ECLI:NL:GHARL:2026:4232

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
200.362.815
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over afwijzing billijke vergoeding na ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding

De werkneemster was sinds juni 2021 in dienst bij Zorgspectrum en werd op non-actief gesteld na een melding van grensoverschrijdend gedrag door een bewoonster. Een extern onderzoek stelde vast dat er geen sprake was van grensoverschrijdend gedrag. Desondanks kon de werkneemster niet terugkeren naar haar oorspronkelijke werkplek, wat leidde tot een verstoorde arbeidsrelatie.

De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 november 2025 en kende een transitievergoeding toe, maar wees een billijke vergoeding af wegens het ontbreken van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. De werkneemster ging in hoger beroep om alsnog een billijke vergoeding te verkrijgen.

Het hof oordeelde dat Zorgspectrum niet ernstig verwijtbaar had gehandeld. Hoewel het proces rondom de melding en communicatie niet vlekkeloos verliep, was de werkgever verplicht een onderzoek in te stellen en handelde zij zorgvuldig door de werkneemster niet schuldig te achten en alternatieve werkplekken aan te bieden. De werkneemster had zelf een belangrijke rol in de verstoring van de arbeidsrelatie door niet mee te werken aan gesprekken en mediation.

Het hof bevestigde dat de werkgever haar zorgplicht had jegens bewoners en dat het niet mogelijk was de werkneemster op de oorspronkelijke locatie te herplaatsen. Het verzoek om billijke vergoeding en nevenverzoeken werden afgewezen en de werkneemster werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de werkgever.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de billijke vergoeding wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.815
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 11786538
beschikking van 29 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster]
die woont in [woonplaats]
hierna te noemen: [verzoekster]
advocaat: mr. J.B.A.M.E. Leushuis
en
Stichting Zorgspectrum
die is gevestigd in Nieuwegein
hierna te noemen: Zorgspectrum
advocaat: mr. P.W.H.M. Willems

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 22 september 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). [1] Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift
  • de nadere stukken van [verzoekster] van 28 mei 2026
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 5 juni 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak en de beslissing van het hof

