Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3808

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
24/2044
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 Wet IB 2001Art. 6.17 lid 1 sub b Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over aftrekbaarheid vervoerskosten bij specifieke zorgkosten in inkomstenbelasting 2018

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018, waarbij het geschil zich richtte op de aftrekbaarheid van vervoerskosten als specifieke zorgkosten. De rechtbank had de aanslag verminderd en de reiskostenvergoeding van belanghebbende in mindering gebracht op de aftrekbare vervoerskosten. Zowel belanghebbende als de Inspecteur stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.

Het hof oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de reiskostenvergoeding van belanghebbende in mindering bracht, omdat de zogenoemde 'maatman' geen rekening houdt met een dergelijke vergoeding in zijn vervoerskosten. Wel acht het hof de kosten van de eerste motor bovenmatig vanwege persoonlijke voorkeur, waardoor deze niet aftrekbaar zijn. Daarnaast moet de vergoeding voor vervoerskosten naar genees- en heelkundige hulp in mindering worden gebracht op de aftrekbare leefkilometers om dubbeltelling te voorkomen.

Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en de beschikking van de Inspecteur, vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van €18.169 en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tevens worden geen proceskosten of griffierecht aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: Het hof vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van €18.169 en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/2044
uitspraakdatum: 16 juni 2026
Uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 december 2024, nummer LEE 23/5227, ECLI:NL:RBNNE:2024:4966, in het geding tussen belanghebbende en
en het incidentele hoger beroep van
de Inspecteur van de Belastingdienst Particulieren/kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)
in het geding tussen de Inspecteur en belanghebbende.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.841 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 366. Daarbij is € 22 aan belastingrente berekend.
1.2
Op 6 juni 2020 dient belanghebbende opnieuw een aangiftebiljet IB/PVV 2018 in.
1.3
De inspecteur heeft dat aangiftebiljet IB/PVV 2018 als een verzoek om ambtshalve vermindering aangemerkt en dat verzoek afgewezen.
1.4
Bij uitspraak op bezwaar d.d. 18 juni 2021 gericht tegen die afwijzing heeft de Inspecteur het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanslag verminderd.
1.5
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 11 maart 2022 uitspraak, met zaaknummer LEE 21/2259, gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.159 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 366, , het verzoek om (immateriële) schadevergoeding afgewezen, de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 75.
1.6
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland niet in hoger beroep gegaan.
1.7
Nadien is belanghebbende in overleg getreden met het Ministerie van Financiën. Belanghebbende heeft vervolgens in overleg opnieuw een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2018 gedaan.
1.8
Daarna maakt belanghebbende ook opnieuw bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018.
1.9
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 6 oktober 2023 het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in verband met de termijnoverschrijding. Het bezwaar is niet in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve vermindering, omdat inmiddels al een (eerder) verzoek om ambtshalve vermindering door de Inspecteur in behandeling was genomen.
1.1
Bij beschikking van 19 oktober 2023 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 op het hiervoor – onder 1.7 – vermelde verzoek verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.935 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 366.
1.11
Belanghebbende stelt naar aanleiding van de hiervoor – onder 1.10 – bedoelde beschikking beroep in bij de Rechtbank tegen de hiervoor – onder 1.9 – bedoelde uitspraak op bezwaar.
1.12
Op de zitting van de Rechtbank is duidelijk geworden dat belanghebbende uitsluitend beroep heeft willen instellen tegen de hiervoor – onder 1.10 – bedoelde beschikking en met het instellen van het rechtstreekse beroep heeft verzocht om de bezwaarfase over te slaan (prorogatie). De Inspecteur heeft op die zitting verklaard dat hij hiermee instemt.
1.13
De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 5 december 2024 gegrond verklaard, de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering vernietigd, de aanslag IB/PVV 2018 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.545 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 366, bepaald dat de Inspecteur het griffierecht van € 50,- aan belanghebbende moet vergoeden en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 34,88.
