Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2740

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
24/1565
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:29 AwbArt. 27e AWRArt. 27h AWRArt. 2.17 lid 4 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vaststelling en verdeling inkomen uit aanmerkelijk belang en terbeschikkingstellingsverlies

Belanghebbende was het niet eens met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2017, met name over de hoogte en verdeling van het inkomen uit aanmerkelijk belang en de toekenning van een terbeschikkingstellingsverlies. De rechtbank had de aanslag verminderd en de Inspecteur veroordeeld tot proceskostenvergoeding. Zowel belanghebbende als de Inspecteur gingen in hoger beroep.

Het Hof oordeelt dat belanghebbende geen terbeschikkingstellingsverlies kan claimen omdat hij geen verhaalsrecht op de vennootschap [werkmaatschappij2] heeft aangetoond. Ook acht het Hof de vermindering van het inkomen uit aanmerkelijk belang door de rechtbank onjuist, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een schuld van de vennootschap aan een schuldeiser heeft overgenomen. De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat belanghebbende aanzienlijke bedragen aan winstuitdelingen heeft onttrokken die niet in de aangifte zijn opgenomen.

Verder oordeelt het Hof dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, waardoor de bewijslast is omgekeerd en verzwaard. De Inspecteur heeft een redelijke schatting gemaakt van het inkomen uit aanmerkelijk belang. De verdeling van het inkomen uit aanmerkelijk belang wordt conform het verzoek van belanghebbende en zijn partner vastgesteld, maar leidt niet tot een hogere aanslag dan eerder vastgesteld. De beschikking belastingrente wordt gehandhaafd. Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur wordt toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24 /1565
uitspraakdatum: 21 april 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[plaats](hierna: belanghebbende)
en het incidentele hoger beroep van
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 juli 2024, nummer ARN 21/2131, ECLI:NL:RBGEL:2024:4510, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.028 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 430.425. Bij beschikking is € 1.633 aan belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.028 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 292.768, en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.030 aan proceskosten aan belanghebbende en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht moet vergoeden.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. P.C.L.L. Steeghs, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mr. [naam1] , alsmede mr. [naam2] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. Ter zitting is de zaak van belanghebbende gezamenlijk behandeld met het hoger beroep van [partner] , de fiscaal partner van belanghebbende, met het zaaknummer BK-ARN 24 /1564.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is fiscaal partner van [partner] (hierna: de partner). Zij waren tot 14 december 2020 eigenaar van een woning aan de [woonadres] te [plaats] . De partner van belanghebbende heeft een zoon [stiefzoon] (hierna: de stiefzoon).
2.2.
Belanghebbende is houder van alle aandelen in [holding] B.V. (hierna: [holding] ). [holding] had tot 1 december 2020 (onder meer) een pand aan de [vestigingsadres1] en [vestigingsadres2] te [plaats] in haar bezit. [holding] houdt sinds de datum van oprichting, 23 mei 2017, alle aandelen in [werkmaatschapij1] B.V. (hierna: [werkmaatschapij1] ).
2.3.
Tot 20 juli 2017 hield belanghebbende tevens alle aandelen in [werkmaatschappij2] B.V. (hierna: [werkmaatschappij2] ). De verkrijgingsprijs van de aandelen [werkmaatschappij2] bedroeg € 20.000. Het eigen vermogen van [werkmaatschappij2] op 31 december 2016 bedroeg blijkens de (concept)balans van [werkmaatschappij2] per die datum € 880.859.
2.4.
Tot de gedingstukken behoort een kredietovereenkomst tussen [naambank] N.V. (hierna: [naambank] ) enerzijds en [werkmaatschappij2] en [holding] anderzijds van 1 maart 2017. De kredietovereenkomst betreft een voortzetting van een bestaande kredietovereenkomst van 5 januari 2017. Uit onderdeel 2.3. van deze overeenkomst volgt dat [werkmaatschappij2] , [holding] en belanghebbende hoofdelijk verbonden zijn voor de schulden uit hoofde van de kredietovereenkomst. Betreffende deze hoofdelijke aansprakelijkheid is in de kredietovereenkomst verder nog het volgende vermeld:

Hoofdelijke verbondenheid
[belanghebbende] , wonende te [plaats] , verklaart hierbij hoofdelijk verbonden te zijn voor alle vorderingen die de bank heeft of later zal hebben op basis van deze kredietovereenkomst op alle partijen genoemd op de eerste pagina onder 1. Dit betekent dat de bank [belanghebbende] kan verplichten deze vorderingen te voldoen. Bovenstaande verklaring is een aanvulling op, wijziging en/of voortzetting van de hoofdelijke verbondenheid uit de kredietovereenkomst van 5 januari 2017.”
2.5.
Op 5 juli 2017 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd bij [holding] naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonheffingen over de jaren/tijdvakken 2012 tot en met 2015. Eveneens op 5 juli 2017 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek bij [werkmaatschappij2] aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonheffingen over de jaren/tijdvakken 2014 tot en met 2015.
2.6.
Bij verkoopovereenkomst getekend op 20 juli 2017 heeft belanghebbende de aandelen [werkmaatschappij2] verkocht aan [naam4] (hierna: [naam4] ). In de verkoopovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 2. Koopsom
De koopsom voor 100% van de aandelen in de vennootschap bedraagt € 1.000 (zegge: duizend euro). (…)
Artikel 6. Overnamebalans en gebeurtenissen na balansdatum
De koop van de aandelen vindt plaats naar de toestand van de vennootschap per overnamebalansdatum. De overnamebalansdatum stellen koper en verkoper vast op 31 december 2016. Aan deze overeenkomst is de overnamebalans (jaarrekening 2016) gehecht (bijlage 1). Koper heeft inzage gehad in de balans en administratie van de vennootschap om de juistheid van de overnamebalans vast te kunnen stellen. Koper is op de hoogte van de gebeurtenissen na de overnamebalansdatum en is op de hoogte van de (ook) na balansdatum ontstane schulden (waaronder begrepen openstaande facturen, claims en aanhangige procedures). Koper en verkoper wensen ter voorkoming van misverstanden zowel in deze overeenkomst als in de akte van levering van de aandelen te vermelden dat de vennootschap op dit moment de navolgende schulden bezit (alle bedragen zijn in euro's inclusief BTW en exclusief rente, incasso- en procedurekosten tenzij anders wordt vermeld)
(…)
Schuldeiser / crediteur
Bedrag
(…)
[schuldeiser1] gevestigd te [vestigingsplaats]
€ 380.178,92”
2.7.
Bij akte verleden op eveneens 20 juli 2017 zijn de aandelen [werkmaatschappij2] geleverd aan [naam4] .
2.8.
Op 14 november 2017 is het faillissement van [werkmaatschappij2] uitgesproken.
2.9.
[naambank] heeft bij brief van 21 november 2017 aan de curator in het faillissement van [werkmaatschappij2] de in 2.4. genoemde kredietfaciliteit met onmiddellijke ingang opgezegd en de eventuele leningen opgeëist. [naambank] heeft de curator verzocht een vordering op [werkmaatschappij2] van € 1.403.735,92 op de lijst van (voorlopig) erkende schuldeisers te zetten.
2.10.
Bij brief van 12 december 2018 heeft de Inspecteur aan belanghebbende onder meer laten weten voornemens te zijn een voorlopige aanslag IB/PVV 2017 aan belanghebbende en zijn partner op te leggen naar een gemeenschappelijk belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van in het totaal € 860.850. De Inspecteur heeft verder in de brief vermeld dat het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang gelijkelijk zal worden verdeeld over belanghebbende en zijn partner. De Inspecteur heeft vervolgens met dagtekening
8 februari 2019 een voorlopige aanslag IB/PVV opgelegd aan belanghebbende naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.576, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 430.425 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.435.
2.11.
