ECLI:NL:GHARL:2026:4026

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
200.355.783
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:448 lid 2 BWArtikel 3 lid 5 sub a Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ambtshalve ontslag bewindvoerder Z&H Bewind en vergoeding aan opvolgend bewindvoerder

Op 20 januari 2020 werd door de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen van de rechthebbende vanwege diens geestelijke of lichamelijke toestand. Z&H Bewind werd als bewindvoerder benoemd, maar op 18 april 2025 ambtshalve ontslagen wegens achterstanden en onvoldoende functioneren. Licht Twee werd benoemd als opvolgend bewindvoerder.

Z&H Bewind ging in hoger beroep tegen het ontslag en de vergoedingsbeslissingen. Zij betwistte het disfunctioneren en stelde dat zij onvoldoende tijd had gekregen om verbeteringen door te voeren. Het hof oordeelde dat er gewichtige redenen waren voor het ontslag, waaronder het niet tijdig aanleveren van jaarrekeningen, onvoldoende reactie op verzoeken van het Landelijk Kwaliteitsbureau en klachten over nalatigheid.

Het hof bekrachtigde het ontslag en de beslissing dat Z&H Bewind geen vergoeding krijgt voor het opmaken van de eindrekening. Wel vernietigde het hof het deel van de beschikking dat Z&H Bewind verplichtte de vergoeding voor aanvangswerkzaamheden van Licht Twee te betalen, en bepaalde dat deze kosten voor rekening van de rechthebbende komen.

De uitspraak bevestigt het belang van adequaat toezicht en tijdige uitvoering van bewindvoeringstaken en volgt recente jurisprudentie over vergoedingen bij ambtshalve ontslag.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het ambtshalve ontslag van Z&H Bewind en bepaalt dat de vergoeding voor aanvangswerkzaamheden door Licht Twee aan de rechthebbende mag worden gefactureerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.355.783
(zaaknummer rechtbank Gelderland 11502438)
beschikking van 18 juni 2026
in de zaak van
Z&H Bewind B.V.(Z&H Bewind),
die is gevestigd in Harderwijk,
advocaat: mr. L.H.S. de Baar,
die bewindvoerder was van
[de rechthebbende](de rechthebbende),
die woont in [woonplaats] ,
en de belanghebbende in hoger beroep
Licht Twee B.V.(Licht Twee),
die is gevestigd in Kampen,
die nu bewindvoerder is van de rechthebbende.

1.Samenvatting

De kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen en Licht Twee tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

Op 20 januari 2020 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland een bewind ingesteld over alle goederen die de rechthebbende (zullen) toebehoren, vanwege zijn geestelijke of lichamelijke toestand.

3.De procedure bij de kantonrechter

3.1.
De kantonrechter heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen als bewindvoerder, met ingang van 1 mei 2025.
3.2.
In die beschikking heeft de kantonrechter Licht Twee tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Daarnaast heeft de kantonrechter bepaald dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van Licht Twee door Z&H Bewind moet worden vergoed en dat Z&H Bewind geen beloning ontvangt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.

4.De procedure bij het hof

4.1.
Z&H Bewind is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Z&H Bewind wil dat het hof voor recht verklaart dat het ontslag van Z&H Bewind als bewindvoerder onterecht is. Verder wil zij dat het hof bepaalt dat:
- de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van Licht Twee niet door de Z&H Bewind hoeft te worden vergoed, en
- Z&H Bewind een beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording van € 300,08 inclusief btw.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.2.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ingekomen op 15 juli 2025;
  • een brief namens Z&H Bewind van 5 september 2025;
  • een bericht namens Z&H Bewind van 30 april 2026.
4.3.
De zitting bij het hof was op 11 mei 2026. Een vertegenwoordiger van Z&H Bewind en haar advocaat waren daarbij aanwezig.
4.4.
Tijdens de zitting heeft Z&H Bewind productie 18 (‘rapport inzake overeengekomen werkzaamheden 2024’ van de accountant) ingediend. Gelet op de inhoud van de productie wordt dit stuk aan het dossier toegevoegd.

