststaat dat de aandelen [NV1] tot het aanmerkelijk belang van belanghebbende behoren en dat op de balans van [NV1] voor de jaren 2009 tot en met 2012 de deelnemingen telkens op een nominale waarde (verkrijgingsprijs) van € 235.326 zijn gewaardeerd (zie 2.9 en 2.13).
4.12.
Belanghebbende is in zijn aangifte IB/PVV 2012 voor de berekening van het forfaitaire voordeel uitgegaan van een waarde van de aandelen [NV1] (ad € 11.199.461) die is gebaseerd op het eigen vermogen van [NV1] , zoals blijkt uit de balans van 2012 (zie 2.9). Dit eigen vermogen is het resultaat van de bezittingen (activa) verminderd met de schulden. Tot de activa behoren de deelnemingen die op de balans van 2012 – maar ook in de voorafgaande jaren (zie 4.11) – op een nominale waarde (verkrijgingsprijs) van € 235.326 zijn gewaardeerd.
4.13.
Opmerking verdient dat bij een waardebepaling als in het onderhavige geval rekening moet worden gehouden met een bepaalde bandbreedte waarbinnen een waarde van de aandelen verdedigbaar is. Naar het oordeel van het Hof had per 1 januari 2012 aan de deelnemingen tezamen echter een waarde in het economische verkeer van ten minste € 4 miljoen dienen te worden toegekend. Richtinggevend voor deze ondergrens zijn de dividenduitkeringen – van tussen € 2.482.956 en € 4.582.119 – die jaarlijks door [NV1] van deze deelnemingen zijn ontvangen in de jaren 2009 tot en met 2012 (zie 2.4), op basis waarvan met een Discounted Cash Flow-benadering [3] de waarde van de deelnemingen kan worden benaderd. Verder kent het Hof daarbij betekenis toe aan de opmerking van belanghebbendes belastingadviseur in zijn e-mailbericht van 25 oktober 2012 dat de waarde van de aandelen nu op zo’n € 15 miljoen kan worden gesteld (zie 2.6) en in zijn e-mailbericht van 9 november 2012 dat bij een waarde van € 15 miljoen de fictieve dividenduitkering € 600.000 bedraagt (zie 2.7). Voorts laat het Hof bij dit bewijsoordeel meewegen de koopsom van € 100 miljoen die de [buitenlandse3] vennootschap [AB1] begin 2014 heeft betaald voor de overname van het volledige belang – waaronder de indirecte minderheidsbelangen van belanghebbende (zie 2.3) – in de deelnemingen [LTD2] , [NV4] en [NV5] (zie 2.10).
4.14.
Vervolgens is de vraag aan de orde of dit gebrek ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting in absolute en relatieve zin aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.
4.15.
Belanghebbende heeft een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang aangegeven van € 421.000, terwijl dit ten minste € 550.000 (4% van € 15 miljoen x 11/12) had moeten zijn. Dit inhoudelijke gebrek leidt reeds ertoe dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Bovendien is het bedrag van de inkomstenbelasting dat daardoor niet zou worden geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk. [4]
4.16.
Vervolgens is de vraag of belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat als gevolg van die aangifte een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting niet zou worden geheven. [5] In dat verband worden kennis en inzicht van de belastingadviseur(s) aan wie belanghebbende het doen van de aangifte IB/PVV 2012 heeft overgelaten en die anderszins behulpzaam zijn geweest bij de nakoming van zijn verplichting tot het doen van aangifte, aan belanghebbende toegerekend. [6]
4.17.
Naar het oordeel van het Hof wist belanghebbendes belastingadviseur ten tijde van het doen van de aangifte of moest hij zich er op dat moment van bewust zijn geweest dat een (jaarlijkse) waardering van de deelnemingen op de nominale waarde (verkrijgingsprijs) van € 235.326 (zie 4.11) onjuist was waardoor een aanzienlijk bedrag aan inkomstenbelasting niet zou worden geheven.
