ECLI:NL:GHARL:2026:4159

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.360.359
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in kort geding over stallingskosten en ophalen paard

In deze zaak vorderde de stalhouder betaling van openstaande stallingskosten en het ophalen van een paard dat bij hem was gestald. De voorzieningenrechter kende beide vorderingen toe, maar de klanten gingen in hoger beroep.

Het hof oordeelde dat het paard inmiddels executoriaal was verkocht aan de stalhouder, waardoor het spoedeisend belang bij de vordering tot ophalen van het paard was komen te vervallen. Ook bij de geldvordering ontbrak het spoedeisend belang, mede vanwege het restitutierisico en het betwisten van de volledige verschuldigdheid door de klanten.

Het hof vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter en wees de vorderingen af. De proceskostenveroordeling van de voorzieningenrechter werd vernietigd en de kosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De stalhouder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vorderingen van de stalhouder af wegens gebrek aan spoedeisend belang in hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.359
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 450203
arrest in kort geding van 23 juni 2026
in de zaak van:

1.[appellant1]

2. [appellant2]
die beiden wonen in [woonplaats]
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de voorzieningenrechter optraden als gedaagde partijen
hierna: samen: [klanten] en ieder afzonderlijk: [appellant1] en [appellant2]
advocaat: mr. M.W. van der Heijden
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
en bij de voorzieningenrechter optrad als eisende partij
hierna: [stalhouder]
advocaat: mr. S.A. Wensing

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[klanten] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de voorzieningenrechter) op 8 september 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met de bezwaren (grieven) tegen het vonnis
  • de memorie van antwoord met producties
  • nagekomen akte van [stalhouder]
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling van 6 mei 2026
  • de nagestuurde productie 2 van [klanten]

