ECLI:NL:GHARL:2026:297

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
200.353.243/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 ModelreglementArt. 7 ModelreglementArt. 258 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over nakoming herstelafspraken en dwangsommen na sloopappartement

In deze civiele zaak staat een geschil centraal over de nakoming van herstelwerkzaamheden aan een appartement na onrechtmatige sloop door appellanten. Partijen sloten in april 2024 een vaststellingsovereenkomst waarin afspraken werden gemaakt over het herstel, waaronder deadlines voor afronding. Appellanten voerden het herstel niet uit, waarop geïntimeerden een kort geding startten en vorderden dat appellanten bouwtekeningen en andere informatie verstrekken en de herstelwerkzaamheden binnen gestelde termijnen afronden.

De voorzieningenrechter wees deze vorderingen toe en legde dwangsommen op bij niet-nakoming. Appellanten gingen in hoger beroep en stelden onder meer dat de voorzieningenrechter het regelkader van de vaststellingsovereenkomst had miskend, dat de veroordelingen constitutief waren en dat de dwangsommen onterecht waren opgelegd.

Het hof oordeelde dat het spoedeisend belang van geïntimeerden nog steeds aanwezig is en dat de voorzieningenrechter terecht ook rekening hield met de VvE-regels die van toepassing zijn op de herstelwerkzaamheden. De grieven van appellanten werden verworpen, omdat zij onvoldoende onderbouwden dat nakoming onmogelijk was en de dwangsommen passend en goed gemotiveerd zijn. Het hoger beroep werd verworpen en het vonnis bekrachtigd, waarbij appellanten werden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het vonnis tot nakoming van herstelwerkzaamheden met dwangsommen wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.353.243/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 585659
arrest in kort geding van 20 januari 2026
in de zaak van

1.[appellant1] ,

2. [appellant2],
die wonen in [woonplaats1] ,
die hoger beroep hebben ingesteld,
en bij de voorzieningenrechter optraden als gedaagden,
hierna samen:
[appellanten]en ieder afzonderlijk
[appellant1]en
[appellant2],
advocaat: mr. A.M. Smetsers uit Nijmegen,
tegen

1.[geïntimeerde1] ,

die woont in [woonplaats2] ,
2. Vereniging van Eigenaars Flatgebouw [adres1],
die is gevestigd in [woonplaats1] ,
en bij de voorzieningenrechter optraden als eisers,
hierna samen:
[geïntimeerden]en ieder afzonderlijk
[geïntimeerde1]en
de VvE,
advocaat: mr. J.M.E. Hamming uit Drachten.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op 26 februari 2025 (hersteld op 4 maart 2025) tussen partijen heeft uitgesproken (hierna ook: het vonnis).
1.2
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit het arrest in het incident van 29 juli 2025. Daarna is een mondelinge behandeling van de zaak (hierna ook: de zitting) gelast, die op 2 december 2025 heeft plaatsgevonden. Ter gelegenheid daarvan is door [geïntimeerden] een akte houdende overlegging productie 9 genomen. Van de zitting is een verslag (proces-verbaal) gemaakt, dat zich eveneens bij de stukken bevindt.

