ECLI:NL:HR:2022:660
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist over vergoeding griffierecht bij niet-ontvankelijkheid beroep wegens tegemoetkoming bezwaar
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2015 een voorlopige aanslag opgelegd waarin dwangbevelkosten waren opgenomen. De Ontvanger verklaarde het bezwaar tegen deze kosten niet-ontvankelijk, maar kwam ambtshalve alsnog tegemoet aan het bezwaar door de kosten te verwijderen.
Belanghebbende stelde beroep in bij de Rechtbank, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens gebrek aan procesbelang, aangezien de Ontvanger de kosten had verwijderd. Belanghebbende deed verzet tegen deze uitspraak, maar de Rechtbank verklaarde dit ongegrond en oordeelde dat geen vergoeding van het griffierecht hoefde plaats te vinden omdat belanghebbende het beroepschrift niet had ingetrokken.
De Hoge Raad oordeelt dat bij niet-ontvankelijkheid van een beroep wegens volledige tegemoetkoming aan het bezwaar de rechter het griffierecht moet vergoeden. Het verzet wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de Staatssecretaris en Ontvanger worden veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht. Een verzoek om vergoeding van verletkosten wordt afgewezen omdat dit niet tijdig was ingediend.
Uitkomst: De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris en Ontvanger tot vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende wegens volledige tegemoetkoming aan het bezwaar.