2.De kern van de zaak

2.1.
[klanten] hebben in 2020 een paard gestald bij [stalhouder] . De facturen die [stalhouder] voor de stallingskosten van het paard heeft gestuurd zijn vanaf september 2023 - op vier betalingen na - niet betaald door [klanten]
2.2.
[stalhouder] heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd dat [klanten] worden veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag van € 7.420,18, met rente vanaf 8 april 2025 en tot betaling van een bedrag van € 350 per maand vanaf 1 mei 2025, met rente vanaf 14 april 2025 en dat [klanten] worden veroordeeld om na betaling van deze bedragen het paard op te halen op straffe van een dwangsom.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de vorderingen voldoende spoedeisend zijn en dat de hoogte van de vorderingen vaststaat. Daarop heeft de voorzieningenrechter de vorderingen toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [klanten] is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
Beslissing van het hof
2.4.
Het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden vernietigd en de vorderingen van [stalhouder] zullen alsnog worden afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang in hoger beroep en het ontbreken van spoedeisend belang bij de geldvordering bij de voorzieningenrechter. Het hof licht hierna toe hoe het tot deze beslissing komt.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Feiten
3.1.
[stalhouder] houdt zich bezig met de stalling en opfok van paarden.
3.2.
Begin 2020 hebben [klanten] het paard [naam paard] , toen nog een veulen, naar [stalhouder] gebracht om daar ‘voor de opfok’ te worden gestald. Dat is bij [stalhouder] een groepshuisvesting waarin het veulen wordt geplaatst bij andere veulens. De opfokperiode is een periode van 3 jaar.
3.3.
Op 29 april 2023 schrijft [stalhouder] via Whatsapp onderstaand bericht aan [appellant1] .
(…) de hengst is 3 jaar maandag wordt het 1 mei de koppel waar hij in loopt gaat naar huis dus niet meer de wei in heb graag dat hij uiterlijk volgende week woensdag opgehaald word, uiteraard na de volledige betalingen (…)
3.4.
Daarop antwoordt [stalhouder] dezelfde dag:
(…) dat red ik niet ik heb niet zo snel een oplossing omdat de bouw zo enorm is uitgesteld. Is 1 juni een optie?
3.5.
Vervolgens schrijft [stalhouder] :
Dan komt hij op de box van 330 euro per maand en onder voorwaarde voor woensdag om de opstaande facturen betalen
3.6.
Daarop reageert [appellant1] op 29 april 2023 dat het goed komt.
3.7.
Op 25 mei 2023 vraagt [stalhouder] aan [appellant1] hoe laat hij het paard de week erna komt ophalen. [klanten] antwoordt daarop onder meer:
Ik heb nog geen plek (…) jij gaf aan € 330 per maand en dat is goed
3.8.
[stalhouder] schrijft vervolgens:
Ja tot 1 juni ik zit daarna helemaal vol met de stallen
3.9.
Daarop antwoordt [appellant1] :
Jij geeft mij zelf aan dat ik stal kon huren voor € 330 is toch niet idee van mijzelf?
3.10.
De stallingskosten zijn vervolgens tot en met augustus 2023 volledig voldaan door [klanten] Van de facturen die [stalhouder] aan [klanten] over de maanden september 2023 tot en met april 2025 heeft gestuurd, hebben [klanten] € 600 op 18 december 2023, € 330 op 4 maart 2025, € 330 op 1 mei 2025 en € 350 op 29 juli 2025 betaald.
3.11.
Op 1 april 2025 heeft [stalhouder] een e-mail gestuurd aan [klanten] met de volgende inhoud:
Wij willen u op de hoogte stellen dan wij een prijsverhoging hebben door gevoerd i.v.m. de hoge stro kosten, voerkosten en mestafvoer.
3.12.
Bij die e-mail was een factuur gevoegd over de maand april 2025 voor een bedrag van € 350 voor de ‘Box’.
3.13.
Op 8 april 2025 heeft de advocaat van [stalhouder] een brief gestuurd naar [klanten] waarin hij sommeert om binnen 48 uur over te gaan tot betaling van de nog openstaande bedragen. Daarnaast zegt hij namens [stalhouder] per direct de overeenkomst tussen partijen op. Bij brief van 9 april 2025 schrijft de advocaat van [stalhouder] dat een kort geding zal worden opgestart.
3.14.
Na het vonnis van 8 september 2025 heeft de deurwaarder aan [klanten] aangekondigd dat zal worden overgegaan tot openbare executoriale verkoop van het paard. Op 26 november 2025 heeft [appellant2] per e-mail aan de deurwaarder bericht dat het paard eigendom is van Ogim B.V. en dat er hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis. Daarbij wordt om 14 dagen respijt gevraagd. De deurwaarder laat vervolgens op dezelfde dag weten dat [stalhouder] niet instemt met uitstel van de verkoop.
3.15.
Op 28 november 2026 is het paard na opbod voor € 3.000 verkocht aan [stalhouder] .
Bevoegdheid en eigendom
3.16.
[klanten] hebben een klacht gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat deze bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. Het gaat dan om de relatieve bevoegdheid van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, omdat [klanten] woonachtig zijn in Woudenberg (provincie Utrecht en arrondissement rechtbank Midden-Nederland). Deze klacht hebben zij op de mondelinge behandeling bij het hof ingetrokken. Bovendien bepaalt artikel 110 lid 3 Rv Pro dat er geen hogere voorziening is toegelaten tegen een beslissing over de relatieve bevoegdheid.
3.17.
