Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:303

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
200.362.282/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 RvArt. 235 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof schorst gedeeltelijk tenuitvoerlegging vonnis huur bedrijfsruimte bowlingcentrum

In deze zaak gaat het om een geschil tussen Graaf Wichman Huizen Vastgoed B.V. (GWHV) en Wirtz Management B.V. (Wirtz) over huur van een bedrijfsruimte waarin een bowlingcentrum wordt geëxploiteerd. GWHV vordert betaling van achterstallige huur en ontruiming, terwijl Wirtz tegenvordert herstel van de klimaatinstallatie en inzage in servicekosten.

De voorzieningenrechter veroordeelde Wirtz tot betaling van huurachterstanden en GWHV tot het laten onderzoeken en herstellen van de klimaatinstallatie, met dwangsommen bij niet-naleving. GWHV stelde hoger beroep in en verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis.

Tijdens een regiegesprek werden afspraken gemaakt over het vervolg van de procedure en het uitbrengen van een deskundigenrapport. GWHV ging niet akkoord met de afspraak om uitvoering van dwangsommen op te schorten en liet het vonnis betekenen en beslag leggen.

Het hof oordeelt dat GWHV onvoldoende urgentie heeft aangetoond voor onmiddellijke executie en dat het belang van Wirtz bij schorsing zwaarder weegt. Daarom wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis gedeeltelijk geschorst tot twee weken na de mondelinge behandeling, waarbij ook de kostenbeslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Het hof schorst gedeeltelijk de tenuitvoerlegging van het vonnis tot twee weken na de mondelinge behandeling in hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.282/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11861136
arrest van 20 januari 2026 in de incidenten in kort geding
in de zaak van
Graaf Wichman Huizen Vastgoed B.V. ( GWHV )
die is gevestigd in Amsterdam
advocaat: mr. R.F. Raven
en
Wirtz Management B.V. ( Wirtz )
die is gevestigd in Huizen
advocaat: mr. B.O. Eschweiler

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
GWHV heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in kort geding dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, op 24 november 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de hoger beroep dagvaarding in kort geding (met grieven), tevens houdende incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en eiswijziging in conventie van GWHV
• een akte vermindering eis in het incident van GWHV
• de memorie van antwoord in het incident, tevens akte houdende incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van Wirtz
• de memorie van antwoord in het incident van GWHV
1.2
Vervolgens heeft GWHV gevraagd om een mondelinge behandeling in de incidenten. Naar aanleiding van dit verzoek heeft op 13 januari 2026 om 11.00 uur een regiegesprek plaatsgevonden. Tijdens dit regiegesprek zijn er afspraken gemaakt over het vervolg van de procedure. Deze afspraken zijn – kort samengevat – de volgende:
  • de zaak komt op de rol van 3 februari 2026 voor het nemen van de memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens van grieven in incidenteel hoger beroep door Wirtz , waarna GWHV op 3 maart 2026 een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep zal nemen;
  • de advocaten zullen binnen één week na 13 januari 2026 de verhinderdata over de maanden maart, april en eventueel mei 2026 doorgeven aan het hof voor het plannen van een mondelinge behandeling in zowel de incidenten als de hoofdzaak;
  • de inmiddels aangezochte deskundige brengt zo mogelijk voor 1 maart 2026 een rapport uit over de vragen i en ii als genoemd in rov. 4.6 van het bestreden vonnis.
1.3
Op 14 januari 2026 heeft het hof een brief ontvangen van mr. Raven. Hierin meldt mr. Raven dat er geen overeenstemming is bereikt over de gemaakte afspraken en verzoekt hij een spoedige behandeling van de afhandeling van het door GWHV opgeworpen incident.
1.4
Eveneens op 14 januari 2026 heeft het hof een brief ontvangen van mr. Eschweiler, waarin hij schrijft dat GWHV op 13 januari 2026 om 14:35 uur het bestreden vonnis aan Wirtz heeft betekend en bevel heeft gedaan tot betalen. Om 14.45 uur heeft GWHV ten laste van Wirtz ook executoriaal derdenbeslag laten leggen onder mevrouw [naam] in privé en Bowling Huizen B.V. en is onder Wirtz beslag gelegd op de aandelen in Bowling Huizen B.V. Mr. Eschweiler verzoekt eveneens om een spoedige behandeling van het door Wirtz opgeworpen incident.
1.5
Op laatstgenoemde brief van mr. Eschweiler heeft mr. Raven op 15 januari 2026 gereageerd. Mr. Raven stelt zich op het standpunt dat mr. Eschweiler zijn standpunten uiteen had moeten zetten in een akte, waarop GWHV had kunnen reageren. Nu dat niet op die wijze is gedaan, moet zijns inziens de brief van mr. Eschweiler buiten beschouwing moeten blijven.

