ECLI:NL:GHARL:2026:3326

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
200.356.010
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 lid 1 BWArt. 3:310 BWArt. 3:317 lid 1 BWArt. 7:310 BWArt. 7:323 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering Stichting op vergoeding fosfaatrechten wegens verjaring

De Stichting vorderde een vergoeding van de fosfaatrechten die [verweerder] verkreeg na beëindiging van de pacht op het landgoed “Parkzicht”. De kern van het geschil betrof de uitleg van een afspraak over het achterlaten of vergoeden van fosfaatrechten en de vraag of deze vordering verjaard was.

Het hof oordeelde dat de verbintenis tot nakoming van de afspraak over fosfaatrechten reeds vóór december 2018 opeisbaar was en dat de vordering van de Stichting daarom verjaard is op grond van artikel 3:307 lid 1 BW Pro. De Stichting kon niet aannemelijk maken dat de opeisbaarheid afhankelijk was gesteld van jurisprudentie of nadere afspraken. Ook een beroep op artikel 7:323 BW Pro faalde omdat uitvoering van de pachtbeëindiging had plaatsgevonden.

Daarnaast werd een vordering tot schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming eveneens als verjaard beschouwd. Het beroep op ongerechtvaardigde verrijking en redelijkheid en billijkheid werd verworpen omdat verjaring niet onaanvaardbaar is zonder bijkomende omstandigheden.

Het bewijsaanbod van de Stichting werd gepasseerd wegens gebrek aan concrete feiten. De vorderingen werden afgewezen en de Stichting werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [verweerder].

Uitkomst: De vordering van de Stichting op vergoeding van fosfaatrechten is verjaard en wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.356.010
arrest van de pachtkamer van 26 mei 2026
in de zaak van
Stichting [naam Stichting]
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
eiseres
hierna: de Stichting
advocaat: mr. R. Jansen
tegen
[verweerder]
die woont in [woonplaats] (gemeente [naam gemeente] )
verweerder
hierna: [verweerder]
advocaat: mr. P. Stehouwer

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 25 november 2025 heeft op 26 maart 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
1.2.
Deze zaak is bij prorogatie bij het hof aangebracht (artikel 329 Rv Pro). Het hof stelt vast dat aan de voorwaarden voor prorogatie is voldaan en het hof daarom bevoegd is. Het toepasselijke landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven bepaalt voor pachtzaken dat als sprake is van prorogatie er na de mondelinge behandeling gelegenheid is tot het nemen van memories van repliek en dupliek. Tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken dat als het hof een tussenarrest zou wijzen waarin het oordeelt dat de berekening van de fosfaatrechten en de daarmee verband houdende vergoeding relevant zijn, partijen daarover nog een akte mochten nemen. Het hof wijst met dit arrest echter een eindarrest waarin de aanspraak van de Stichting wordt afgewezen, zodat een nadere akte niet meer aan de orde is.

2.De kern van de zaak; feiten en vordering

Kern van de zaak
2.1.
Het gaat er in deze zaak om of de Stichting recht heeft op fosfaatrechten of op een vergoeding daarvoor van [verweerder] in verband met de beëindiging van de pachtverhouding tussen de Stichting en [verweerder] , of dat deze aanspraak is verjaard. Het hof concludeert dat deze aanspraak is verjaard en de vorderingen van de Stichting daarom moeten worden afgewezen.
Feiten
2.2.
[verweerder] pachtte op het landgoed [naam landgoed] de hoeve “Parkzicht” met landerijen met een totale oppervlakte van 42.23.09 ha. [verweerder] exploiteerde op het gepachte en op het bedrijf van zijn ouders op een ander adres een melkveehouderij. Op enig moment zijn [verweerder] en de Stichting in overleg getreden over verplaatsing van het bedrijf van [verweerder] .
2.3.
Op 25 november 2016 heeft Alfa Accountants en Adviseurs, de adviseur van [verweerder] , (hierna: Alfa) aan [verweerder] bericht hoeveel fosfaatrechten hij te zijner tijd zou kunnen registeren. Alfa schrijft ook dat de rentmeester van de Stichting het voornemen heeft een werkafspraak te maken over de ontbinding van de pachtovereenkomst. In die werkafspraken wil de rentmeester een artikel wijden aan een mogelijke vergoeding voor de nog vast te stellen fosfaatrechten. In dit artikel zal worden vastgelegd hoe te handelen in het geval wetgeving, of naar aanleiding daarvan jurisprudentie, de verpachter een aanspraak zou geven op fosfaatrechten.
2.4.
Op 12 juni 2017 heeft de heer [naam A] namens de Stichting aan [verweerder] (via zijn tussenpersoon [naam tussenpersoon] ) bevestigd dat de Stichting in verband met de ontpachting van de Hoeve [naam hoeve] aan [verweerder] een ontpachtingsvergoeding van € 800.000 betaalt. Aan de uitbetaling van deze vergoeding heeft de Stichting in deze brief uitdrukkelijk een aantal voorwaarden verbonden. Eén daarvan was:

