ECLI:NL:GHARL:2026:3087

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
200.346.810/01 en 200.349.822/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:79 BWArt. 353 RvArt. 143 lid 2 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging opheffing erfdienstbaarheid over steeg bij appartementsrechtelijk gesplitst perceel

In deze civiele procedure stond de opheffing van een erfdienstbaarheid tot gebruik van een steeg centraal, waarbij het heersende erf in appartementsrechten was gesplitst. De appellanten wilden de erfdienstbaarheid beëindigen, maar het hof volgde de rechtbank in de afwijzing van deze vorderingen.

De kern van het geschil betrof de vraag welk perceel als heersend erf moet worden aangemerkt. Het hof oordeelde dat het kadastrale perceel bepalend is en niet het huisnummer, en dat het perceel sinds de vestiging van de erfdienstbaarheid één geheel is gebleven. De stelling dat alleen huisnummer 55 het heersende erf is, werd verworpen.

Verder werd geoordeeld dat het langdurig niet gebruiken van de erfdienstbaarheid geen reden is voor opheffing onder het huidige BW. Ook was de uitoefening van het recht niet onmogelijk geworden. De belangen van de VvE-leden bij het gebruik van de steeg werden erkend, terwijl de appellanten geen zwaarwegende belangen hadden bij beëindiging.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en verwierp het incidentele appel. De appellanten werden veroordeeld in de proceskosten van de tegenpartijen. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het incidentele appel af, waarbij de erfdienstbaarheid blijft bestaan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.346.810/01 en 200.349.822/01
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, C/08/300588
arrest van 12 mei 2026
in de gevoegde zaken van
zaaknummer 200.346.810/01 (verder:
zaak 1)

1.[appelant1 in zaak 1 en geïntimeerde1 in zaak 2]

2. [appellante2 in zaak 1 en geïntimeerde2 in zaak 2]
die wonen in [woonplaats1]
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als eisers
hierna: samen:
[appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2]
advocaat: mr. M.C. Molenaar te Groningen
tegen

1.[geïntimeerde1]

die woont [woonplaats2]

2. [geïntimeerde2]

die woont [woonplaats2]

3. [geïntimeerde3]

die woont in [woonplaats1]

4. Vereniging van Eigenaars [adres1] 55-57

die is gevestigd in [woonplaats1]
en bij de rechtbank optraden als gedaagden
advocaat voor deze vier partijen: mr. M. Samsen te Deventer
hierna samen de VvE c.s. te noemen en afzonderlijk [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] en de VvE
en

5. [geïntimeerde5]

die woont in [woonplaats1]
eveneens gedaagde bij de rechtbank
advocaat: mr. T.M. Spoler te Zwolle
hierna:
[geïntimeerde5]
en in de zaak met zaaknummer 200.349.822/01 (verder:
zaak 2)

1.[appellante1 in zaak2]

2. [appellante2 in zaak2]

die wonen in [woonplaats1]
die hoger beroep hebben ingesteld
geopposeerden
en bij de rechtbank optraden als gedaagden
hierna: samen:
[appellanten in zaak2]
advocaat: mr. H.J. Luising te Duiven
tegen
1. [appelant1 in zaak 1 en geïntimeerde1 in zaak 2]

2. [appellante2 in zaak 1 en geïntimeerde2 in zaak 2]

die wonen in [woonplaats1]
die verzet hebben ingesteld, met daarbij incidenteel appel
en bij de rechtbankoptraden als eisers
hierna: samen:
[appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2]
advocaat: mr. M.C. Molenaar te Groningen