Belanghebbende heeft op 30 april 2019 een aangifte IB/PVV 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.028, en een gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang van € 589.156 (waarvan toegerekend aan belanghebbende € 580.000, en aan zijn partner € 9.156). Onderdeel van het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende is een resultaat uit terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen (een werkkamer) van € 21.934 (voor toepassing van de terbeschikkingstellingsvrijstelling). Onderdeel van het gemeenschappelijk belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van belanghebbende en zijn partner zijn reguliere voordelen (uit [werkmaatschappij2] ) van € 608.156, en een vervreemdingsvoordeel van negatief € 19.000 (€ 608.156 -/- € 19.000 = € 589.156) in verband met de vervreemding van de aandelen [werkmaatschappij2] door belanghebbende.
2.12.
De Inspecteur heeft overeenkomstig de in 2.11. vermelde aangifte met dagtekening
22 juni 2019 een (tweede) voorlopige aanslag IB/PVV 2017 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.028, en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 580.000. Het totaalbedrag aan te betalen IB/PVV bedraagt volgens deze voorlopige aanslag – na verrekening van heffingskortingen en voorheffingen –
€ 136.177.
2.13.
Ter beëindiging van een tussen [naambank] enerzijds en [holding] anderzijds bestaand geschil is in een proces-verbaal van de zitting van 24 augustus 2020 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (afdeling civiel, handel) een vaststellingsovereenkomst tussen partijen neergelegd, inhoudende dat [holding] , belanghebbende en zijn partner een schuld aan [naambank] moeten hebben afgelost op uiterlijk 30 november 2020, bij gebreke waarvan [naambank] zal overgaan tot executoriale verkoop van de registergoederen aan de [vestigingsadres1] , [vestigingsadres2] en [woonadres] te [plaats] .
2.14.
Op 6 oktober 2020 heeft belanghebbende een nadere aangifte IB/PVV 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.028, en een gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang van € 153.251 dat geheel is toegerekend aan belanghebbende.
2.15.
Met dagtekening 20 oktober 2020 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2017 aan belanghebbende opgelegd naar een gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang van € 860.850, waarvan aan belanghebbende en zijn partner ieder € 430.425 is toegerekend.
2.16.
Op 15 december 2020 is het faillissement van [werkmaatschappij2] opgeheven wegens gebrek aan baten.
2.17.
Na het faillissement van [werkmaatschappij2] is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek onder de naam [naam onderzoek] begonnen naar onder meer mogelijke faillissementsfraude bij [werkmaatschappij2] . Tot de gedingstukken behoren een overzichtsproces-verbaal [naam onderzoek] afkomstig van de FIOD, en een zaaksdossier tegen belanghebbende als verdachte, eveneens afkomstig van de FIOD.
2.18.
In het overzichtsproces-verbaal [naam onderzoek] is in onderdeel 6.3 een opsomming gegeven van volgens de FIOD door belanghebbende in 2017 aan [werkmaatschappij2] en [holding] onttrokken bedragen. In dit onderdeel staat voor zover hier van belang onder meer het volgende:

6.3. Het onttrekken van activa uit [werkmaatschappij2] .
Uit het onderzoek kan blijken dat de oude eigenaar van [werkmaatschappij2] , [belanghebbende] , de intentie had om voor de overname van het bedrijf, [werkmaatschappij2] zoveel mogelijk financieel leeg te halen en om deze BV vervolgens aan [naam4] te verkopen met als gevolg dat [werkmaatschappij2] een grote financiële schade achterlaat voor zijn crediteuren.
6.3.1.
Onttrekkingen middels geldoverboekingen van [werkmaatschappij2] naar privé en naar zijn stiefzoon.
[belanghebbende] heeft voorafgaande de overname van de BV activa uit de BV gehaald, door het overboeken van gelden zonder enige onderbouwing, waaronder geldbedragen van de bankrekening van [werkmaatschappij2] naar de privérekening van [belanghebbende] (€ 135.000), alsmede naar de privérekening van zijn stiefzoon (…) (€ 100.000).
(…)
6.3.5.
Onttrekkingen (kas-/kluisgelden) aan [werkmaatschappij2] middels (laten-) plegen van valsheid in geschrifte.
Ten tijde dat [naam4] nog geen directeur is van [werkmaatschappij2] , de periode van januari 2017 tot en met 30 juni 2017 maar ook in de periode na 30 juli 2017 heeft [naam4] verklaart in opdracht van [belanghebbende] een veelvoud aan valse facturen te hebben opgemaakt voor [werkmaatschappij2] en [werkmaatschapij1] ter onderbouwing van het ingehuurde personeel wat voor [werkmaatschappij2] aan het werk was voor de sloopprojecten in Frankrijk. Daarnaast verklaart [naam4] een veelvoud van valse facturen te hebben opgemaakt voor [holding] inzake o.a. verrichtte arbeid voor een verbouwing, de levering van materialen en de verkoop van een voertuig. Op deze wijze is vermoedelijk een veelvoud aan valse facturen opgemaakt, geboekt en verwerkt in de administratie om zo grote hoeveelheden contant geld uit [werkmaatschappij2] te trekken, waaronder minimaal te weten:
aantal facturen
bedrag exclusief btw
btw
bedrag inclusief btw
[holding]
15
€ 155.279,69
€ 32.608,59
€ 187.887,78
[werkmaatschappij2]
23
€ 197.088,00
€ 41.371,68
238.671,68
[werkmaatschapij1]
32
€ 678.876,80
€ 105.761,53
€ 785.838,34
70
€ 1.031.244,49
€ 179.741,80
€ 1.212.397,80
Door de FIOD en de accountant van [werkmaatschappij2] , [holding] en [werkmaatschapij1] is vastgesteld dat deze facturen zijn geboekt in de
kasadministratievan [werkmaatschappij2] , [holding] en de [werkmaatschapij1] . De uitbetaalde kasgelden op basis van de valse facturen aan [werkmaatschappij2] , maar ook de uitbetaalde kasgelden op basis van de valse facturen aan [holding] (betaald door kas [werkmaatschappij2] en in rekening-courant geboekt) kunnen worden aangemerkt als onttrekkingen van kasgelden aan [werkmaatschappij2] , middels het opmaken en (laten) gebruikmaken van deze (valse) facturen.”
2.19.
In het overzichtsproces-verbaal [naam onderzoek] is – voor zover hier van belang – in onderdeel 5.7. het volgende opgenomen ter zake van een schuld van [werkmaatschappij2] aan [schuldeiser1] B.V. (hierna: [schuldeiser1] ):
“5.7. Verklaring getuige [schuldeiser1] inzake opgenomen schuld in koop- verkoopovereenkomst [werkmaatschappij2] en overname (bevoordelen schuldeiser in faillissement).
Vraag: Kwam [werkmaatschappij2] bij [schuldeiser1] vaak partijen metalen afleveren?
[getuige1] ....Ik weet niet hoe vaak [werkmaatschappij2] leverde, in de periode dat wij constateerden dat er bij ons fraude is gepleegd door [werkmaatschappij2] kwam [werkmaatschappij2] regelmatig bij ons.
(…)
Vraag: Wat wist u van het feit dat [belanghebbende] [werkmaatschappij2] ging verkopen?
[getuige2] en [getuige1] : Nee.
Mededeling: In deze overeenkomst staan schuldeisers vermeld welke door de nieuwe verkoper [naam4] zouden worden overgenomen. Vraag: Wat kunt u verklaren over deze lijst van schuldeisers?
[getuige2] : Wij staan ertussen.
Mededeling: In deze overeenkomst staat u als schuldeiser [schuldeiser1] vermeld welke door de nieuwe verkoper [naam4] zouden worden overgenomen met daarbij vermeld een openstaand bedrag van € 380.178,92.
Vraag: Is dit bedrag juist en hoe is dit bedrag tot stand gekomen?
[getuige2] : Ik weet niet of het bedrag op dat moment juist is, maar wij hebben een vordering van die grootte.