2.1.
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 1 november 2025 op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Daarbij heeft zij een transitievergoeding toegekend aan [verzoekster] , maar haar verzoek afgewezen om ook een billijke vergoeding toe te kennen vanwege ernstig verwijtbaar handelen door Zorgspectrum. Met die laatste beslissing is [verzoekster] het niet eens. De bedoeling van haar hoger beroep is dat het hof haar alsnog een billijke vergoeding toekent (en haar nevenverzoeken toewijst).
2.2.
Het hof zal beslissen dat Zorgspectrum niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding daarmee niet toewijsbaar is. Het hof laat de beschikking van de kantonrechter dus in stand. Hierna legt het hof uit hoe het tot die beslissing is gekomen.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De achtergrond van de zaak
3.1.
De kantonrechter heeft de feiten weergegeven in rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.11 van de bestreden beschikking, waarnaar het hof verwijst. Het hof geeft deze feiten hieronder verkort weer en vult deze aan. Het hof begrijpt het eerste bezwaar (beroepsgrond) van [verzoekster] zo dat de kantonrechter de feiten onvolledig heeft vastgesteld. In dat kader overweegt het hof dat de rechter de relevante feiten selecteert met het oog op de te nemen beslissing, dat de rechter daarbij grote vrijheid toekomt en dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle tussen partijen vaststaande feiten te vermelden. In zoverre kan dit bezwaar van [verzoekster] haar dus niet baten.
3.2.
[verzoekster] is sinds juni 2021 in dienst bij Zorgspectrum, laatstelijk in de functie van [functienaam] . Zorgspectrum verleent ouderenzorg op verschillende locaties in de regio Nieuwegein . [verzoekster] werkt voor het onderdeel ' [naam1] ’ binnen het team ' [naam2] ’, op de locatie in [plaats1] .
3.3.
Op 22 of 23 januari 2025 heeft [naam3] , de leidinggevende van [verzoekster] , een melding gekregen dat volgens een bewoonster [verzoekster] zich ongepast richting haar heeft gedragen. [naam3] heeft samen met de HR-adviseur op 24 januari 2025 een gesprek daarover gevoerd met [verzoekster] . [naam3] heeft toen verteld dat volgens een bewoonster [verzoekster] tijdens het douchen bij die bewoonster ongepaste (seksuele) handelingen zou hebben verricht. [naam3] heeft aangegeven dat een onderzoek naar de melding zal worden verricht en dat [verzoekster] per direct op non-actief wordt gezet. [naam3] heeft diezelfde dag de non-actiefstelling per brief aan mevrouw [verzoekster] bevestigd en het team van [naam2] (circa 30 medewerkers) per e-mail op de hoogte gesteld. In deze e-mail staat dat een cliënte een signaal van grensoverschrijdend gedrag heeft gegeven waarbij [verzoekster] betrokken zou zijn, dat een onderzoek door een externe partij zal volgen en dat [verzoekster] gedurende dit onderzoek op non-actief is gesteld.
3.4.
[verzoekster] heeft zich op 6 februari 2025 ziekgemeld.
3.5.
Op 13 februari 2025 heeft de externe onderzoeker een interview gehouden met de bewoonster van wie de melding afkomstig was en op 17 februari 2025 met [verzoekster] zelf. Zorgspectrum heeft de verslagen van die interviews op 21 februari 2025 ontvangen.
3.6.
Op 24 februari 2025 heeft Zorgspectrum [verzoekster] uitgenodigd voor een gesprek om de uitkomst van het onderzoek te bespreken, welke uitnodiging op 7 maart 2025 is herhaald nadat de bedrijfsarts had geoordeeld dat [verzoekster] aan een gesprek met Zorgspectrum kon deelnemen. Uiteindelijk heeft [verzoekster] op 10 maart 2025 aan Zorgspectrum laten weten dat zij niet het gesprek wenst aan te gaan en sowieso niet zonder dat er vooraf schriftelijk excuses zijn gemaakt. Zorgspectrum heeft [verzoekster] vervolgens per brief van 13 maart 2025 geïnformeerd over de uitkomst van het onderzoek, namelijk dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag door [verzoekster] . Zorgspectrum heeft in de brief verder meegedeeld dat zij het in het belang van alle betrokkenen acht dat [verzoekster] niet terugkeert naar [naam2] . Zorgspectrum heeft [verzoekster] daarom gevraagd om een “top 3” te maken van de locaties waar zij bij voorkeur zou willen werken. Zorgspectrum heeft [verzoekster] daarbij laten weten dat [naam3] open staat voor een gesprek met haar, desgewenst met een mediator. Bij wijze van alternatief heeft Zorgspectrum [verzoekster] in deze brief een minnelijke vertrekregeling voorgesteld, mocht zij niet meer bij Zorgspectrum willen terugkeren.
3.7.
[verzoekster] heeft daarna een klacht ingediend tegen [naam3] bij de Raad van Bestuur (RvB) van Zorgspectrum. [verzoekster] heeft Zorgspectrum toen bericht dat zij het resultaat van de klacht wil afwachten voordat zij ingaat op de opties die Zorgspectrum heeft genoemd in de brief van 13 maart 2025.
3.8.