1.Het verloop van de procedures in hoger beroep

1.1
[appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] hebben een procedure gevoerd over een erfdienstbaarheid bij de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, tegen de VvE c.s. en [appellanten in zaak2] Dit heeft geleid tot het vonnis van 10 januari 2024 [1] . [appellanten in zaak2] hadden daarbij verstek laten gaan. De rechtbank heeft de vordering van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] tegen de VvE c.s. afgewezen en de vordering tegen [appellanten in zaak2] deels toegewezen.
1.2
[appellanten in zaak2] hebben hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis voor zover de vorderingen tegen hen waren toegewezen (zaak 2). In dat hoger beroep zijn [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] , niet verschenen en het hof heeft op 23 juli 2024 een verstekarrest [2] gewezen waarin de vordering van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] ook voor zover het [appellanten in zaak2] betrof alsnog is afgewezen.
1.3
[appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] hebben op 10 april 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 10 januari 2024 gericht tegen de VvE c.s. Die dagvaarding is niet aangebracht waarna tijdig herstelexploten op 13 september 2024 zijn uitgebracht. Daarna is die zaak (zaak 1) op de rolzitting van 15 oktober 2024 aangebracht.
1.4
Vervolgens heeft een regiegesprek plaatsgevonden op 5 november 2024 waaraan ook de advocaat van [appellanten in zaak2] heeft deelgenomen.
1.5
[appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] hebben daarna, op 23 december 2024 een verzetdagvaarding in procedure 2 uitgebracht waarin zij tevens incidenteel appel hebben ingesteld en om voeging van beide procedures hebben verzocht. Ook in zaak 1 is door [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] een incidentele conclusie tot voeging van de procedures genomen. Nadat daarop was geantwoord heeft het hof op 28 januari 2025 beslist dat beide procedures verder administratief gevoegd zullen worden.
1.6
In zaak 1 hebben [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] op 14 januari 2025 een memorie van grieven genomen.
1.7
Op 11 maart 2025 hebben de VvE c.s. en [geïntimeerde5] een memorie van antwoord genomen in zaak 1.
1.8
Op 8 april 2025 hebben [appellanten in zaak2] een memorie van antwoord in incidenteel appel in zaak 2 genomen.
1.9
Op 27 mei 2025 heeft het hof in beide gevoegde zaken arresten gewezen waarbij een mondelinge behandeling ter plaatse is bepaald.
1.1
Deze mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in Deventer op 11 november 2025. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
1.11
Mr. Luising heeft op 26 november 2025 op dit proces-verbaal gereageerd.
1.12
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] nadere gegevens moesten verstrekken over het heersende erf.
1.13
[appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] hebben op 6 januari 2026 een akte genomen en daarbij een kadastraal uittreksel in het geding gebracht. De VvE c.s., [geïntimeerde5] en [appellanten in zaak2] hebben daarop elk bij antwoordaktes van 3 februari 2026 gereageerd.
1.14
Vervolgens hebben partijen aanvullend gefourneerd en wederom arrest verzocht in de gevoegde zaken. Het hof heeft bepaald dat vandaag arrest wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
Hoewel het procesverloop in deze zaak gecompliceerd is, is het feitelijke geschil dat veel minder. De zaak gaat over een recht van overpad dat in 1929 is gevestigd ten behoeve van achterburen van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] om gebruik te maken van de steeg die tot het perceel van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] behoort. [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] willen dat deze erfdienstbaarheid wordt beëindigd voor zover deze nog bestaat.
2.2
Op het perceel dat gebruik maakt van de erfdienstbaarheid staat een uit twee oude elementen samengesteld gebouw dat in appartementen is opgedeeld die behoren tot de VvE. [geïntimeerde5] woont in een van de appartementen, evenals (ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep) [appellanten in zaak2] , De overige procespartijen zijn bij de oprichting van de VvE betrokken geweest maar zijn geen appartementseigenaar meer. Een van de geschilpunten is wat onder het heersende erf moet worden verstaan.
2.3
Het hof komt tot dezelfde uitkomst als de rechtbank, met dien verstande dat de vorderingen van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] ook afgewezen blijven voor zover deze zien op [appellanten in zaak2]
2.4
Het hof zal dat hierna uitleggen, nadat eerst de relevante feiten zijn vastgesteld.

