Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3725

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.352.074
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herroeping
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 382 RvArt. 383 lid 1 RvArt. 384 RvArt. 69 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek herroeping arrest wegens termijnoverschrijding

In deze civiele procedure vordert de man de herroeping van een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit 2012, waarin hij werd veroordeeld tot betaling van een bedrag aan de vrouw in verband met een niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding in hun huwelijkse voorwaarden.

Het hof oordeelt dat de vordering tot herroeping niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van drie maanden is ingesteld, aangezien de man pas in november 2024 zijn administratie vond en de dagvaarding tot herroeping pas in maart 2025 werd ingediend. Dit leidt tot niet-ontvankelijkheid van zijn verzoek.

Daarnaast ontbreekt een grondslag voor herroeping zoals bedoeld in artikel 382 Rv Pro. De man beroept zich op bewijsnood door wetswijziging, maar het hof stelt dat hij destijds voldoende gelegenheid had om bewijs te leveren en dat het nalaten van het opvragen van stukken voor zijn rekening en risico komt.

Het hof veroordeelt de man tot betaling van de proceskosten van de vrouw, begroot op €4.232, en de nakosten, met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.

Uitkomst: Verzoek tot herroeping wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en ontbrekende grondslag; man wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof (herroepingsprocedure): 200.352.074
zaaknummer gerechtshof (hoger beroep): 200.031.888
arrest van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant] (de man)
die woont in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam]
advocaat: mr. R.H. van den Beeten
en
[geïntimeerde] (de vrouw)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: voorheen mr. A.J.M. van Haaren, nu mr. N. van de Gevel.

1.Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding tot herroeping
  • akte overlegging producties van de zijde van de man met producties 1 tot en met 17
  • de memorie van antwoord
  • de memorie van repliek
  • de memorie van dupliek
  • een akte overlegging producties van de zijde van de man met productie 18
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 6 mei 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1
Op 3 april 2012 heeft het gerechtshof Arnhem arrest gewezen in een zaak tussen partijen die ging over de afwikkeling van het tussen partijen in de huwelijkse voorwaarden opgenomen, maar niet uitgevoerde, periodieke verrekenbeding. Het hof heeft in dat arrest de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Arnhem van 23 april 2008 en 11 maart 2009 vernietigd en opnieuw rechtdoende de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 94.510,66, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 86.510,66, vanaf 11 maart 2009 tot aan de dag dat is betaald en het meer of anders gevorderde afgewezen. De man vordert herroeping van het arrest.
2.2
Het hof komt tot het oordeel dat het herroepingsverzoek niet slaagt omdat de vordering te laat is ingesteld en verklaart de man niet-ontvankelijk.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

juridisch kader (artikel 382 Rv Pro)
3.1
Op grond van artikel 384 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) moet een vordering tot herroeping worden ingesteld bij de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld. Dat was in dit geval het hof. Het rechtsmiddel moet ingevolge artikel 383 lid 1 Rv Pro worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De man stelt dat hij in november 2024 zijn administratie in het huis van zijn moeder heeft aangetroffen en hij heeft de vrouw op 3 maart 2025 gedagvaard. Aan voormeld vereiste is dus niet voldaan, omdat de vordering niet is ingesteld binnen de vereiste termijn van drie maanden. Dat de man zijn vordering eerst bij verzoekschrift heeft ingediend en na intrekking daarvan de vordering opnieuw bij dagvaarding aanhangig heeft gemaakt, kan niet tot een ander oordeel leiden. In de verzoekschriftenprocedure heeft het hof de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot herroeping, omdat de man dat verzoek had ingetrokken (beschikking hof Arnhem-Leeuwarden 15 april 2025); in die procedure kon het hof vanwege de intrekking door de man van zijn verzoek de wisselbepaling van artikel 69 Rv Pro niet toepassen.
3.2
Ten overvloede overweegt het hof dat ook de vervolgroute van artikel 382 Rv Pro niet tot heropening van de procedure had kunnen leiden, nu een grondslag voor herroeping ontbreekt. Alleen in de gevallen die in artikel 382 Rv Pro zijn opgesomd, staat het buitengewone rechtsmiddel van herroeping open. De man onderkent dat de onderhavige situatie niet rechtstreeks past onder één van de gronden van artikel 382 Rv Pro, maar meent dat sprake is van een buitenwettelijke grondslag.
3.3
De man beroept zich op bewijsnood ontstaan door wijziging van de wet waarop niet geanticipeerd kon worden, maar die volgens hem wel past in de systematiek van de door de wetgever beoogde herzieningsmogelijkheid. Hij voert daartoe aan dat hij en zijn boekhouder zich sinds het sluiten van het huwelijk nooit hebben gerealiseerd dat er ooit een wetsbepaling zou komen die bij het niet toepassen van het verrekenbeding hem zou verplichten om aan te tonen dat aan het begin van het huwelijk er vermogen op zijn naam stond. Kort samengevat kon hij in 1989 (het jaar waarin partijen trouwden) en de jaren daarna niet op bedacht zijn dat hij jaarstukken zou moeten bewaren, aldus de man.
3.4
Het hof kan de man in zijn betoog niet volgen. De man is destijds door de rechtbank en door het hof voldoende in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in het geding te brengen. Daar heeft hij onvoldoende voor gedaan. Dat betekent dat van bewijsnood geen sprake is (geweest). De man en zijn onderneming waren destijds (1989) gedomicilieerd bij zijn moeder. De man ontving de betreffende stukken (jaarstukken van zijn B.V. over 1989 en de jaren daaromheen) van zijn onderneming dus op dit adres. Ter zitting heeft de man dat ook verklaard en ook dat hij die stukken daar inzag en bij zijn verhuizing met de vrouw deze stukken (kennelijk) niet heeft meegenomen maar zich kan herinneren dat hij de stukken ook niet heeft weggegooid. Het had voor de hand gelegen dat hij, tijdens de procedure bij de rechtbank en daarna bij het hof, navraag bij zijn moeder had gedaan of de stukken er nog waren. Dat de man dit heeft nagelaten komt voor zijn rekening en risico, nu immers het vinden van nader bewijs op zich nog geen grond oplevert om de eenmaal afgesloten procedure weer te kunnen openen.
conclusie
3.5
Omdat de man in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in deze herroepingsprocedure veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [1]
3.6
De kosten van de vrouw worden begroot op:
- griffierecht € 362
- salaris advocaat (3 punten x tarief II ad. € 1.290 =) € 3.870
totaal € 4.232.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
verklaart de man niet-ontvankelijk,
4.2
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van haar proceskosten tot vandaag begroot op € 4.232, maar ook tot betaling van de nakosten,
4.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente, en
4.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.H.F. van Vugt, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.