Daarnaast voeren [klanten] in hoger beroep aan dat het paard eigendom is van Ogim B.V., zodat [stalhouder] niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden in zijn vorderingen tegen [klanten] Zoals [klanten] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof ook hebben beaamd, is het eigendom van het paard niet van belang bij de beoordeling van de vorderingen van [stalhouder] , omdat tussen partijen vast staat dat [klanten] afspraken hebben gemaakt met [stalhouder] voor de stalling van het paard en de vorderingen betrekking hebben op (de nakoming van) die afspraken.
Geen spoedeisend belang in hoger beroep
3.18.
In een kort geding moet het hof beoordelen of de partij die de voorlopige voorziening vraagt in hoger beroep nog een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorziening. Dat geldt ook als de voorzieningenrechter in kort geding een vordering heeft toegewezen en het hoger beroep zich daartegen richt. Als de rechter in hoger beroep tot het oordeel komt dat het spoedeisend belang bij de vordering op het moment van de beslissing in hoger beroep ontbreekt, zal de rechter die vordering moeten afwijzen. [1]
3.19.
[klanten] zijn in hoger beroep tegen de toewijzing van beide vorderingen van [stalhouder] opgekomen, waardoor het spoedeisend belang bij beide vorderingen moet worden beoordeeld. Het hof zal eerst oordelen over de vordering tot het ophalen van het paard. Het staat vast dat het paard inmiddels executoriaal is verkocht aan [stalhouder] en uit het proces-verbaal van veiling volgt dat het paard aan hem ter beschikking is gesteld. Het paard wordt daarom door [stalhouder] niet meer gestald voor [klanten] Dat brengt mee dat [stalhouder] geen spoedeisend belang (meer) heeft bij zijn vordering om [klanten] te gebieden om het paard op te halen.
3.20.
Wat betreft de vordering tot betaling van de openstaande facturen, geldt dat daar in kort geding terughoudend mee moet worden omgegaan. Voor de vraag of deze geldvordering in kort geding kan worden toegewezen, moet niet alleen worden onderzocht of de vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of [stalhouder] een spoedeisend belang heeft, waarbij het restitutierisico bij de afweging van de belangen van partijen moet worden meegewogen. [2] De hoogte van het niet betaalde bedrag van de door [stalhouder] gestuurde facturen is weliswaar niet betwist, maar [klanten] betwisten wel dat zij dit bedrag (volledig) verschuldigd zijn. [stalhouder] heeft bovendien niets aangevoerd over de vraag of hij in staat is om de geldvordering terug te betalen als de rechter in de bodemzaak de vordering alsnog zou afwijzen. Sterker nog, [stalhouder] heeft bij de voorzieningenrechter betoogd dat hij een spoedeisend belang heeft, omdat hij door het niet betalen van deze vordering in liquiditeitsproblemen komt. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft hij daaraan toegevoegd dat het bedrijf kan omvallen als er meer van zulke wanbetalers zijn. Deze argumenten wijzen op een reëel restitutierisico bij toewijzing van de vordering. [stalhouder] heeft niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat dit anders ligt. Het hof komt daarom tot het oordeel dat een belangenafweging in dit geval meebrengt dat [stalhouder] bij deze vordering in hoger beroep geen spoedeisend belang toekomt.
Gevolgen voor de vorderingen en de veroordelingen door de voorzieningenrechter
3.21.
Vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang in hoger beroep zal het hof de vorderingen van [stalhouder] alsnog afwijzen. Dat betekent dat het hof het vonnis in dat opzicht zal vernietigen. Echter, de omstandigheid dat in hoger beroep het spoedeisend belang bij de door de voorzieningenrechter toegewezen vorderingen ontbreekt, behoeft niet eraan in de weg te staan dat het vonnis destijds juist is gewezen. Dat is al relevant in verband met de proceskostenveroordeling die de voorzieningenrechter heeft toegewezen. Met het oog daarop moet de rechter in hoger beroep, binnen de omvang van het hoger beroep, beoordelen of de toewijzing van de vordering door de voorzieningenrechter terecht was. Dat moet hij doen naar de toestand zoals die zich voordoet in hoger beroep, met dien verstande dat het vereiste van spoedeisend belang ten tijde van de beslissing in eerste aanleg moet worden beoordeeld naar de toestand zoals die zich destijds voordeed. [3]
Spoedeisend belang inzake de vorderingen bij de voorzieningenrechter
3.22.
Volgens [klanten] had [stalhouder] ook bij de vorderingen bij de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang, omdat hij volgens [klanten] de situatie zelf in stand liet door het paard niet af te staan. Dat [klanten] voorafgaand aan deze procedure hebben aangeboden het paard op te halen, is door [stalhouder] gemotiveerd betwist en is door [klanten] niet nader onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Volgens [stalhouder] heeft en had hij een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat hij over een lange periode kosten heeft gemaakt en risico’s heeft gelopen door de stalling van het paard voort te zetten zonder dat hij daarvoor is betaald. Op het moment van het vonnis droeg [stalhouder] nog de zorg over het paard, omdat dit nog steeds bij hem gestald stond. Daardoor droeg [stalhouder] voortdurend - zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen - de risico’s voor het paard. Om die reden had [stalhouder] ten tijde van het vonnis van de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang bij zijn vordering tot het ophalen van het paard.
3.23.