3.De feiten

3.1
[appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] zijn eigenaar van een perceel gelegen aan de [adres2] in [woonplaats1] met daarop een deels heel oud pand in de binnenstad van [woonplaats1] dat in de loop der tijd vele maatschappelijke functies heeft gehad. Dit pand heeft de huisnummers 42-44. Tot het kadastrale perceel van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] behoort ook een steeg die, staande voor de voordeuren van het pand, aan de (uiterste) rechterzijde daarvan ligt. Aan de andere zijde van de steeg ligt huisnummer 38.
Deze steeg is aan de voorzijde afgesloten met een hek.
3.2
Deze steeg loopt eerst naar het daarachter gelegen nr. 40, thans als atelier in gebruik. Voor nr. 40 is ook een erfdienstbaarheid gevestigd tot gebruik van de steeg vanaf nr. 40 tot aan het hek. Die erfdienstbaarheid is niet in geschil.
Vanaf nr. 40 loopt de steeg verder en komt uit bij een poort met het achterliggende complex van de VvE dat de nummers 55-57 (aan [adres1] ) heeft.
Achter die poort ligt een binnenplaats die in gebruik is als fietsenstalling van het appartementencomplex van de VvE.
3.3
Op 1 oktober 1929 is bij het kadaster een akte van levering ingeschreven, gepasseerd op 30 september 1929, waarbij de toenmalige eigenaar van nr. 42-44 het achterliggende pand met toenmalig huisnummer 19 (en ook het hiervoor genoemde atelier met nummer 40) heeft verkocht. In de koopovereenkomst – die in een slecht leesbaar handschrift in de kadastrale legger is overgeschreven – zijn een aantal erfdienstbaarheden opgenomen, waarvan voor het huidige geschil nog relevant is de volgende passage:
“7. Tot het verkochte behoort het recht van uitgang naar [adres2] over de open plaats achter het verkochte en verder door de gang naar de straat leidende, welke gang kadastraal bekend is onder nummer de Gemeente [gemeentenaam] [sectie] [nummer1] . Het recht van uitgang bepaalt zich uitsluitend tot doorloop met begeleiding aan de hand desgewenst van een tweewielig rijwiel geen motorrijwiel zijnde, en met uitsluiting tevens van alle andere voertuigen en kruiwagens, terwijl het recht tot doorloop zowel vanuit het verkochte naar [adres2] als omgekeerd niet anders mag worden uitgeoefend dan op werkdagen van des voormiddags negen uur tot des namiddags zes uur. De tuindeur in de noordoostelijke grensscheiding van het verkochte grenzende aan de daarachter gelegen open plaats mag nimmer openstaan, terwijl de koper ervoor moet zorgen dat het hek en de poortdeuren aan [adres2] gelegen van des namiddags zes uur tot des voormiddags negen uur gesloten zijn.”
3.4
In het pand met nummers 55-57 werd in 1929 een dansschool geëxploiteerd. De lessen vonden overdag plaats en de erfdienstbaarheid zag op de bereikbaarheid van de achter de dansschool gelegen fietsenstalling.
3.5
[appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] hebben hun perceel in 1996 van de gemeente [gemeentenaam] gekocht. In de akte van levering van 24 juli 1996 is opgenomen:
“ERFDIENSTBAARHEDEN
Ten aanzien van de bestaande erfdienstbaarheden wordt ten deze verwezen naar een akte van transport op 30 september negentienhonderd negen en twintig verleden (…), in welke akte werd overgedragen het huis aan [adres1] , thans huisnummer 55-57, en in welke akte woordelijk staat vermeld:
[Hierna volgt onder meer de hiervoor weergegeven bepaling sub 7 van de koopovereenkomst van 30 september 1929, hof].”
3.6
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn in 1996 eigenaar geworden van het achtergelegen perceel met daarop de huisnummers 55-57. In hun akte van levering van 15 januari 1996, waarbij het gekochte is omschreven als het bedrijfspand met woning, ondergrond en erf, plaatselijk bekend [adres1] 55-57 , kadastraal bekend als [sectie] [nummer2] , is de hiervoor genoemde erfdienstbaarheid ook opgenomen.
3.7
In 2015 is het (samengestelde) pand met de nummers 55-57 gesplitst in appartementen en is de VvE opgericht. Op dat moment was [geïntimeerde3] ook voor een deel eigenaar. Er zijn vijf appartementen, die als huisnummer hebben 57, 57a, 57b, 57c en 57d. [geïntimeerde1] was ten tijde van de procedure in eerste aanleg eigenaar van appartement 57c maar dat appartement is inmiddels verkocht. [geïntimeerde5] is eigenaar van appartement 57b en [appellanten in zaak2] waren ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof nog eigenaar van het te koop staande appartement nr. 57.
3.8
Op 22 september 2021 hebben [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] de heren [geïntimeerde1] en mevrouw [geïntimeerde2] geschreven:
“In de zomer van 2019 hebt u mij gevraagd om een sleutel van het hek, zoals die zich bevindt op mijn perceel aan [adres2] . (…) U lichtte toe dit pad / deze gang tijdelijk te willen gebruiken om uw pand aan [adres1] 55 aan de achterzijde te kunnen bereiken voor uw (ver)bouwwerkzaamheden op dat moment, waaronder vloerwerkzaamheden voor de entree van uw pand. Aan uw verzoek heb ik gehoor gegeven en u een sleutel van het hek gegeven, onder de uitdrukkelijke mededeling en voorwaarde dat het u niet is toegestaan om permanent van deze gang / dit pad gebruik te maken.
Helaas heb ik moeten constateren dat u niet handelt, zoals afgesproken, en u inbreuk maakt op het aan mij toekomende eigendomsrecht. Zo hebt u tot op heden de sleutel van het toegangshek aan [adres2] niet aan mij teruggegeven. Integendeel, blijkbaar heeft u deze sleutel tot meerdere exemplaren laten kopiëren en een sleutel van het hek uitgereikt aan de bewoners van het door u tot meerdere appartementen verbouwde pand aan [adres1] . (…)
Daarnaast hebt u de poort, ter afsluiting van uw en mijn perceel, verwijderd en een open verbinding tussen beide percelen gecreëerd. (…)”
3.9
[appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] sommeerden hen vervolgens om onder meer het gebruik van de steeg te staken en de binnenplaats van nr. 55-57 af te sluiten van de steeg met een tuindeur.
Aan die sommatie is geen gevolg gegeven.

