Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3586

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.351.791
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over omvang opdracht en zorgplicht bouwkundig adviesbureau bij vergunningsvrij bouwwerk

Appellant gaf een bouwkundig adviesbureau opdracht bouwkundige tekeningen te maken voor een bijgebouw met een nokhoogte van zeven meter, waarvan appellant aannam dat het vergunningsvrij kon worden gebouwd. Tijdens de bouw bleek dat het bouwwerk niet vergunningsvrij was en moest worden aangepast. Appellant vorderde een verklaring voor recht dat het bureau tekort was geschoten en een schadevergoeding.

De kantonrechter wees de vorderingen van appellant af en kende het bureau betaling toe voor verricht meerwerk. In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof oordeelde dat niet vaststaat dat het bureau de opdracht had om te controleren of het bouwwerk vergunningsvrij was. Appellant droeg onvoldoende bewijs aan om dit te staven.

Verder oordeelde het hof dat het bureau geen zorgplicht had geschonden door appellant niet te waarschuwen dat het bouwwerk mogelijk niet vergunningsvrij was, mede omdat appellant zelf kennis had van de vergunningsregels en het bureau slechts de aangeleverde tekeningen hoefde om te zetten.

Het hof veroordeelde appellant tot betaling van de meerwerkfactuur en de proceskosten in hoger beroep, en verklaarde de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het bouwkundig adviesbureau niet tekort is geschoten en veroordeelt appellant tot betaling van meerwerk en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.791
zaaknummer rechtbank Gelderland 10839169
arrest van 2 juni 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. A.C. de Kanter
en
[geïntimeerde] ,handelend onder de naam
[bedrijfsnaam]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. H. de Groen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de kantonrechter) op 18 september 2024 [1] en 20 november 2024 [2] tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 8 april 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1.
[geïntimeerde] is een bouwkundig adviesbureau. [appellant] heeft aan [geïntimeerde] een opdracht gegeven voor het maken van bouwkundige tekeningen voor een bijgebouw op zijn achtererf aan de hand van onder meer een door [appellant] aangeleverde tekening van het gewenste bouwwerk met een nokhoogte van zeven meter. Tijdens de bouw bleek dat het bouwwerk vanwege de nokhoogte niet vergunningsvrij kon worden gebouwd, terwijl er geen bouwvergunning was aangevraagd. Het bouwwerk moest daarom worden aangepast. Partijen zijn het er niet over eens of [geïntimeerde] de overeenkomst goed is nagekomen of de geldende zorgplicht heeft geschonden.
2.2.
[appellant] heeft bij de kantonrechter een verklaring voor recht gevorderd dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de uitvoering van de overeenkomst onder meer door een ontwerptekening te verstrekken die niet voldeed aan de op dat moment geldende vergunningsvrije bouwcriteria. Daarnaast heeft hij een schadevergoeding van € 14.580,50 gevorderd, vermeerderd met rente en kosten.
[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter voorwaardelijk gevorderd, namelijk als de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afwijst, om [appellant] te veroordelen tot betaling van € 1.587 voor het verrichte meerwerk, vermeerderd met rente en kosten.
2.3.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. [appellant] vraagt aan het hof om zijn vorderingen alsnog toe te wijzen en die van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen.
2.4.
Het hof is het met de kantonrechter eens en zal de vonnissen van de kantonrechter bekrachtigen. Het hof licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1.
Voor de feiten verwijst het hof naar rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.12 van het vonnis van de kantonrechter van 18 september 2024. Ook het hof gaat van deze feiten uit. In aanvulling hierop stelt het hof nog het volgende feit vast.
3.2.
[geïntimeerde] heeft op 17 juni 2022 het volgende aan de Omgevingsdienst De Vallei gemaild:
‘(…)
Vergunningsvrij bouwwerken in bouwvlak om bestaande woning, in buitengebied Nijkerk.
Wat is de maximaal te bouwen hoogte.
Volgens mij 7 meter klop dat.
(…)’
Inhoud overeenkomst van opdracht
3.3.