Zoals hiervoor in 3.20 geoordeeld moet in kort geding met de vordering tot betaling van het openstaande bedrag terughoudend worden omgegaan. Doordat [stalhouder] bij de voorzieningenrechter heeft betoogd dat hij door het niet betalen van deze vordering in liquiditeitsproblemen komt, was ook toen al sprake van een restitutierisico bij toewijzing van deze geldvordering. Dat [klanten] dit bij de voorzieningenrechter hebben betwist, maakt niet dat dit risico niet bestond. Dat brengt mee dat ook op het moment van het vonnis van de voorzieningenrechter de belangenafweging moest meebrengen dat [stalhouder] bij die geldvordering geen spoedeisend belang toekwam en daarmee die geldvordering had moeten worden afgewezen.
Gevolgen voor de proceskostenveroordeling bij de voorzieningenrechter
3.24.
Omdat het hof tot het oordeel komt dat [stalhouder] bij de voorzieningenrechter
wel spoedeisend belang had bij zijn vordering inzake het ophalen van het paard, moet het hof met het oog op de proceskostenveroordeling beoordelen of de toewijzing van deze vordering door de voorzieningenrechter terecht was. Tussen partijen is niet in geschil dat [stalhouder] het paard al die tijd op een goede wijze voor [klanten] heeft gestald en verzorgd. Weliswaar hebben [klanten] aangevoerd dat [stalhouder] het ophalen van het paard heeft tegengehouden, maar dat is betwist door [stalhouder] en blijkt ook niet uit de overgelegde Whatsapp-conversatie (zie hiervoor in 3.4, 3.7 en 3.9). [appellant1] heeft op de mondelinge behandeling bij het hof bovendien toegelicht dat zij geen plek hadden voor het paard.
3.25.
Vast staat dat [stalhouder] door het in stalling houden van het paard de kosten en de risico’s droeg voor het paard, terwijl hij daar niet meer voor werd betaald. De overeenkomst was opgezegd door [stalhouder] , waardoor er voor hem geen (contractuele) verplichting meer bestond om het paard te blijven stallen en verzorgen voor [klanten] Om deze redenen had [stalhouder] een duidelijk belang bij het laten ophalen van zijn paard en woog dat belang zwaarder dan het belang van [klanten] om het paard gestald te laten. De vordering inzake het ophalen van het paard is daarom terecht toegewezen door de voorzieningenrechter. Het gaat dan wel uitsluitend om het toegewezen deel uit 5.3 van het vonnis dat betrekking heeft op het voor eigen rekening en risico ophalen en weer in bezit nemen van het paard. Het overige deel van 5.3 uit het vonnis heeft betrekking op de betaling van de geldvordering die, zoals hiervoor in 3.23 is geoordeeld, onterecht is toegewezen.
3.26.
Dit brengt mee dat één vordering van [stalhouder] door de voorzieningenrechter terecht is toegewezen en één vordering onterecht is toegewezen. Gelet daarop zal het hof de proceskostenveroordeling zoals uitgesproken in 5.4 van het vonnis vernietigen en de proceskosten in de procedure bij de voorzieningenrechter compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Het hof komt niet aan toe aan de consumentenrechttoets
3.27.
Op de mondelinge behandeling bij het hof is besproken dat het consumentenrecht een rol speelt bij de beoordeling van de geldvordering en dat het hof, als dat noodzakelijk is om tot een uitspraak te kunnen komen, ook ambtshalve is gehouden die toets uit te voeren. Omdat het hof hiervoor heeft geoordeeld dat [stalhouder] ook in de procedure bij de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang had bij zijn geldvordering, komt het hof niet toe aan de (inhoudelijke) toets van de overeenkomst (waarop [stalhouder] zijn geldvordering baseert) aan het consumentenrecht.
Conclusie
3.28.
Het hoger beroep slaagt. Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter volledig vernietigen en de vorderingen van [stalhouder] alsnog afwijzen, omdat hij geen belang meer heeft bij het in stand laten van de veroordeling tot het ophalen van het paard. In het kader van de opgelegde dwangsom in 5.3 van het vonnis merkt het hof op dat die veroordeling (volgtijdelijk) was verbonden aan betaling van openstaande kosten, waarvan het hof heeft geoordeeld dat die vordering onterecht is toegewezen. Daarom zal 5.3 van het vonnis ook volledig worden vernietigd.
3.29.
Omdat [stalhouder] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Zoals hiervoor in 3.26 is geoordeeld, zullen de proceskosten in de procedure bij de voorzieningenrechter worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten daarvan draagt.
3.30.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 8 september 2025 en beslist als volgt:
4.2.
wijst de vorderingen van [stalhouder] alsnog af;
4.3.
veroordeelt [stalhouder] tot betaling van de volgende proceskosten van [klanten] in hoger beroep:
€ 362 aan griffierecht
€ 145,45 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [stalhouder]
€ 1.824 aan salaris van de advocaat van [klanten] (2 procespunten x tarief I van € 912 per punt)
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure bij de voorzieningenrechter;
4.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, S.M. Evers en P.J. van der Korst, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1541, ro. 3.3 en Hoge Raad 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437, ro. 3.4.
2.Vergelijk Hoge Raad 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6341, ro. 3.4.1.
3.Hoge Raad 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666, ro. 3.6.2 en vergelijk Hoge Raad 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1541, ro. 3.4.