Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3101

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
200.358.821/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:754 BWArt. 7:760 lid 2 BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kort geding over facturering en retentierecht bij woningverbouwing

Durateq B.V. voerde verbouwingswerkzaamheden uit aan de woning van geïntimeerde op basis van een aannemingsovereenkomst van 11 maart 2025 met een aanneemsom van €205.203,04. Na betaling van een groot deel van de facturen ontstond een geschil over het tempo van factureren en de voortgang van het werk. Durateq oefende retentierecht uit door de woning af te sluiten, waarna geïntimeerde een kort geding startte.

De voorzieningenrechter wees de vorderingen van geïntimeerde grotendeels toe, waaronder het staken van het retentierecht, het onderbouwen van facturen en het hervatten van de werkzaamheden, met dwangsommen. Durateq ging in hoger beroep. Tijdens het hoger beroep ontbond geïntimeerde de aannemingsovereenkomst, waardoor het spoedeisend belang voor de voorzieningen verviel.

Het hof oordeelde dat de veroordeling tot onderbouwing van de facturen terecht was, omdat Durateq onvoldoende inzicht gaf in de relatie tussen facturering en werkelijke voortgang. Het beroep op meerwerk werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. Het retentierecht was inmiddels opgeheven, waardoor hierover geen belang meer bestond. De veroordeling tot voortzetting van het werk werd bekrachtigd tot de ontbinding. Het hof vernietigde het bestreden vonnis vanwege het ontvallen spoedeisend belang, maar liet de veroordeling tot onderbouwing van de facturen tot de ontbinding in stand.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis wegens ontvallen spoedeisend belang, maar bekrachtigt de veroordeling tot onderbouwing van facturen tot ontbinding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.821/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 334964
arrest van 12 mei 2026
in de zaak van
Durateq B.V. (Durateq)
die is gevestigd in Emmen
advocaat: mr. A. Neophitou
en
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. L.M. Goeree

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Na het arrest van 6 januari 2026 in de incidenten [1] zijn de volgende processtukken gewisseld:
  • de op 20 maart 2026 toegezonden akte overlegging producties tevens incidentele vordering ex artikel 223 Rv Pro van Durateq;
  • de op 20 maart toegezonden akte overlegging productie van [geïntimeerde] .
1.2
Vervolgens heeft op 31 maart 2026 de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
Dit is het hoger beroep van een kort geding dat aanhangig is gemaakt door [geïntimeerde] . Durateq heeft op grond van een aannemingsovereenkomst verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd aan de woning van [geïntimeerde] . De verbouwing zou circa 14-18 weken duren, en (na aanpassingen wegens afgesproken meerwerk) € 205.203,04 kosten. Ongeveer zes weken na aanvang van de werkzaamheden had [geïntimeerde] al, naar aanleiding van door Durateq verzonden facturen, een bedrag van € 145.847,35 betaald. Tussen partijen is vervolgens een geschil gerezen over de vraag of de voortgang van het werk het (tempo van) factureren door Durateq wel rechtvaardigde. Durateq heeft zich op een gegeven moment op een retentierecht beroepen (door de woning voor [geïntimeerde] af te sluiten) toen [geïntimeerde] niet bereid was nadere voorschotnota’s van Durateq te betalen.
Het geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond. [2]
2.2
Partijen hebben op 11 maart 2025 een aannemingsovereenkomst gesloten voor de
verbouwing van de woning van [geïntimeerde] aan de [adres] in [plaats] . De
aanneemsom bedraagt (na verhoging met afgesproken meerwerk) € 205.203,04.
2.3
In de aannemingsovereenkomst is opgenomen:
“Voor het werk geldende voorwaarden
(…)
-Facturering van de werkzaamheden geschied naar rato leveringen en/of werkzaamheden. E.e.a. op basis van het bijgevoegde betaalschema”.
En verder:
“Algemeen:

Start van de werkzaamheden In beginsel week 16 van 2025

Doorlooptijd van de werkzaamheden Ca. 14-18 weken
(…)