Vraag: Welke periode is deze schuld ontstaan?
[getuige2] en [getuige1] : Wij hebben een vordering op [belanghebbende] . Dit is ontdekt in maart 2017. Wij hebben toen ontdekt dat [werkmaatschappij2] gefraudeerd heeft. [werkmaatschappij2] kwam met een container op de weegbrug, heeft geleverd en wij kwamen een gewicht aan Non -Ferro tekort bij het laden van een partij. Wij hebben geconstateerd dat [werkmaatschappij2] een andere partij heeft aangeleverd, met een minder gewicht dan dat in eerste instantie is gewogen. Dat hebben wij gezien op foto's van de containers op de weegbrug, wij zien dan de producten. Wij hebben door het tekort een voorraad opname gedaan en zo vastgesteld wat het tekort is.
Vraag: Met wie van [werkmaatschappij2] is deze schuld besproken en met wie zijn deze afspraken besproken?
[getuige2] . Met de heer [naam5] , [belanghebbende] heeft nooit toegegeven dat dit is gebeurt, [naam5] heeft geen bezwaar gemaakt tegen onze bevindingen. [naam5] heeft namens [werkmaatschappij2] de afspraak gemaakt om terug te betalen en dat is ook gedeeltelijk betaald. Op dit moment staat er nog 250.000 euro van de schuld open (eind 2019).
Vraag: Zijn jullie bekend met de nieuwe directeur van [werkmaatschappij2] per 20 juli 2017, dhr [ [naam4] ]?
[getuige2] en [getuige1] : Nee, kennen wij niet.
Vraag: Wat weten jullie van het faillissement van [werkmaatschappij2] per 14 november 2017?
Antwoord: Echt niets.
Mededeling: Wij tonen u DOC-15311, zijnde een credit nota van [schuldeiser1] gericht aan [werkmaatschappij2] d.d.
16-06-2017 Nettobedrag € 36.856. Vraag: Naar aanleiding waarvan is deze creditnota opgemaakt?
Antwoord: Dit is volgens ons een nota van [schuldeiser1] , wij maken die op als een leverancier bij ons een levering heeft gedaan. Dit is onze wijze van facturering. [werkmaatschappij2] zal een partij hebben aangeleverd aan ons.
(…)
Vraag: Hoe en op welke wijze heeft u hier [werkmaatschappij2] op aangesproken en wie heeft u hierover gesproken?
[getuige2] : [naam5] , wij zagen geen heil in een rechtszaak, ik heb [naam5] er mee geconfronteerd en gezegd dat wij ons geld terug wilden hebben. Afgesproken is dat zij mochten doorleveren en dat wij bedragen daar op inhouden tot wij ons geld terug hebben. Ik heb met [belanghebbende] gesproken, hij legde de schuld bij anderen maar wilde het wel oplossen en blijven leveren. Daarom hebben wij deze afspraak gemaakt.
(…)
Vraag: Wie kwam er met het voorstel van afbetaling?
[getuige2] : [schuldeiser1] .
(…)
Vraag: Op 14 november 2017 is [werkmaatschappij2] failliet verklaard. Heeft u uw openstaande vordering ingediend bij de curator van [werkmaatschappij2] ?
[getuige2] . Nee, Wij hebben ook geen bericht hiervan ontvangen.
Vraag: Levert [belanghebbende] nog metalen aan [schuldeiser1] met zijn nieuwe onderneming [werkmaatschapij1] ?
[getuige2] : Ja, ferro, ik weet niet hoe vaak. Van de Non — ferro niet
Vraag: Hoe verloopt de afbetaling van de schuld tot op heden?
[getuige2] : Wij schrijven facturen uit aan [werkmaatschapij1] en [werkmaatschapij1] betaald de aflossing op de schuld aan ons.
2.20.
In het zaaksdossier tegen belanghebbende is – voor zover hier van belang – in onderdeel 10.3.5. en verder het volgende opgenomen ten aanzien van onder andere bankoverschrijvingen van [werkmaatschappij2] naar de stiefzoon in 2017 en de administratie van [werkmaatschappij2] :
“10.3.5. Verklaring [belanghebbende] inzake bankoverschrijvingen van [werkmaatschappij2] naar privé.
V-002-04 (Wat kunt u vertellen over de volgende bankoverschrijvingen van [werkmaatschappij2] : Totaal overgeschreven € 135.000 van [werkmaatschappij2] aan [belanghebbende] prive in de periode januari 2017 tot en met maart 2017?)
“..Betreffende de door u genoemde € 135.000 beroep ik mij op mijn zwijgrecht, ik heb hier geen stukken
om te raadplegen. Als het al voor mij prive bestemd was, staat het vermeld in de kasbonnen. Maar ik kan het pas echt nakijken als ik de stukken zie..
(…)
10.4.2.
Verklaring [getuige3] , boekhouder [werkmaatschappij2] .
Vraag :Wat kunt u ons vertellen over de geldoverboekingen in de periode 10 februari 2017 tot en met 13 juli 2017 met een totaalbedrag van € 100.000 van [werkmaatschappij2] ) naar [stiefzoon] ?
“Ik kan de verklaring daar achter niet vinden. Ik durf u niet te zeggen waarom dat geld is overgemaakt.”
Vraag: Zijn u bijzondere transacties opgevallen op de bankrekening van [werkmaatschappij2] ?
“Waarom er een bedrag van € 100.000, - is overgemaakt naar [stiefzoon] dat weet ik niet, die jongen is geen stuiver waard. Vermoedelijk heb ik dat geboekt op de rekening-courant van [belanghebbende] .”
(…) Vraag verbalisanten: Welke rechtsgrond of onderbouwingen liggen aan deze geldoverboekingen ten grondslag en/of zijn hier administratieve bescheiden van in de administratie van [werkmaatschappij2] ?
“Daar zit een aantal keren salaris bijmaar de grote bedragen weet ik niet. Ik denk zo te zien dat dit
voorschotten zijn geweest aan kas. En dat dit terugbetalingen zijn aan hem.”
10.4.3.
Verklaring getuige [stiefzoon] inzake bankoverschrijvingen van [werkmaatschappij2] .
(Heb jij gelden ontvangen van [werkmaatschappij2] , naast het salaris, en zo ja van wie)
“Er is meerdere keren geld overgemaakt naar mijn privé rekening.Ook om Polen te betalen. Dan kon ik dat geld opnemen in Frankrijk. Dat waren bedragen van € 1000 tot € 2000. Dat was volgens mij het project in Rennes.”
Mededeling: In de periode 10-02-2017 t/m 13-07-2017 is er een totaalbedrag door [werkmaatschappij2] aan uw overgemaakt van € 111.070 op bankrekening (…), welke staat ten naam gesteld op u naam. (Wat is
daarop uw reactie)
“Ja, dat is in verschillende delen gedaan. Het geld dat naar mij is overgemaakt, dat heb ik gepind en weer aan hem gegeven. Ik heb hier geen cent aan overgehouden. Ik weet echt niet meer waarom dat zo gedaan is. [belanghebbende] heeft een daglimiet van € 10.000,- om te pinnen.En ik heb dat complete bedrag terug gegeven.
Mededeling: (…), [de] boekhouder [werkmaatschappij2] verklaart op de vraag of hij bijzondere transacties opgevallen op de bankrekening van [werkmaatschappij2] het volgende: (…) Waarom er een bedrag van € 100.000, - is overgemaakt naar [stiefzoon] dat weet ik niet, die jongen is geen stuiver waard. Vermoedelijk heb ik dat geboekt op de rekening-courant van [belanghebbende] . (Wat is daarop uw reactie).
“Vieze vuile reactie! Ik weet niet meer waarom ik dat deed. Ik heb er in ieder geval niks aan over gehouden.”