Op 24 maart 2025 heeft [naam4] , directeur [naam1] bij Zorgspectrum, (hierna: [naam4] ) [verzoekster] uitgenodigd voor een gesprek. [verzoekster] heeft [naam4] in haar reactie van 28 maart 2025 onder meer laten weten dat zij eerst schriftelijke excuses wil voor het feit dat haar naam is genoemd in de e-mail van 24 januari 2025 en dat zij een door haar geaccordeerde uitleg aan de collega’s wil. Het gesprek met [naam4] moet volgens [verzoekster] begeleid worden door een onafhankelijke mediator. Partijen hebben vervolgens veelvuldig gecorrespondeerd over welke mediator zou moeten worden aangeschreven. Uiteindelijk heeft Zorgspectrum ingestemd met één van de door [verzoekster] aangedragen mediators, [naam5] (hierna: [naam5] ).
3.9.
Op 14 mei 2025 zou een mediationgesprek plaatsvinden onder leiding van [naam5] . Maar [verzoekster] gaf tijdens de bijeenkomst aan geen geheimhoudingsverklaring te willen ondertekenen, waarmee mediation geen optie meer was. Er heeft vervolgens wel een gesprek plaatsgevonden tussen [naam4] en [verzoekster] waarbij [naam5] als neutrale gespreksbegeleider is opgetreden. [verzoekster] heeft in dit gesprek gezegd dat zij niet meer terug wil naar Zorgspectrum en dat zij geen vertrouwen meer heeft in Zorgspectrum. Afgesproken is dat Zorgspectrum een concepttekst voor een excuus en een rehabilitatiebericht zou maken dat na akkoord van [verzoekster] zou worden gedeeld met de geadresseerden van de e-mail van 24 januari 2025. [naam4] heeft op 27 mei 2025 bedoeld concept aan [verzoekster] gezonden, die op 3 juni 2025 een aantal aanpassingen heeft voorgesteld, waaronder de aanvulling dat [verzoekster] niet meer zal terugkeren bij Zorgspectrum. Zorgspectrum is daarop akkoord gegaan met de door [verzoekster] gevraagde aanpassingen.
3.10.
Op 16 juni 2025 heeft [naam4] vanuit Zorgspectrum de tussen partijen afgestemde rehabilitatiemail verstuurd naar de geadresseerden van de e-mail van 24 januari 2025, met een kopie aan [verzoekster] .
De beoordeling
3.11.
Het hoger beroep van [verzoekster] richt zich niet tegen de beslissing van de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Haar bezwaren richten zich alleen tegen de afwijzing van de verzochte billijke vergoeding (en haar nevenverzoeken).
3.12.
Een billijke vergoeding kan worden toegekend bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Hiervoor geldt een hoge drempel. Ook is vereist dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het gestelde verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
3.13.
[verzoekster] stelt dat de ernstig verwijtbare handelswijze van Zorgspectrum de verstoorde arbeidsrelatie en daarmee de beëindiging van de arbeidsverhouding heeft veroorzaakt. Het hof volgt [verzoekster] daar niet in; het verenigt zich met het in r.o. 4.5. tot en met 4.15. van de bestreden beschikking uitvoerig gemotiveerde oordeel van de kantonrechter daarover en maakt dat tot het zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
3.14.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is besproken dat Zorgspectrum, als zorginstelling én als werkgever, geen andere mogelijkheid had dan een onderzoek in te stellen naar de melding die vanuit een van haar bewoners was gedaan. [verzoekster] heeft dat ook erkend. Het probleem zit er wat [verzoekster] betreft onder meer in dat Zorgspectrum haar vanaf het gesprek van 24 januari 2025 voor haar gevoel schuldig heeft bevonden en als zodanig heeft behandeld. In dat verband stelt [verzoekster] dat Zorgspectrum van meet af aan vooringenomen is geweest en zich niet neutraal heeft opgesteld. Maar in de stukken zoals die aan het hof voor zijn gelegd, zijn daar onvoldoende aanknopingspunten voor te vinden. Niet in de brief van 24 januari 2025 aan [verzoekster] zelf, niet in de e-mail die op 24 januari 2025 aan haar collega’s is gestuurd en ook niet in de overige correspondentie die heeft plaatsgevonden. Daarbij komt dat Zorgspectrum zelf op basis van het onderzoek heeft geconcludeerd dat niet kon worden vastgesteld dat sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag en de vrijstelling van werkzaamheden met onmiddellijke ingang heeft beëindigd. Het hof ziet in dat het uiterst verdrietig en – in populair taalgebruik – heel zuur voor een werknemer is als zij, ondanks dat zij niet schuldig is bevonden, niet kan terugkeren op haar reguliere werkplek maar door haar werkgever op een andere locatie meent tewerkgesteld te moeten worden. Maar Zorgspectrum heeft in haar brief van 13 maart 2025 uitdrukkelijk vermeld dat dit geen strafmaatregel is, maar een aanpak die vanuit zorg is ingegeven. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft Zorgspectrum dit nog nader toegelicht. Van belang daarbij is dat Zorgspectrum niet alleen een verplichting heeft richting [verzoekster] om zich als goed werkgever te gedragen, maar als zorginstelling ook een verplichting heeft richting haar bewoners. Daarbij is aangegeven dat de gesteldheid van de bewoonster in kwestie het volgens Zorgspectrum niet toeliet dat [verzoekster] weer op die locatie zou werken. Op de vraag van het hof of het mogelijk zou zijn om [verzoekster] dan op een andere verdieping op dezelfde locatie tewerk te stellen, heeft Zorgspectrum verduidelijkt dat dat rooster technisch niet haalbaar is. In de zorg is op dit moment bemensing een grote uitdaging en is het praktisch ondoenlijk om [verzoekster] alleen bepaalde bewoners te laten verzorgen. Daarbij komt dat niet uitgesloten kan worden dat [verzoekster] en de betreffende bewoonster elkaar alsnog tegenkomen in de gemeenschappelijke ruimten, aldus Zorgspectrum. Het hof ziet onvoldoende reden om deze uitleg voor onjuist te houden. Gelet op een en ander valt de insteek van Zorgspectrum om [verzoekster] op een andere locatie te willen plaatsen inderdaad niet aan te merken als een strafmaatregel.