De fosfaatrechten blijven achter op de pachtgronden van [verweerder] . Mocht [verweerder] de fosfaatrechten willen meenemen naar zijn vervangend bedrijf, dan zullen daarover met de stichting nadere afspraken gemaakt moeten worden en zal er op een marktconforme basis met de stichting moeten worden afgerekend. In dit verband verwijs ik naar de aangehechte bijlagen. Mocht uit jurisprudentie blijken dat de fosfaatrechten aan [verweerder] toekomen, dan vindt er geen verrekening plaats.
Hierna wordt deze bepaling aangeduid als de “fosfaatrechtenvoorwaarde”.
2.5.
Op 12 oktober 2017 is de ontpachtingsvergoeding van € 800.000 door de Stichting betaald via de notaris in het kader van een kavelruil. Op 1 december 2017 heeft [verweerder] het gebruik van het gepachte gestaakt. Medio april 2018 heeft hij nog de laatste achtergebleven roerende zaken van het erf verwijderd.
2.6.
Op 12 januari 2018 heeft [verweerder] een beschikking fosfaatrechten ontvangen, waarbij hem 5.953 kg fosfaatrechten zijn toegekend, zowel voor het gepachte als zijn eigendomslocatie nabij het gepachte.
2.7.
Op 26 maart 2019 heeft dit hof een tussenarrest gewezen in de zaak ASR/ [pachter] [1] , waarin het – kort gezegd – heeft geoordeeld dat onder bepaalde omstandigheden een verpachter aanspraak heeft op de fosfaatrechten die zijn toegekend aan een pachter. Op 24 september 2019 heeft dit hof een eindarrest in die zaak gewezen [2] en op 15 december 2023 heeft de Hoge Raad, in weer een andere zaak, [3] bevestigd dat als algemene regel van aanvullend recht moet worden aangenomen dat onder bepaalde omstandigheden een verpachter aanspraak heeft op fosfaatrechten die aan een pachter zijn toegekend.
2.8.
Op 21 december 2023 heeft de rentmeester van de Stichting [verweerder] aangeschreven en een voorstel gedaan voor de afrekening van de fosfaatrechten.
Vordering
2.9.
De Stichting heeft gevorderd dat het hof voor recht zal verklaren dat de Stichting jegens [verweerder] aanspraak heeft op een vergoeding ter zake de door [verweerder] verkregen fosfaatrechten en dat [verweerder] wordt veroordeeld om een (schade)vergoeding te betalen ter zake de fosfaatrechten, nader op te maken bij staat, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Verjaring
3.1.
De Stichting vordert nakoming van de gemaakte afspraak dat de fosfaatrechten bij het gepachte zouden blijven, dan wel dat over betaling daarvoor een marktconforme afspraak gemaakt zou worden, dan wel dat voor deze fosfaatrechten een vergoeding betaald moet worden. Tussen partijen staat vast dat de afspraak in de brief van 12 juni 2017 onderdeel is van de overeenkomst over de pachtbeëindiging. [verweerder] beroept zich er echter op dat de vordering tot nakoming van deze verbintenis is verjaard. Dit verweer slaagt.
3.2.
Artikel 3:307 lid 1 BW Pro bepaalt, voor zover relevant, dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Artikel 3:317 lid 1 BW Pro bepaalt dat een dergelijke verjaring tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.
3.3.
De Stichting heeft zich beroepen op een stuitingshandeling op 21 december 2023. [verweerder] stelt zich echter op het standpunt dat de vordering daarvóór al verjaard is, omdat de verbintenis al eerder dan 21 december 2018 opeisbaar was. Dat wordt door de Stichting betwist. Het komt er dus voor de beoordeling van dit verjaringsverweer op aan wanneer de verbintenis met betrekking tot de fosfaatrechten opeisbaar is geworden.
Was de fosfaatrechtenvoorwaarde niet opeisbaar op grond van artikel 7:323 BW Pro?
3.4.
De Stichting beroept zich er op dat de afspraak over de fosfaatrechten nog niet opeisbaar was op grond van artikel 7:323 BW Pro. Dat artikel bepaalt onder andere dat voor zover niet reeds feitelijk uitgevoerd, aan een overeenkomst tot beëindiging van een pachtovereenkomst die nog niet door de grondkamer is goedgekeurd, partijen slechts in zoverre gebonden zijn dat zij niet eenzijdig kunnen terugtreden. Volgens de Stichting is het onderdeel van de pachtbeëindigingsovereenkomst dat zag op de fosfaatrechten nog niet uitgevoerd en dus op grond van artikel 7:323 BW Pro nog niet opeisbaar.
