Uitspraak
1.Berbo Customs Services B.V.
2. Berbo Grens Service B.V.
3. BCS Group B.V.
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
advance feealsnog wordt toegewezen. In zoverre blijft het bestreden vonnis niet in stand. Voor het overige faalt het hoger beroep van beide partijen. Het hof licht dat hierna toe. De grieven (bezwaren) worden daarbij thematisch behandeld.
3.De toelichting op de beslissing van het hof
advance feevermeerderd, tot een bedrag van € 371.520,45. Aero heeft tegen die eisvermeerdering geen bezwaar gemaakt; zij berust overigens op informatie waarin Berbo c.s. eerder inzage hadden gevorderd en die Aero bij memorie van antwoord heeft verstrekt. Berbo c.s. konden de vordering ter zake pas aan de hand van die informatie uitwerken. Berbo c.s. hebben hun incidentele vordering tot inzage (artikel 843a Rv (oud)) ingetrokken, zodat daar niet op hoeft te worden beslist. Aero heeft in (incidenteel) hoger beroep haar eis gewijzigd. Zij wil een vordering jegens Berbo c.s. alsnog volledig toegewezen krijgen, en bestrijdt de wettelijke handelsrente over een toegewezen vordering van Berbo c.s. Aero gaat verder uit van de situatie na de financiële afwikkeling tussen partijen op grond van het vonnis. Zij vordert in dat verband nog een bedrag van € 147.981,35 van Berbo c.s. uit hoofde van onverschuldigde betaling.
business-to-consumer(B2C) orders verwerkt vanuit China naar de Europese markt. De Chinese vennootschap Woxiang lnvestment Limited, gevestigd in Hongkong, is enig aandeelhouder van Aero. [naam2] is algemeen directeur en (sinds 16 april 2021) enig statutair bestuurder van Aero.
BEVESTIGING MET AANPASSING 30M VOLUME | Contract 09.05.2020 | Quotation service rates VENUE B2C e-commerce shipments | Worldtech Netherlands B.V.” De e-mails zijn grotendeels afkomstig van het e-mailadres “Berbo Grens Service B.V. – [naam1] ”, ondertekend met “ [naam1] & [naam3] Management Berbo Customs Services B.V.” met een logo met daarin “Berbo Customs Services” en “ [naam1] Managing Director / CEO”. Daarnaast bevat de e-mailwisseling een e-mail van [naam4] , general manager van WorldTech Nederland. De e-mails en een aanhangsel met “tarief afspraken” zijn voorzien van een parafering en bedrijfsstempel van “WorldTech Nederland B.V.” In die e-mails heeft [naam1] een voorstel gedaan voor het verlenen van diensten bij invoeractiviteiten. Dat voorstel heeft tot afspraken geleid over onder meer het volume per maand en de tarieven die gelden voor invoeraangiften.
“[t]he applicable taxes (import duties and VAT on import) will be raised with 2,0% advance fee.” In de e-mail van 9 mei 2020 van [naam1] , waarin de afspraken zijn vastgelegd, staat onder “
terms and conditions” dat “
all our activities are carried out on the basis of the Dutch Forwarding conditions (general conditions of the Fenex).” Daarnaast staat in de e-mail dat de bijgevoegde FENEX-voorwaarden, in zowel de Nederlandse als Engelstalige versie en op alle pagina’s ondertekend, geretourneerd dienen te worden. Diezelfde eis geldt voor de bijgevoegde machtiging directe vertegenwoordiging.
Overeenkomst/machtiging voor het optreden als direct vertegenwoordiger” waarin als opdrachtgever / direct vertegenwoordigde staat genoemd: WorldTech Nederland. De opdrachtgever is daarbij blijkens de getekende overeenkomst vertegenwoordigd door [naam2] , general manager. Als expeditieonderneming / direct vertegenwoordiger staat Berbo Grens genoemd. Berbo Grens wordt daarin gemachtigd, en krijgt de opdracht, om tegen vergoeding de in de douanewetgeving voorgeschreven aangiften te verrichten – in naam en voor rekening van WorldTech Nederland – van de door WorldTech Nederland aangebrachte goederenzendingen. In artikel 1 van Pro de overeenkomst worden de Nederlandse Expeditievoorwaarden, gedeponeerd door de FENEX ter griffie van de rechtbanken van Amsterdam, Arnhem, Breda en Rotterdam, op de overeenkomst van toepassing verklaard.