Facturering Naar rato levering en of productie en
o.b.v. betaalschema

Betaaltermijn Per omgaande na ontvangst factuur”
2.4
Een betaalschema ontbreekt bij de aannemingsovereenkomst.
2.5
Op 14 april 2025 is Durateq met de werkzaamheden begonnen. Durateq heeft in april
en mei 2025 acht facturen gezonden voor een totaalbedrag van € 145.847,35 (incl. btw). Van
der Velden heeft deze facturen betaald.
2.6
Vervolgens is een geschil ontstaan over (het tempo van indienen van) de facturen
van Durateq in relatie tot de stand en de kwaliteit van het werk. Twee voorschotnota's van
totaal € 10.639,98 (incl. btw) uit juni 2025 heeft [geïntimeerde] onbetaald gelaten.
2.7
Op 13 juni 2025 heeft Durateq [geïntimeerde] in gebreke gesteld. Daarnaast heeft
Durateq zich beroepen op het retentierecht. Ter uitvoering daarvan heeft zij alle sloten van de
woning vervangen.
2.8
Na nog wat correspondentie over en weer is [geïntimeerde] een kort geding gestart
tegen Durateq en haar middellijk bestuurder [naam] . [3]
2.9
In dit kort geding heeft [geïntimeerde] gevorderd dat Durateq haar facturen zou onderbouwen, het retentierecht zou opheffen en het werk zou laten opnemen en verder afmaken, een en ander versterkt met dwangsommen. [4]
2.1
De voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft bij vonnis van 28 juli 2025 deze vorderingen voor een belangrijk deel toegewezen en daaraan dwangsommen verbonden. [5] De voorzieningenrechter heeft Durateq onder meer veroordeeld om:
(i) binnen drie werkdagen na betekening van het vonnis de in rekening gebrachte bedragen te onderbouwen door afschrift te verstrekken van de volgende stukken.
-met betrekking tot alle in rekening gebrachte materialen: inkoopfacturen, betaalbewijzen en leveringsbonnen;
-met betrekking tot alle in rekening gebrachte werkzaamheden: urenstaten, werkbonnen en facturen van onderaannemers;
(ii) binnen 24 uur na betekening van het vonnis uitoefening van het retentierecht te staken en gestaakt te houden;
(iii) haar verplichtingen na te komen, doordat zij verplicht wordt om:
-mee te werken aan een opname van de stand van het werk en een beoordeling van de kwaliteit daarvan;
-binnen 48 uur na betekening van het vonnis de verbouwwerkzaamheden weer te hervatten onder verstrekking van een deugdelijk plan van aanpak met uitvoeringsplanning, die werkzaamheden voor de totale aanneemsom van € 205.203,04 uiterlijk 1 december 2025 in voltooide staat op te leveren, en [geïntimeerde] wekelijks schriftelijk verslag te doen van de voortgang (uitgevoerde werkzaamheden en geleverde materialen).
Aan de onder (i), (ii) en (iii) bedoelde veroordelingen heeft de voorzieningenrechter elk een separate dwangsom verbonden van € 1.000 per dag(deel) met een maximum van € 100.000 per dwangsomveroordeling.
2.11
De voorzieningenrechter heeft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en [geïntimeerde] heeft het bestreden vonnis van 28 juli 2025 de volgende dag aan Durateq laten betekenen.
2.12
In het tussenarrest van 6 januari 2026 heeft het hof beslist over twee, door Durateq bij appeldagvaarding opgeworpen incidenten: een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een incident tot opheffing van de dwangsommen. In het eerste incident heeft het hof de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis geschorst. Daartoe overwoog het hof dat inmiddels is gebleken dat [geïntimeerde] de aannemingsovereenkomst met Durateq heeft ontbonden en dat Durateq het retentierecht heeft opgeheven (over de ontbinding en het retentierecht verderop meer). Gelet daarop wegen de belangen van Durateq bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis zwaarder dan die [geïntimeerde] bij handhaving daarvan. In het tweede incident heeft het hof geoordeeld dat, omdat de voorzieningenrechter de dwangsommen heeft opgelegd, Durateq met haar provisionele vordering tot opheffing bij het hof aan het verkeerde adres is, en haar in die vordering niet-ontvankelijk verklaard.
2.13
Tijdens het aanhangig zijn van dit hoger beroep heeft [geïntimeerde] bij brief van 24 oktober 2025 aan Durateq te kennen gegeven de aannemingsovereenkomst te ontbinden.
2.14
Het hof zal, gelet op die ontbinding, beslissen dat het spoedeisend belang is ontvallen aan de gevorderde voorzieningen en het bestreden vonnis vernietigen. Naar het oordeel van het hof was de toewijzing door de voorzieningenrechter van de vorderingen met dwangsomveroordelingen terecht, en vindt het hof daarin aanleiding het bestreden vonnis deels in stand te laten tot aan die datum van de ontbinding. Hierna licht het hof dit oordeel toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Geen spoedeisend belang in hoger beroep
