Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3404

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
24/2051 en 24/2052
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:73 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2015

Belanghebbende was het niet eens met de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2015. De Inspecteur had de aanslagen ambtshalve vastgesteld en belastingrente en een verzuimboete opgelegd. Na bezwaar had de Inspecteur de aanslagen verminderd, maar belanghebbende ging in beroep bij de rechtbank. De rechtbank vernietigde de aanslag IB/PVV en verlaagde het belastbaar inkomen, vernietigde de verzuimboete, maar verklaarde het beroep tegen de Zvw-aanslag niet-ontvankelijk. Belanghebbende stelde hoger beroep in.

Tijdens de zitting verscheen belanghebbende niet, ondanks correcte uitnodiging. Het Hof oordeelde dat de vennootschappen van belanghebbende geen belanghebbenden zijn in deze procedure. Het geschil betrof de juistheid van het belastbaar inkomen in de IB/PVV-aanslag. Belanghebbende betwistte het door de Inspecteur gebruikte renseignement van de SVB, maar het Hof vond de gegevens betrouwbaar en wees het bewijsaanbod af. Ook andere formeelrechtelijke bezwaren en een verzoek om een brief uit 2009 werden verworpen.

Het Hof stelde vast dat de Inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning moest verminderen tot €35.266. Het beroep tegen de Zvw-aanslag werd bevestigd als niet-ontvankelijk. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan causaal verband met onrechtmatig handelen. Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van het betaalde griffierecht aan belanghebbende.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2015 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van €35.266; het beroep tegen de Zvw-aanslag wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/2051 en 24/2052
uitspraakdatum: 27 mei 2026
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 november 2024, nummers ARN 22/3939 en 22/3940, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Doetinchem(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2015 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en ter zake van de IB/PVV is bij beschikking een verzuimboete van € 369 opgelegd.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren gegrond verklaard, de aanslag in de IB/PVV verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.468 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 5.000, de daarbij behorende beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, en de aanslag in de Zvw en de daarbij behorende beschikking belastingrente verminderd tot nihil. De beschikking verzuimboete is gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep inzake de aanslag in de IB/PVV gegrond verklaard, de betreffende uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag in de IB/PVV verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en aanmerkelijk belang van samen € 40.367, de beschikking verzuimboete vernietigd en bepaald dat de Inspecteur aan belanghebbende het griffierecht vergoedt. De Rechtbank heeft het beroep inzake de aanslag in de Zvw niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens de Inspecteur [naam1] en [naam2] . Belanghebbende is zonder kennisgeving niet verschenen. Bij aangetekende brief van 4 maart 2026, geadresseerd aan het in het hogerberoepschrift opgegeven adres [adres] is belanghebbende uitgenodigd voor de zitting. Deze brief is door PostNL retour gezonden aan het Hof. Op 24 maart 2026 is de uitnodiging nogmaals per gewone post verzonden naar het adres waarop belanghebbende in de basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven ( [adres] . Het Hof gaat daarom ervan uit dat belanghebbende op de wettelijk voorgeschreven wijze is uitgenodigd voor de zitting.
1.6.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] .
2.2.
Belanghebbende is bestuurder en aandeelhouder van [BV1] en van [BV2] .
2.3.
Belanghebbende heeft, hoewel daartoe te zijn uitgenodigd, geen aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 gedaan. De Inspecteur heeft de aanslagen in de IB/PVV en Zvw voor het jaar 2015 met dagtekening 31 mei 2018 ambtshalve vastgesteld en gelijktijdig bij beschikkingen belastingrente berekend en voor de IB/PVV bij beschikking een verzuimboete van € 369 opgelegd. De aanslag in de IB/PVV is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.266, bestaande uit een inkomen uit vroegere arbeid van € 35.266 en een resultaat uit overige werkzaamheden van € 70.000. Het bijdrage-inkomen voor de Zvw is bepaald op € 70.000.
2.4.
Bij uitspraken op bezwaar van 29 december 2018 heeft de Inspecteur de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2015 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.468 (inkomen uit vroegere arbeid) en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 5.000 (uitdeling in verband met woongenot door belanghebbende van een vakantiewoning in eigendom bij [BV2] ), en is de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De verzuimboete is gehandhaafd. Bij uitspraken op bezwaar van 28 december 2019 heeft de Inspecteur de aanslag in de Zvw voor het jaar 2015 en de bijbehorende belastingrente verminderd tot nihil.
2.5.
Uit door de Inspecteur overgelegde, gerenseigneerde informatie blijkt dat belanghebbende in 2015 de volgende inkomsten heeft genoten:
Inhoudingsplichtige
Loonheffing
Loon
SVB
€ 30.826
Stichting Pensioenfonds Kas bank
€ 284
€ 1.568
Stichting pensioenfonds APF
€ 532
€ 2.872
€ 816
€ 35.266
2.6.
De Rechtbank heeft het beroep inzake de aanslag in de IB/PVV gegrond verklaard, de betreffende uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag in de IB/PVV verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en aanmerkelijk belang van samen € 40.367. De Rechtbank acht niet aannemelijk dat belanghebbende een bedrag van € 9.202 aan pensioenuitkering uit [BV1] heeft genoten. Verder heeft de Rechtbank, overeenkomstig het door de Inspecteur nader ingenomen standpunt, de beschikking verzuimboete vernietigd. De Rechtbank heeft het beroep inzake de aanslag in de Zvw niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende geen belang heeft bij het instellen van het beroep nu dit hem niet in een betere positie kan brengen. Tevens is het verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die tot de conclusie leiden dat belanghebbende door een onjuist besluit van de Inspecteur schade heeft geleden.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2015, zoals deze luidt na de uitspraak van de Rechtbank, te hoog is vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende stelt zich, naar het Hof begrijpt, op het standpunt dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag ten onrechte is uitgegaan van het renseignement van de SVB. Verder heeft belanghebbende meerdere formeelrechtelijke punten aangevoerd.
3.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank een rekenfout heeft gemaakt, als gevolg waarvan het gezamenlijke belastbaar inkomen (uit werk en woning en uit aanmerkelijk belang) ten onrechte op € 40.367 is vastgesteld in plaats van op € 40.266. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur zijn correctie ter zake van de uitdeling laten varen. Aldus heeft de Inspecteur in hoger beroep het nadere standpunt ingenomen dat de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2015 dient te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.266. De Inspecteur heeft de door belanghebbende voor het overige ingenomen standpunten gemotiveerd betwist.