CONTRACT | WorldTech Nederland B.V. | Berbo Customs Services B.V. | DECO Import declarations e-commerce B2C shipments | 01.07.2021-30.06.2022.” Die e-mail is gericht aan diverse geadresseerden bij WorldTech Nederland , waaronder [naam2] . De e-mail is voorzien van een parafering en een bedrijfsstempel van WorldTech Nederland. In de e-mail staat, voor zover hier relevant, het volgende:
Agreement / authorisation to act as direct representative” gesloten waarin als
principal / party directly representedstaat genoemd: WorldTech Nederland. Als
freight forwarding company / direct representativestaat Berbo Grens genoemd. Op deze overeenkomst zijn de FENEX-voorwaarden van toepassing verklaard.
starting fee, een bedrag van € 7.737.176,04 aan Aero in rekening gebracht. Naast deze zogenoemde inklaringswerkzaamheden zijn tot 1 juli 2021 de calculaties verricht om de door Aero vanwege de invoer verschuldigde invoerrechten en btw te bepalen. Die berekeningen werden eveneens verricht op basis van de door Aero verschafte informatie met betrekking tot de douaneaangiften. Daarvoor heeft Aero een bedrag van € 1.367.998,88 aan
advance feesbetaald.
7 finance cases”. Voor zover hier relevant, staat in het gespreksverslag het volgende:
Jullie hebben vandaag de overeenkomst opgezegd. (…) Berbo is gewoon t/m 30.06.2022 22:00u voor jullie beschikbaar om douaneservices aan te bieden aan AE mits onze facturen die vervallen zijn volledig betaald worden.”
total refund 2021/2022 1.568.428 KG/ € 0,22”. Op de creditfactuur wordt in totaal € 111.000,00 aan Aero in rekening gebracht voor 222 x € 500 als “
surcharge extra activities”.
service feeen op de terugbetaling die Berbo Customs op 30 juni 2021 van de Douane heeft ontvangen. In reactie op deze brief heeft Berbo c.s. op 20 juli 2022 verweer gevoerd en tegenvorderingen kenbaar gemaakt.
advance feevan 2,5% betaald. De laatstgenoemde werkzaamheden zijn verricht tot en met eind juni 2021. In dat kader werd eerst op basis van de invoeraangiften die waren gedaan berekend welk bedrag Aero aan invoerrechten en invoer-btw verschuldigd was; vervolgens werd een verzoek aan de Douane gedaan om voor dat bedrag een UTB aan Aero op te leggen. Op basis van die verzoeken legde de Douane UTB’s op aan Aero. Via facturen werden de bedragen van de UTB’s en de
advance feebij Aero in rekening gebracht. Nadat Aero de facturen betaalde, werd de Douane betaald.
financial deposit”), maar dat daadwerkelijk zo is gehandeld is niet gebleken. Bovendien is de relevantie van deze stelling van Aero ertoe beperkt dat volgens haar de
advance feealleen betaald hoefde te worden over door Berbo c.s. voorgeschoten bedragen. Dat dit zo zou zijn afgesproken blijkt echter niet uit de overeenkomst van partijen. Ter zitting hebben Berbo c.s. nog nader toegelicht dat het Maandkrediet verband hield met de
Customs clearance service fee per KG(dus de inklaringswerkzaamheden) en niet met de afdracht van invoerrechten en invoer-btw. Dat de
advance feeniet meer betaald werd vanaf juni 2021 (op 0.00% werd gesteld) had dan ook niet te maken met het gebruik van het Maandkrediet van Aero – al staat dat dubbelzinnig in de e-mail van 29 juni 2021 – maar met het feit dat de werkzaamheden om de invoerrechten en de invoer-btw te berekenen, eindigden. Zo stopte de Douane met de btw-vrijstelling van zendingen met een gegroepeerde waarde van meer dan € 22,- waar de berekeningen vanuit Berbo c.s. (onder meer) op zagen. Dat die werkzaamheden toen eindigden is tussen partijen ook niet in geschil.