4.De beslissing van de rechtbank

[appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] hebben de VvE c.s., [geïntimeerde5] en [appellanten in zaak2] gedagvaard en gevorderd dat het gebruik door hen van de erfdienstbaarheid van overpad wordt geëindigd. Ook vorderden zij dat de eveneens in 1929 gevestigde erfdienstbaarheden van dakgoot en gebruik van het riool in de steeg zouden worden geëindigd.
4.1
De rechtbank heeft het beroep van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] op het gedurende ten minste 30 jaar geen gebruik maken van het recht van overpad (non-usus naar oud recht) verworpen. Dat geldt ook voor het beroep op opheffing wegens onmogelijkheid van de uitoefening van het recht dan wel opheffing wegens onvoorziene omstandigheden. De rechtbank heeft de erfdienstbaarheid zo uitgelegd dat er van maandag tot en met zaterdag tussen 9 en 18 uur gebruik van mag worden gemaakt. De vordering tot het aanbrengen van een tuindeur tussen nr. 55-57 en de steeg is afgewezen. De rechtbank had wel de vordering tot het gebruik maken van de steeg door [appellanten in zaak2] verboden omdat zij bij de rechtbank geen verweer hadden gevoerd en hun ook verboden afval of materialen in de steeg op te slaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

5.De toelichting op de beslissing van het hof

De ontvankelijkheid van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] in hun verzet in zaak 2
5.1
[appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] hebben gesteld dat het verstekarrest van 23 juli 2024 door [appellanten in zaak2] aan hen niet is betekend en dat zij het arrest pas op 25 november 2024 hebben ontvangen. De verzettermijn bedraagt ingevolge artikel 353 Rv Pro in samenhang met artikel 143 lid 2 Rv Pro vier weken na de dag waarop [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] bekend zijn geworden met het arrest. Uitgaande van die datum van bekendheid is het verzet tijdig ingesteld. [appellanten in zaak2] hebben deze gang van zaken niet bestreden en uit het dossier blijkt ook anderszins niet van een eerder moment van ingang van de verzettermijn. Het hof oordeelt dan ook dat [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] in hun verzet kunnen worden ontvangen.
De vorderingen van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] in beide zaken
5.2
[appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] stellen in beide zaken dezelfde vorderingen in, namelijk dat het vonnis van 10 januari 2024 wordt vernietigd en dat de vorderingen van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] alsnog worden toegewezen. [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] hebben in beide zaken dezelfde vier bezwaren tegen het vonnis (grieven) voorgedragen – in zaak 2 in incidenteel appel – die alle betrekking hebben op de erfdienstbaarheid van overpad. Tegen de beslissingen van de rechtbank tot afwijzing van de vorderingen betreffende de erfdienstbaarheden van dakgoot en gebruik van de riolering onder de steeg zijn geen grieven gericht en tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is ook bevestigd dat die beslissingen niet ter discussie staan.
5.3
In de verzetdagvaarding gaan [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] verder niet in op het hoger beroep van [appellanten in zaak2] en het verstekarrest van het hof, waarin kort gezegd is geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte geen ondeelbare rechtsverhouding aan de zijde van het heersende erf heeft aangenomen en daarmee eveneens ten onrechte onderscheid heeft gemaakt tussen [appellanten in zaak2] en de wel verschenen gedaagden. Dat oordeel staat dus niet meer ter discussie.
5.4
Het hof zal de grieven van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] hierna thematisch bespreken.
Belang [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] ontbreekt bij de vorderingen gericht tegen [geïntimeerde1] , [geïntimeerde3] . en [geïntimeerde2]
5.5
[appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] willen vastgesteld zien dat de door hen in eerste aanleg gedagvaarde partijen als eigenaren van een of meer van de appartementen in het pand met huisnummer 57 dan wel een van de subnummers beginnende met 57, geen aanspraak kunnen maken op de erfdienstbaarheid.