2.De kern van de zaak

2.1
Aan deze incidenten ligt het volgende ten grondslag. Wirtz huurt van GWHV de bedrijfsruimte in Huizen, waarin Wirtz een bowlingcentrum exploiteert. De standpunten van partijen komen er in grote lijnen op neer dat Wirtz meent dat zij te veel huur en (voorschot) servicekosten betaalt voor de bedrijfsruimte, waartegenover GWHV aanspraak maakt op achterstallige huur en op ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de bedrijfsruimte. Wirtz heeft opnieuw een huurachterstand laten ontstaan, omdat GWHV volgens haar niet vrijwillig wil meewerken aan een verlaging van de huurprijs en de servicekosten.
2.2
GWHV heeft in dit kort geding gevorderd dat Wirtz verschillende geldbedragen (waaronder de huurachterstand) betaalt en de bedrijfsruimte ontruimt, vooruitlopend op een ontbinding van de huurovereenkomst. Wirtz is het daar niet mee eens; zij heeft tegeneisen ingesteld, te weten dat GWHV de klimaatinstallatie in de bedrijfsruimte herstelt en dat GWHV gegevens over de servicekosten verstrekt, op straffe van een dwangsom.
2.3
De voorzieningenrechter heeft in conventie Wirtz veroordeeld om aan GWHV te betalen: € 57.286,72 aan achterstallige huurtermijnen en voorschotten op de servicekosten en € 1.145,73 aan contractuele boetes, vermeerderd met rente en kosten.
In reconventie heeft de voorzieningenrechter GWHV - voor zover voor de beoordeling van belang - veroordeeld om 1) binnen veertien dagen opdracht te geven aan een deskundige om onderzoek te verrichten naar de werking van de klimaatinstallatie in de bedrijfsruimte, 2) binnen veertien dagen na afronding daarvan het onderzoeksresultaat met Wirtz te delen en 3) binnen twee maanden na afronding van het onderzoek eventuele noodzakelijke werkzaamheden te laten uitvoeren. Indien GWHV niet aan deze veroordelingen voldoet, verbeurt zij een dwangsom van € 500,- per dag, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt.