advance fee(aanvankelijk 2%) over invoerrechten en invoer-btw. Daarnaast wordt in de e-mails verzocht om de machtigingen directe vertegenwoordiging te tekenen. Daarmee bevat de overeenkomst de prijsafspraken voor het gehele spectrum aan werkzaamheden dat Berbo c.s. hebben verricht voor Aero, en de daarvoor benodigde machtiging. Voor zover er mondeling andere of nadere afspraken zijn gemaakt, gelden die in aanvulling op en niet ter vervanging van de in de e-mails neergelegde afspraken. Waar latere wilsovereenstemming tussen partijen duidelijk een afwijkende afspraak inhield, is dat door de rechtbank niet miskend. Zo is duidelijk dat het percentage van de
advance feegedurende de looptijd van de overeenkomst door partijen meermaals is aangepast (variërend tussen 2,5% en 1,5%).
advance fee. Het hof verenigt zich in zoverre met de overwegingen van de rechtbank en de slotsom dat Aero ten onrechte over een te hoog berekend bedrag aan invoerrechten en invoer-btw
advance feeheeft betaald aan BCS Group en dat Aero recht heeft op een verlaging van het tarief aan verschuldigde
advance feemet 0,25 procentpunt over een bepaald aantal facturen. Maar anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat BCS Group aanspraak heeft op vergoeding door Aero van ten onrechte gemiste
advance fee. De daarop gerichte vordering van Berbo c.s. is toewijsbaar. Daarbij is het volgende van belang.
advance feevan 2,5% betaald. Die
advance feewas een vergoeding voor de berekeningen die Berbo c.s. uitvoerde om te bepalen welk bedrag aan invoerrechten en invoer-btw Aero verschuldigd was. Het hof heeft hierboven al geoordeeld dat de
advance feeniet met bevoorschotting door Berbo c.s. te maken had. Dat de
advance feeeen vergoeding inhield voor (nog) andere prestaties van Berbo c.s. is ook in hoger beroep niet onderbouwd en is verder ook nergens uit gebleken. De
advance feewerd berekend over het bedrag aan invoerrechten en invoer-btw dat de Douane via de UTB’s aan Aero oplegde, na een verzoek daartoe van Berbo c.s.
advance feezijn overeengekomen met 0,25 procentpunt over een aantal in de bijlage bij die e-mail genoemde facturen. De enige voorwaarde voor deze korting was dat Aero de facturen zou betalen, waarna Berbo c.s. ‘een creditfactuur (zoals afgesproken)’ – “
a credit note (as agreed)” – zouden sturen, wat vervolgens ook is gebeurd (hierboven in 3.26). De creditfactuur is dus ook niet enkel uit coulance gestuurd, zoals Berbo c.s. nog stellen, maar was de uitvoering van een afspraak. Dat hier andere voorwaarden aan zijn verbonden, zoals het sluiten van een driejarig contract, is door Aero betwist en is ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd door Berbo c.s. De verklaring van [naam6] van 29 november 2023, waar Berbo c.s. zich met name op baseren, vindt geen steun in de feiten. Berbo c.s. wierp de voorwaarde van een driejarig contract op bij e-mail van 23 november 2021, nadat Aero eerder die dag had aangedrongen op de creditfactuur. Aero heeft direct geprotesteerd dat die voorwaarde niet volgens de afspraak was, waarna een nadere toelichting van de zijde van Berbo c.s. is uitgebleven. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de reeds gemaakte afspraak niet door Berbo c.s. eenzijdig kon worden gewijzigd. Er is onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat partijen alsnog wilsovereenstemming over een nadere voorwaarde hebben bereikt. Aero heeft dus recht op een korting van 0,25 procentpunt op de
advance feedie zij aan BCS Group heeft betaald.
advance feeblijkt niet en is ook niet onderbouwd.
