ECLI:NL:GHARL:2026:4168

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.369.566
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019r Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot plaatsopneming in hoger beroep over ontbinding pachtovereenkomst boomgaarden

In deze zaak staat de vordering van de verpachter centraal om de pachtovereenkomst van de pachter voor boomgaarden van ruim 15 hectare te ontbinden. De verpachter stelt dat de pachter stelselmatig zijn onderhoudsverplichtingen niet nakomt, het gepachte niet voor bedrijfsmatige landbouw gebruikt en de inrichting van het gepachte heeft gewijzigd.

Het hof acht het noodzakelijk om de situatie ter plaatse te bezichtigen en gelast een plaatsopneming op zeer korte termijn, zonder voorafgaande mogelijkheid voor partijen om verhinderingen op te geven. Na de plaatsopneming zal een mondelinge behandeling plaatsvinden om informatie te verkrijgen en te onderzoeken of partijen tot overeenstemming kunnen komen.

Daarnaast wordt aan de pachters opgedragen om kopieën te overleggen van de gecombineerde opgave van de afgelopen drie jaren inclusief perceelopgave en de boekhoudrapporten van de onderneming over die periode. De beslissing tot verdere behandeling wordt aangehouden.

Uitkomst: Het hof gelast een plaatsopneming en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.369.566
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 11828682
arrest van de pachtkamer van 23 juni 2026
in de zaak van
[verpachter]
die woont in [woonplaats 1] (Gemeente [gemeente] )
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de pachtkamer in Zutphen optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie
hierna: [verpachter]
advocaat: mr. A. van Weverwijk
tegen

1.[pachter 1]

hierna: [pachter 1]
2. [pachter 2]
hierna [pachter 2]
die wonen in [woonplaats 2] (gemeente [gemeente] )
die bij de pachtkamer in Zutphen optraden als gedaagde partijen in conventie en eisers in reconventie
hierna gezamenlijk: [pachters] c.s.
advocaat: mr. E.H.M. Harbers

1.De procedure bij de pachtkamer van de rechtbank

Voor de procedure bij de pachtkamer in Zutphen verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 27 augustus 2025, 3 december 2025 en 22 april 2026 die deze pachtkamer heeft gewezen.

2.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Het verloop van de procedure bij het pachthof blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 4 mei 2026
- de brief van mr. Van Weverwijk van 29 mei 2026.

3.De beoordeling in hoger beroep

3.1.
Deze zaak gaat onder andere over de vordering van [verpachter] om de pachtovereenkomst van [pachter 1] voor boomgaarden van in totaal 15.61.17 ha te ontbinden. Blijkens het vonnis legt [verpachter] daaraan mede ten grondslag dat [pachter 1] stelselmatig zijn onderhoudsverplichtingen als pachter niet nakomt, het gepachte niet voor bedrijfsmatige landbouw gebruikt en de inrichting van het gepachte heeft gewijzigd.
3.2.
[verpachter] heeft, via de hierboven genoemde brief aan het hof, gevraagd om op korte termijn een plaatsopneming te gelasten. Het hof is ambtshalve van oordeel dat het noodzakelijk is om het gepachte te bezichtigen en de gesteldheid ter plaatse op te nemen. In overeenstemming met het in artikel 1019r Rv bepaalde zal de descente op zeer korte termijn plaatsvinden en zonder dat partijen vooraf gelegenheid hebben gehad om verhinderdata op te geven (het hof zelf heeft ook geen andere datum beschikbaar), zoals hieronder in het dictum bepaald. Het hof zal tevens een mondelinge behandeling na aanbrengen bepalen om informatie te verkrijgen en om met partijen te onderzoeken of op de zitting een oplossing bereikt kan worden. Partijen wordt gevraagd om eenstemmig een adres te bepalen waar het hof en partijen en hun advocaten hun auto’s kunnen parkeren en zich bij aanvang van de plaatsopneming kunnen treffen, om vervolgens het gepachte te bezichtigen.
3.3.
Het hof vraagt [pachters] c.s. om bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aan het hof en de wederpartij kopieën over te leggen van de volgende stukken:
- de gecombineerde opgave van de afgelopen drie jaren inclusief perceelopgave op Mijnpercelen;
- de boekhoudrapporten van de onderneming over de laatste drie jaren.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bepaalt dat het lid van het hof mr. M.S.A. van Dam, die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd, in aanwezigheid van deskundig lid ir. W.G. Nijlant en deskundig lid B. Th. W. Lamers op vrijdag 3 juli 2026, vanaf 10:30 het gepachte zal bezichtigen en de plaatselijke gesteldheid zal opnemen, vergezeld van de griffier;
4.2.
bepaalt dat partijen in persoon, aansluitend aan bedoelde bezichtiging en plaatsopneming, tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor voornoemde raadsheer-commissaris en deskundige leden, zulks tot het geven van inlichtingen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;
4.3.
bepaalt dat de advocaten van partijen tijdig met elkaar in overleg zullen treden over:
(i) een adres waar het hof en partijen en hun advocaten hun auto’s kunnen parkeren en zich bij aanvang van de plaatsopneming kunnen treffen, om vervolgens het gepachte te bezichtigen; en
(ii) een neutrale plaats in de buurt van het gepachte waar de mondelinge behandeling na aanbrengen kan plaatsvinden;
en draagt de advocaten van partijen op het hof van dit adres en deze plaats in kennis te stellen;
4.4.
draagt [pachters] c.s. op om bij gelegenheid van de mondelinge behandeling na aanbrengen kopieën van de volgende stukken over te leggen:
- de gecombineerde opgave van de afgelopen drie jaren inclusief perceelopgave op Mijnpercelen;
- de boekhoudrapporten van de onderneming over de laatste drie jaren.
Het hof wil van die stukken
drie kopieënontvangen;
4.5.
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, W.F. Boele, G.P. Oosterhoff en de deskundige leden ir. W.G. Nijlant en B.Th.W. Lamers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.