1.14
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep van de Inspecteur beantwoord.
1.15
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2026 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] . Ter zitting zijn gelijktijdig met de onderhavige zaak de zaken van belanghebbende met zaaknummers BK-ARN 25/630 tot en met 25/632 behandeld.
1.16
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.De vaststaande feiten

2.1
In 2005 heeft belanghebbende een motorongeval gehad en is als gevolg daarvan minder goed ter been en heeft eveneens klachten aan zijn rug. Sindsdien gebruikt hij op voorschrift van de huisarts dagelijks paracetamol en ibuprofen.
2.2
Belanghebbende heeft een Peugeot 206SW 1.6 uit 2004 (de auto) en twee motoren: een Suzuki VL800 uit 2007 (motor 1) gekocht voor € 9.425 en een Suzuki DL 650A uit 2014 (motor 2) gekocht voor € 12.180.
2.3
Belanghebbendes inkomen uit werk en woning vóór persoonsgebonden aftrek bedroeg in 2018 € 26.091.
2.4
Tussen belanghebbende en de Inspecteur is de afgelopen periode veelvuldig gecorrespondeerd over de uitgaven voor specifieke zorgkosten en de scholingsuitgaven. Zoals uit het procesverloop blijkt zijn door belanghebbende meerdere bezwaarschriften en verzoeken tot ambtshalve vermindering ingediend en heeft de Rechtbank op een eerder moment ook al uitspraak gedaan over de aanslag IB/PVV 2018.
2.5
Bij de in beroep bestreden beschikking van 19 oktober 2023 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.935 en tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 366. Een en ander is door de Inspecteur gespecificeerd in zijn brief van 12 september 2023:
2.6
De Inspecteur heeft ten aanzien van beide motoren rekening gehouden met 50% van de (vaste) kosten voor de posten motorrijtuigenbelasting, verzekering en afschrijving. In totaal heeft belanghebbende in het jaar 2018 op basis van dit overzicht € 6.567,91 besteed aan vervoer. De ‘maatman’ die wordt aangehouden door de Inspecteur besteedt € 2.580 per jaar aan vervoer. Daarmee komt het totaal bedrag aan zogenaamde ‘leefkilometers’ voor belanghebbende uit op € 3.987,91. Dit bedrag heeft de Inspecteur verminderd met de door belanghebbende ontvangen kilometervergoeding van € 416, zodat de drukkende ‘leefkilometers’ uitkomen op (afgerond) € 3.572.

3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1
In het principale hoger beroep van belanghebbende is in geschil of de uitspraak van de Rechtbank juist is. Het geschil spitst zich uitsluitend toe op de vraag of de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de reiskostenvergoeding die belanghebbende voor woon-werkverkeer heeft ontvangen in mindering gebracht dient te worden op zijn aftrekbare reiskosten in verband met ziekte of invaliditeit. In het incidentele hoger beroep van de Inspecteur is in geschil of de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het houden van twee motoren niet bovenmatig is vanwege persoonlijke voorkeur en of de Rechtbank terecht de kosten van vervoer die reeds zijn verwerkt in genees- en heelkundige hulp ad € 49 niet in mindering heeft gebracht op de kosten van de ‘leefkilometers’.
3.2
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de bestreden aanslag tot een opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.962 (€ 17.545 -/- (€ 416 x 1,4)) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 366 en dienovereenkomstige vermindering van de bestreden beschikking heffingsrente.
3.3
De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de bestreden aanslag tot een opgelegd naar een tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.169 (€ 17.545 + € 624) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 366.
3.4
Tussen partijen is niet meer in geschil dat de hoogte van de vervoerskosten van de ‘maatman’ € 2.580 bedraagt, de in aftrek te nemen vervoerskosten van de auto € 3.078,33, de overige vervoerskosten € 938,65, de kosten voor genees- en heelkundige hulp € 235 en de kosten voor kleding en beddengoed € 300.