discount (from 2.5% to 2.25% per invoice)”) heeft genoteerd in het gespreksverslag van 24 maart 2022: “
Berbo will look into this to find out whether there are any debates”. Het was dus een onderwerp dat nog in bespreking was, mede in het kader van de afwikkeling van andere geschillen (de “
7 finance cases” zoals Aero het noemt). Ook volgens Aero zelf was er op dat moment kortom geen sprake van dat Berbo c.s. zouden tekortschieten in de nakoming van de kortingsafspraak. Wel vat het hof, net als de rechtbank, het aldus door Aero wijzen op de overeengekomen korting op als het zich ondubbelzinnig voorbehouden van het recht op nakoming: het ontvangen van de korting. Nu Aero op 23 november 2021 heeft verzocht de korting toe te passen, is de vordering tot nakoming zodoende binnen de verjaringstermijn van 9 maanden uit de FENEX-voorwaarden gestuit. Berbo c.s. hebben in hoger beroep nog aangevoerd dat pas in november 2023 voor hen duidelijk was waar Aero aanspraak op maakte en dat van verzuim voordien geen sprake kan zijn, maar het hof gaat ook daar niet in mee. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzuim is ingetreden met de brief van Berbo c.s. van 20 juli 2022, waarin zij uitdrukkelijk betwisten op enige manier te zijn tekortgeschoten en de korting ook noemen.
advance fee. Het hof is het op dit punt met Berbo c.s. eens. Anders dan de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 5.24 van het vonnis, is het hof van oordeel dat de verschuldigde
advance feezich op grond van de overeenkomst van partijen mede uitstrekt over na te betalen bedragen, omdat het gaat om de totaal
verschuldigdesom aan invoerrechten en invoer-btw. De tekst van de overeenkomst en de gehanteerde wijze van factureren laten geen andere uitleg toe dan dat de
avance feewerd geheven over de bij wet verschuldigde belastingen – invoerheffingen en invoer-btw (“
applicable taxes (import duties and VAT on import)”). Tussen partijen is niet in geschil dat de invoer-btw (van 21%) mede werd geheven over de invoerheffingen, die 4% bedroegen voor de ‘general’-stroom en 12% voor de ‘SHEIN’-stroom. Dit betekent dat bij een zending die door Aero als ‘general flow’ werd gerubriceerd, de invoer-btw geheven werd over de waarde van die zending plus 4% invoerheffing, terwijl bij een zending die als ‘SHEIN flow’ werd gerubriceerd, de invoer-btw werd geheven over de waarde van die zending plus 12% invoerheffing. De totale waarde van invoerrechten en invoer-btw ligt bij de ‘SHEIN’-stroom dus ongeveer 10% hoger (namelijk, 8% hogere invoerheffing vermeerderd met de daarover verschuldigde 21% aan invoer-btw) dan bij de ‘general’-stroom. Het staat vast dat Aero een groot aantal onjuiste rubriceringen heeft verricht (‘general flow’ waar het ‘SHEIN-flow’ had moeten zijn), ten gevolge waarvan zij nog ruim € 14 miljoen invoer-btw verschuldigd was aan de Douane. Als Aero tijdens de looptijd van de overeenkomst de juiste rubricering had toegepast, zou de
advance feevan BCS Group dus navenant hoger zijn geweest. De
advance feewas immers door Aero verschuldigd als percentage van de dan – met de juiste informatie van Aero berekende – hogere invoerheffingen en hogere invoer-btw (‘SHEIN-flow’ in plaats van ‘general flow’).