[appellant] stelt dat [geïntimeerde] bouwkundige tekeningen moest maken voor een vergunningsvrij bouwwerk. [geïntimeerde] betwist dat. Volgens [geïntimeerde] moest alleen het door [appellant] aangeleverde ontwerp worden omgezet in bouwkundige tekeningen en was het niet aan hem om na te gaan of het bouwwerk vergunningsvrij kon worden gebouwd.
3.4.
Om te beoordelen welke afspraken partijen hebben gemaakt over de door [geïntimeerde] te verrichten werkzaamheden, moet de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht worden uitgelegd. Daarbij gaat het volgens vaste rechtspraak om wat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenoemde Haviltex-maatstaf). Bij deze uitleg heeft de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het geval. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de uitleg van de afspraken.
3.5.
Partijen hebben geen schriftelijk contract ondertekend. Wel hebben zij schriftelijk met elkaar gecorrespondeerd over de overeenkomst van opdracht.
3.6.
Vast staat dat [appellant] bij e-mail van 22 februari 2022 aan [geïntimeerde] heeft gevraagd om werkzaamheden voor hem te verrichten. In die e-mail is het volgende vermeld:
‘(…)
Zoals besproken bij deze de stukken horend bij de door ons gewenste mantelzorgwoning.
Wij willen op ons achtererf een bijgebouw plaatsen wat voldoet aan de vergunningsvrije criteria. Wij hebben nog voldoende bouwmeters om dit bouwwerk te mogen plaatsen.
Bijgevoegd tref je in SketchUp mijn tekening aan. In pdf een uitwerking van een prefab-bouwer, deze is echter van dikkere wanden uitgegaan.
Qua uitvoering en aanzicht zoeken wij aansluiting bij de huidige bebouwing. Dus een 8 steen rollaag in Rossums Bont, zwarte Douglas planken gepotdekseld en rode Koramic JEKA dakpannen. Kozijnen uitgevoerd in dezelfde vorm en vakverdeling als bestaand. Zinken goten, witte boeidelen en zichtwerk houten douglas balken in pen/gat verbinding.
Het woonhuis is in 2001 gebouwd op een betonnen ringfundering op zand, ik ga er dus vanuit dat dat hier ook kan.
Vraag voor jou is een tekening waarmee we de afspraken tussen de aannemer en mij goed weergeven en waarop de constructeur een berekening kan maken voor de fundering en het dak. (…)’
3.7.
Op 14 maart 2022 stuurt [geïntimeerde] een offerte voor een bedrag van € 4.440 aan [appellant] . In de offerte is onder meer het volgende vermeld:
‘(…)
In vervolg plezierig gesprek Woensdag 9 maart j.l, verstrek ik onze afspraak, offerte van mijn werkzaamheden.
[bedrijfsnaam] , tekenen en constructie heeft ruim 41 jaar ervaring met het nieuwbouw en verbouwen van deze omvang en wij werken voor particulieren en bedrijven.
Daardoor kunnen wij onze kennis en kunde gericht en adequaat inzetten voor het doel dat u als opdrachtgever heeft.
Betreft.
Ontwerp en bouwaanvraag zijn niet nodig
(…)’
3.8.
Blijkens de tekst van de e-mail van [appellant] van 22 februari 2022 en de offerte van [geïntimeerde] van 14 maart 2022 hebben partijen in ieder geval op of voor 22 februari 2022 en op 14 maart 2022 met elkaar gesproken over de opdracht. Maar beide partijen hebben ter zitting verklaard niet meer te weten wat er toen is besproken, zodat deze gesprekken geen rol kunnen spelen bij de uitleg van de overeenkomst van opdracht.
3.9.