3.1
Bij het hoger beroep van een kort geding moet het hof ambtshalve onderzoeken of het spoedeisende belang ten tijde van de uitspraak van het hof nog bestaat. [geïntimeerde] geeft zelf aan dat dit spoedeisend belang in hoger beroep aan de gevraagde voorzieningen is komen te ontvallen doordat hij bij brief van 24 oktober 2025 aan Durateq de aannemingsovereenkomst tussen hen heeft ontbonden. Dit brengt mee dat het hof zal beslissen om de door [geïntimeerde] gevorderde voorzieningen af te wijzen. Dat betekent dat het hof de vernietiging van het bestreden vonnis zal uitspreken.
3.2
Omdat het hoger beroep van Durateq zich ook richt tegen de dwangsomveroordelingen uit het bestreden vonnis en [geïntimeerde] aanspraak heeft gemaakt op inmiddels verbeurde dwangsommen zal het hof (binnen het door de grieven ontsloten gebied) toch moeten beoordelen of de toewijzing door de voorzieningenrechter van de vorderingen waaraan de dwangsomveroordeling is verbonden terecht was. Als dat naar het oordeel van het hof zo is, dan is dat reden om het bestreden vonnis voor wat betreft die vordering en dwangsomveroordeling in stand te laten voor de periode tot aan de uitspraak in hoger beroep, althans het moment waarop het spoedeisend belang is komen te ontvallen.
3.3
Dit betekent dat het hof, gelet op het hierboven beschreven belang van [geïntimeerde] bij eventuele dwangsommen die Durateq zou kunnen hebben verbeurd [6] in de periode tussen de uitspraak van de voorzieningenrechter en het tussenarrest van 6 januari 2026 (waarbij de tentuitvoerlegging immers is geschorst), alsnog zal beoordelen of de grieven van Durateq doel treffen.
3.4
Daarbij merkt het hof vooraf op dat uitgangspunt is dat voor de procedure bij de voorzieningenrechter wél spoedeisend belang bestond bij de gevraagde voorzieningen, aangezien de voorzieningenrechter dat aannam en Durateq daartegen geen grief heeft gericht.
3.5
Het hof zal de bezwaren (‘grieven’) van Durateq thematisch behandelen. Aan de orde komen:
-de onderbouwing van de facturen (grieven I en II)
-het retentierecht (grief III)
-de opname van het werk (grief IV)
-de voortzetting van het werk (grief IV)
-de uitvoerbaarheid bij voorraad (grief V)
-de kostenveroordeling (grief VI)
-de incidentele vordering bij akte van 20 maart 2026
Durateq is terecht veroordeeld om haar facturen met stukken te onderbouwen
3.6
Durateq is door de voorzieningenrechter veroordeeld om alle bedragen die zij met facturen aan [geïntimeerde] in rekening heeft gebracht te onderbouwen. Die onderbouwing moest Durateq van de voorzieningenrechter geven door afschrift van diverse stukken aan [geïntimeerde] te verstrekken (zie rov. 2.10 onder (i) hiervóór). Met grieven I en II komt Durateq tegen dit oordeel op.
3.7
Het hof is van oordeel dat waar de aannemingsovereenkomst vermeldt dat Durateq bedragen bij [geïntimeerde] in rekening mag brengen “naar rato [van] leveringen en/of werkzaamheden”, dit zo moet worden uitgelegd dat [geïntimeerde] daaronder redelijkerwijs mocht begrijpen dat Durateq hem facturen zou sturen voor de betaling van bedragen die verband houden met verrichte werkzaamheden en geleverde materialen. Daarbij is het hof, evenals de voorzieningenrechter, van oordeel dat de omstandigheid dat Durateq [geïntimeerde] onomwonden heeft bevestigd dat zij geen aanbetalingen vraagt (zie de e-mail van 25 april 2025, productie 4 bij de inleidende dagvaarding), meebrengt dat [geïntimeerde] niet reeds voor bestelde, maar pas aan hem geleverde materialen hoefde te betalen. Dit betekent dat [geïntimeerde] op basis van de aannemingsovereenkomst mocht verwachten dat hij tijdens de voortgang van de werkzaamheden weliswaar van tijd tot tijd tot deelbetalingen verplicht was, maar dat die wel een verband dienden te houden met de werkzaamheden die al waren uitgevoerd in hun verhouding tot het totaal (vandaar de formulering “naar rato”), en dat waar hem materialen in rekening werden gebracht dit – in ieder geval waar het voor de opdracht specifieke materialen waren – materialen waren die zich al op of bij het werk bevonden (en in zoverre “geleverd” waren).
3.8
De facturen die Durateq aan [geïntimeerde] stuurde zijn niet gemakkelijk te doorgronden, en waar zij dat al zijn, volgt daaruit enkel dat volgens Durateq een zeker percentage van de betreffende onderdelen van het werk (qua werkzaamheden en materiaalkosten) voltooid was. Waar die percentages op gebaseerd zijn, en waarom die percentages ten opzichte van voorgaande facturen opliepen, blijkt uit die facturen volstrekt niet.
