ECLI:NL:HR:2023:1093
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over redelijke schatting en bewijslast in inkomstenbelastingzaak
Belanghebbende werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, naheffingsaanslagen omzetbelasting en boetebeschikkingen over de jaren 2005 en 2008 tot en met 2013. De Inspecteur baseerde zijn aanslagen mede op een vermogensvergelijking, waarbij onder meer een horloge met een getaxeerde waarde van € 68.000 en kledinguitgaven werden betrokken.
Het hof oordeelde dat de Inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat het horloge aan belanghebbende toebehoorde, maar achtte de schatting van het belastbaar inkomen op basis van het horloge toch redelijk. Voor de kledinguitgaven corrigeerde het hof het bedrag van € 5.000 naar € 2.500 per jaar. Het hof stelde vast dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan.
De Hoge Raad stelt dat het oordeel van het hof over de redelijke schatting van het inkomen op basis van het horloge tegenstrijdig is met het oordeel dat het horloge niet aan belanghebbende toebehoorde. Hierdoor kan het oordeel over de redelijke schatting niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het betrekking heeft op de aanslagen en boetes over 2013 en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling.
Verder oordeelt de Hoge Raad over de kledinguitgaven dat de schatting van het hof op € 2.500 per jaar niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad vermindert de boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn met 5% en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor de aanslagen en boetes over 2013 en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.