4.18.
Dat de belastingadviseur wist dat door de aangifte een aanzienlijk bedrag aan inkomstenbelasting niet zou worden geheven, leidt het Hof af uit het e-mailbericht van 1 december 2011 (zie 2.5) waarin de belastingadviseur aan belanghebbende heeft geschreven dat het forfaitaire rendement in box 2 ‘wordt berekend op 4% van de waarde in het economische verkeer (i.e. de werkelijke- of verkoopwaarde) van de aandelen [NV1] op 1 januari van ieder jaar’ en dat op basis van de balans 2011 een bedrag aan € 69.740 verschuldigd zou zijn, ‘los van het feit dat de waarde in het economische verkeer wellicht hoger (of lager) is’. Dit kan eveneens worden afgeleid uit het e-mailbericht van 9 november 2012 (zie 2.7) waarin de belastingadviseur aan belanghebbende heeft geschreven dat ook in 2012 sowieso een forfaitair rendement van 4% over de waarde van aandelen moet worden aangegeven, en dat bij een waarde van € 15 miljoen deze fictieve dividenduitkering € 600.000 (4% van € 15 miljoen) bedraagt.
4.19.
Verder is in ieder geval aan het vereiste van de geobjectiveerde bewustheid voldaan, nu de belastingadviseur beroepsmatig rechtsbijstand aan belanghebbende heeft verleend en voor dermate deskundig moet worden gehouden dat hij niet redelijkerwijs kon menen juist te handelen door aan de aangifte het standpunt ten grondslag te leggen dat voor het forfaitaire rendement in box 2 de nominale waarde (verkrijgingsprijs) van de deelnemingen in aanmerking kan worden genomen.
4.20.
Het vorenstaande brengt mee dat belanghebbende niet de vereiste aangifte IB/PVV 2012 heeft gedaan, ten gevolge waarvan voornoemde bewijsregel van artikel 27e AWR (omkering en verzwaring van de bewijslast) van toepassing is.
Redelijke schatting
4.21.
De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De belastingaanslag dient te berusten op een redelijke schatting.
4.22.
Daarbij komt het erop aan dat de inspecteur de hoogte van zijn schatting zodanig onderbouwt met feitelijke stellingen, dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. De beoordeling of een schatting redelijk (niet willekeurig) is, gaat niet zover dat de inspecteur feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken die meebrengen dat de door hem gemaakte schatting overeenkomt met de werkelijk verschuldigde belasting. Een zo ver gaande eis zou de omkering van de bewijslast ongedaan maken. Juist vanwege het gebrek aan informatie voor de inspecteur, dat heeft geleid tot omkering en verzwaring van de bewijslast, zal hij bij zijn schatting op basis van gegevens waarover hij wel beschikt, binnen de grenzen van de redelijkheid een zekere – van de omstandigheden van het geval afhankelijke – beoordelingsruimte moeten hebben. [7]
4.23.
De Inspecteur heeft voor de correctie van het voordeel uit aanmerkelijk belang de waarde in het economische verkeer van de aandelen in [NV1] gebaseerd op [8] (i) het in de jaarstukken zichtbare eigen vermogen van [NV1] en de deelnemingen, (ii) de door [NV1] ontvangen jaarlijkse dividenduitkeringen van de deelnemingen (zie 2.4), en (iii) de verkooptransactie van de (activa en passiva van de) deelnemingen die begin 2014 met koper [AB1] is afgerond (zie 2.10). Om de waarde in het economische verkeer van de deelnemingen te benaderen, heeft de Inspecteur een bedrag van EBIT maal multiplier 6,6 in aanmerking genomen (zie 2.14). Deze benadering komt overeen met de maximale prijs (EBIT maal 6,6) die [AB1] begin 2014 bereid was te betalen voor de deelnemingen. Verder heeft de Inspecteur gewezen op de multipliers – variërend van 4 tot 9 – waarover in 2009 tot en met 2011 door onderhandelaars werd gesproken in het kader van een mogelijke verkoop (zie 2.19). Gelet op deze onderbouwing van de schatting kan niet worden gezegd dat de correctie onredelijk of willekeurig is vastgesteld.
