Uitspraak
1.Het verloop van de procedure bij het hof
2.De kern van de zaak
3.De relevante feiten
“
VOORKEURSRECHT TOT KOOPIngeval koper of diens rechtverkrijgende(n) onder algemene titel, hierna ook te noemen:aanbieder, voornemens is het verkochte te vervreemden in de zin, als hierna sub e. aangegeven, is hij verplicht het verkochte eerst aan verkoper of diens rechtverkrijgende(n) onder algemene titel, hierna te noemen:voorkeursgerechtigdete koop aan te bieden, zulks overeenkomstig de hierna volgende bepalingen:a. De aanbieder geeft van zijn voornemen tot vervreemding kennis aan de voorkeurs-gerechtigde bij deurwaardersexploit of bij aangetekend schrijven of bij gewone brief met bewijs van ontvangst.
Valt me zo vreselijk van je tegen hè”
[appellant] appte [geïntimeerde] op 21 maart 2023:
“
Zullen we maandag de 27ste om 9 uur afspreken?”
Op 28 maart 2023 appte [geïntimeerde] aan [appellant] :
“
Goeiemorgen [appellant] , ik heb er nog ff over gedacht, en je moet maar zeggen wat je ervan vindtIk dacht als we nu 300.000 afspreken daar 100.000 voor [adres2] afhalen en dan geef jij mij een hypotheek van 200.000 als ik dan elke maand nog 1000 aflos dan heb jij ongeveer 20000 in de maand hoor wel van je (ben na 14 u weer bereikbaar)”.
“
Verkoper heeft het verkochte tezamen met de [adres2] van koper verkregen op een oktober tweeduizend dertien, in gemelde akte is een voorkeursrecht tot koop t.b.v. de koper opgenomen ten laste van de beide panden waarbij de koopsom voor beide panden werd bepaald op (…) (€ 349.000,00).Koper gaat alleen voor wat betreft het verkochte gebruik maken van zijn voorkeursrecht tot koop. Het voorkeursrecht tot koop voor wat betreft de [adres2] zal dan ook komen te vervallen bij de levering van het verkochte.”
“
Voor de overdracht wil ik u graag nog wijzen op het volgende:De koopprijs van het Pand is door u beiden bepaald op 200.000 euro k.k, dit door de koopoptie die de koper heeft voor de 2 panden die hij aan verkoper heeft verkocht in 2013.Het terugkooprecht zal voor het ander pand komen te vervallen.Overdrachtsbelasting dient over de werkelijke waarde te worden geheven, jullie hebben aangegeven dat de waarde op grond van de huuropbrengst maal factor 14 is vastgesteld op 250320 euro. Hierover is dan ook 10,4% overdrachtsbelasting verschuldigd.Mocht er door de belastingdienst een naheffing worden opgelegd voor de overdrachtsbelasting danwel de lagere koopsom als schenking worden beoordeeld dan is dit voor uw rekening en risico.”
“
Gezien onze afspraken uit het verleden in 2013. Hebben we het volgende beslotenik ( [appellant] ) kan zelf de [adres2] verkopen enVerkoop de [adres1] terug aan Dhr. [geïntimeerde] voor 250.320,-.Door afspraken uit het verleden wordt door [appellant] een korting van 50.000,-Verleend op deze aanschafprijs.[appellant] zal een 1e hypotheek van 200.000,- verstrekken aan Dhr. [geïntimeerde] .”
[geïntimeerde] reageerde op 5 april 2023 op de notitie met een smiley en met de tekst:
“
App me maar als je wat weet” en “
Dank je alvast”.
“
VERVALLEN VOORKEURSRECHT TOT KOOP
€ 277.228,- aan schadevergoeding..