De e-mail van 22 februari 2022 is voor meerdere uitleg vatbaar. De zin waarin staat dat [appellant] een bijgebouw wil plaatsen dat voldoet aan de vergunningsvrije criteria kan worden gelezen in samenhang met de vraag die [appellant] aan het eind van de e-mail aan [geïntimeerde] stelt, zoals [appellant] bepleit. In dat geval zou [geïntimeerde] bij het maken van de bouwkundige tekeningen ook moeten onderzoeken of het getekende bouwwerk voldoet aan de vergunningsvrije criteria. Maar de e-mail kan ook zo worden begrepen dat de door [appellant] aangeleverde tekeningen al voldoen aan de door hem genoemde aspecten (vergunningsvrij en passend binnen het aantal bouwmeters) en dat hij [geïntimeerde] alleen vraagt om een tekening te maken, zoals beschreven na de woorden ‘Vraag voor jou’. Dat is de uitleg die [geïntimeerde] aan de
e-mail geeft. Dat zou betekenen dat [geïntimeerde] bouwkundige tekeningen ten behoeve van de aannemer en de constructeur moest maken conform de door [appellant] in de alinea’s daarboven genoemde uitgangspunten voor uitvoering, aanzicht en fundering. Dat [geïntimeerde] wist dat het doel van [appellant] was om een vergunningsvrij bouwwerk neer te zetten, betekent niet automatisch dat [geïntimeerde] heeft moeten begrijpen dat [appellant] hem ook de opdracht gaf om na te gaan of de door [appellant] genoemde uitgangspunten voldeden aan de vereisten voor een vergunningsvrij bouwwerk. Daarbij weegt het hof mee dat [geïntimeerde] weliswaar veel ervaring heeft met nieuwbouw van deze omvang, maar dat ook [appellant] zich presenteert als een opdrachtgever met meer dan gemiddelde kennis onder meer door zelf tekeningen aan te leveren en te verklaren dat er voldoende bouwmeters zijn voor het gewenste bouwwerk.
3.10.
Ook de offerte van 14 maart 2022 biedt geen duidelijkheid over de vraag of [geïntimeerde] moest nagaan of het bouwwerk voldoet aan de vergunningsvrije criteria. De opmerking in de offerte bij ‘betreft’ dat ontwerp en bouwaanvraag niet nodig zijn, kan zowel zien op de omvang van de door [appellant] gegeven opdracht ( [geïntimeerde] hoeft dat niet te onderzoeken) als op een oordeel van [geïntimeerde] ( [appellant] heeft wel opdracht gegeven dat te onderzoeken, maar [geïntimeerde] komt nu al tot de conclusie dat het bouwwerk voldoet aan de vergunningsvrije criteria).
3.11.
De latere gedragingen van partijen bieden evenmin duidelijkheid over de vraag hoe de overeenkomst moet worden uitgelegd. [appellant] heeft gewezen op de e-mail van [geïntimeerde] aan de Omgevingsdienst De Vallei van 17 juni 2022 waarin [geïntimeerde] vraagt wat de maximale bouwhoogte is voor een vergunningsvrij bouwwerk en daarbij aangeeft ‘volgens mij 7 meter’. Maar hieruit kan niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] het tot haar werkzaamheden rekende om na te gaan of het bouwwerk vergunningsvrij was en/of dat [geïntimeerde] er ten onrechte van uitging dat een bouwwerk met een nokhoogte van 7 meter vergunningsvrij was, zoals [appellant] stelt. [geïntimeerde] heeft hier namelijk tegenover gesteld dat hij deze e-mail namens [appellant] stuurde. Op dit moment valt niet uit te sluiten dat dit inderdaad het geval is, mede gelet op het gegeven dat [appellant] ter zitting heeft verklaard dat de e-mail van 17 juni 2022 is verzonden nadat hij [geïntimeerde] had gebeld over bij hem gerezen twijfels over de maximale bouwhoogte.
3.12.
Dit alles betekent dat het op basis van de nu beschikbare informatie niet mogelijk is om de omvang van de door [appellant] aan [geïntimeerde] verstrekte opdracht door middel van uitleg van de overeenkomst vast te stellen. De stelplicht en bewijslast dat [geïntimeerde] tekeningen moest maken voor een vergunningsvrij bouwwerk en dus ook moest nagaan of het bouwwerk voldeed aan de criteria voor vergunningsvrij bouwen, rust op [appellant] . Hij beroept zich namelijk op de rechtsgevolgen hiervan door te stellen dat [geïntimeerde] dit aspect van de overeenkomst niet goed is nagekomen en daarom schadevergoeding te vragen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [appellant] weliswaar voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [geïntimeerde] bouwkundige tekeningen moest maken voor een vergunningsvrij bouwwerk, maar dat [geïntimeerde] dit ook voldoende gemotiveerd heeft betwist. De kantonrechter heeft [appellant] in het tussenvonnis van 18 september 2024 daarom terecht opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerde] gehouden was bouwkundige tekeningen op te leveren van een bouwwerk dat voldeed aan de criteria voor vergunningsvrij bouwen. [appellant] heeft er vervolgens in de procedure bij de kantonrechter voor gekozen om geen bewijs te leveren en hij heeft in hoger beroep niet laten weten het door de rechtbank opgedragen bewijs alsnog te willen leveren. Doordat [appellant] niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast, is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] bouwkundige tekeningen moest maken van een bouwwerk dat voldoet aan de criteria voor vergunningsvrij bouwen.