Verzwaard tegenbewijs
4.24.
Indien en voor zover een belanghebbende de juistheid van de voor de schatting gebruikte gegevens of de juistheid van de schatting van de Inspecteur anderszins betwist, dient hij daarvoor tegenbewijs te leveren op de in artikel 27e AWR bedoelde wijze. [9] Dat betekent dat op belanghebbende een zwaardere bewijslast drukt, inhoudende dat hij op overtuigende wijze moet aantonen – hetgeen impliceert dat elke redelijke twijfel moet zijn uitgesloten [10] – dat de schatting van de Inspecteur of de daarvoor gebruikte gegevens onjuist zijn.
4.25.
Belanghebbende is met zijn stellingen – die met name zijn gebaseerd op het rapport van [BV1] (zie 2.16) – omtrent de correctie, niet geslaagd in de zwaardere bewijslast op grond van artikel 27e AWR. In dat verband weegt mee dat in voornoemd rapport geen eigen waardebepaling is gegeven. Ook met de blote stelling dat sprake is van een ‘waterscheiding’ in verband met de bekendmaking van kabinetsplannen op 23 mei 2013, waardoor de verkoop aan [AB1] in 2014 en de daarbij gehanteerde multiplier niet maatgevend kan zijn voor de waardebepaling op 1 januari 2012, is belanghebbende niet geslaagd in de verzwaarde bewijslast, zeker niet nu de Inspecteur deze stelling gemotiveerd heeft betwist onder verwijzing naar de multipliers waarover in 2009 tot en met 2011 door onderhandelaars werd gesproken in het kader van een mogelijke verkoop (zie 2.19). Dit brengt mee dat de aanslag zoals door de Inspecteur is vastgesteld – en anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld – in stand blijft.
Belastingrente
4.26.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Nu de door de Inspecteur vastgestelde aanslag wordt gehandhaafd, dient ook de in rekening gebrachte belastingrente van € 10.853 te worden gehandhaafd.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
4.27.
Belanghebbendes gemachtigde heeft in het hogerberoepschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijving van de redelijke termijn in hoger beroep.
4.28.
De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als het gerechtshof niet binnen twee jaar uitspraak doet na het moment dat het gerechtshof het hogerberoepschrift heeft ontvangen. Voor het bedrag aan schadevergoeding wordt uitgegaan van een tarief van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
4.29.
Vast staat dat het hogerberoepschrift op 20 januari 2020 door het Hof is ontvangen en dat op 28 april 2026 onderhavige uitspraak in hoger beroep is gedaan. Dit brengt een overschrijding van de redelijke termijn mee van bijna vier jaar en vier maanden. Het tijdsverloop tussen belanghebbendes verzoek kort na 19 juli 2021 om aanhouding van de zaak in hoger beroep en de regiezitting op 14 januari 2026, ofwel een periode van vier jaar en zes maanden, dient echter als bijzondere omstandigheid buiten beschouwing te blijven. Daardoor resteert geen overschrijding van de redelijke termijn, zodat het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur gegrond.

5.Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof:
- verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;
- verklaart het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade in hoger beroep af; en
- bevestigt de uitspraak op bezwaar.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.EBIT = earnings before interest and taxes.
2.HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312.
3.Vgl. p. 4 en 5 van het in 2.16 genoemde rapport dat door belanghebbende is ingebracht.
4.De volgens de aangifte verschuldigde inkomstenbelasting bedraagt:
5.HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312, r.o. 2.3.2.
6.HR 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD3566; HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663.
7.HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093, r.o. 3.2.
8.Zie de aankondigingsbrief van de Inspecteur van 28 juni 2017.
9.HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, r.o. 3.5.
10.HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2.