(Welke tegenprestatie is door u hiervoor verricht)
“Ja niks, ik heb er niets aan overgehouden. Ik heb dat allemaal contant aan hem teruggegeven. Die bedragen van €10.000,- moet allemaal voor klanten geweest zijn, maar het kan ook dat hij dat privé gebruikt heeft.”
(Hoe zijn deze betalingen tot stand gekomen of welke afspraken zijn hierover gemaakt)
“Nogmaals ik heb alles gepind en aan hem teruggeven. Ik heb daar geen vragen over gesteld, ik heb het gewoon gedaan voor hem”.
Mededeling [belanghebbende] verklaart het volgende over bankoverschrijvingen van € 100.000 van [werkmaatschappij2] aan [stiefzoon] in de periode 1e helft van 2017.
“Betreffende die €100.000, dat bedrag is naar [stiefzoon] gegaan en is puur voor de kas. Ik heb zelf twee pasjes voor de [naambank] . [naambank] is de huisbank van [werkmaatschappij2] , dat is ook de rekening die niet in de overname betrokken was. Die overboekingen zijn gedaan, omdat als ik handelsgeld nodig heb en niet zelf naar de bank kan gaan, of ik door de daglimiet van opnames heen ben, ik het geld overmaak naar [stiefzoon] en die haalt dan het geld op van zijn eigen bankrekening. Ik maakte ook altijd een vast bedrag over van € 10.000. [stiefzoon] heeft geen pasje van [werkmaatschappij2] . Het geld komt dan in de kas van [werkmaatschappij2] terecht, via [stiefzoon] en is ook gewoon in de kas verantwoord. Betreffende de door u genoemde € 135.000 beroep ik mij op mijn zwijgrecht.
(Wij vragen om uw reactie op deze verklaring)

Dat is toch zo'n beetje wat ik net verteld heb. Op een normale dag ging er wel €10.000,- contant geld door op de zaak.
(Hoe kunt u bewijzen dat u dit bedrag heeft overgedragen aan [belanghebbende] )

Als het goed is, dan zitten de reçuutjes erbij. Die heb ik er altijd bij gedaan.
(De kasuitgaven en kasopnamen worden verantwoord middels een mutatieformulier. Welke kasformulieren heeft u voor het bedrag van in totaal € 100.000 moeten invullen)

Ik heb niets ingevuld. Net wat ik al zei, ik heb het afgegeven met de reçuutjes.”
(…)
10.4.7.
Bevindingen verbalisant.
In de inbeslaggenomen administratie zijn geen kasbescheiden aangetroffen inzake kasstortingen door [stiefzoon] in de kas van [werkmaatschappij2] . Gezien is, dat normaliter in de kasadministratie van [werkmaatschappij2] bij een
kasstorting of kasbetaling een getekend achterliggend kaskwitantie-/ formulier is gevoegd met daarop
vermeld de ontdoener en ontvanger.
(…)
11.2.3.
Verklaring getuige [stiefzoon] over documenten administratie-overdracht [werkmaatschappij2] .
"Hebben jullie de boekhouding van [werkmaatschappij2] gevonden? Nou die lag bij de drukkerij, bij de Meerpaal
in [plaats] in de stelling. Toen [belanghebbende] vrij kwam, toen heeft hij de boekhouding opgehaald en vernietigd.
(…)
11.2.4.
Verklaring verdachte [naam4] over documenten administratie-overdracht [werkmaatschappij2] .
(Wij tonen u DOC-044 bijlage 5, een brief d.d. 20-07-2017 met briefhoofd [holding] en met onderwerp: Betreft Overdracht boekhouding [werkmaatschappij2] . Wat kunt u hierover verklaren?)
"ik heb geen harde schijven gehad. Ik heb enkel 1 ordner gekregen van [belanghebbende] met papieren van [werkmaatschappij2] . Het klantenbestand moet in die ene ordner hebben gezeten. ik heb getekend voor het document wat jullie mij laten zien. Ik denk dat dit bij de notaris is getekend. Dit staat volgens mij ook in de akte van overdracht die wij bij de notaris is getekend. Als jullie mij zeggen dat jullie het vermoeden hebben dat deze brief lariekoek is, dan zeg ik dat jullie gelijk hebben. Ik zal het maar eerlijk zeggen. De datum op document D-044 klopt niet. Ik heb het document getekend toen de boekhouding er al niet meer was. Het werd te warm voor [belanghebbende] . Als hij op papier zou zetten dat ik de boekhouding en administratie zou hebben, was hij er klaar mee. Dan kon hij naar mij verwijzen. Als u mij vraagt wanneer dat document dan getekend is dan zeg ik dat het later is geweest dan 20-07-2017. ik weet nu eerlijk gezegd ook niet of ik specifiek dit document zo getekend heb. Ik zie er nu dingen staan die ik mij niet kan herinneren. ik bedoel daarmee dat ik me niet kan herinneren dat ik getekend voor de overdracht van die harde schijven en die administratie. Ik kon dus van meet af aan dus al niet de administratie aan de curator geven omdat ik die simpelweg niet had. Dat de complete boekhouding dus bij mij zou moeten zijn, klopt niet. Nogmaals, die heb ik nooit gehad."”
2.21.
Tot de gedingstukken behoort een akte van levering van 14 december 2020 van de onroerende zaak aan de [woonadres] te [plaats] (de voormalige woning van belanghebbende en zijn partner zie 2.1.) en een bijvoegde “NOTA VAN AFREKENING”. [1] Uit de akte volgt dat de woning voor € 1.200.000 is verkocht. Uit de nota van afrekening volgt dat € 1.200.000 aan [naambank] is voldaan, welke betaling op de nota is aangemerkt als “aflossing hypotheek”.
2.22.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang moet worden vastgesteld op € 585.536. Dit gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang bestaat uit reguliere voordelen (uit [werkmaatschappij2] ) van € 604.536 (te weten € 552.429 + € 52.107) en een negatief vervreemdingsvoordeel van € 19.000 in verband met de vervreemding van de aandelen [werkmaatschappij2] door belanghebbende. De Rechtbank heeft geoordeeld dat dit gemeenschappelijk inkomen bij helfte moet worden verdeeld over belanghebbende en zijn partner. De Rechtbank heeft daarbij de door belanghebbende en zijn partner voorgestane verdeling van 98,5% voor belanghebbende en 1,5% voor zijn partner afgewezen. De oordelen van de Rechtbank hebben ertoe geleid dat de Rechtbank de aanslag heeft verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.028 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 292.768.
2.23.
Belanghebbende heeft in hoger beroep een e-mail overgelegd van (een medewerker) van [schuldeiser1] aan de gemachtigde van belanghebbende van 2 augustus 2021. In deze e-mail staat voor zover hier van belang het volgende:
“In 2017 heeft [schuldeiser1] schade geleden (groot E 387,550.00) door toedoen van [werkmaatschappij2] . In overleg met de bestuurder, [belanghebbende] , is besloten om de claim af te betalen middels inhoudingen op betalingen van leveringen Ferro en non-ferro schroot aan [schuldeiser1] . De inhoudingen gelden zowel voor leveringen ex [werkmaatschappij2] danwel voor leveringen geschiedt door andere vennootschappen van dezelfde bestuurder t.w. [belanghebbende] . Dit hebben wij als zodanig aan de belastingdienst vermeld.”

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de aanslag tot de juiste hoogte is vastgesteld. In dit kader is tussen partijen in geschil:
  • of belanghebbende een terbeschikkingstellingsverlies in aanmerking mag nemen;
  • of het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang door de Rechtbank juist is vastgesteld; en
  • op welke wijze het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang moet worden verdeeld over belanghebbende en zijn partner.