4.4. De beoordeling van het geschilInleiding4.1 Op grond van artikel 705 Rv Pro kan de voorzieningenrechter die het verlof tot beslag heeft gegeven, in kort geding het beslag ook opheffen. De bepaling voorziet dan ook in een aparte rechtsgang in kort geding. Ook als moet worden aangenomen dat voor deze rechtsgang de eis van een spoedeisend belang geldt - daarover bestaat in de literatuur verschil van mening - geldt dat een opheffingsvordering naar zijn aard vrijwel altijd spoedeisend zal zijn. Dat is ook hier het geval.4.2 De voorzieningenrechter dient het beslag volgens artikel 705 lid 2 Rv Pro in elk geval op te heffen indien sprake is van verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (a), indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht (b) of van het onnodige van het beslag (c), of indien degene ten laste van wie het beslag is gelegd (‘de beslagene’) heeft aangeboden voldoende zekerheid te stellen voor de vordering waarvoor beslag is gelegd (d). Maar ook schending van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro kan onder omstandigheden reden zijn voor opheffing van een gelegd beslag. In alle gevallen moet de voorzieningenrechter een belangenafweging maken, ook al is in beginsel sprake van één van de opheffingsgronden.Het ligt in de eerste plaats op de weg van de beslagene om aannemelijk te maken dat de vordering waarvoor beslag is gelegd ondeugdelijk is, het beslag onnodig is of de beslaglegger de waarheidsplicht heeft geschonden. Of dat het geval is, beslist de voorzieningenrechter aan de hand van een onderbouwing van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd.
Gelet hierop had [geïntimeerde] er belang bij dat hij de panden nog in 2023 zou kunnen verwerven, ofwel doordat [appellant] de panden dat jaar aan een derde zou willen verkopen, waardoor [geïntimeerde] zich op zijn voorkeursrecht kon beroepen, ofwel doordat [geïntimeerde] zelf de (terug)koopoptie zou inroepen.
a. De in 2023 met [appellant] gesloten overeenkomst was zeer voordelig voor [geïntimeerde] en (daartegenover) nadelig voor [appellant] . Zoals hiervoor is overwogen, is onaannemelijk dat [geïntimeerde] er in 2023 in geslaagd zou zijn de panden (of een van de beide panden) in eigendom te verwerven. [appellant] hoefde in maart 2023 dus nog maximaal 10 maanden te wachten voor het voorkeursrecht en de (terug)koopoptie van [geïntimeerde] zouden komen te vervallen en hij het pand aan de [adres1] tegen (hoge) actuele marktwaarde zou kunnen verkopen. De terugkoop van het pand aan de [adres1] voor € 200.000,- leverde [geïntimeerde] daarentegen een aanzienlijke winst op. Uitgaande van de verkoopprijs van € 315.000,- voor het pand aan de [adres2] zou het pand aan de [adres1] al snel € 350.000,- waard zijn, een winst van minimaal € 150.000,- dus. Bovendien verkreeg [geïntimeerde] meteen de noodzakelijke financiering voor de aankoop van het pand, terwijl niet aannemelijk is dat hij die financiering op een andere manier had kunnen verkrijgen. [appellant] verloor daartegenover de mogelijkheid om het pand binnen afzienbare tijd tegen de marktwaarde te verkopen en hij kon bovendien niet vrij beschikken over de koopprijs; die moest hij aan [geïntimeerde] uitlenen.
b. Het in 3.3 aangehaalde appbericht van [geïntimeerde] aan [appellant] van 28 maart 2023 biedt steun voor de juistheid van de stelling van [appellant] dat partijen een afwijkende afspraak hebben gemaakt over compensatie voor de schending door [appellant] van het voorkeursrecht betreffende de [adres2] . [geïntimeerde] schrijft immers dat op de koopsom voor de [adres1] , € 100.000,- “voor [adres2] ” in mindering wordt gebracht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij desgevraagd verklaard dat hij bij het bedrag van € 100.000,- het bedrag van de contractuele boete voor ogen had.