5.Het oordeel van het hof

Wat in de wet staat
5.1.
De kantonrechter kan een bewindvoerder ontslaan vanwege gewichtige redenen (artikel 1:448 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek).
Het standpunt van Z&H Bewind
5.2.
Z&H Bewind voert aan dat haar ontslag onterecht is. Het hoger beroep is door haar echter niet ingesteld om het ontslag terug te draaien, omdat zij het niet in het belang van de rechthebbende vindt als weer een wisseling van bewindvoerder plaatsvindt. Z&H Bewind wil echter wel dat het hof voor recht verklaart dat er geen gewichtige redenen zijn (geweest) voor haar ontslag als bewindvoerder. Zij betwist dat sprake was van disfunctioneren, zoals in de beschikking van de kantonrechter omschreven. Volgens Z&H Bewind heeft zij niet alles goed gedaan, maar is haar door de kantonrechter onvoldoende tijd gegeven om het functioneren van haar bedrijf te verbeteren. Z&H Bewind heeft op verzoek van de kantonrechter drie keer een plan van aanpak ingediend, met door te voeren verbeteringen. Deze plannen zijn vooraf besproken met de branchevereniging. Zij vond de plannen er goed uitzien. Volgens de kantonrechter waren de plannen niet voldoende, maar Z&H Bewind kreeg geen advies over de verbeteringen die zij moest doorvoeren. Verder voert Z&H Bewind aan dat de bewindvoering niet tot financiële schade bij cliënten heeft geleid. De rechthebbende had de wens om Z&H Bewind als bewindvoerder te houden. Dat gold ook voor andere rechthebbenden bij wie Z&H Bewind als bewindvoerder is ontslagen. Inmiddels heeft Z&H Bewind haar zaken op orde gekregen. Termijnen worden weer gehaald en de computersystemen zijn goed ingericht. Zij is nog steeds bewindvoerder voor twee rechthebbenden in Utrecht. Wel bestaat ook in die zaken het voornemen tot ambtshalve ontslag. De kantonrechter laat dat afhangen van de uitkomst van de onderhavige procedure. Volgens Z&H Bewind had de door de kantonrechter gemaakte belangenafweging anders moeten uitvallen en had zij de bewindvoering moeten kunnen voortzetten.
Het oordeel van het hof
De gewichtige redenen voor ontslag
5.3.
De kantonrechter heeft in januari 2023 geconstateerd dat in verschillende dossiers sprake was van achterstanden in het aanleveren van de jaarlijkse rekening en verantwoording en de vijfjaarlijkse evaluaties. In mei 2023 heeft hierover een gesprek met Z&H Bewind plaatsgevonden. Daarnaast heeft de kantonrechter een melding vanuit het Landelijk Kwaliteitsbureau (LKB) ontvangen. Z&H Bewind heeft op 26 januari 2024 het handhavingsverzoek over 2022 ingediend. Een professioneel bewindvoerder moet ieder jaar een handhavingsverzoek bij het LKB indienen, zodat kan worden gecontroleerd of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen. Na de inhoudelijke beoordeling van het handhavingsverzoek is Z&H Bewind op 30 januari 2024, 28 februari 2024, 14 maart 2024 en 5 juli 2024 verzocht om aanvullende informatie aan te leveren. Z&H Bewind heeft hier niet op gereageerd, waardoor het handhavingsverzoek over 2022 door het LKB is afgewezen.
5.4.
Verder heeft de kantonrechter klachten ontvangen van een gemeente over een dossier van een rechthebbende, waarin Z&H Bewind bewindvoerder was. Z&H Bewind heeft herhaaldelijk de gevraagde documenten niet aangeleverd, waardoor de aanvraag kwijtschelding gemeentebelastingen over verschillende jaren is afgewezen, schulden zijn opgelopen en de PW-uitkering van de betreffende rechthebbende is opgeschort. Z&H Bewind kreeg de opdracht voor 4 oktober 2024 een plan van aanpak met verbeteringen in het bewindvoerderskantoor in te dienen, zodat kon worden voorkomen dat achterstanden ontstaan en dat niet op verzoeken van de kantonrechter wordt gereageerd. Het plan van aanpak van Z&H Bewind was onvoldoende concreet. In het plan van aanpak werd niet omschreven welke maatregelen worden genomen om direct te voorkomen dat er opnieuw achterstanden ontstaan. Z&H Bewind heeft vervolgens de kans gekregen om een verbeterd plan van aanpak aan te leveren, maar Z&H Bewind heeft dit pas na de afgesproken termijn aangeleverd.