2.De kern van de zaak

2.1
Aan dit geschil ligt het volgende ten grondslag. [geïntimeerde1] is eigenaresse van het appartement aan de [adres1] . Het ondergelegen appartement aan de [adres1] is in eigendom van [appellanten] [geïntimeerde1] en [appellanten] zijn de enige leden van de VvE.
2.2
[appellanten] hebben begin 2018 zonder deugdelijk overleg met [geïntimeerde1] en zonder toestemming van de VvE sloopwerkzaamheden aan hun appartement uitgevoerd. Zo zijn diverse dragende muren in hun appartement verwijderd en zijn ook het balkon, de luifel en de bloembak bij de oprit gesloopt.
2.3
Naar aanleiding van deze sloopwerkzaamheden hebben tussen partijen meerdere procedures plaatsgevonden. Partijen hebben in de (tot op heden laatste) bodemprocedure tijdens de mondelinge behandeling op 10 april 2024 een vaststellingsovereenkomst (hierna: vso) gesloten en daarin de toen tussen hen gemaakte afspraken vastgelegd, waaronder de afspraak dat [appellanten] uiterlijk op 31 december 2024 de herstelwerkzaamheden aan de buitenzijde van het pand zouden hebben afgerond. Het pand is daarna niet hersteld.
2.4
Dit een en ander is voor [geïntimeerden] aanleiding geweest om dit kort geding aanhangig te maken en te vorderen dat [appellanten] worden veroordeeld om bepaalde stukken en informatie over het uit te voeren herstel te verstrekken en om de herstelwerkzaamheden binnen een bepaalde tijd gereed te hebben, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
2.5
De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen in het vonnis toegewezen en [appellanten] – kort gezegd - veroordeeld om:
a) op uiterlijk 12 maart 2025 aan [geïntimeerde1] concrete schriftelijke bouwtekeningen te tonen voor herstel van de bloembakken, de luifel en het balkon, waarbij [appellanten] ook de naam van de aannemer en de beoogde bouwtijd bekend moet maken en zij een kopie van de CAR-verzekering moeten overleggen, samen met een verklaring van henzelf dat zij volledig instaan voor de door de verbouwing op te treden schade en met een verklaring van de gemeente of een architect over de noodzakelijkheid van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van de werkzaamheden;
b) na schriftelijke goedkeuring door [geïntimeerde1] van de bouwtekeningen ten aanzien van het balkon en de bijkeuken, waarop het balkon komt te rusten, eerst een nulmeting te laten doen en vervolgens binnen zes weken na goedkeuring de werkzaamheden gereed te hebben, althans ten aanzien van het balkon en de bijkeuken zes weken later voor zover daar een omgevingsvergunning voor nodig is;
c) binnen zes weken na het vonnis de venster- en deuropeningen van hun appartement te ontdoen van de houten afdekplaten en te voorzien van deugdelijke beglazing.
Aan deze afzonderlijke veroordelingen heeft de voorzieningenrechter dwangsommen verbonden van € 1.000,- per dag dat zij hiermee in gebreke blijven, met een maximum van
€ 25.000,-.
De voorzieningenrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.6
Het vonnis is aan [appellanten] betekend - door de VvE op 6 maart 2025 en door [geïntimeerde1] op 10 maart 2025.

3.De vorderingen en de grieven van [appellanten]

3.1
vorderen in hoger beroep vernietiging van het vonnis en alsnog afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] , een en ander met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.
3.2
[appellanten] hebben het vonnis bestreden met een viertal grieven, die tot de hiervoor omschreven, door hen gewenste beslissing moeten leiden. Deze grieven worden hierna zo veel mogelijk in onderlinge samenhang alsmede thematisch besproken.