3.5.
Die redenering gaat niet op. [verweerder] heeft het gebruik van het gepachte beëindigd. Daarmee is in dit geval aan het wezenlijke element van de pachtbeëindigingsovereenkomst uitvoering gegeven en is aan de voorwaarde van artikel 7:323 BW Pro voldaan. Artikel 7:323 BW Pro is niet bedoeld om in een geval als dit de opeisbaarheid te ontnemen aan verbintenissen die gerelateerd zijn aan het beëindigen van de pacht, waaraan door ontruiming van het gepachte uitvoering is gegeven. Zou het beroep van de Stichting op artikel 7:323 BW Pro overigens wel slagen, dan zou dat artikel aan haar vordering tot nakoming en schadevergoeding in de weg staan, omdat [verweerder] in dat geval niet aan deze afspraak gebonden zou zijn, behalve dat hij daarvan niet eenzijdig zou kunnen terugtreden.
Moet de fosfaatrechtenvoorwaarde zo worden uitgelegd dat deze pas later opeisbaar is?
3.6.
De stichting beroept zich er verder op dat partijen beoogd hebben om de opeisbaarheid van de fosfaatrechtenvoorwaarde afhankelijk te maken van het moment dat in de rechtspraak zou zijn bepaald aan wie de fosfaatrechten toekomen. Omdat daarvan op zijn vroegst in 2019 sprake is geweest, is de vordering van de Stichting niet verjaard. [verweerder] heeft betwist dat de fosfaatrechtenvoorwaarde zo uitgelegd moet worden.
3.7.
Het komt bij de uitleg van een overeenkomst aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf).
3.8.
De uitleg die de Stichting aan de fosfaatrechtenvoorwaarde geeft, is dat is afgesproken dat [verweerder] alle fosfaatrechten zou achterlaten. Als hij deze mee wilde nemen, dan moest nog een marktconforme vergoeding aan de Stichting betaald worden, tenzij in de jurisprudentie anders werd bepaald. Er zijn volgens de Stichting twee opschortende voorwaarden of tijdsbepalingen verbonden aan deze verbintenis: ten eerste dat in de rechtspraak duidelijkheid zou komen over de aanspraken op fosfaatrechten en ten tweede nadere afspraken tussen de Stichting en [verweerder] als hij de fosfaatrechten meenam. Ter onderbouwing van deze uitleg verwijst de Stichting naar de tekst van de bepaling en naar de brief van Alfa van 25 november 2016.
3.9.
Het hof oordeelt als volgt. De Stichting heeft ten eerste bedongen dat de fosfaatrechten achtergelaten zouden worden. Die verplichting was onmiddellijk na toekenning van de fosfaatrechten uitvoerbaar. Ook de omvang van de verplichting was duidelijk: het ging om alle aan het gepachte toe te rekenen fosfaatrechten. Dat deze verbintenis afhankelijk was van een toekomstige gebeurtenis, zoals jurisprudentie, blijkt nergens uit. Dat bedoeld was deze verbintenis pas opeisbaar te maken bij duidelijkheid in de rechtspraak over welke aanspraak de Stichting had, blijkt in ieder geval niet uit de tekst van de bepaling.
3.10.
Ten tweede voorziet de fosfaatrechtenvoorwaarde in de mogelijkheid dat [verweerder] de fosfaatrechten mee zou nemen. In dat geval heeft de Stichting bedongen dat partijen nadere afspraken zouden maken en dat [verweerder] een marktconforme vergoeding zou betalen. Ook de verbintenissen om een dergelijke afspraak te maken en marktconform te betalen, was onmiddellijk na toekenning van de fosfaatrechten uitvoerbaar. De bepaling spreekt ook van een marktconforme vergoeding, niet van een vergoeding conform nog nader te verschijnen jurisprudentie. Niets stond eraan in de weg om onmiddellijk na toekenning van de fosfaatrechten aan deze verbintenissen uitvoering te geven. Dat de Stichting met haar aanspraak op vergoeding wilde wachten op jurisprudentie over haar aanspraken blijkt niet uit de tekst van de fosfaatrechtenvoorwaarde. Dat een dergelijke opschorting bedoeld was, ligt ook niet voor de hand, omdat op dat moment onduidelijk was of, en zo ja, wanneer dergelijke jurisprudentie dan beschikbaar zou komen en ook niet met welke jurisprudentie partijen dan genoegen zouden nemen (pachtkamer, pachtkamer van het hof of Hoge Raad). De fosfaatrechtenvoorwaarde zegt ook “