advance fee. Aero verwijst naar discussies tussen partijen die dateren van veel later dan de periode waarover de btw-berekeningen indertijd zijn gemaakt. Dat voor de oorspronkelijke ‘SHEIN-flow’ geen herberekening gemaakt hoefde te worden is daarbij logisch, omdat de onjuiste rubricering door Aero betrekking had op de – onterecht – als ‘general flow’ aangemerkte zendingen. Ook als Aero – naar zij stelt maar Berbo c.s. betwisten – volledig zelf de herberekening heeft uitgevoerd ten behoeve van de nabetaling aan de Douane maakt dat geen verschil voor de verschuldigdheid van de gemiste
advance fee. Niet de berekening van de juiste invoer-btw in verband met de naheffing van de Douane, maar de berekening op basis van de oorspronkelijk onjuiste informatie van Aero (de verkeerde rubricering van de ‘general’ flow) heeft tot de schade geleid bij BCS Group, omdat zij daardoor haar
advance feeover een lager bedrag bij Aero in rekening heeft gebracht. De
advance feeviel als gevolg daarvan lager uit dan waarop BCS Group contractueel recht heeft. Aero is dan ook gehouden het bedrag aan gemiste
advance feealsnog te vergoeden.
advance feeheeft Aero geen bezwaar gemaakt. Het hof volgt daarom de berekening van Berbo c.s. (Aero was aan de Douane wegens foutieve rubricering een bedrag verschuldigd van € 14.860.818,16, en de vordering van BCS Group, € 371.520,45, is 2,5% daarvan).
advance fee. BCS Group heeft bij factuur van 2 februari 2023 aan Aero aanspraak gemaakt op de gemiste
advance fee(productie 34 van Berbo c.s.). Aero was de
advance feeover dat bedrag op dat moment ook verschuldigd, al was dat bedrag iets lager ingeschat, namelijk ongeveer € 326.000, omdat Berbo c.s. pas later inzicht kreeg in het precieze bedrag aan naheffing wegens de onjuiste rubricering. Het hof zal daarom de wettelijke handelsrente over het toe te wijzen bedrag aan gemiste
advance feelaten ingaan op de datum van de vervaldag van de factuur, zoals door Berbo c.s. (primair) is gevorderd. Die vervaldag (betalen moest binnen zeven dagen na factuurdatum) is 9 februari 2023.
double invoicesvordering. In het gespreksverslag van de bespreking van 9 maart 2022 (hierboven in 3.21) staat hierover vermeld: “
Double invoiced clearance fee 2021-2022 – € 451.089,47 – System problem of BERBO. According to BERBO, 3 months’ data has been checked. Once finished, BERBO will credit AE.” Het gaat naar het oordeel van het hof om een voldoende gedetailleerde weergave van dit geschilpunt, met een concreet bedrag, waar op 9 maart 2022 over is gesproken, zodat het voor Berbo c.s. duidelijk moet zijn geweest waar deze vordering van Aero op zag. Berbo c.s. zijn hier ook mee aan de slag gegaan. Er volgde een creditfactuur op 7 juli 2022. Tegen deze achtergrond hebben Berbo c.s. onvoldoende onderbouwd dat zij het door Aero toegezonden gespreksverslag niet als stuitingshandeling hebben begrepen. De verjaringstermijn van 9 maanden uit de FENEX-voorwaarden is niet overschreden. Het hof gaat er daarbij, net als partijen, vanuit dat na stuiting een nieuwe verjaringstermijn van 9 maanden gaat lopen. Zoals de rechtbank (onbetwist in hoger beroep) heeft vastgesteld, zou volgens Berbo c.s. op 19 mei 2022 de eerste factuur zijn verjaard waarvan de verjaring wordt ingeroepen. Het gespreksverslag van de bespreking van 9 maart 2022 is op 24 maart 2022 aan Berbo c.s. gestuurd. Na het uitbrengen van de dagvaarding in september 2022, heeft Aero bij e-mail van 8 december 2022 aan Berbo c.s. medegedeeld dat zij zich al haar rechten voorbehoudt ten aanzien van haar vorderingen uit het overleg van 9 maart 2022, en dat dit bericht dient te worden opgevat “
als een stuitingshandeling zoals bedoeld in artikel 3:317 BW Pro”. Bovendien heeft Aero haar vordering in verband met de
double invoicesbij akte eisvermeerdering van 3 april 2023 ingesteld, dus binnen 9 maanden na ontvangst van de creditfactuur van 7 juli 2022. Van een voltooide verjaring is, kortom, geen sprake. Dat Aero haar rechten zou hebben verwerkt volgt het hof evenmin. Het beroep op rechtsverwerking is ook in hoger beroep niet voldoende onderbouwd door Berbo c.s. Louter tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. [2] Volgens Berbo c.s. had Aero eerder eigen berekeningen kunnen maken om de facturen te beoordelen en daar naar kunnen handelen, maar dat maakt nog niet dat hier sprake is van een houding of gedraging van Aero die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het nadien inroepen van haar recht.