4.Het oordeel van het hof

Spoedeisend belang nog aanwezig?
4.1
Bij het hoger beroep van een kort geding, zoals hier aan de orde, moet het hof ambtshalve onderzoeken of het spoedeisende belang ten tijde van de uitspraak van het hof nog bestaat. Bij de beantwoording van de vraag of dit (nog wel) het geval is, dient het hof de belangen van partijen af te wegen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van het geven van zijn beslissing in hoger beroep. Het hof houdt verder onder meer rekening met het voorlopige karakter van zijn oordeel, de (gestelde) spoedeisendheid, de ingrijpendheid of onomkeerbaarheid van de beslissing en de voor- en nadelen van het uitblijven van een beslissing.
4.2
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] op dit moment nog steeds een spoedeisend belang hebben bij de door hen gevraagde voorziening. Hun vorderingen strekken er naar de kern genomen toe dat de afspraken uit de vso alsnog zo spoedig mogelijk worden nagekomen en dat daarmee aan de in rov. 2.2 hiervoor genoemde, door [appellanten] veroorzaakte en voor [geïntimeerden] nadelige toestand snel een einde komt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting laat zich afleiden dat (i) de insteek van de vso was om uit de ontstane patstelling over het herstel van het pand te geraken door ‘harde afspraken’ te maken die (ii) voortvarend door [appellanten] moesten worden uitgevoerd om (iii) aan de in rov. 2.2 bedoelde situatie spoedig een einde te maken en dat daarom (iv) deze afspraken veelal aan deadlines gekoppeld zijn. Dat, tezamen met wat in de memorie van antwoord en ter zitting door [geïntimeerden] over het spoedeisend belang verder nog is opgemerkt en door [appellanten] onweersproken is gelaten, brengt het hof tot het oordeel dat het spoedeisend belang van [geïntimeerden] nog steeds aanwezig is. Grief I faalt.
Had de voorzieningenrechter VvE-gerelateerde aspecten in relatie met [geïntimeerden] bij de beoordeling en beslissing buiten beschouwing moeten laten?
4.3
Met hun tweede grief stellen [appellanten] – naar het hof begrijpt –aan de orde dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van de vraag welke verplichtingen op [appellanten] rusten in verband met het overeengekomen herstel van het pand en bij het formuleren van het dictum, het regelkader van de vso heeft miskend of te buiten is gegaan door daarbij ook niet in de vso genoemde aspecten te betrekken die te maken hebben met de VvE-relatie tussen partijen. De voorzieningenrechter had de verplichtingen van [appellanten] , zo begrijpt het hof, enkel mogen toetsen aan de (tekst van de) vso en moeten concluderen dat de vorderingen van [geïntimeerden] daarop niet aansloten en deze om die reden moeten afwijzen.
4.4
Bij de behandeling van deze grief stelt het hof voorop dat bij de vaststelling van waartoe [appellanten] op grond van de op 10 april 2024 gemaakte afspraken gehouden zijn, niet kan worden weggezien van het feit dat de vso een overeenkomst is die niet alleen [appellanten] en [geïntimeerde1] betreft, maar waarbij ook de VvE (ten volle) partij is. [geïntimeerden] hebben in hun memorie van antwoord erop gewezen dat de vso voortbouwt op het eerdere kortgedingvonnis van 7 november 2018, dat op zichzelf weer gebaseerd is op de artikelen 6 en 7 van het modelreglement, waarnaar in de splitsingsakte verwezen wordt. Daaruit volgt, aldus [geïntimeerden] , dat voor constructieve werkzaamheden (en ook voor afwijkende werkzaamheden op grond van de splitsingsakte/het modelreglement) toestemming van de VvE en dus van [geïntimeerde1] noodzakelijk is. Dit een en ander is door [appellanten] onweersproken gelaten evenals de daar mee verbonden stelling van [geïntimeerden] dat aan verlening van die toestemming redelijke voorwaarden mogen worden verbonden en dat de door hen aan [appellanten] gestelde voorwaarden niet onredelijk zijn.
4.5
Dat [appellanten] ook aan de hiervoor genoemde regels en kaders gebonden zijn en dat deze nadere kleur en invulling geven aan de in de vso gemaakte afspraken is ter zitting niet door [appellanten] bestreden en evenmin is in dit hoger beroep – zo heeft de advocaat van [appellanten] ter zitting nog benadrukt – door hen het standpunt betrokken dat de voorwaarden die [geïntimeerden] hebben gesteld (en die mede de basis hebben gevormd voor het dictum van het bestreden vonnis) onredelijk zijn.
4.6
In het licht van het voorgaande acht het hof het alleszins begrijpelijk en ook terecht dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van de zaak en het geven van een beslissing tevens acht heeft geslagen op het feit dat [appellanten] zich bij het uitvoeren van de in de vso neergelegde afspraken ook dienen te houden aan de regels en kaders die tussen partijen in VvE-verband gelden, waaronder het in voorkomende gevallen moeten verkrijgen van toestemming (en de daaraan inherente mogelijkheid voor [geïntimeerden] om aan het geven van dergelijke toestemming redelijke voorwaarden te koppelen). Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van de zaak en het geven van de beslissing het regelkader van de vso heeft miskend of te buiten is gegaan. Ook grief II treft dus geen doel.
Leveren de veroordelingen in het dictum een constitutief vonnis op?
4.7