Verder is in geschil of de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft overgelegd, of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard en of de beschikking belastingrente juist is vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank de aanslag te hoog heeft vastgesteld. Belanghebbende bepleit daartoe dat een terbeschikkingstellingsverlies in aanmerking mag worden genomen en dat het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang lager moet worden vastgesteld. Dit gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang moet vervolgens voor 98,5% aan belanghebbende worden toebedeeld en voor 1,5% aan zijn partner. Verder is belanghebbende van mening dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en er geen aanleiding is om de bewijslast om te keren en te verzwaren. Ten slotte stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de belastingrente moet worden verlaagd.
3.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank de aanslag ten onrechte heeft verlaagd. Volgens de Inspecteur bestaat er geen aanleiding tot het in aanmerking nemen van een terbeschikkingstellingsverlies. De Inspecteur bepleit daarnaast dat het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang moet worden vastgesteld overeenkomstig de aanslag en bij helfte moet worden verdeeld over belanghebbende en zijn partner. Verder is de Inspecteur van mening dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De beschikking belastingrente moet volgens de Inspecteur overeenkomstig de wettelijke bepalingen worden vastgesteld.

4.Beoordeling van het geschil

De op de zaak betrekking hebbende stukken
4.1.
Op grond van artikel 8:42, lid 1, van de Awb moet de inspecteur tijdig alle op de zaak betrekking hebbende stukken die aan hem ter beschikking staan of hebben gestaan aan de rechter overleggen. Deze bepaling strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld en heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belastingplichtige zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Tot de op grond van artikel 8:42, lid 1, van de Awb over te leggen stukken behoren alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren niet slechts de stukken die de inspecteur heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Daartoe behoren in beginsel ook stukken die de inspecteur wel ter beschikking staan of hebben gestaan maar die hij niet heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Als een stuk passages bevat die op de zaak betrekking hebben, is dit stuk als geheel een op de zaak betrekking hebbend stuk. De verplichting om dit stuk over te leggen, ziet daardoor niet slechts op de voor de beoordeling van de zaak relevante passages. [2]
4.2.
Indien een belanghebbende voldoende gemotiveerd stelt dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door de inspecteur moet worden overgelegd, moet aan dat verzoek worden tegemoetgekomen, op voorwaarde dat het bestaan van dat stuk aannemelijk is. Dit is slechts anders in gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van Pro de Awb en in uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht. [3]
4.3.
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De stukken die Inspecteur volgens belanghebbende niet heeft overgelegd betreffen stukken van de FIOD met de nummers G2-001, DOC-043 A.04, DOC-026, DOC 155 en G-003-01, die als onderbouwing dienen van de in onderdeel 6.3. van het overzichtsproces-verbaal [naam onderzoek] beschreven onttrekkingen aan [werkmaatschappij2] . De Inspecteur stelt dat hij van de FIOD alleen het overzichtsproces-verbaal [naam onderzoek] en het zaaksdossier van belanghebbende heeft gekregen en dus alle stukken die hij van de FIOD heeft gekregen, heeft overgelegd.
4.4.
Het Hof acht de stelling van de Inspecteur dat hij geen andere dan genoemde stukken van de FIOD heeft gekregen geloofwaardig. De Hof overweegt hierbij dat belanghebbende niets heeft aangedragen dat het vermoeden rechtvaardigt dat de Inspecteur wel over de meer stukken van de FIOD (heeft) beschikt. De Inspecteur was daarnaast niet gehouden de door belanghebbende genoemde stukken bij de FIOD op te vragen. [4] Van een schending van artikel 8:42, lid 1, van de Awb door de Inspecteur is dan ook geen sprake.
Omkering en verzwaring van de bewijslast
4.5.
Ingevolge artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in verbinding met artikel 27h van de AWR, wordt indien belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Voor de inkomstenbelasting geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag aan belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Indien sprake is van een gecombineerde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, is in dit verband het gezamenlijke bedrag van de verschuldigde belasting en premie bepalend. [5]
4.6.
Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich er in de gegeven omstandigheden van bewust moest zijn – in de zin dat hij behoorde te weten – dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. [6] Bij de beoordeling of aan deze maatstaf is voldaan, moeten alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. [7]
4.7.
Bij de beoordeling of de vereiste aangifte is gedaan zal het Hof uitgaan van de aangifte van belanghebbende van 30 april 2019. Belanghebbende heeft weliswaar na die datum nog een tweede aangifte – waarin van een lager verzamelinkomen is aangegeven (zie 2.14.) – gedaan, maar ter zitting is vastgesteld dat op het moment van indiening van die aangifte de aanslag reeds tot stand was gekomen.
4.8.
Het ligt in beginsel op de weg van de Inspecteur om aannemelijk te maken dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Bij de beoordeling of de vereiste aangifte in dit geval is gedaan, zal het Hof ook de standpunten van belanghebbende betrekken die ertoe zouden moeten leiden dat de aanslag lager moet worden vastgesteld. De bewijslast voor de feiten en omstandigheden waaruit de conclusie kan worden getrokken dat de aanslag – in afwijking van de aangifte van 30 april 2019 – lager moet worden vastgesteld rust in dit geval op belanghebbende
Terbeschikkingstellingsverlies
4.9.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in 2017 een negatief belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de vorm van een terbeschikkingstellingsverlies van € 532.265 in aanmerking kan nemen. Belanghebbende voert daartoe aan dat uit de in 2.21. genoemde akte van levering volgt dat hij in totaal € 1.200.000 aan [naambank] heeft afgelost. Deze aflossing had deels betrekking op de nog resterende hypotheekschuld voor de aankoop van de eigen woning, welke schuld op dat moment € 667.735,53 bedroeg. Het resterende deel van de aflossing van (afgerond) € 532.265 had volgens belanghebbende betrekking op de gedeeltelijke aflossing van de schuld die samenhangt met de vordering van € 1.403.735,92 die [naambank] had ingediend bij de curator van [werkmaatschappij2] (zie 2.9.). Belanghebbende was hoofdelijke aansprakelijk voor deze schuld. Omdat volgens belanghebbende [werkmaatschappij2] draagplichtig was voor deze schuld, heeft belanghebbende een regresvordering op [werkmaatschappij2] verkregen voor het bedrag dat hij in verband met deze schuld aan [naambank] (€ 532.265) heeft afgelost. Belanghebbende stelt dat hij ten aanzien van die regresvordering reeds in 2017 een voorziening kon vormen, omdat de draagplichtige, [werkmaatschappij2] , in datzelfde jaar failliet is verklaard en belanghebbende met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aangesproken zou gaan worden tot aflossing van de schuld van [werkmaatschappij2] aan [naambank] . Omdat de door hem aangegane hoofdelijke aansprakelijkheid als zakelijk heeft te gelden, leidt het vormen van deze voorziening in 2017 tot een negatief resultaat uit overige werkzaamheden in de vorm van een terbeschikkingstellingsverlies.
4.10.
De Inspecteur is van mening dat belanghebbende in 2017 geen terbeschikkingstellingsverlies in aanmerking kan nemen. De Inspecteur voert daartoe aan dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een verhaalsrecht had op [werkmaatschappij2] . Uit de omstandigheid dat [naambank] een vordering bij de curator van [werkmaatschappij2] heeft ingediend kan niet worden afgeleid dat [werkmaatschappij2] (intern) draagplichtig was voor de schuld uit hoofde van de kredietfaciliteit. De Inspecteur stelt zich verder op het standpunt dat het totaalbedrag van de door belanghebbende aan [werkmaatschappij2] in 2017 onttrokken middelen het bedrag van de later door hem gedane betalingen ingevolge de hoofdelijke aansprakelijkstelling ruimschoots overtreft, zodat – door verrekening – ook om die reden er geen terbeschikkingstellingsverlies in aanmerking kan worden genomen. Indien moet worden aangenomen dat belanghebbende wel een regresvordering op [werkmaatschappij2] heeft verkregen, heeft volgens de Inspecteur belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat tijdens de periode dat belanghebbende in 2017 aandeelhouder was van [werkmaatschappij2] , werd voldaan aan de voorwaarden voor vorming van een voorziening voor de nog te verrichten betaling door belanghebbende. Ten slotte stelt de Inspecteur dat de aansprakelijkstelling onder voorwaarden is aangegaan die geen redelijk handelend derde overeen zou zijn gekomen, zodat sprake is van een onzakelijke aansprakelijkstelling en een verlies uit hoofde daarvan valt niet onder de terbeschikkingstellingsregeling.