5.6
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde3] . en [geïntimeerde2] geen eigenaar (meer) zijn van een van de betrokken appartementsrechten, zodat daarmee het belang van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] in zoverre aan hun vorderingen is komen te ontvallen.
Het heersende erf is het kadastrale perceel [sectie] [nummer2]
5.7
De centrale stelling in hoger beroep van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] is dat het heersende erf bij de vestiging uitsluitend huisnummer 19 was, wat volgens hen is omgezet in huisnummer 55 en dat het toenmalige huisnummer 21, wat is omgezet in huisnummer 57, nooit het heersend erf is geweest.
5.8
Het hof heeft [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] tijdens de mondelinge behandeling opgedragen alsnog de kadastrale informatie over het ontstaan van het kadastrale perceel [sectie] [nummer2] in het geding te brengen. [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] hebben vervolgens een summier rapport van het Kadaster in het geding gebracht.
Het kadaster bericht dat perceel [nummer2] is ontstaan uit perceel [nummer3] dat in 1921 is ontstaan. Kadastraal perceel [nummer3] wordt ook genoemd in de akte van levering van 30 september 1929 waarbij de erfdienstbaarheid van overpad die in geding is, is gevestigd.
Het hof leidt daaruit af dat het in 1929 verkochte gedeelte van perceel [nummer3] daarna perceel [nummer2] is geworden en dat dit perceel vanaf de koop en vanaf de vestiging van de erfdienstbaarheden altijd één kadastraal perceel is geweest. Dit perceel moet als het heersende erf worden aangemerkt. Welk huisnummer of welke huisnummers aan dat perceel zijn of waren toegekend is niet van belang. Dat het verkochte in de ingeschreven koopovereenkomst alleen als nr. 19 wordt aangeduid, is daarmee niet van belang nu duidelijk is dat het toen verkochte perceelsgedeelte de huidige huisnummers 55 én 57 omvatte.
5.9
Uit de door [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] in het geding gebrachte kadastrale gegevens kan derhalve niet worden afgeleid dat het heersende erf – perceel [sectie] [nummer2] - sedert de vestiging van de erfdienstbaarheid van overpad is vergroot. De complicaties die daarvan het gevolg zouden kunnen zijn, zoals die aan de orde waren in het tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aan de orde gestelde arrest Bibitor [3] , doen zich in dit geval daarmee niet voor.
5.1
Het hof verwerpt de stelling van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] dat uitsluitend huisnummer 55 als heersend erf moet worden aangemerkt. Hun daarop gebaseerde grieven treffen geen doel.
Uitoefening van de erfdienstbaarheid is niet blijvend onmogelijk
5.11
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het gedurende enige tijd niet gebruiken van een erfdienstbaarheid onder het huidige BW, dat in 1992 is ingevoerd, als zodanig geen reden meer is voor opheffing van de erfdienstbaarheid. Voor zover [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] in hoger beroep opnieuw aanvoeren dat de erfdienstbaarheid gedurende lange periode niet is gebruikt, is dat dus geen reden voor opheffing van de erfdienstbaarheid. Dat geldt daarmee ook voor de omstandigheid dat [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] een nieuw hek hadden geplaatst bij de ingang aan de straatzijde en dat de eigenaars van nr. 55-57 geruime tijd niet over de sleutel van dat hek hebben beschikt. Datzelfde geldt voor het feit dat de poort tussen heersende en dienende erf in die tijd was afgesloten.
5.12
Op grond van artikel 5:79 BW Pro kan de rechter een erfdienstbaarheid opheffen als de uitoefening daarvan onmogelijk is geworden. Daarvan was zowel toen de rechtbank moest beslissen als ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof geen sprake. De rechter en het hof hebben dat met eigen ogen kunnen constateren en dat is vastgelegd in de processen-verbaal die van de bezichtiging zijn opgemaakt.
De leden van de VvE hebben een redelijk belang bij het gebruik van de erfdienstbaarheid
5.13