De derde grief van [appellanten] stelt de vraag aan de orde of met de veroordelingen in het dictum van het vonnis niet beoogd is een nieuwe rechtstoestand tussen partijen te creëren, waardoor welbeschouwd van een constitutief vonnis sprake is, waarvoor in kort geding geen plaats is. [appellanten] beantwoorden deze vraag bevestigend aan de hand van feitelijk dezelfde argumentatie als behorend bij de hiervoor al verworpen grief II: door bij het beoordelen van de vorderingen en het formuleren van het dictum ook VvE-gerelateerde aspecten te betrekken, is de voorzieningenrechter het regelkader van de vso te buiten gegaan en zijn er in het dictum ten onrechte andere en meer verplichtingen aan [appellanten] opgelegd dan als opgesomd in de vso. In de rechtsoverwegingen 4.4 t/m 4.6 hiervoor heeft het hof reeds uiteengezet dat en waarom dat betoog door het hof niet wordt gevolgd. Daarmee valt ook het doek voor grief III. Wat verder in het kader van deze grief nog door partijen naar voren is gebracht, behoeft geen bespreking meer.
Heeft de voorzieningenrechter bij het opleggen van dwangsommen het juiste toetsingskader gehanteerd resp. zijn beslissing op dit punt toereikend gemotiveerd?
4.8
Met hun vierde en laatste grief keren [appellanten] zich tegen de beslissing van de voorzieningenrechter dat bij het niet voldoen aan de veroordelingen dwangsommen zullen worden verbeurd. Met deze beslissing wordt volgens hen genegeerd dat zij redelijkerwijs niet in staat zijn binnen de daarvoor gestelde termijnen aan de veroordelingen te voldoen. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter nagelaten deugdelijk te motiveren waarom een dwangsom nodig zou zijn; van ‘talmen’ is volgens [appellanten] geen sprake. Ook deze grief kan niet slagen. Wat betreft de gestelde onmogelijkheid om binnen de voorgeschreven termijnen aan de veroordelingen te voldoen, is het hof het met [geïntimeerden] eens dat [appellanten] die stelling onvoldoende feitelijk hebben onderbouwd. Er is door hen geen concrete informatie gegeven of overgelegd waaruit volgt dat de gegeven termijnen objectief gezien te krap waren en dus ook bij een voldoende inspanning hunnerzijds nooit gehaald hadden kunnen worden. Evenmin hebben [appellanten] feitelijk onderbouwd dat hun financiële middelen ontoereikend zijn om aan de veroordelingen te voldoen. De enkele (door [geïntimeerden] betwiste) stelling dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering momenteel de enige inkomstenbron is voor [appellanten] , volstaat daarvoor niet, mede gegeven het feit dat [appellant1] ter zitting heeft aangegeven over meerdere B.V.’s te beschikken en naar eigen zeggen nog steeds voornemens is het appartement te gaan verbouwen om er zelf te gaan wonen. Uit het verhandelde ter zitting lijkt veeleer te kunnen worden afgeleid dat [appellanten] , mede vanwege hun eigen plannen met hun appartement (die toch ook moeten worden bekostigd), de voorkeur geven aan een andere en in hun ogen praktischer oplossing van de situatie van het pand, dan door [geïntimeerden] gewenst en door de voorzieningenrechter voorgeschreven. Dat levert echter nog geen onmogelijkheid op om de door de voorzieningenrechter voorgeschreven route voor herstel van het pand binnen de gestelde termijnen te bewandelen. Ook voor zover door [appellanten] wordt betoogd dat de voorzieningenrechter zijn beslissing tot het verbinden van dwangsommen aan de veroordelingen anderszins ontoereikend heeft gemotiveerd, volgt het hof hen daarin niet. Dit verwijt miskent enerzijds de grote vrijheid die de rechter toekomt bij het al of niet opleggen van een gevorderde dwangsom en bij het bepalen van het bedrag en de modaliteiten. Anderzijds blijkt uit de in het vonnis gegeven motivering voldoende duidelijk dat de dwangsommen zijn toegewezen om [appellanten] ertoe aan te zetten zich na jarenlang juridisch getrouwtrek eindelijk rekenschap te geven van de belangen van [geïntimeerden] door alsnog spoedig zorg te dragen voor herstel van het pand. Het hof acht de oplegging van de dwangsommen en de in dat kader aan [appellanten] opgelegde verplichtingen – gelet op de aard en omstandigheden van het geval, waaronder mede begrepen de ernst van de aantasting van het pand en de lange tijd die inmiddels verstreken is, zonder dat door [appellanten] tot adequate actie is overgegaan – ook passend en geboden. [1] Op dit alles stuit grief IV af. Ten overvloede merkt het hof op dat de vraag of resp. in welke mate dwangsommen zijn verbeurd in dit geschil niet voorligt.
De slotsom: het hoger beroep slaagt niet
4.9
De conclusie van het voorgaande is dat het hoger beroep van [appellanten] niet slaagt en dat het vonnis zal worden bekrachtigd. [appellanten] zullen als de in het ongelijk te stellen partijen in de proceskosten worden veroordeeld. [appellanten] zullen daarbij zowel veroordeeld worden in de kosten van het incident (tariefgroep II, 1 punt) als in de kosten van het hoofdgeding (tariefgroep II, 2 punten). Onder de door [appellanten] te betalen kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [2]
4.1
Het hof zal de ten laste van [appellanten] uit te spreken veroordeling op grond van artikel 258 Rv Pro ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5.De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
1. bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
2. veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] in hoger beroep:
€ 362,- aan verschotten (griffierecht)
€ 3.642,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (3 procespunten x appeltarief II);
en bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag; als deze kosten niet op tijd worden betaald, worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
3. verklaart de veroordeling onder 2 uitvoerbaar bij voorraad;
4. wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker, A.A.J. Smelt en T.K. Lekkerkerker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
20 januari 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1530.
2.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853