Mocht uit jurisprudentie blijken dat de fosfaatrechten aan [verweerder] toekomen, dan vindt er geen verrekening plaats.” Het gebruik van het woord “mocht” wijst erop dat niet zeker was of dit zich zou voordoen. Zou bedoeld geweest zijn dat pas afgerekend zou worden als jurisprudentie was verschenen, dan had voor de hand gelegen om te zeggen dat afgerekend zou worden zodra jurisprudentie zou zijn verschenen.
3.11.
Het hof merkt nog op dat deze zin specifiek zegt dat
geenverrekening plaatsvindt, terwijl eerder in de bepaling al besproken is dat een marktconforme vergoeding zou worden betaald. Deze zin kan dus ook zo uitgelegd worden, dat een door partijen bepaalde marktconforme vergoeding juist niet meer aangepast zou worden als uit jurisprudentie zou volgen dat de Stichting geen aanspraak op fosfaatrechten had. Maar ook als die uitleg niet gevolgd wordt, suggereert de redactie van deze bepaling dat de Stichting voorop stelde dat zij betaald wilde worden en alleen als uit jurisprudentie iets anders zou volgen, zou dat anders worden. In samenhang met de eis dat over een marktconforme vergoeding overeenstemming bereikt zou worden als [verweerder] de fosfaatrechten mee wilde nemen, leidt het hof af dat hiermee een aanpassing achteraf van de marktconforme vergoeding bedoeld is geweest en niet een opschorting van de verbintenis om te betalen.
3.12.
Volgens de Stichting is de tweede voorwaarde voor opeisbaarheid dat zij met [verweerder] over de fosfaatrechten een afspraak zou maken. Tot dat moment zou de verbintenis om een vergoeding te betalen niet opeisbaar zijn. Wat is afgesproken, is echter dat nadere afspraken gemaakt zouden worden en dat als onderdeel daarvan een marktconforme vergoeding betaald zou worden. Van die verbintenis wordt nakoming gevorderd. Aan die verbintenis kon ook al eerder uitvoering gegeven worden en zoals hierboven uiteengezet, is onvoldoende onderbouwd dat de bedoeling van de Stichting en [verweerder] was om een afspraak te maken dat alles zou wachten op jurisprudentie.
3.13.
De tekst van de fosfaatrechtenvoorwaarde wijst dus niet op een verbintenis die pas opeisbaar zou worden als jurisprudentie beschikbaar zou komen. De brief van 25 november 2016 van Alfa is onvoldoende reden om tot een andere uitleg te komen. De brief kondigt aan dat de Stichting een werkafspraak wil maken over fosfaatrechten in het geval wetgeving, of naar aanleiding daarvan jurisprudentie, de verpachter een aanspraak zou geven op fosfaatrechten. Uit de daadwerkelijk door de Stichting gestelde fosfaatrechtenvoorwaarde blijkt dat de Stichting ervoor heeft gekozen om strenger te zijn dan een dergelijke werkafspraak.
3.14.
Andere aanknopingspunten voor uitleg, anders dan de tekst van het beding en de brief van Alfa van 25 november 2016, heeft de Stichting niet naar voren gebracht. Het hof ziet onvoldoende aanknopingspunten voor een andere uitleg. De verbintenissen om de fosfaatrechten achter te laten en om een nadere afspraak te maken over een marktconforme vergoeding als [verweerder] de fosfaatrechten mee zou nemen waren vóór december 2018 opeisbaar. De rechtsvordering tot nakoming van deze verbintenissen is daarom verjaard.
3.15.
De Stichting heeft een verklaring voor recht gevorderd dat zij aanspraak heeft op een vergoeding ter zake de door [verweerder] verkregen fosfaatrechten. Na verjaring van een rechtsvordering resteert een natuurlijke verbintenis. Het hof begrijpt de vordering van de Stichting echter zo, dat zij met haar vordering tot het uitspreken van een verklaring voor recht een afdwingbare aanspraak heeft bedoeld. Het zal deze vordering daarom afwijzen.
Ook een vordering tot schadevergoeding wegens een toerekenbare tekortkoming is verjaard