3.5
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4.Beoordeling van het geschil

4.1
Ingevolge artikel 6.1 van de Wet IB 2001, maken de op een belastingplichtige drukkende kwalificerende uitgaven voor specifieke zorgkosten zoals bedoeld in afdeling 6.5 van de Wet IB 2001 deel uit van de persoonsgebonden aftrek.
4.2
Op grond van artikel 6.17, lid 1, sub b van de Wet IB 2001, kwalificeren vervoerskosten die worden veroorzaakt door ziekte of invaliditeit als specifieke zorgkosten.
4.3
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 15 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3847, HR 24 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9626 en HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1018) behoren tot de vervoerskosten ten gevolge van ziekte of invaliditeit niet enkel de vervoerskosten die rechtstreeks verband houden met reizen naar genees- en heelkundige hulp. Deze kosten omvatten ook die kosten die niet rechtstreeks zien op het reizen naar genees- en heelkundige hulp, maar wel hun oorsprong vinden in ziekte of invaliditeit (‘leefkilometers’). Het moet gaan om de objectieve meerkosten ten gevolge van ziekte of invaliditeit ten opzichte van een belastingplichtige die niet ziek of invalide is, maar voor het overige in maatschappelijk en economisch opzicht vergelijkbaar is met de belastingplichtige. Voor zover de hogere reiskosten als gevolg van persoonlijke voorkeur van de belastingplichtige bovenmatig zijn, behoren ze niet tot uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit (vgl. HR 11 juli 1982, ECLI:NL:HR:1982:AW9099).
4.4
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende recht heeft op de aftrek van kosten voor zogenoemde ‘leefkilometers’ en dat deze ‘leefkilometers’ zijn te berekenen op de meerkosten van vervoer ten opzichte van die van een ‘maatman’. Tussen partijen is voorts niet meer in geschil dat de hoogte van de vervoerskosten van de ‘maatman’ van € 2.580 bedragen.
4.5
De Rechtbank heeft de vervoerskosten vastgesteld op de kosten van de auto ad € 3.078,33, de kosten van motor 1 ad € 1.570,74, de kosten van motor 2 ad € 1.944,36 en overige vervoerskosten ad € 938,65, in totaal € 7.532,08. Op dat laatste bedrag komen de vervoerskosten van de ‘maatman’ ad € 2.580 in mindering, waarna aan kosten voor ‘leefkilometers’ € 4.952,08 resteert. Daarnaast neemt de Rechtbank vervoerskosten van belanghebbende die hij heeft gemaakt in het kader van (tand)artsenbezoek van € 49 in aanmerking.
4.6
De Rechtbank heeft in haar bestreden uitspraak verder overwogen dat – kort gezegd – de als specifieke zorgkosten aftrekbare vervoerskosten niet in aanmerking kunnen worden genomen als deze niet op de belastingplichtige drukken in de zin van artikel 6.1 van de wet IB 2001. Om die reden heeft zij de door belanghebbende van zijn werkgever ontvangen reiskostenvergoeding van € 416 in mindering gebracht op de aftrekbare vervoerskosten.
4.7
Belanghebbende heeft zich in zijn principale hoger beroep op het standpunt gesteld dat de Rechtbank ten onrechte de door belanghebbende van zijn werkgever ontvangen reiskostenvergoeding van € 416 in mindering heeft gebracht op de aftrekbare vervoerskosten.
4.8
Belanghebbende heeft in dat verband gesteld dat door de reiskostenvergoeding van € 416 in mindering te brengen en tevens - om tot de aftrekbare ‘leefkilometers’ te komen - de totale vervoerkosten van de ‘maatman’ in mindering te brengen op zijn totale vervoerskosten, de reiskostenvergoeding in wezen tweemaal in aanmerking wordt genomen, aangezien - gelet op de financieel en maatschappelijk gelijke positie van de ‘maatman’ - deze ook een vergoeding van zijn werkgever heeft gekregen van minimaal dezelfde omvang.
