Uitspraak
Brodotrogir,
zowel voor zichzelf als in zijn hoedanigheid van curatorin het faillissement van
Barkmeijer Stroobos B.V.,
de curator,
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- het tussenarrest van 11 november 2025;
- de akte van de zijde van Brodotrogir, van 9 december 2025;
- de akte van de zijde van de curator, van 6 januari 2026 (met producties);
- de antwoordakte van de zijde van Brodotrogir, van 21 april 2026.
2.De verdere beoordeling
in deze procedureover te gaan tot inhoudelijke beoordeling van de vorderingen die Brodotrogir ter verificatie heeft ingediend (of tot beoordeling van de gestelde preferentie). Een dergelijke beoordeling is namelijk niet te verenigen met de wettelijke regeling van het faillissement. De vordering van Brodotrogir is te beschouwen als een rechtsvordering die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft, en de vordering kan daarom gedurende het faillissement ook tegen de gefailleerde op geen andere wijze worden ingesteld dan door, kort gezegd, aanmelding te verificatie (zie artikel 26 Fw Pro). Het betoog van Brodotrogir dat zij belang heeft bij beoordeling van de vordering in verband met eventuele fiscale aftrekbaarheid van haar claim onder Kroatisch belastingrecht, geeft naar het oordeel van het hof onvoldoende reden om van dat uitgangspunt af te wijken. Van een ‘leemte’ in de Faillissementswet is in zoverre ook geen sprake. Daarbij merkt het hof op dat de Kroatische fiscus in deze procedure geen partij is en dat de Kroatische fiscus om die reden naar het toepasselijk Nederlands procesrecht ook niet aan een oordeel over de vordering gebonden zou zijn. Dat er, zoals Brodotrogir betoogt, bij niet-ontvankelijkverklaring sprake zou zijn van schending van artikel 6 EVRM Pro en/of van schending van het recht op toegang tot de rechter of het recht op een eerlijk proces, valt niet in te zien. Daarbij tekent het hof aan dat de genoemde regels van faillissementsrecht niet inhouden dat Brodotrogir beperkt wordt in een recht om eventuele geschillen met de Kroatische fiscus over bijvoorbeeld de vordering van Brodotrogir op Barkmeijer of over de fiscale aftrekbaarheid van die claim, ter beoordeling aan de bevoegde rechter voor te leggen.
3.De beslissing
- € 349 aan griffierecht;
- € 1.935 aan salaris advocaat (1,5 punt x appeltarief II ad € 1.290);