Een aantal leden van de VvE heeft hun fiets geparkeerd achter het gebouw van de VvE en maakt gebruik van de erfdienstbaarheid om, zonder door het eigen pand te hoeven met de fiets, de openbare weg te bereiken. Ook wordt de steeg gebruikt om sneller aan de noordzijde van het centrum te komen. Zo heeft [geïntimeerde5] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij de steeg gebruikt om naar haar werk te gaan.
5.14
Het hof oordeelt dan ook dat de tweede opheffingsgrond van artikel 5:79 BW Pro – het ontbreken van redelijk belang van het heersend erf bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid – zich niet voordoet. Het hof merkt nog op dat het hierbij niet gaat om een belangenafweging waarbij de rechter de belangen van het heersende en het dienende erf tegen elkaar moet afwegen. [4] Overigens is het hof ook niet gebleken dat [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] zwaarwegende belangen hebben bij beëindiging van de erfdienstbaarheid: het hek moet overdag toch openstaan in verband met de bereikbaarheid van nr. 40. Dat de bewoners van nr. 55-57 voor overlast zorgen bij het gebruik van de erfdienstbaarheid is gesteld noch gebleken.
De slotsom
5.15
De grieven van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] treffen geen doel. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen voor zover het de VvE c.s. en [geïntimeerde5] betreft, en voor wat betreft [appellanten in zaak2] betreft het verstekarrest bekrachtigen en het incidenteel appel ongegrond verklaren.
5.16
[appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] zullen, als de in het ongelijk te stellen partij, veroordeeld worden in de kosten van de procedure van de VvE c.s. en [geïntimeerde5] , voor elk van hen te begroten op het van hen geheven griffierecht en op een bedrag aan salariskosten voor de advocaat. Het hof zal daarbij voor de memories in het voegingsincident geen punten toekennen.
Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover, wat alleen door [geïntimeerde5] is gevorderd. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [5]
5.17
Ook zal het hof [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] veroordelen in de kosten van [appellanten in zaak2] die op het incidentele appel zijn gevallen, te begroten op een bedrag aan salariskosten voor de advocaat. Ook hier geldt dat dit bedrag nog is te vermeerderen met de forfaitaire nakosten.
5.18
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
In zaak 1
6.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 10 januari 2024 voor zover in dit hoger beroep aangevochten;
6.2
veroordeelt [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] tot betaling van de volgende proceskosten van de VvE c.s.:
 € 349,- aan griffierecht
 € 2.580,- aan salaris van de advocaat van de VvE c.s. (2 procespunten x het toepasselijke tarief II)
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
6.3
veroordeelt [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] tot betaling van de volgende proceskosten van de [geïntimeerde5] :
 € 349,- aan griffierecht
 € 2.580,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde5] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II)
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
6.4
verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
wijst af wat verder is gevorderd.
In zaak 2
6.6
bekrachtigt het verstekarrest van 23 juli 2024;
6.7
verwerpt het incidentele appel van [appellanten in zaak1 en geïntimeerden in zaak2] en veroordeelt hen in de volgende daarop gevallen kosten aan de zijde van [appellanten in zaak2]
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van [appellanten in zaak2] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II maal factor 0,5 voor incidenteel appel)
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
6.8
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.9
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.E.L. Fikkers en J.E. Wichers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
12 mei 2026.

Voetnoten

3.HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:864.
4.HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736 en HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2373.
5.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.