part-shipments(deelzendingen dan wel opgesplitste zendingen) een
starting feevan € 500,- in rekening gebracht mocht worden, en bestaat daar ook recht op uit hoofde van artikel 6 lid 1 en Pro lid 4 van de FENEX-voorwaarden. Met een beroep op deze bepalingen uit de FENEX-voorwaarden stellen Berbo c.s. daarnaast recht te hebben op € 50.000 voor 1600 handmatig door hen ingevoerde AGS-aangiften.
starting feevan € 30,- in rekening gebracht. De hogere vergoeding is pas op 7 juli 2022 (toen tussen partijen al diverse geschillen waren gerezen) voor het eerst in rekening gebracht. Een aanvullende afspraak op dit punt is ook geen onderdeel gemaakt van de schriftelijk vastgelegde commerciële afspraken tussen partijen op het moment dat zij de overeenkomst voor inklaringswerkzaamheden op 29 juni 2021 verlengden (hiervoor bij 3.12), terwijl dat wel voor de hand had gelegen als die afspraak werkelijk zou zijn gemaakt. Uit hetgeen is overeengekomen en het handelen van Berbo c.s. volgt dus juist dat er geen afspraak is gemaakt voor een vergoeding voor
part-shipments. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaring van [naam6] onvoldoende gewicht in de schaal legt om daarover anders te oordelen, aangezien daarin niet wordt ingegaan op de feitelijke gang van zaken waaruit wilsovereenstemming tussen partijen over die gestelde afspraak blijkt en evenmin een verklaring wordt gegeven voor het aanvankelijk niet in rekening brengen van de bedoelde extra vergoeding. De stelling van Berbo c.s. dat het deels zou gaan om opgesplitste zendingen waar een dergelijke
starting-feevoor zou gelden, komt ook niet tot uitdrukking in hetgeen tussen partijen is overeengekomen, en maakt het voorgaande niet anders. Dat Berbo c.s. van andere klanten en in andere tijdsperiodes (wel) een afzonderlijke vergoeding voor
part-shipmentshebben ontvangen, zoals zij ter zitting nog naar voren hebben gebracht, betekent niet dat dit met Aero is afgesproken.
part-shipmentvolstaat niet. Ook de stelling dat er extra kosten voor handmatige invoering van AGS-aangiften zijn gemaakt voor “inkoop, personeel en dataopslag” is niet voldoende. Met de rechtbank oordeelt het hof dan ook dat Berbo c.s. geen vordering hebben uit hoofde van extra kosten voor
part-shipmentsen handmatig ingevoerde AGS-aangiften die zij met het aan Aero terug te betalen bedrag kunnen verrekenen. Dit betekent ook dat de rechtbank de vordering van Aero terecht heeft toegewezen tot het in het vonnis genoemde bedrag.
statement sheetis niet overgelegd en ook het hof kan uit haar productie 40 de gegrondheid van deze vorderingen niet afleiden; aan Aero’s argument dat het recht om extra kosten te rekenen was verjaard komt het hof bij die stand van zaken niet toe. Het bezwaar van Berbo c.s. dat de beoordeling van de rechtbank inzake het bedrag van € 3.695 niet voldoende kenbaar is uit het vonnis, faalt. Dat oordeel volgt duidelijk uit rechtsoverweging 5.30 van het vonnis (1.478 AGS-zendingen x € 2,50 = € 3.695).