4.11.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van de aflossing van een schuld van € 1.200.000 aan de [naambank] een verhaalsrecht op [werkmaatschappij2] heeft verkregen van € 532.265. Uit de in 2.4. genoemde kredietovereenkomst volgt dat zowel [werkmaatschappij2] , [holding] alsmede belanghebbende voor het geheel van de schulden uit hoofde van die kredietovereenkomst hoofdelijk aansprakelijk waren. Van een verhaalsrecht van belanghebbende op [werkmaatschappij2] als gevolg van de aflossing door belanghebbende aan de [naambank] , kan slechts sprake zijn indien in de verhouding tussen [holding] , [werkmaatschappij2] en belanghebbende, [werkmaatschappij2] draagplichtig was voor dat deel van de schulden uit hoofde van de kredietovereenkomst die belanghebbende kennelijk heeft afgelost. Uit de omstandigheid dat [naambank] in 2017 een vordering bij de curator van [werkmaatschappij2] heeft ingediend van € 1.403.735,92 uit hoofde van de kredietovereenkomst kan niet zonder meer worden afgeleid dat [werkmaatschappij2] intern, dat wil zeggen ten opzichte van belanghebbende, al dan niet deels, draagplichtig was voor deze schuld. Belanghebbende heeft verder geen stukken overgelegd waaruit volgt dat tussen [holding] , [werkmaatschappij2] en belanghebbende afspraken zijn gemaakt over de draagplicht ten aanzien van de schulden uit hoofde van de kredietovereenkomst. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat [werkmaatschappij2] draagplichtig was voor dit deel van de schuld, omdat zij deze gelden had geleend, overweegt het Hof dat niet aannemelijk is geworden dat de door [naambank] bij de curator ingediende vordering zag op gelden die [werkmaatschappij2] zelf op basis van de kredietovereenkomst had geleend en nog verschuldigd was. Uit de verkoopovereenkomst (zie 2.6.), waarin alle schulden van [werkmaatschappij2] op het moment van verkoop van de aandelen zijn opgenomen, volgt namelijk dat [werkmaatschappij2] op dat moment geen schulden had aan de [naambank] . Evenmin heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat ná de verkoop van [werkmaatschappij2] aan [naam4] schulden onder de kredietovereenkomst zijn ontstaan, waarvoor belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk was.
4.12.
Nu niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende een verhaalsrecht had op [werkmaatschappij2] voor een bedrag van € 532.265 kan geen voorziening worden gevormd voor een toekomstige regresvordering uit hoofde van een dergelijk verhaalsrecht en is van een terbeschikkingstellingverlies in 2017 geen sprake.
Omvang van het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang
4.13.
De Inspecteur heeft het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang bij aanslag vastgesteld op € 860.850 waarvan hij de helft heeft toegerekend aan belanghebbende en de helft aan zijn partner. De Rechtbank heeft het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd en vastgesteld op € 585.536. Dit gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang bestaat uit reguliere voordelen van € 604.536 en een negatief vervreemdingsvoordeel van € 19.000. De reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang hebben betrekking op de uitdeling door [werkmaatschappij2] aan belanghebbende van twee rekening-courantvordering van [werkmaatschappij2] op respectievelijk [holding] van € 552.429 en belanghebbende van € 52.107. Het negatieve vervreemdingsvoordeel hangt samen met de vervreemding van de aandelen [werkmaatschappij2] door belanghebbende aan [naam4] .
4.14.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang door de Rechtbank te hoog is vastgesteld. Belanghebbende voert daartoe allereerst aan dat, indien het Hof van oordeel is dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op een terbeschikkingstellingsverlies in verband met de aflossing van de schuld door belanghebbende aan de [naambank] (zie 4.9.), omdat sprake is van een onzakelijke terbeschikkingstelling, de verkrijgingsprijs van de aandelen [werkmaatschappij2] moet worden verhoogd met een informele kapitaalstorting van € 532.265. Dit leidt ertoe dat het negatieve vervreemdingsvoordeel verder moet worden verminderd met dit bedrag. Verder stelt belanghebbende dat hij een schuld van [werkmaatschappij2] aan [schuldeiser1] van € 380.179 heeft overgenomen. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat deze schuldovername ertoe leidt dat het bedrag aan reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang met dit bedrag moet worden verminderd, omdat deze schuldovername is verrekend met de rekening-courantvorderingen van [werkmaatschappij2] op [holding] en belanghebbende. Subsidiair bepleit belanghebbende dat deze schuldovername tot een informele kapitaalstorting heeft geleid die de verkrijgingsprijs van de aandelen [werkmaatschappij2] heeft verhoogd met een bedrag van € 380.179. Deze informele kapitaalstorting zou er dan toe moeten leiden dat het negatieve vervreemdingsvoordeel verder moet worden verminderd met dit bedrag. Belanghebbende bestrijdt ten slotte het standpunt van de Inspecteur dat hij in 2017 meer vermogen aan [werkmaatschappij2] heeft onttrokken en als gevolg, in de vorm van winstuitdelingen, meer reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang heeft genoten.
4.15.
De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende dat het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang dat de Rechtbank heeft vastgesteld verder moet worden verminderd gemotiveerd betwist. Reeds omdat volgens de Inspecteur belanghebbende geen verhaalsrecht had op [werkmaatschappij2] , kan geen sprake zijn van een informele kapitaalstorting van belanghebbende in [werkmaatschappij2] en een groter verlies uit aanmerkelijk belang. De Inspecteur is daarnaast van mening dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een schuld van [werkmaatschappij2] aan [schuldeiser1] heeft overgenomen, zodat ook in zo verre geen aanleiding bestaat voor de door belanghebbende bepleite vermindering van het door de Rechtbank vastgestelde gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang. In zijn incidentele hoger beroep heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de Rechtbank het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang juist te laag heeft vastgesteld. Onder verwijzing naar onderdeel 6.3. van het overzichtsproces-verbaal [naam onderzoek] (zie 2.18.) stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat belanghebbende een bedrag van € 2.537.474 heeft onttrokken aan [werkmaatschappij2] . Deze onttrekkingen vormen volgens de Inspecteur in ieder geval het bedrag van de op 31 december 2016 aanwezige winstreserves van € 860.859 winstuitdelingen, omdat belanghebbende en [werkmaatschappij2] zich ervan bewust waren, of hadden moeten zijn, dat belanghebbende hiermee werd bevoordeeld.
4.16.
Het Hof heeft hiervoor in 4.12. reeds geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een verhaalsrecht had op [werkmaatschappij2] voor een bedrag van € 532.265. Dit maakt dat belanghebbende niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de verkrijgingsprijs van de aandelen [werkmaatschappij2] moet worden opgehoogd met een informele kapitaalstorting van € 532.265, omdat in dat standpunt besloten ligt dat belanghebbende wel een verhaalsrecht had op [werkmaatschappij2] voor dit bedrag.
4.17.
