De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast op €442.000 voor 2022, waartegen belanghebbende bezwaar maakte. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep gegrond en verlaagde de waarde naar €417.000, en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten. Belanghebbende stelde dat de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase te laag was vastgesteld en stelde hoger beroep in.
Het hof constateerde dat de heffingsambtenaar na het instellen van het hoger beroep volledig tegemoet was gekomen aan de vordering van belanghebbende door een hogere vergoeding te betalen dan waartegen het beroep was gericht. Hierdoor verviel het procesbelang bij het hoger beroep, waardoor het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde.
Het hof veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €138 en stelde de proceskostenvergoeding voor het hoger beroep vast op €23,35. Het hof wees erop dat geschillen over de uitbetaling van proceskostenvergoeding aan de burgerlijke rechter moeten worden voorgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. T. Tanghe, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. M.M. Breij op 27 mei 2026.