3.9
Durateq heeft nog gesteld dat sprake was van aanzienlijk “onverwacht meerwerk”, zoals zij dat noemt. Zij heeft, hoewel zij er veel woorden aan heeft gewijd, echter onvoldoende duidelijk gemaakt dat en waarom dit meerwerk betreft waarvoor [geïntimeerde] als opdrachtnemer zou dienen te betalen. Zo blijkt niet van extra werkzaamheden die bijvoorbeeld het gevolg zijn van door [geïntimeerde] gewenste aanpassingen die voor zijn rekening komen, of van een situatie als bedoeld in artikel 7:760 lid 2 BW Pro waarbij Durateq van tevoren aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan. Zou al sprake zijn van extra werkzaamheden, dan heeft Durateq onvoldoende onderbouwd dat deze iets anders betreffen dan tegenvallers die, gelet op de met [geïntimeerde] gesloten aanneemovereenkomst tegen vaste aanneemsom, voor rekening van Durateq moeten blijven.
3.1
Als de overeenkomst daar niet al toe verplicht, is het hof van oordeel dat de verplichting om de gefactureerde bedragen inzichtelijk te onderbouwen onder de gegeven omstandigheden ten tijde van de procedure bij de voorzieningenrechter in ieder geval bestond. Vast staat immers dat van de vaste aanneemsom van € 205.203,04 al een bedrag van € 145.847,35 was betaald en daarmee het overgrote deel, terwijl het er op leek dat de werkzaamheden nog in de beginfase verkeerden. Met de rapporten van IVCO en DEKRA – waarin wordt onderbouwd dat voor een bedrag van € 24.775,57 (IVCO), dan wel € 27.425,42 (DEKRA) aan werkzaamheden is verricht – heeft [geïntimeerde] voldoende aannemelijk gemaakt dat bij hem redelijkerwijs de indruk kon ontstaan dat de door Durateq verrichte en door hem betaalde werkzaamheden niet met elkaar in verhouding waren. De rapporten van Thermophoto en [naam2] waarmee Durateq wil onderbouwen dat wel degelijk naar de stand van het werk is gefactureerd missen voor het hof zeggingskracht. Het rapport van Themophoto mist namelijk onderbouwing, zoals ook de adviseur van Durateq, [naam2] , stelt. En uit het rapport van [naam2] volgt niet welke werkzaamheden verricht zijn en welke materialen zijn geleverd, reeds omdat dat rapport uitgaat van wat er nog moet gebeuren om de werkzaamheden af te ronden. Daarbij wordt de gehele winstmarge van Durateq dus toegerekend aan de eerst verrichte werkzaamheden. Dat sluit niet alleen niet aan bij de manier waarop Durateq behoorde te factureren, maar die methode is bovendien voor dit geval van onwaarde, omdat daarin (ten gunste van Durateq) het nodige meerwerk wordt meegenomen, dat buiten de overeengekomen aanneemsom valt en waarvan, zoals het hof zojuist heeft overwogen, ook niet aannemelijk is dat dit voor rekening van [geïntimeerde] dient te komen.
Verder is het zo dat [geïntimeerde] op basis van de aannemingsovereenkomst mocht verwachten dat de werkzaamheden – als die al volgens planning zouden verlopen, terwijl het een ervaringsfeit is dat (ver)bouwwerkzaamheden niet zelden uitlopen – nog ongeveer 8 tot 12 weken zouden duren. Vast staat dat de facturen, zoals overwogen, wel stellen dat de werkzaamheden en materialen in de pas lopen met de betalingen maar daarin geen daadwerkelijk inzicht geven. En vast staat ook dat kort nadat [geïntimeerde] vroeg om dat inzicht, Durateq aangaf niet verder te willen bouwen zonder eerst nog meer betaald te krijgen.
3.11
Een sprekend voorbeeld van deze omstandigheden is de manier waarop Durateq over de post ‘kozijnen’ met [geïntimeerde] heeft gecommuniceerd. Vast staat dat Durateq [geïntimeerde] heeft gevraagd om in verband met de voortgang aan de kozijnen een bedrag van € 29.877 te betalen, en [geïntimeerde] dit ook heeft betaald. [geïntimeerde] heeft over dit bedrag aan Durateq vragen gesteld, omdat hij meende te zien dat er aan de kozijnen geen noemenswaardige werkzaamheden waren verricht. Durateq heeft hem toen in appberichten (productie 48) aangegeven dat die kosten verband houden met “forse inkopen”, en dat men nog zou terugkomen op de gedane inkopen. In een e-mail van 25 september 2025 aan haar adviseur [naam2] zegt Durateq echter met zoveel woorden dat zij de kozijnen weliswaar heeft besteld, maar de aanbetaling nog niet heeft gedaan om reden dat deze dan binnen 3-4 weken op de bouw aankomen en op de bouwplaats geen ruimte was voor de kozijnen (productie 63 Akte overlegging producties tevens incidentele vordering Durateq). Bij het bespreken van deze e-mail tijdens de zitting in hoger beroep heeft Durateq herhaald dat zij nog geen aanbetaling voor de kozijnen