d. Overdrachtsbelasting is verschuldigd over de waarde van de onroerende zaak. Die waarde is ten minste gelijk aan die van de tegenprestatie (art. 9 lid 1 Wet Pro op de belastingen van rechtsverkeer). Wanneer de koopprijs lager is dan de waarde van de onroerende zaak kan de belastingdienst een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opleggen. Verkoop tegen een prijs die lager is dan de waarde van de verkochte zaak kan bovendien als een schenking worden aangemerkt, waarover schenkingsrecht verschuldigd is. Gelet hierop is begrijpelijk dat het notariskantoor een verantwoording wilde van de (lage) koopprijs (zie 3.5) en dat [appellant] het notariskantoor die verantwoording heeft gegeven (zie 3.6). Maar toen [geïntimeerde] op 28 maart 2023 [appellant] appte met het voorstel om € 100.000,- in mindering te brengen op de koopprijs was de notaris nog niet ingeschakeld. Bovendien verschilt de uiteindelijk gegeven verantwoording van de koopprijs van het pand aanzienlijk van het voorstel van [geïntimeerde] . Het is daarom niet aannemelijk dat het voorstel van [geïntimeerde] (enkel) bedoeld was voor een fiscale verantwoording, zoals [geïntimeerde] stelt.
e. Zowel in het koopcontract (zie 3.4) als in de akte van levering (zie 3.7) betreffende het pand aan de [adres1] is bepaald dat het voorkeursrecht betreffende de [adres2] komt te vervallen. Die formulering biedt steun voor de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] ook geen rechten kan ontlenen aan het voorkeursrecht, zoals een aanspraak op boete en schadevergoeding. Indien partijen beoogden dat die aanspraken bleven bestaan, zou het voor de hand hebben gelegen dat in het contract en in de akte was bepaald dat [geïntimeerde] zich de aanspraken op boete en schadevergoeding voorbehield.
f. Na de levering van het pand aan de [adres1] aan hem, in mei 2023, heeft [geïntimeerde] ongeveer twee jaar en vijf maanden gewacht voordat hij aanspraak maakte op boete en schadevergoeding. In de tussenliggende periode hebben partijen zeer geregeld (app)contact met elkaar gehad, onder meer over de nakoming door [geïntimeerde] van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van geldlening met [appellant] . [appellant] heeft [geïntimeerde] herhaaldelijk gemaand een ontstane achterstand in te lopen. [geïntimeerde] heeft in die appberichten nooit aangegeven dat hij nog een (tegen)vordering op [appellant] had in verband met de schending van het voorkeursrecht. In het licht hiervan is bepaald onaannemelijk dat [geïntimeerde] , zoals hij tijdens de mondelinge behandeling verklaarde maar [appellant] ontkende, wel in gesprekken met [appellant] zou hebben aangegeven dat hij nog een vordering op [appellant] had in verband met het voorkeursrecht.
28 maart 2023, de bepaling in het koopcontract en in de akte van levering over het vervallen van het voorkeursrecht voor de [adres2] in redelijkheid zo opvatten dat [geïntimeerde] ook geen aanspraak meer had op de boete en op schadevergoeding vanwege de schending van dat recht. De feitelijke gang van zaken nadien, waarin [geïntimeerde] ruim twee jaar lang ook geen aanspraak maakte op de boete of de schadevergoeding sluit daarbij aan.
€ 455.000,- rust. Bovendien beschikt hij over ruim € 255.000,- aan banktegoeden, waarop beslag is gelegd. De stelling in het beslagrekest dat [appellant] over beperkte financiële middelen beschikt, is dan ook onjuist. Aan de vermelding in het beslagrekest dat “ [appellant] regelmatig gokt” kent het hof, gelet op de toelichting die [appellant] tijdens de mondelinge behandeling heeft gegeven, geen betekenis toe.Er is dan ook geen goede grond om aan te nemen of te vrezen dat als de vordering van [geïntimeerde] betreffende de boete (toch) zou worden toegewezen, [geïntimeerde] de vordering niet op het vermogen van [appellant] zou kunnen verhalen.
5.De beslissing
€ 145,45 aan kosten voor het bekendmaken (betekenen) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]