duplicates. Aero heeft er daarbij op gewezen dat zij niet het volledige factuurbedrag van € 5
71.220,58 heeft erkend, maar slechts tot een bedrag van € 5
17.153,16. Dat voorbereidende werkzaamheden eerder ook niet werden gefactureerd en er dus geen sprake is van een bestendige, stilzwijgend aanvaarde praktijk, noch van een uitdrukkelijk overeengekomen vergoeding, is door Berbo c.s. in hoger beroep niet concreet bestreden. Verschuldigdheid van zulke bedragen volgt ook niet (alsnog) uit artikel 7:406 BW Pro of uit de FENEX-voorwaarden. Dat er, zeker bij zulke grote volumes als in dit geval aan de orde waren, nu en dan een zending wordt geannuleerd kan daarbij tot het ondernemersrisico van Berbo c.s. worden gerekend. Berbo c.s. hebben onvoldoende onderbouwd gesteld om tot een ander oordeel te komen. Daarnaast is een voldoende concrete onderbouwing van werkzaamheden en kosten, die voor vergoeding in aanmerking zouden (moeten) komen, ook in hoger beroep uitgebleven. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.44 van het vonnis de ten onrechte aan Aero in rekening gebrachte vordering voor
duplicatesweggestreept tegen een andere vordering. De door Berbo c.s. gevorderde betaling van de factuur is door de rechtbank al met al op goede grond toegewezen tot een bedrag van (€ 571.153,16 - € 28.898,43 =) € 542.254,73.
airway bill) vanwege een grote verstoring begin 2022, omdat Aero verkeerde goederencodes had gebruikt. Het hof volgt dit niet, en verenigt zich met rechtsoverwegingen 5.53 en 5.54 van het vonnis.
airway billgeldt dat er slechts een voorstel is gedaan vanuit Berbo c.s., dat niet door Aero is aanvaard. Berbo c.s. lijkt zich hier op ‘zwijgen is toestemmen’ te beroepen, maar het enkele feit dat Aero niet heeft gereageerd op het voorstel betekent niet dat zij daarmee heeft ingestemd. Dat er al telefonisch zou zijn ingestemd door Aero is daarbij in tegenspraak met de tekst van de e-mail van 6 januari 2022 (“
Wij stellen dan ook voor om de starting fee met € 5,00 per AWB te verhogen …”). Wat betreft de factuur van € 12.500 hebben Berbo c.s. toegelicht dat zij, naar aanleiding van foutmeldingen, hebben uitgelegd aan Aero dat er verkeerde productiecodes zijn gebruikt, en dat daarom de vertraging in de verwerking niet aan Berbo c.s. kan worden toegerekend. Maar dat er aanspraak is gemaakt op een extra vergoeding voor Berbo c.s. waar Aero mee heeft ingestemd is ook in hoger beroep onvoldoende naar voren gekomen. De eenzijdige e-mails van Berbo c.s. zeggen daarvoor te weinig en het ontbreekt (ook verder) aan feiten waaruit instemming van Aero kan worden afgeleid.
e-commerceaangiften vanuit Berbo c.s. Het ging in dit geval om wijzigingen in de werkprocessen bij de Douane (vanaf 1 januari 2022), waar niet vooraf vanuit de Douane over was gecommuniceerd. Dit volgt duidelijk uit de e-mail van Berbo c.s. van 6 januari 2022, waarin ook een overzicht en toelichting van de werkzaamheden wordt gegeven. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de kosten die met deze werkzaamheden samenhangen voor rekening van Berbo c.s. moeten blijven. Het zijn geen kosten die op grond van artikel 6 lid 4 FENEX Pro-voorwaarden voor rekening van Aero komen. Dat de Douane haar werkprocessen aanpast is voor een douane-expediteur (zoals Berbo c.s.) geen onvoorziene omstandigheid, omdat deze daar redelijkerwijs rekening mee moet houden en dit behoort tot haar ondernemersrisico. Het komt hier dus (wel degelijk) aan op een aanvaarding door Aero van deze extra kosten, die echter is uitgebleven. Berbo c.s. hebben ook onvoldoende onderbouwd dat zij Aero structureel hebben moeten aanspreken op het (herhaaldelijk) gebruiken van verkeerde goederencodes.