had gedaan. Daaraan heeft zij toegevoegd dat de kosten van het inmeten van de kozijnen ten grondslag liggen aan het aan [geïntimeerde] gefactureerde bedrag van € 29.877. Uit een en ander kan het hof niet anders concluderen dan dat Durateq [geïntimeerde] heeft laten betalen voor kozijnen waarvoor zij zelf nog geen enkele betaling had gedaan. Dit staat haaks op de door Durateq met [geïntimeerde] gemaakte afspraak dat geen aanbetalingen/voorschotten in rekening zouden worden gebracht. Dat het gefactureerde bedrag € 29.877 zich laat verklaren door de inmetingskosten zoals Durateq stelt, staat haaks op de eerdere mededeling van Durateq dat “forse inkopen” waren gedaan en acht het hof gelet op de aard van de betreffende werkzaamheden ook ongeloofwaardig.
3.12
Het hof is van oordeel dat de stand van facturering dusdanig was dat dit bij [geïntimeerde] de vraag mocht oproepen of de stand van de werkzaamheden en van de geleverde materialen wel redelijkerwijs met die facturering in de pas liep. Onder de gegeven omstandigheden, en gelet op de betaalafspraken uit de aannemingsovereenkomst, brengt de redelijkheid en billijkheid een verplichting mee voor Durateq om tegenover [geïntimeerde] , die dat wenste, haar facturen van een nadere onderbouwing te voorzien. Dat betekent dat de toewijzing door de voorzieningenrechter van de vordering van [geïntimeerde] tot nadere onderbouwing door Durateq van haar facturen in essentie terecht was. Voor zover die veroordeling ziet op het overleggen van stukken die zien op in rekening gebrachte materialen, beperkt het hof deze tot inkoopfacturen, betaalbewijzen en leveringsbonnen van materialen die Durateq speciaal voor dit werk heeft aangeschaft en strekt de veroordeling zich dus niet uit tot inkoopfacturen van standaardvoorraden zoals schroeven en spijkers. Voor zover de veroordeling ziet op in rekening gebrachte werkzaamheden, laat het hof deze volledig in stand. Dat betekent dat de toewijzing door de voorzieningenrechter van de vordering tot het geven van nadere onderbouwing in essentie terecht was. Enkel wat betreft de uitwerking komt het hof in beperkte mate tot een ander oordeel, maar dat laat de strekking van de veroordeling onverlet. Ook het hof ziet aanleiding om aan deze veroordeling, zoals gevorderd, een dwangsom te verbinden, zij het dat het hof deze op een lager bedrag zal stellen zoals uit het dictum zal blijken.
Geen belang bij een oordeel over het retentierecht
3.13
Vast staat dat het retentierecht meteen na de betekening van het vonnis van 28 juli 2025 is opgeheven. Bij de bespreking van de grief (III) waarmee Durateq opkomt tegen de toewijzing door de voorzieningenrechter van de vordering van [geïntimeerde] tot het staken van dit retentierecht, bestaat dan ook geen belang, ook niet in verband met de daaraan verbonden dwangsommenveroordeling. Tussen partijen staat niet ter discussie dat in verband met deze veroordeling geen dwangsommen zijn verbeurd.
Geen belang bij een oordeel over meewerken aan een opname van het werk
3.14
De voorzieningenrechter heeft Durateq veroordeeld om mee te werken aan het door of namens [geïntimeerde] middels expertiseonderzoek laten opnemen van de stand van het door Durateq uitgevoerde werk en het laten beoordelen van de kwaliteit daarvan. Hiertegen komt Durateq met grief IV op. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Durateq aan deze veroordeling heeft voldaan en dat in verband daarmee geen dwangsommen zijn verbeurd. Bij die stand van zaken bestaat geen belang bij verdere bespreking van deze grief.
Durateq is terecht veroordeeld tot het verder afmaken van de werkzaamheden
3.15
De voorzieningenrechter heeft Durateq ook veroordeeld om “binnen 48 uur na betekening van dit vonnis het werk (de verbouwing van de woning) aan te vangen met de nodige werkzaamheden onder verstrekking van een deugdelijk plan van aanpak met uitvoeringsplanning en die werkzaamheden met de totale aanneemsom van € 205.203,04 conform dit plan van aanpak uiterlijk 1 december 2025 op te leveren in voltooide staat overeenkomstig de gesloten aannemingsovereenkomst, en aan [geïntimeerde] iedere laatste werkdag van de week schriftelijk verslag te doen van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd en de materialen die zijn geleverd”. Ook tegen dit oordeel richt zich grief IV van Durateq.
3.16