4.9
De stelling van belanghebbende is gebaseerd op de vooronderstelling dat ook de ‘maatman’ een vergoeding van reiskosten heeft gekregen die is verdisconteerd in zijn totale vervoerskosten. De Inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat bij de onderbouwing van de ‘leefkilometers’ al rekening is gehouden met een (mogelijke) reiskostenvergoeding van de ‘maatman’. Volgens de Inspecteur is in dat verband uitsluitend gekeken naar de uitgaven voor vervoerskosten en niet naar de bronnen waaruit deze worden gefinancierd.
4.1
Gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, rust op belanghebbende de last zijn stelling aannemelijk te maken. Uit de bijlagen 3 en 4 (Nibud maatman respectievelijk Rapportage CBS bestedingsaandeel huishoudens (maatman)) bij het hogerberoepschrift blijkt niet dat de ‘maatman’ een reiskostenvergoeding van (minimaal) € 416 heeft ontvangen. Dat schrijft belanghebbende zelf ook in zijn hogerberoepschrift: “In dit onderzoek is enkel gekeken naar de uitgaven die de huishoudens doen en niet naar eventuele vergoedingen die zij krijgen. De Nibud maatman betreft dus een bedrag aan uitgaven waarop géén correctie is gedaan voor eventuele ontvangen vergoedingen. Zowel de CBS cijfers als de Nibud cijfers zijn dus enkel gebaseerd op uitgaven en niet op drukkende kosten.”. Het Hof onderschrijft niet de conclusie van belanghebbende dat, nu er geen rekening is gehouden met een reiskostenvergoeding van de ‘maatman’, er niettemin (steeds) vanuit moet worden gegaan dat er ook bij de ‘maatman’ sprake is geweest van (minimaal) dezelfde reiskostenvergoeding, zodat daarmee al rekening is gehouden bij de vaststelling van de kosten van de ‘leefkilometers’. Ook overigens heeft belanghebbende zijn stelling niet aannemelijk gemaakt.
4.11
Het principale hoger beroep van belanghebbende is dan ook ongegrond.
4.12
In haar bestreden uitspraak heeft de Rechtbank overwogen dat alle kosten van beide motoren van belanghebbende in aanmerking genomen moeten worden voor de kosten van de ‘leefkilometers’, omdat – kort gezegd – op de eerste motor lastig een medepassagier kan worden vervoerd en belanghebbende om toch samen met zijn partner te kunnen reizen de tweede motor heeft aangeschaft.
4.13
In zijn incidenteel hoger beroep heeft de Inspecteur gesteld dat het houden van twee motoren bovenmatig is vanwege persoonlijke voorkeur. De Inspecteur betwist dat de eerste motor niet geschikt is voor vervoer van een passagier en dat de tweede motor die geschikt is voor twee personen niet ook gebruikt zou kunnen worden voor de overige ritten die belanghebbende alleen maakt, zodat het een persoonlijke keuze is om de eerste motor aan te houden naast de later aangeschafte motor voor twee personen. Deze keuze kan niet anders gezien worden dan als hobby c.q. persoonlijke voorkeur en wordt dan niet ingegeven door de fysieke beperkingen van belanghebbende, aldus nog steeds de Inspecteur. Hij verbindt daaraan de conclusie dat de Rechtbank een bedrag van (afgerond) € 575 ten onrechte in aftrek toestaat.