4.Beoordeling van het geschil

Vooraf
4.1.
Belanghebbende heeft gesteld dat ook zijn – onder 2.2 genoemde – vennootschappen hadden moeten worden uitgenodigd voor de zitting omdat de onderhavige procedure ook is aangespannen door de vennootschappen. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. De vennootschappen zijn geen belanghebbenden noch medebelanghebbenden in de procedure van belanghebbende over de IB/PVV en de Zvw voor het jaar 2015, zodat zij geen hoger beroep kunnen instellen tegen de onderhavige uitspraak van de Rechtbank.
4.2.
Voorts heeft belanghebbende diverse punten aangevoerd die niet zijn terug te voeren op de hier aan de orde zijnde aanslag in de IB/PVV 2015, zoals andere lopende of reeds afgelopen zaken met de Belastingdienst en andere instanties over andere jaren of belanghebbenden. Het Hof zal aan die punten dan ook voorbijgaan.
Aanslag Zvw 2015
4.3.
In hoger beroep heeft belanghebbende geen gronden aangevoerd tegen de bij uitspraken van de Inspecteur naar nihil verminderde aanslag in de Zvw voor het jaar 2015 en de daarbij behorende beschikking belastingrente. Voor zover belanghebbende hiertegen in hoger beroep heeft bedoeld op te komen, overweegt het Hof dat de Rechtbank het beroep hiertegen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard (vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2).
Aanslag IB/PVV 2015
4.4.
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur is uitgegaan van een onjuiste jaaropgave – bedoeld zal zijn renseignement – van de SVB. Belanghebbende voert daartoe aan dat hij enkel (een verminderde) AOW heeft genoten.
4.5.
Het Hof overweegt dat het bedrag dat in aanmerking is genomen als van de SVB genoten (€ 30.826), overeenkomt met de – onder 2.5 opgenomen – gegevens op het door de Inspecteur overgelegde overzicht van de Fiscale Loon Gegevens met betrekking tot belanghebbende over het jaar 2015. Deze gegevens zijn door de SVB, als inhoudingsplichtige, aan de Inspecteur aangeleverd en zijn gekoppeld aan belanghebbende, zijn geboortedatum en burgerservicenummer. De enkele stelling dat hij slechts AOW heeft genoten, vormt voor het Hof onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het door de Inspecteur overgelegde renseignement. Daar komt bij dat uit de stukken van het dossier (een brief van belanghebbende van 10 september 2016 aan de Belastingdienst Toeslagen, waarin hij reageert op een toeslagenbeschikking van 9 september 2016 over het jaar 2015) kan worden afgeleid dat de SVB aan belanghebbende op 15 januari 2015 een betaling heeft gedaan van achterstallige AOW over de jaren 2013/2014, wat de hoogte van het in het jaar 2015 in aanmerking genomen loon kan verklaren. Belanghebbende ageert in de betreffende brief aan de Belastingdienst Toeslagen ertegen dat het nagekomen bedrag – kennelijk door de Belastingdienst Toeslagen – als inkomen in 2015 wordt gezien. Nu niet is gesteld of gebleken dat dit bedrag al vóór 2015 vorderbaar of rentedragend is geworden, is het genietingsmoment van dit nagekomen bedrag gelegen in het jaar 2015. Nu ook overigens geen aanleiding bestaat te twijfelen aan het renseignement, heeft de Inspecteur het bedrag van € 30.826 terecht als loon in het jaar 2015 in aanmerking genomen.
4.6.
Belanghebbende heeft in dit verband in zijn hogerberoepschrift nog gesteld dat de SVB bij de behandeling ter zitting van het hof dient te worden gehoord c.q. uitgenodigd om uit te leggen waarom de SVB tot de onjuiste jaaropgave (lees: renseignement) is gekomen. Ter zitting van het Hof van 14 april 2026 is belanghebbende echter niet verschenen en zijn ook geen getuigen door belanghebbende meegebracht of verschenen.
4.7.