5.5.
Z&H Bewind heeft bovendien meermalen niet tijdig de jaarlijkse rekening en verantwoording ingediend. Daarnaast heeft zij niet gereageerd op verzoeken van het LKB om aanvullende informatie, die het LKB nodig had om het ingediende handhavingsverzoek over 2022 te beoordelen. Deze manier van handelen zorgt ervoor dat de kantonrechter en het LKB worden belemmerd in het uitoefenen van hun toezichthoudende taak. Z&H Bewind voert aan dat de kantonrechter niet in voldoende mate duidelijk heeft gemaakt welke verbeteringen van haar werden verwacht. Het hof gaat hier niet in mee. Hoewel het niet de taak is van de kantonrechter om Z&H Bewind uit te leggen hoe zij haar taken als bewindvoerder moet uitvoeren, heeft de kantonrechter wel voldoende duidelijk gemaakt wat van Z&H Bewind werd verwacht. De kantonrechter heeft in de brief van 11 november 2024 beschreven dat concrete maatregelen worden verwacht om te voorkomen dat opnieuw achterstanden ontstaan. In het plan van aanpak ontbraken ook concrete maatregelen om ervoor te zorgen dat op vragen en verzoeken van de kantonrechter tijdig wordt gereageerd of op tijd uitstel wordt gevraagd. Z&H Bewind heeft nagelaten om deze maatregelen te nemen en het verbeterde plan van aanpak op tijd aan te leveren.
5.6.
Uit het dossier en ook tijdens de zitting bij het hof is het hof gebleken dat Z&H Bewind niet inziet dat haar wijze van handelen zodanig is dat de kantonrechter niet in staat is om adequaat toezicht te houden en te controleren of zij haar taken als bewindvoerder naar behoren uitvoert. Dit maakt dat Z&H Bewind niet geschikt is als bewindvoerder. Gelet op het voorgaande is het hof, net als de kantonrechter, van oordeel dat er gewichtige redenen zijn om Z&H Bewind als bewindvoerder te ontslaan. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter daarom op dit onderdeel bekrachtigen.
De vergoedingen voor de eindrekening en verantwoording en aanvangswerkzaamheden
5.7.
De kantonrechter heeft bepaald dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording en dat zij de beloning voor aanvangswerkzaamheden van de opvolgend bewindvoerder aan de rechthebbende moet vergoeden. In de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap is niet opgenomen dat deze kosten voor rekening van een ambtshalve ontslagen bewindvoerder (zouden kunnen) komen. In recente uitspraken in zaken waarin een bewindvoerder ambtshalve is ontslagen, is bepaald dat de ontslagen bewindvoerder geen kosten in rekening mag brengen voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording. [1] Het hof zal in diezelfde lijn beslissen en bepaalt dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording. Op dat punt zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.8.
In die zaken is ook bepaald dat de opvolgend bewindvoerder de vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening mag brengen. Die kosten komen dan voor rekening van de betreffende rechthebbende, niet voor de ontslagen bewindvoerder. Het hof volgt de lijn in die uitspraken en bepaalt dat de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van Licht Twee niet door Z&H Bewind hoeft te worden vergoed. Op dit onderdeel zal het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 april 2025, voor zover het de beslissing betreft dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van Licht Twee door Z&H Bewind moet worden vergoed;
bepaalt in plaats daarvan dat Licht Twee gerechtigd is om een éénmalige vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening te brengen conform artikel 3 lid 5 sub a van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;
bekrachtigt de beschikking voor het overige;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.H. Lieber en
R. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.