3.16.
De stichting heeft tijdens de mondelinge behandeling ook toegelicht dat zij een beroep heeft willen doen op schadevergoeding wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de gemaakte afspraken door [verweerder] . [verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat ook een rechtsvordering op deze grondslag is verjaard, omdat die termijn op of omstreeks 1 januari 2018 ging lopen. Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (artikel 3:310 BW Pro). Het hof is van oordeel dat een vordering tot vergoeding van de schade die is ontstaan door de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de fosfaatrechtenvoorwaarde verjaard is. In de uitleg die het hof geeft aan deze afspraak wist de Stichting in 2018, toen algemeen bekend was dat fosfaatrechten waren toegekend, dat [verweerder] gehouden was deze over te dragen, of om nadere afspraken over een marktconforme vergoeding te maken. Zij was daarmee bekend met de schade (geen fosfaatrechten en geen marktconforme vergoeding) en de aansprakelijke persoon ( [verweerder] ). Dat pas in 2019 uit de arresten ASR/ [pachter] bleek dat een verpachter een aanspraak had op fosfaatrechten, maakt dat niet anders.
Ongerechtvaardigde verrijking en redelijkheid en billijkheid
3.17.
De Stichting heeft haar vordering mede gegrond op ongerechtvaardigde verrijking en een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid. Zij vindt het onverteerbaar dat zij € 800.000 aan [verweerder] heeft betaald om de pacht op te geven, in de veronderstelling dat de fosfaatrechten op het gepachte achter zouden blijven, maar dat [verweerder] zich nu aan zijn verplichting onttrekt, terwijl hij de € 800.000 heeft behouden.
3.18.
Volgens de Stichting is [verweerder] ongerechtvaardigd verrijkt omdat hij de fosfaatrechten heeft meegenomen, terwijl de vordering van de Stichting tot vergoeding voor de fosfaatrechten is verjaard. Het beroep op ongerechtvaardigde verrijking slaagt niet. De gevolgen van de verjaring zijn niet ongerechtvaardigd. Deze vinden immers hun grondslag in artikel 3:307 BW Pro.
3.19.
Ook het beroep op de redelijkheid en billijkheid slaagt niet. De omstandigheden die de Stichting voor haar beroep op de redelijkheid en billijkheid aanvoert, komen erop neer dat [verweerder] zich niet aan zijn afspraken heeft gehouden, terwijl hij wel de € 800.000 heeft ontvangen. Verjaring is alleen aan de orde voor een verbintenis die nog niet is nagekomen. Dat vervolgens op verjaring een beroep gedaan wordt is op zichzelf, zonder bijkomende omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.
Bewijsaanbiedingen
3.20.
De Stichting heeft bewijs aangeboden van haar stellingen door het horen van getuigen, waaronder over de inhoud van de gemaakte afspraken. Er is echter geen bewijs aangeboden van specifiek omschreven feiten of omstandigheden die bij de uitleg van de tussen de Stichting en [verweerder] gesloten overeenkomst of bij de beoordeling van de ongerechtvaardigde verrijking of het beroep op de redelijkheid en billijkheid tot een andere conclusie zouden kunnen leiden. Het hof passeert daarom het bewijsaanbod.
Conclusie
3.21.
De vorderingen van de Stichting moet worden afgewezen. Op de berekening van de fosfaatrechten hoeft het hof niet meer in te gaan. Voor een nadere aktewisseling door partijen bestaat ook geen aanleiding meer.
3.22.
Omdat de Stichting in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten van [verweerder] veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
wijst de vorderingen van de Stichting af;
4.2.
veroordeelt de Stichting tot betaling van de volgende proceskosten van [verweerder] :
€ 362,- aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van [verweerder] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, W.F. Boele en B.J.H. Hofstee en de deskundige leden mr. ing. E. Oostra en B.Th.W. Lamers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.