Die grief faalt. Daarbij stelt het hof voorop dat ook uit het rapport van [naam2] , een partijrapport ingebracht door Durateq, blijkt dat Durateq aan [geïntimeerde] méér heeft gefactureerd dan de stand van het werk rechtvaardigde. Naar het oordeel van het hof heeft Durateq dan ook volstrekt niet aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] haar iets moest betalen op het moment dat Durateq zich op het retentierecht beriep. Daarbij verwerpt het hof het argument van Durateq dat [geïntimeerde] gehouden was bedragen te voldoen in verband met “onverwacht meerwerk”. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] , onder meer op de grond dat Durateq niet onderbouwt op welke grond [geïntimeerde] bovenop de aanneemsom bedragen aan Durateq verschuldigd is, en dat Durateq hoe dan ook niet aan haar waarschuwingsplicht in de zin van artikel 7:754 BW Pro heeft voldaan, heeft Durateq onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van meerwerk dat voor rekening van [geïntimeerde] komt. Dat is dus niet aannemelijk geworden. Dit betekent dat [geïntimeerde] , gelet op de voortgang van de werkzaamheden, niet verplicht was om op moment dat Durateq – aldus ten onrechte – haar retentierecht inriep, een betaling te verrichten. Met de betalingen die hij al had verricht liep hij immers vóór op de verrichte werkzaamheden. Het was dus juist Durateq die verplicht was haar werkzaamheden weer te hervatten en af te maken. Zoals al overwogen geldt daarbij dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [geïntimeerde] bedragen aan Durateq diende te betalen vanwege enig meerwerk. Daaruit volgt dat de voorzieningenrechter op goede grond Durateq kon veroordelen tot het voltooien van de aangenomen werkzaamheden tegen de overeengekomen vaste aanneemsom van € 205.203,04. Daarbij heeft de voorzieningenrechter terecht aangeknoopt bij de datum van 1 december 2025, omdat Durateq zich daartegen niet had verweerd.
3.17
Waar Durateq aanvoert dat het problematisch is dat zij veroordeeld is om haar werkzaamheden te baseren op een op te stellen plan van aanpak, volgt het hof haar daarin niet. Het valt immers niet in te zien dat Durateq voor het opstellen van een plan voor het voltooien van de aangenomen werkzaamheden afhankelijk zou zijn van een rapport van een derde, zoals zij lijkt te stellen. Die eis is overigens ook niet te lezen in de veroordeling door de voorzieningenrechter. Het hof is dan ook van oordeel dat de voorzieningenrechter deze vorderingen terecht heeft toegewezen. De daarop gestelde dwangsom in 6.7. van het dictum, ziet alleen op overschrijding van de hoofdverplichting, namelijk het uiterlijk op 1 december 2025 op te leveren van de woning in voltooide staat. Door de ontbinding is het belang aan die dwangsom komen te ontvallen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.18
Durateq meent dat de voorzieningenrechter haar vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad had dienen te verklaren, nu de vorderingen niet toewijsbaar zijn, en Durateq in verband met het meerwerk een opschortingsverweer heeft. Uit het voorgaande blijkt dat beide argumenten door het hof zijn verworpen, zodat ook deze grief (V) alleen al daarom geen doelt treft. Bovendien: de aard van de gevraagde en toegewezen voorzieningen brengt mee dat het belang van [geïntimeerde] bij het kunnen tenuitvoerleggen van het vonnis van de voorzieningenrechter diende te prevaleren. Ook in zoverre heeft de voorzieningenrechter het vonnis terecht uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Kostenveroordeling
3.19
Aangezien de voorzieningenrechter de vorderingen terecht heeft toegewezen moet ook de kostenveroordeling ten laste van Durateq voor de procedure bij de voorzieningenrechter in stand te blijven. Grief VI van Durateq slaagt dus niet. In de uitkomst van hoger beroep ziet het hof aanleiding om de kosten in hoger beroep, ook van de incidenten, te compenseren.
Incidentele vordering bij akte van 20 maart 2026
3.2
Durateq stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde] ook na het tussenarrest van 6 januari 2026 is doorgegaan met de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, en vordert hem te veroordelen verdere executie daarvan te staken, op straffe van een dwangsom. Gelet op de uitkomst van het hoger beroep behoeft het incident geen nadere bespreking.
De conclusie
3.21
Het hof zal, nu het spoedeisend belang in hoger beroep aan de vorderingen is ontvallen, het bestreden vonnis vernietigen. Omdat het hof in de formulering van het dictum en de hoogte van de dwangsommen op punten (beperkt) afwijkt van de voorzieningenrechter, zal het hof het dictum waar nodig opnieuw formuleren waar het betreft de periode tot aan de datum van de ontbinding van de aanneemovereenkomst op 24 oktober 2025.