3.De beslissing van het hof

3.1
Het hof beoordeelt de incidentele vorderingen aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven. [1] Die houden in dat een uitvoerbaar verklaarde veroordeling uitvoerbaar is, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid van het veroordelend vonnis schorsen als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij (artikel 351 Rv Pro) of hieraan alsnog de voorwaarde van het stellen van zekerheid verbinden (artikel 235 Rv Pro). Bij deze te maken belangenafweging is een belangrijk gezichtspunt dat de eerste rechter de vordering heeft toegewezen en dat moet worden voorkomen dat het instellen van hoger beroep wordt gebruikt als middel om uitstel van executie te verkrijgen. [2] Het hof gaat bij de beoordeling uit van de overwegingen en beslissingen van het bestreden vonnis. De kans van slagen van het hoger beroep blijft daarbij buiten beschouwing. Zou een beslissing van de voorzieningenrechter op een kennelijke misslag berusten, dan kan het hof daaraan gevolgen verbinden voor de uitvoerbaarheid. Ook een optredende noodtoestand zou aan de uitvoerbaarheid van het vonnis in de weg kunnen staan.
3.2
Het hof neemt bij de beoordeling van beide incidenten het volgende in aanmerking. Tijdens het regiegesprek op 13 januari 2026 hebben de advocaten (voorlopige) afspraken [3] gemaakt ten behoeve van een efficiënt verloop van de procedure. Eén van die afspraken was dat GWHV zich zou inspannen de deskundige voor 1 maart a.s. een rapport te laten uitbrengen, in welk geval Wirtz heeft toegezegd zolang geen dwangsommen te zullen incasseren. Deze afspraak was onder voorbehoud van akkoord van GWHV . Mr. Raven heeft GWHV niet bereid gevonden om met deze afspraak akkoord te gaan. Slechts enkele uren na het regiegesprek heeft GWHV het vonnis aan Wirtz laten betekenen, bevel tot betaling gedaan én 10 minuten later executoriaal beslag laten leggen. Mr. Raven heeft van deze voorgenomen uitvoeringshandelingen tijdens het regiegesprek of in zijn brief van 14 januari 2026 geen melding gemaakt, terwijl hij deze handelingen, gelet op het tijdsverloop, ten tijde van het regiegesprek al concreet in werking moet hebben gezet.
3.3
Wirtz heeft zich op het standpunt gesteld dat zij door de beslaglegging wordt afgesneden van haar enige bron van inkomsten. De aandelen in Bowling Huizen vertegenwoordigen geen reële marktwaarde. Voortzetting van het beslag brengt wel de continuïteit van de bedrijven in gevaar. Het zou een faillissement van Bowling Huizen dichtbij brengen. GWHV heeft al eerder het faillissement van GWHV aangevraagd. Er is haars inziens sprake van een onevenredigheid en de executie wordt gebruikt voor een oneigenlijk doel.
3.4
Tegenover het belang van Wirtz bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis in conventie staat het belang van GWHV bij executie. Met name vanwege het karakter van het regiegesprek, namelijk het zo efficiënt mogelijk stroomlijnen van de procedure, had het echter naar het oordeel van het hof op de weg van GWHV (in de persoon van mr. Raven) gelegen om tijdens dit gesprek melding te maken van de voorgenomen tenuitvoerlegging en de urgentie hierbij toe te lichten. Dit heeft hij nagelaten. Gelet hierop is het hof onvoldoende gebleken dat het belang van GWHV zo urgent is dat niet kan worden gewacht met executie tot de mondelinge behandeling is geweest. Daarbij komt dat GWHV zowel bij haar initiële verzoek van 22 december 2025 als in haar opgave van 14 januari 2026 een dusdanig groot aantal verhinderdagen (alleen van haarzelf) heeft opgegeven dat een zitting niet valt te plannen.
3.5
Ten aanzien van de vordering tot schorsing van het vonnis in reconventie, betreffende de veroordelingen onder rov. 4.6 tot en met 4.8, oordeelt het hof als volgt. Wirtz was ten tijde van het regiegesprek bereid om te wachten met het incasseren van de dwangsommen ter zake. Het hof maakt hieruit op dat haar belang daarbij dan ook niet zodanig urgent is dat executie daarvan eveneens niet kan wachten totdat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.
3.6
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de belangen van beide partijen bij schorsing van de tenuitvoerlegging zwaarder wegen dan hun belangen bij executie van hun afzonderlijke vorderingen. Het hof zal de incidentele vorderingen in zoverre toewijzen dat het de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis in conventie schorst voor zover het de veroordeling onder 4.1. sub I betreft (de veroordeling tot betaling van achterstallige huurtermijnen) als het vonnis in reconventie zal schorsen voor zover het de veroordeling onder 4.6 onder iii betreft en de daarmee samenhangende onderdelen van 4.8 en 4.9 (kort gezegd de veroordeling tot aanpassing van de klimaatinstallatie), tot en met twee weken na de nog te plannen mondelinge behandeling. Alleen als GWHV haar verhinderdagen tot normale proporties terugbrengt is, zoals tijdens het regiegesprek is besproken, een mondelinge behandeling in de periode maart- april 2026 mogelijk. Wirtz heeft nog geen verhinderdagen opgegeven. Ook voor haar geldt dat hoe meer verhinderdagen, hoe lastiger het wordt om een zitting te plannen.
3.7
De beslissing omtrent de kosten van de incidenten zal worden aangehouden tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van de memorie van antwoord (tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep) aan de zijde van Wirtz .

4.De beslissing

Het hof:
in de incidenten
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis in kort geding, zowel in conventie als in reconventie, van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 24 november 2025, voor wat betreft de veroordelingen opgenomen in 4.1 sub I en 4.6 sub iii van het dictum en de daarmee samenhangende veroordelingen in de onderdelen 4.8 en 4.9 van het dictum, zulks tot en met twee weken na de in deze zaak te bepalen mondelinge behandeling;
bepaalt dat omtrent de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van
3 februari 2026voor het nemen van de memorie van antwoord (tevens van grieven in incidenteel hoger beroep);
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, H. de Hek en W.F. Boele, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
20 januari 2026.

Voetnoten

1.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
2.HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688.
3.Zie rov. 1.2