Ten aanzien van het standpunt van belanghebbende dat hij een schuld van [werkmaatschappij2] van [schuldeiser1] heeft overgenomen, overweegt het Hof als volgt. Het Hof begrijpt uit de verklaringen van [schuldeiser1] tegenover de FIOD (zie 2.20.) dat [schuldeiser1] in maart 2017 heeft ontdekt dat [werkmaatschappij2] had gefraudeerd bij de levering van metalen aan [schuldeiser1] en dat [schuldeiser1] [werkmaatschappij2] daarop vervolgens heeft aangesproken. Deze constatering van fraude heeft ertoe geleid dat [schuldeiser1] een vordering van ruim € 380.000 verkreeg op [werkmaatschappij2] . Uit de stelling van belanghebbende dat verrekening heeft plaatsgevonden van de schuld aan [schuldeiser1] met de rekening-courant vorderingen van [werkmaatschappij2] op belanghebbende en [holding] , begrijpt het Hof dat belanghebbende stelt dat hij reeds voorafgaand aan de verkoop van de aandelen [werkmaatschappij2] de schuld van [werkmaatschappij2] aan [schuldeiser1] in privé heeft overgenomen. Het Hof acht dit niet aannemelijk. Het Hof overweegt daartoe dat uit de verkoopovereenkomst van de aandelen volgt dat [werkmaatschappij2] op dat moment nog een schuld aan [schuldeiser1] had (zie 2.6.). Belanghebbende heeft niet gesteld dat deze schuld een andere was dan die verband hield met de geconstateerde fraude. Het Hof ziet ook geen aanleiding om op dit punt aan de verkoopovereenkomst voorbij te gaan. De door belanghebbende overgelegde verklaring van [schuldeiser1] (zie 2.23.) kan, anders dan belanghebbende stelt, niet afdoen aan de inhoud van de verkoopovereenkomst. Uit die verklaring van [schuldeiser1] , alsmede de verklaringen van [schuldeiser1] tegenover de FIOD, volgt weliswaar dat afgesproken is dat de schuld aan [schuldeiser1] zou worden voldaan door inhoudingen op betalingen van [schuldeiser1] voor leveringen door [werkmaatschappij2] en andere vennootschappen waarvan belanghebbende (middellijk) bestuurder was, maar uit die verklaringen kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat belanghebbende de schuld aan [schuldeiser1] reeds vóór de overdracht van de aandelen in privé had overgenomen. Van een eventuele verrekening van deze schuld met de rekening-courant vorderingen van [werkmaatschappij2] op belanghebbende en/of [holding] heeft belanghebbende ook verder geen bewijs geleverd.
4.18.
Belanghebbende heeft daarnaast ook niet aannemelijk gemaakt dat hij de schuld van [werkmaatschappij2] aan [schuldeiser1] in privé heeft overgenomen, nadat hij de aandelen [werkmaatschappij2] had overgedragen aan [naam4] . Van afspraken daarover tussen belanghebbende en [naam4] is niet gebleken. Ten slotte volgt uit door belanghebbende overgelegde facturen van [schuldeiser1] gericht aan [werkmaatschapij1] uit 2020 weliswaar dat een verrekening heeft plaatsgevonden door [schuldeiser1] , maar belanghebbende heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat [werkmaatschapij1] de schuld van [werkmaatschappij2] aan [schuldeiser1] op enig moment op onzakelijke gronden heeft overgenomen van [werkmaatschappij2] . Gesteld noch aannemelijk geworden is dat [werkmaatschapij1] de door [schuldeiser1] verrekende bedragen tot de belaste winst heeft gerekend of dat met betrekking tot deze verrekende bedragen in 2020 of andere jaren winst uit aanmerkelijk belang is aangegeven.
4.19.
Uit hetgeen het Hof hiervoor in 4.16 tot en met 4.18. heeft overwogen, volgt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Rechtbank het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang te hoog heeft vastgesteld. Het Hof zal hierna beoordelen of de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de Rechtbank het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang ten onrechte heeft verminderd.
4.20.
De Inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de Rechtbank het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang ten onrechte heeft verminderd, verwezen naar onderdeel 6.3. van het overzichtsproces-verbaal [naam onderzoek] . Dit onderdeel bevat een opsomming van activa waarvan de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat die voorafgaand aan de overdracht van de aandelen in 2017 zijn onttrokken aan het vermogen van [werkmaatschappij2] en deels tot winstuitdelingen hebben geleid. Tot deze activa behoren de in onderdeel 6.3.1. van het overzichtsproces-verbaal genoemde ‘Geldoverboekingen naar privé van stiefzoon’. Dit betreffen overboekingen vanaf de bankrekening van [werkmaatschappij2] naar de privérekening van belanghebbende voor een bedrag van € 135.000 en voor een bedrag van € 100.000 naar de privérekening van de stiefzoon. De Inspecteur stelt dat niet aannemelijk is geworden dat deze bedragen uiteindelijk binnen de onderneming van [werkmaatschappij2] zijn gebruikt.
4.21.
Belanghebbende betwist dat deze bedragen zijn onttrokken aan het vermogen van [werkmaatschappij2] . Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat in de metaalhandel veel contant geld omgaat en dat het op enig moment financieel zodanig goed met [werkmaatschappij2] ging, dat bedragen moesten worden opgenomen die over de betalingslimiet van de bankpas van [werkmaatschappij2] heengingen. Er is daarom gebruik gemaakt van de bankrekening van de stiefzoon, die het overgeboekte geld weer van zijn rekening heeft gehaald met gebruik van zijn bankpas en vervolgens heeft gestort in de kas van [werkmaatschappij2] .
4.22.
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de bedragen die zijn overgeboekt naar de rekening van belanghebbende en zijn stiefzoon van in totaal € 235.000 zijn onttrokken aan het vermogen van [werkmaatschappij2] . Het Hof overweegt daartoe dat tussen partijen niet in geschil is dat genoemde bedragen daadwerkelijk zijn overgemaakt naar de bankrekeningen van belanghebbende en zijn stiefzoon en dus het vermogen van [werkmaatschappij2] hebben verlaten. Het Hof acht de verklaring van belanghebbende dat deze gelden vervolgens weer zijn gebruikt binnen de onderneming van [werkmaatschappij2] niet aannemelijk, nu belanghebbende tegenover de betwisting van deze verklaring door de Inspecteur, geen bewijs heeft geleverd dat deze verklaring ondersteunt. Daar komt bij dat de door belanghebbende beschreven gang van zaken niet overeenkomt met verschillende verklaringen die zijn afgelegd tegenover de FIOD (zie 2.20.). Zo heeft de stiefzoon tegenover de FIOD verklaard dat hij deze gelden contant heeft opgenomen, en deze gelden aan belanghebbende heeft gegeven en dat het kan zijn dat belanghebbende deze privé heeft gebruikt. Daarnaast heeft de (toenmalige) boekhouder van [werkmaatschappij2] tegenover de FIOD verklaard niet te weten waarom het geld naar de stiefzoon is overgemaakt. Belanghebbende zelf heeft bovendien bij de FIOD niets willen verklaren ten aanzien van de overboekingen naar zijn rekening. Dat belanghebbende, zoals hij stelt, niet in staat is om nader bewijs voor zijn verklaring te leveren omdat hij geen beschikking meer heeft over de administratie van [werkmaatschappij2] , nu deze niet door de FIOD is teruggegeven, kan aan dit oordeel niet afdoen. Uit het overzichtsproces-verbaal [naam onderzoek] volgt dat de FIOD heeft vastgesteld dat er in de inbeslaggenomen administratie geen bescheiden zijn gevonden van stortingen door de stiefzoon in de kas van [werkmaatschappij2] . Bovendien heeft de stiefzoon tegenover de FIOD verklaard dat belanghebbende de fysieke administratie – voor zover die niet in beslag was genomen – zelf heeft laten vernietigen en heeft [naam4] tegenover de FIOD verklaard nooit de beschikking over een administratie van [werkmaatschappij2] te hebben gekregen.
4.23.