De rechter kan in beginsel volstaan met de mededeling dat hij gelegenheid biedt tot het meebrengen of oproepen van een getuige, bijvoorbeeld door de belanghebbende in de uitnodigingsbrief voor het onderzoek ter zitting te wijzen op die mogelijkheid. In de aan partijen gezonden uitnodiging voor de zitting op 14 april 2026 is een zodanige mededeling opgenomen. Het Hof is niet gebleken van omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat aan belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij heeft nagelaten een getuige mee te nemen of op te roepen (vgl. HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:133). Voor zover belanghebbende in zijn hogerberoepschrift ten aanzien van het renseignement een bewijsaanbod heeft gedaan, wordt dit reeds daarom verworpen.
4.8.
Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat een brief van de Inspecteur, in de persoon van [naam3], van 14 mei 2009 in de procedure gebracht dient te worden. Belanghebbende stelt dat hij deze brief heeft ontvangen en dat daarin wordt bevestigd dat bij de afdracht in de Loonheffing 2008/2009 en deels 2010 wel degelijk rekening is gehouden met het voordeel wegens privégebruik auto. De Inspecteur betwist, bij gebrek aan wetenschap, dat deze brief bestaat of heeft bestaan.
4.9.
Voor zover belanghebbende stelt dat de betreffende brief een op de zaak betrekking stuk is dat door de Inspecteur overgelegd had moeten worden, maakt hij het bestaan van dit stuk niet aannemelijk. Ook ziet het Hof niet in waarom dit stuk uit 2009 over voordeel wegens privégebruik auto van belang zou kunnen zijn voor de beslechting van het onderhavige geschil over het jaar 2015. Belanghebbende heeft daartoe onvoldoende gemotiveerd gesteld. Van een schending van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is daarom geen sprake (vgl. HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:281). Ook overigens is niet gebleken dat door belanghebbende stukken zijn aangeleverd die in deze procedure ten onrechte niet tot de gedingstukken zijn gerekend of dat op enig andere wijze sprake is van voormelde schending.
4.10.
Gelet op het nadere standpunt van de Inspecteur in hoger beroep (zie 3.3) dient de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2015 te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.266. In zoverre is het hoger beroep gegrond. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
4.11.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de aanslag betreft.
Verzoek schadevergoeding
4.12.
Belanghebbende heeft in diverse, op andere jaren en zaken betrekking hebbende, stukken geschreven dat hij bij de Belastingdienst een claim heeft ingediend van € 365.000. Belanghebbende heeft het in dit verband met name over een – volgens belanghebbende – niet behandeld bezwaarschrift van 2 februari 2015 dat ziet op andere belastingjaren en -aanslagen. In zijn hogerberoepschrift in de onderhavige procedure noemt belanghebbende dit bedrag nogmaals. Voor zover belanghebbende hiermee aanspraak bedoelt te maken op vergoeding van schade op de voet van – het krachtens overgangsrecht in deze zaak nog van toepassing zijnde – artikel 8:73 Awb Pro, wijst het Hof dat verzoek af. Daargelaten of de gestelde schade aannemelijk is, is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een causaal verband tussen deze gestelde schade en onrechtmatig handelen door de Inspecteur in de onderhavige procedure over de aanslag in de IB/PVV 2015.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze ziet op de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2015,
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,
– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur met betrekking tot de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2015 en de bijbehorende beschikking belastingrente,
– vermindert de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2015 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.266,
– vermindert de belastingrente dienovereenkomstig,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 138.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 27 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (G.B.A. Brummer)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.