Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:660

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 april 2022
Publicatiedatum
28 april 2022
Zaaknummer
21/00322
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:74 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad beslist over vergoeding griffierecht bij niet-ontvankelijkheid beroep wegens tegemoetkoming bezwaar

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2015 een voorlopige aanslag opgelegd waarin dwangbevelkosten waren opgenomen. De Ontvanger verklaarde het bezwaar tegen deze kosten niet-ontvankelijk, maar kwam ambtshalve alsnog tegemoet aan het bezwaar door de kosten te verwijderen.

Belanghebbende stelde beroep in bij de Rechtbank, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens gebrek aan procesbelang, aangezien de Ontvanger de kosten had verwijderd. Belanghebbende deed verzet tegen deze uitspraak, maar de Rechtbank verklaarde dit ongegrond en oordeelde dat geen vergoeding van het griffierecht hoefde plaats te vinden omdat belanghebbende het beroepschrift niet had ingetrokken.

De Hoge Raad oordeelt dat bij niet-ontvankelijkheid van een beroep wegens volledige tegemoetkoming aan het bezwaar de rechter het griffierecht moet vergoeden. Het verzet wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de Staatssecretaris en Ontvanger worden veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht. Een verzoek om vergoeding van verletkosten wordt afgewezen omdat dit niet tijdig was ingediend.

Uitkomst: De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris en Ontvanger tot vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende wegens volledige tegemoetkoming aan het bezwaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/00322
Datum29 april 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 10 december 2020, nr. SGR 19/2271 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 juni 2020. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klacht

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd. Bij die aanslag zijn kosten van vervolging ter zake van de betekening van een dwangbevel (hierna: de dwangbevelkosten) in rekening gebracht. De Ontvanger heeft het tegen de dwangbevelkosten gemaakte bezwaar bij uitspraak van 22 februari 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Hij heeft het bezwaarschrift wel ambtshalve beoordeeld; het bedrag van de dwangbevelkosten is daarbij gehandhaafd.
2.1.2
Belanghebbende heeft op 5 april 2019 tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank.
2.1.3
Bij brief van 26 februari 2020 heeft de Ontvanger belanghebbende meegedeeld dat het bezwaar had moeten worden toegewezen en dat de dwangbevelkosten worden verwijderd.
2.1.4
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 22 juni 2020 het tegen de uitspraak van de Ontvanger ingestelde beroep op de voet van artikel 8:54 Awb Pro niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
2.1.5
Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. De Rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard. In die uitspraak heeft de Rechtbank verder geoordeeld dat het bestuursorgaan, gelet op artikel 8:41, lid 7, Awb, niet is gehouden om het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden omdat belanghebbende, nadat de Ontvanger geheel aan haar bezwaar was tegemoetgekomen, het beroepschrift niet heeft ingetrokken.
2.2
De in cassatie aangevoerde klacht ziet op de hiervoor in 2.1.5 weergegeven beslissing van de Rechtbank over het griffierecht. Zij voert aan dat de Rechtbank de Ontvanger ten onrechte niet heeft gelast om het griffierecht te vergoeden.
2.3
In gevallen waarin de rechter een rechtsmiddel niet-ontvankelijk verklaart omdat het bestuursorgaan geheel aan de bezwaren van de belanghebbende is tegemoetgekomen, behoort de rechter op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb vergoeding van griffierecht te gelasten en dient hij als hoofdregel het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten die op de voet van artikel 8:75 Awb Pro voor vergoeding in aanmerking komen. [1] Dat geldt ook in een geval als het onderhavige, waarin het bestuursorgaan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar handhaaft, maar niettemin tegemoetkomt aan de bezwaren die de belanghebbende in de bezwaarfase heeft aangevoerd. De klacht slaagt dus.
2.4
De uitspraak van de Rechtbank op het verzet kan niet in stand blijven. Het verzet moet gegrond worden verklaard. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De Ontvanger moet worden veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van het bij de Rechtbank betaalde griffierecht.
2.5.1
Voor vergoeding van kosten genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht, andere dan die betreffende beroepsmatig verleende rechtsbijstand, heeft te gelden dat uiterlijk bij het sluiten van het onderzoek ter zitting van de rechtbank of het gerechtshof moet zijn meegedeeld dat en tot welk bedrag die kosten zijn gemaakt. [2]
2.5.2
In de tot de stukken van het geding behorende bijlage bij de uitnodiging om op de zitting van de Rechtbank te verschijnen, is belanghebbende gewezen op de mogelijkheid te vragen om vergoeding van proceskosten. Uit de uitspraak van de Rechtbank of de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende een zodanig verzoek met betrekking tot de door haar in het cassatieberoepschrift vermelde verletkosten heeft gedaan. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat belanghebbende daarop bij de Rechtbank geen aanspraak heeft gemaakt. Het in cassatie alsnog gedane verzoek om vergoeding van de verletkosten die de gemachtigde van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank heeft gemaakt, moet daarom worden afgewezen.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet,
- verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 juni 2020 gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank van 22 juni 2020 maar uitsluitend voor zover daarin een beslissing omtrent het griffierecht ontbreekt,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 134, en
- draagt de Ontvanger op aan belanghebbende te vergoeden het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 47.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2022.

Voetnoten

1.Vgl. HR 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1468, rechtsoverweging 3.2.2.
2.Vgl. HR 14 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY3746, rechtsoverweging 3.4.