4.14
De Rechtbank heeft daarover overwogen (waarbij onder “eiser” belanghebbende moet worden verstaan): “
4.7 Op de zitting heeft eiser desgevraagd nader toegelicht waarom hij een auto en twee motoren heeft. Eiser heeft daarover verteld dat hij de auto gebruikt voor korte ritten. Omdat eiser in verband met zijn lichamelijke beperkingen geen langere autoritten kan maken heeft hij motor 1 aangeschaft. Op motor 1 kan lastig een medepassagier worden vervoerd en om toch samen te kunnen reizen met zijn partner is motor 2 aangeschaft. Motor 2 voorziet daarmee vooral in het reizen met zijn tweeën naar het buitenland. Met deze toelichting is de rechtbank van oordeel dat, alhoewel het houden twee motoren op het eerste gezicht wat buitensporig lijkt, eiser aannemelijk heeft gemaakt dat deze motoren wel degelijk noodzakelijk zijn voor hem vanwege zijn ziekte of invaliditeit. De rechtbank is daarom van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met alle kosten van beide motoren en zal de vervoerskosten in overeenstemming hiermee berekenen.”.
4.15
Naar het oordeel van het Hof, is, blijkens hiervoor – onder 4.14 – aangehaalde overweging van de Rechtbank, motor 2 weliswaar door belanghebbende aangeschaft om samen met zijn partner op vakantie te kunnen gaan, maar dat verklaart nog niet waarom belanghebbende motor 1 daarnaast heeft aangehouden. Hij kan immers ook alleen op motor 2 rijden. Het aanhouden van motor 1 naast motor 2 kan, naar het oordeel van het Hof, redelijkerwijs alleen worden verklaard door de persoonlijke voorkeur van belanghebbende is. De kosten die aan motor 1 zijn verbonden zijn daarom als gevolg van persoonlijke voorkeur van belanghebbende bovenmatig. Nu de Inspecteur daaraan terecht de conclusie verbindt dat de Rechtbank een bedrag van (afgerond) € 575 ten onrechte in aftrek toestaat, zal het Hof hem daarin volgen. Hetgeen belanghebbende dienaangaande in hoger beroep nog heeft aangedragen, doet aan het vorenoverwogene niet af, nu daaruit niet blijkt dat motor 1 niet is aangehouden om redenen van persoonlijke voorkeur.
4.16
Voorts heeft de Inspecteur in zijn incidenteel hoger beroep gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat vervoerskosten naar genees- en heelkundige hulp in aanvulling op het in aanmerking te nemen bedrag aan ‘leefkilometers’ in aftrek kunnen worden gebracht, terwijl de kosten die al op een andere manier in aftrek gebracht kunnen worden volgens vaste rechtspraak in mindering gebracht dienen te worden op het totale bedrag aan werkelijke vervoerskosten.
4.17
Naar het oordeel van het Hof, is die stelling juist. De kosten van vervoer die reeds zijn verwerkt in genees- en heelkundige hulp ad € 49 komen in mindering op de ‘leefkilometers’, omdat anders een dubbeltelling optreedt.
4.18
Het incidentele hoger beroep van de Inspecteur is daarmee gegrond.
4.19
Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenvergoeding ter hoogte van € 5.000. Naar het Hof begrijpt, is dit deels een schadevergoeding wegens geleden immateriële schade. Naar het oordeel van het Hof kan van dat laatste geen sprake zijn, reeds omdat deze schade niet is onderbouwd. Overigens zijn er voor een vergoeding wegens immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke behandelingstermijn ook geen termen, nu er sinds de beschikking van 19 oktober 2023, waartegen rechtstreeks beroep bij de Rechtbank is ingesteld, en de uitspraak in hoger beroep geen vier jaren zijn verstreken, terwijl het verzoek om schadevergoeding voor het eerst in hoger beroep is gedaan.
4.2
Voor zover het verzoek van belanghebbende ziet op de vergoeding van proceskosten ziet het Hof daarvoor geen ruimte, nu het principale hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur gegrond.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het principale hoger beroep ongegrond en het incidentele hoger beroep gegrond.

5.Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten of de vergoeding van het van belanghebbende geheven griffierecht.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,
– vermindert de bestreden aanslag tot een die is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.169 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 366.
– vermindert de bestreden beschikking belastingrente dienovereenkomstig en
– wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong)
(P. van der Wal)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.