3.15.
[verzoekster] verwijt Zorgspectrum ook dat zij het proces niet zorgvuldig heeft vormgegeven. Zoals ook de kantonrechter heeft opgemerkt, zijn er ten aanzien van de periode tussen de melding en het bekend worden met de inhoud van de interviews een aantal punten waar Zorgspectrum anders had kunnen en moeten handelen (namelijk de verwoording van de mail van 24 jan 2025, de beperkte communicatie met [verzoekster] tijdens het onderzoek over dat onderzoek en de lange tijd tussen die mail van 24 jan 25 en de rehabilitatiemail). Maar dat Zorgspectrum het op bepaalde punten beter had kunnen doen, betekent niet dat er sprake is van ernstige verwijtbaarheid. Daarbij is naar het oordeel van het hof verder van belang dat, ook als het proces niet zo zorgvuldig is doorlopen als had gemoeten, de conclusie die Zorgspectrum op basis van dat onderzoek heeft getrokken in het voordeel van [verzoekster] was, namelijk dat niet kon worden vastgesteld dat sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag door [verzoekster] . Dat heeft Zorgspectrum ook aan [verzoekster] laten weten en zij heeft meermaals geprobeerd om met [verzoekster] in gesprek te komen. Uit de onder meer in r.o. 3.6. tot en met 3.9. geschetste gang van zaken blijkt dat Zorgspectrum daarbij geenszins direct heeft afgekoerst op een beëindiging van het dienstverband, maar het nodige heeft gedaan om een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsovereenkomst te voorkomen. Gelet op de brief van 13 maart 2025 en daarop volgende correspondentie, moet het [verzoekster] ook duidelijk zijn geweest dat de insteek van Zorgspectrum niet was om tot een beëindiging van het dienstverband te komen, maar tot een voor beide partijen, in de gegeven omstandigheden, werkbare oplossing. [verzoekster] is op de uitnodigingen van Zorgspectrum om daarover in gesprek te komen echter niet ingegaan en heeft de deur voor een dergelijk gesprek, met uitzondering van het gesprek onder begeleiding van [naam5] , dichtgehouden. Dit leidt het hof tot de conclusie dat [verzoekster] zelf een belangrijk aandeel heeft gehad in de gaandeweg ontstane verstoring van de arbeidsrelatie en het vanwege haar onwrikbare houding na de uitkomst van het onderzoek op enig moment onoverkomelijke einde van het dienstverband. Voor de volledigheid merkt het hof op dat het daarmee niet wil afdoen aan de impact die de melding begrijpelijkerwijs heeft gehad op [verzoekster] . Maar zoals de kantonrechter heeft overwogen en ook het hof [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgehouden, lijkt die impact met name te zijn veroorzaakt door het feit dát er een melding is gedaan. [verzoekster] lijkt Zorgspectrum verantwoordelijk te houden voor het niet direct afdoen van die melding als onterecht, terwijl dat zoals hiervoor omschreven niet van Zorgspectrum verwacht kon worden.
3.16.
Gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader, betekent dit dat het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding niet toewijsbaar is. Dat betekent dat ook de nevenverzoeken van [verzoekster] (te weten vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskostenveroordeling van Zorgspectrum voor de kosten van de procedure bij de kantonrechter) zullen worden afgewezen.
Bewijsaanbod
3.17.
[verzoekster] heeft een bewijsaanbod gedaan. Het hof gaat daaraan voorbij omdat geen voldoende concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden leiden als zij zouden worden bewezen.
De conclusie
3.18.
Het hoger beroep faalt en zal worden verworpen. Omdat [verzoekster] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten van Zorgspectrum bij het hof. Daaronder vallen de nakosten die nodig zijn voor betekening van de uitspraak. [2]
3.19.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
verwerpt het hoger beroep van [verzoekster] tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 22 september 2025;
4.2.
veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de volgende proceskosten in hoger beroep van Zorgspectrum, tot aan deze uitspraak begroot op:
€ 851,- aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris advocaat (2 procespunten x € 1.290,- (tarief II))
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.W.J.M. Kemperink, W.F. Boele en H.M.J. van den Hurk, en is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.

Voetnoten

2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.