Het Hof is verder van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het onttrokken bedrag van € 235.000 moet worden aangemerkt als een winstuitdeling. Het overweegt daartoe dat belanghebbende niet heeft weersproken dat het totaalbedrag van de overboekingen van € 235.000 kon plaatsvinden uit winstreserves van [werkmaatschappij2] . Uit onder meer de diverse verklaringen die tegenover de FIOD zijn afgelegd volgt verder dat belanghebbende, die enig aandeelhouder en bestuurder van [werkmaatschappij2] was, op de hoogte was van de overboekingen. Daarom moet worden aangenomen dat zowel belanghebbende als [werkmaatschappij2] zich bewust waren van de overboekingen en zich ervan bewust waren dat deze overboekingen ten doel hadden (uiteindelijk) belanghebbende te bevoordelen.
Vereiste aangifte en omkering en verzwaring van de bewijslast
4.24.
Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.028, en een belastbaar gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang van € 589.156, waarvan € 580.000 aan hem is toegerekend. Tot het aangegeven gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang behoort niet de in 4.23. bedoelde winstuitdeling van € 235.000. Uitgaande van de bij de aangifte gemaakte keuze in de verdeling van dit gemeenschappelijk inkomen, had belanghebbende in zijn aangifte ter zake van deze winstuitdeling dus een extra bedrag van € 231.475 [8] aan belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang moeten aangeven. Nu belanghebbende dit niet heeft gedaan, is sprake een gebrek in de aangifte dat ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV van € 136.177, verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV van € 194.045 [9] . Het bedrag van de inkomstenbelasting dat als gevolg van dit gebrek in de aangifte niet is geheven, € 57.868 [10] , is ook op zichzelf beschouwd aanzienlijk.
4.25.
Naar het oordeel van het Hof moest belanghebbende zich er bij het doen van aangifte in de gegeven omstandigheden ook van bewust zijn geweest dat zowel in absolute als relatieve zin een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven, doordat de winstuitdelingen van € 235.000 niet in de aangifte zijn vermeld. Zoals het Hof hiervoor in 4.23. heeft overwogen, moet belanghebbende zich als enig aandeelhouder en bestuurder van [werkmaatschappij2] ervan bewust zijn geweest dat hij voor een bedrag van € 235.000 werd bevoordeeld door [werkmaatschappij2] . Belanghebbende behoorde te weten een dergelijke bevoordeling door [werkmaatschappij2] als inkomen uit aanmerkelijk belang in de aangifte moest worden opgenomen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dit maakt dat op belanghebbende de verzwaarde bewijslast rust om overtuigend aan te tonen dat het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang dat bij de aanslag is vastgesteld op € 860.850, en bij uitspraak op bezwaar is gehandhaafd, onjuist is vastgesteld.
4.26.
De omstandigheid dat de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, laat onverlet dat de Inspecteur bij het vaststellen van aanslag heeft moeten uitgaan van een redelijke schatting van het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de berekening van dat inkomen redelijk en dus niet willekeurig behoort te zijn. Bij de beoordeling of het inkomen redelijk en dus niet willekeurig is, moet mede in aanmerking worden genomen in hoeverre de Inspecteur beschikte over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat was openheid van zaken te geven. De Inspecteur moet op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van de aanslag niet onredelijk en dus niet willekeurig is. [11]
4.27.
De Inspecteur verwijst – in hoger beroep – ter onderbouwing van de hoogte van het bij het bij de aanslag vastgestelde gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang naar onderdeel 6.3. van het overzichtsproces-verbaal [naam onderzoek] . De Inspecteur stelt onder verwijzing naar dat onderdeel van het overzichtsproces-verbaal dat belanghebbende een bedrag van € 2.537.474 heeft onttrokken en dat deze onttrekkingen in ieder geval het bedrag van de op 31 december 2016 aanwezige winstreserves van € 860.859 winstuitdelingen vormen. Daarmee berust het bij de aanslag vastgestelde gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang naar het oordeel van het Hof op een redelijke schatting.
4.28.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet overtuigend aangetoond dat het gemeenschappelijk belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang door de Inspecteur te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft zijn stellingen dat, behoudens de rekening-courant vorderingen geen vermogen aan [werkmaatschappij2] is onttrokken, en dus geen sprake kan zijn van winstuitdelingen voor een hoger bedrag dan € 604.536, niet met relevante feitelijke gegevens onderbouwd.
Verdeling van het gezamenlijk inkomen uit aanmerkelijk belang
4.29.
Belanghebbende en zijn partner hebben bij de Rechtbank verzocht om het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang te verdelen volgens de bij de aangifte van 30 april 2019 reeds in acht genomen verhouding van 98,5% voor belanghebbende en 1,5% voor zijn partner. Belanghebbende beklaagt zich er in hoger beroep in beginsel terecht over dat de Rechtbank dit verzoek niet heeft gehonoreerd. Met haar oordeel dat het verbod van reformatio in peius aan deze van de aanslag(en) afwijkende verdeling in de weg staat, heeft de Rechtbank miskend dat uit artikel 2.17, lid 4, van de Wet IB 2001 volgt dat de voor een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, zoals het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang, tot stand gekomen verdeling door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk kan worden gewijzigd tot het moment waarop de aanslag van de belastingplichtige en zijn partner onherroepelijk vaststaan.
4.30.
Overeenkomstig het verzoek van belanghebbende en zijn partner zal het Hof het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang van € 860.850, voor 98,5%, dat is € 847.937 toedelen aan belanghebbende. Deze verdeling kan er echter niet toe leiden dat het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang dat bij aanslag is vastgesteld op € 430.425 door het Hof hoger wordt vastgesteld.
Belastingrente
4.31.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de beschikking belastingrente moet worden verlaagd. Belanghebbende verwijst daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4361. De Inspecteur is van mening dat de belastingrente juist is berekend.
4.32.
De Inspecteur heeft bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. Deze belastingrente is berekend over de periode 1 juli 2018 tot en met 3 augustus 2019. Gedurende deze periode was het percentage van de belastingrente voor de inkomstenbelasting vastgelegd in artikel 30hb van de AWR en bedroeg dit percentage 4%. Het Hof begrijpt dat belanghebbende met zijn verwijzing naar genoemde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland bepleit dat dit percentage van de belastingrente te hoog is. Het Hof volgt belanghebbende daarin niet. Niet kan worden gezegd dat de wetgever dit percentage – in strijd is met hoger recht – te hoog heeft vastgesteld. [12] Het Hof merkt hierbij nog op dat in de door belanghebbende genoemde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland en het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59 inzake het tegen die uitspraak ingestelde beroep in cassatie, niet het percentage van de belastingrente voor de inkomstenbelasting voor de periode 2018 en 2019 aan de orde was, maar het percentage van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting voor de jaren 2022 en 2023 dat gold volgens artikel 1, aanhef en letter b, van het Besluit belasting- en invorderingsrente. De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland is daarom niet relevant voor de vraag of het in dit geval gehanteerde percentage van de belastingrente te hoog is.
4.33.
Nu het hoger beroep ertoe leidt dat de beslissing van de Rechtbank de aanslag te verminderen zal worden vernietigd, betekent dit dat het Hof ook de beslissing van de Rechtbank omtrent de vermindering van de beschikking belastingrente zal vernietigen.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, en
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier.
De beslissing is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J. Hollander) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Deze akte bevindt zich enkel in het dossier 24 /1564, in het dossier 24 /1565 bevindt zich een pagina met de tekst “Nog toe te voegen: verkoop [woonadres] Aflossingsnota’s [naambank] ”.
2.Zie onder andere Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672 en Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670.
3.Zie Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874 en Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670.
4.Zie Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, r.o. 2.3.2.
5.Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.1.
6.Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.1. en Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.4.3.
7.Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312, r.o. 2.3.2.
8.€ 235.000 x 98,5% = € 231.475.
9.(Ten onrechte niet geheven belasting (€ 231.475 x 25% =) € 57.868 /-Werkelijk verschuldigde belasting (€ 136.177 + € 57.868 =) € 194.045) x 100% = 29,82%
10.€ 231.475 x 25% = € 57.868.
11.Vergelijk Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311, r.o. 2.4.
12.Zie ook Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, r.o. 4.11.6. en 4.11.7.