twelve months): 01.07.2021-30.06.2022”). De WhatsApp-berichten tussen partijen uit de periode van 4 juli 2021 tot en met 17 juni 2022 (productie 37 van Aero bij conclusie van antwoord in reconventie) gingen ook niet (slechts) over de voorwaarden waarónder, maar (juist) over de vraag óf de samenwerking als zodanig werd verlengd. Ook gelet op de inhoud van de e-mails van 29 juni 2021 (hierboven in 3.11) en 19 mei 2022 (hierboven in 3.23), en de tussen partijen gewisselde WhatsApp-berichten is duidelijk dat partijen een overeenkomst voor bepaalde tijd hebben bedoeld te sluiten, die op 30 juni 2022 eindigde. Na die datum zijn er ook geen werkzaamheden voor Aero meer uitgevoerd door Berbo c.s. Het hof acht daarnaast duidelijk dat Berbo c.s. ermee hebben ingestemd de overeenkomst af te laten lopen, nu in het WhatsApp-bericht van 14 juni 2022 aan Aero is medegedeeld dat zij “
t/m 30.06.2022 22:00u” voor Aero beschikbaar zijn met de douaneservices.
gentlemen’s agreement, en dat Aero die afspraak heeft geschonden. Het hof volgt dit niet. Het hof verwijst naar rechtsoverweging 5.66 van het vonnis van de rechtbank en verenigt zich daarmee. Aanwijzingen dat Aero zich jegens Berbo c.s. heeft verbonden tot exclusiviteit ontbreken. Net als de rechtbank leidt het hof uit de gehanteerde term
gentlemen’s agreementaf dat, indien van een dergelijk
agreemental sprake was, Berbo c.s. met Aero geen in rechte afdwingbare exclusiviteit is overeengekomen. Dat Aero mogelijk op enig moment Berbo c.s. als enige douane-expediteur heeft gekozen dan wel zich feitelijk zo heeft gedragen houdt nog geen overeengekomen exclusiviteits
verplichtingin. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit de verklaring van [naam6] van 29 november 2023. Berbo c.s. hebben al met al ook in hoger beroep nagelaten hun standpunt over de vermeende exclusiviteit (deugdelijk) te onderbouwen.
advance feevolgden nog de besprekingen en verdere communicatie tussen partijen over deze en andere geschillen. Pas met de creditfactuur van 7 juli 2022 werd duidelijk van welk bedrag aan “
total refund 2021/2022” Berbo c.s. zelf uitgingen. Er is onvoldoende grond om bij een andere ingangsdatum aan te knopen. Daarbij komt dat Berbo c.s. zelf ook niet hebben gespecificeerd en evenmin uit de creditfactuur gemakkelijk valt af te leiden op welk deel van welke factuur de creditering betrekking heeft zodat evenmin (voldoende gemakkelijk) te achterhalen valt over welk deel van welke factuur vanaf welke datum de rente is gaan lopen; Berbo c.s. hebben dat ook niet toegelicht. Het hof gaat ook niet mee met het bezwaar van Aero, dat zij helemaal geen wettelijke handelsrente is verschuldigd omdat er geen vertraging in de betaling zou hebben plaatsgevonden. Voor de onbetwiste facturen van Berbo c.s. geldt dat Aero wist waar zij (per saldo) aan toe was vanaf 7 juli 2022. Kort daarna, bij brieven van 12 en 20 juli 2022, volgden sommaties van partijen over en weer (hierboven in 3.27). Ook in hoger beroep heeft Aero onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat zij haar betalingsverplichting gerechtvaardigd heeft mogen opschorten. Het hof verenigt zich met rechtsoverweging 5.56 van het vonnis, en verwijst daarnaar. Dat partijen, zoals Aero nog stelt, na het vonnis onderling hebben afgewikkeld via verrekening maakt dat niet anders. In die afwikkeling is de (op grond van het vonnis over en weer) verschuldigde wettelijke (handels)rente verdisconteerd.
advance feealsnog zal worden toegewezen, en faalt voor het overige. Het (incidentele) hoger beroep van Aero faalt. Omdat Aero in zoverre overwegend in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Aero tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen, afgestemd op de hoogte van de door het hof alsnog toegewezen vordering. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover, die is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [3]