Zorgplicht
3.13.
[appellant] stelt daarnaast nog dat [geïntimeerde] vanwege de op hem rustende zorgplicht [appellant] had moeten waarschuwen dat het bouwwerk niet zonder vergunning kon worden gebouwd, dat [geïntimeerde] dit niet tijdig heeft gedaan en dat [geïntimeerde] daarom de hieruit voortvloeiende schade moet betalen. [geïntimeerde] betwist een en ander.
3.14.
Op grond van artikel 7:401 BW Pro moet de opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen. Dat betekent dat de opdrachtnemer moet handelen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou gaan. Wat dit in een concrete situatie inhoudt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
3.15.
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] in dit geval niet gehouden was [appellant] ervoor te waarschuwen dat het bouwwerk (mogelijk) niet vergunningsvrij was. Daarbij stelt het hof voorop dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] bouwkundige tekeningen moest maken van een bouwwerk dat voldoet aan de criteria voor vergunningsvrij bouwen. Verder acht het hof van belang dat [appellant] zich er blijkens zijn e-mail van 22 februari 2022 van bewust was dat er specifieke regels gelden voor vergunningsvrij bouwen. Hij heeft desondanks de vraag of daaraan is voldaan niet voorgelegd aan [geïntimeerde] . [appellant] heeft een gedetailleerde tekening van het bouwwerk aan [geïntimeerde] verstrekt met het enkele verzoek om op basis daarvan bouwkundige tekeningen te maken. Onder die omstandigheden hoefde [geïntimeerde] niet uit hoofde van zijn zorgplicht [appellant] te waarschuwen dat het bouwwerk mogelijk niet vergunningsvrij was. Het was aan [appellant] om na te gaan of het door hem gewenste bouwwerk inderdaad vergunningsvrij was. Dat [geïntimeerde] in haar offerte aangeeft ruime ervaring te hebben met het nieuwbouwen en verbouwen van een dergelijke omvang maakt het voorgaande niet anders.
Geen grond voor verklaring voor recht of schadevergoeding
3.16.
[geïntimeerde] was op grond van de overeenkomst dus enkel verplicht om het door [appellant] aangeleverde ontwerp van het bouwwerk om te zetten in bouwkundige tekeningen. Niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] deze verplichting niet goed is nagekomen, terwijl [geïntimeerde] ook de zorgplicht niet heeft geschonden. Er is daarom geen grond voor de gevorderde verklaring voor recht of voor een door [geïntimeerde] te betalen schadevergoeding.
Meerwerkfactuur
3.17.
Niet in geschil is dat [appellant] [geïntimeerde] na het overleg met de gemeente Nijkerk op 30 augustus 2022 heeft gevraagd om de bouwtekeningen aan te passen. [geïntimeerde] heeft dit uitgevoerd en hiervoor een meerwerkfactuur gestuurd. [appellant] stelt deze factuur niet te hoeven betalen, omdat deze werkzaamheden zagen op het herstel van eerder door [geïntimeerde] gemaakte fouten. Maar dit is onjuist. Zoals hiervoor is overwogen, is [geïntimeerde] niet tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en heeft [geïntimeerde] ook niet de zorgplicht geschonden. [appellant] heeft daarmee onvoldoende betwist dat [geïntimeerde] meerwerk heeft verricht. [appellant] heeft de hoogte van het in rekening gebrachte meerwerk niet betwist. [appellant] moet daarom het in rekening gebrachte meerwerk aan [geïntimeerde] betalen.
De conclusie
3.18.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. [3]
3.19.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 september 2024 en 20 november 2024;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 827 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (twee procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.I. Geerling, L.J. de Kerpel-van de Poel en W.C. Haasnoot, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.