4.De beslissing

Het hof:
4.1
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 28 juli 2025, voor zover in dit hoger beroep aangevochten, behoudens de daarin onder 6.8 opgenomen proceskostenveroordeling die wordt bekrachtigd en de onder 6.2 opgenomen veroordeling, die deels wordt bekrachtigd voor de periode tot 24 oktober 2025, in die zin dat deze komt te luiden:
- veroordeelt Durateq om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis aan
[geïntimeerde] een afschrift te verstrekken van de volgende onderbouwing van alle door Durateq aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedragen:
- met betrekking tot de in rekening gebrachte materialen die specifiek voor dit werk zijn aangeschaft: inkoopfacturen, betaalbewijzen en leveringsbonnen;
- met betrekking tot alle in rekening gebrachte werkzaamheden: urenstaten, werkbonnen en facturen van onderaannemers;
en behoudens de onder 6.3 daarop gestelde dwangsom, met dien verstande dat de dwangsom gesteld wordt op € 500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldeed, tot een maximum van € 25.000 is bereikt;
4.2
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure bij het hof;
4.3
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Essed, J.H. Kuiper, en H.M. Fahner, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
12 mei 2026.

Voetnoten

1.Gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2026:292.
2.Het hof sluit zich aan bij de feitenvaststelling van de voorzieningenrechter, die partijen in hoger beroep ook niet ter discussie hebben gesteld. Wel zal het hof her en der eigen accenten plaatsen.
3.De vorderingen tegen de bestuurder zijn afgewezen en hij is niet in hoger beroep betrokken.
4.In eerste aanleg had Durateq ook tegenvorderingen ingediend. Die zijn afgewezen en in hoger beroep niet langer aan de orde.
5.Dit vonnis is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBOVE:2025:5012.
6.Waarbij het hof opmerkt dat de vraag óf die dwangsommen zijn verbeurd niet aan het hof is, maar voorligt aan de bevoegde rechter in een eventueel executiegeschil ter zake.