ECLI:NL:GHARL:2026:447

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
200.347.271/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 BWArt. 6:74 BWArt. 7:17 BWArt. 7:21 BWArt. 6:82 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen ontbinding en vernietiging koopovereenkomst motorjacht wegens gebrek en dwaling

Appellanten kochten in 2022 een motorjacht van geïntimeerde voor €320.000,- en stelden dat het jacht een ernstig gebrek had door een verhoogd risico op osmose. Zij vorderden ontbinding of vernietiging van de koopovereenkomst met terugbetaling van de koopsom en schadevergoeding. De rechtbank wees deze vorderingen af, waarna appellanten hoger beroep instelden met vermeerderde eisen.

Het hof stelde vast dat geen sprake was van consumentenkoop omdat geïntimeerde het jacht privé had gebruikt en niet als handelaar handelde. Appellanten konden niet aantonen dat geïntimeerde in verzuim was, omdat nakoming door herstel van het gebrek mogelijk was en geen ingebrekestelling was gegeven. Het hof oordeelde dat de vordering tot ontbinding wegens wanprestatie daarom niet toewijsbaar was.

Ten aanzien van dwaling concludeerde het hof dat appellanten niet hadden gedwaald over het feit dat geïntimeerde als jachtmakelaar handelde. Wel was het laminaat van het jacht te vochtig, wat een gebrek vormde. Echter, appellanten konden niet aantonen dat zij door onjuiste informatie van geïntimeerde of diens vertegenwoordiger in dwaling waren gebracht. De stellingen over onjuiste mededelingen over osmosebehandelingen waren onvoldoende onderbouwd.

Het hof verwierp ook het beroep op bedrog wegens niet tijdige indiening. De vermeerdering van eis werd buiten beschouwing gelaten. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellanten in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen tot ontbinding en vernietiging van de koopovereenkomst af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.347.271/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 190986
arrest van 27 januari 2026
in de zaak van

1.[appellant1] ,

die woont in [woonplaats1] (Zwitserland),
2. [appellant2],
die woont in [woonplaats1] (Zwitserland),
die hoger beroep hebben ingesteld,
en bij de rechtbank optraden als eisers,
hierna samen:
[appellanten]en ieder afzonderlijk
[appellant1]en
[appellant2],
advocaat: mr. P.M.H. Cruts te Vaals,
tegen
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats2] ,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. B. Korvemaker te Leeuwarden.

1.Het verloop van de procedure bij het gerechtshof

[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, (hierna: de rechtbank) op
24 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• het tussenarrest van 18 februari 2025, waarbij een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast (die niet is doorgegaan)
• de memorie van grieven (met producties), aangevuld met een akte met één productie van [appellanten]
• de memorie van antwoord
• een akte indiening producties nader bewijs (met producties 21 t/m 25) van [appellanten]
• een akte wijziging/vermeerdering van eis met indiening producties nader bewijs
(met producties 26 t/m 29) van [appellanten]
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 december 2025 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1
[geïntimeerde] heeft in 2022 een motorjacht ‘ [naam1] ’ (hierna het jacht) aan [appellanten] verkocht voor € 320.000,-. Volgens [appellanten] heeft het jacht een ernstig gebrek, bestaande uit een grote kans op osmose van de polyester romp. (De scheepsmakelaar van) [geïntimeerde] heeft bij de verkoop onjuiste informatie verstrekt, waardoor zij op het verkeerde been zijn gezet. Zij vorderen daarom ontbinding van de overeenkomst dan wel vernietiging, terugbetaling van de koopsom en schadevergoeding.
2.2
[appellanten] hebben bij de rechtbank gevorderd dat de rechtbank uitspreekt (‘voor recht verklaart’) dat de koopovereenkomst op grond van dwaling is vernietigd en [geïntimeerde] veroordeelt om de koopprijs met rente en kosten terug te betalen en het jacht terug te nemen.
2.3
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. In de memorie van grieven hebben [appellanten] hun eis vermeerderd. Zij vorderen nu primair dat de overeenkomst wordt ontbonden en [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van de koopsom en terugname van het jacht en tot betaling van € 100.000,- schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten. Subsidiair vorderen zij dat wordt uitgesproken dat de overeenkomst is vernietigd op grond van dwaling en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om de koopsom terug te betalen en het jacht terug te nemen en wordt veroordeeld tot € 100.000,- schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten.
In hun laatste akte hebben [appellanten] hun eis nog verder vermeerderd.
2.4 Het hof zal de laatste eisvermeerdering buiten beschouwing laten en de (vermeerderde) vorderingen van [appellanten] afwijzen. Die beslissing wordt hierna uitgelegd. Het hof zal eerst de relevante feiten vaststellen en vervolgens ingaan op de geschilpunten tussen partijen. In dat kader zal het hof ook de bezwaren (‘grieven’) van [appellanten] tegen het vonnis van de rechtbank bespreken.

3.De relevante feiten3.1 [geïntimeerde] is in 2020 eigenaar geworden van het jacht, dat toen nog ‘ [naam2] ’ heette. Het jacht is een Grand Banks 42 Classic uit 2001. De vorige eigenaar was de heer [naam3] . Bij de koopovereenkomst tussen [de vorige eigenaar] en [geïntimeerde] was Mariteam Yachting te Heeg (hierna: Mariteam) als jachtmakelaar betrokken. Bestuurder en aandeelhouder van Mariteam is de heer [naam4] (hierna: [de bestuurder] ). In de loop van 2020 is [de bestuurder] ook eigenaar geworden van Kremer Nautic, voorheen dealer van Grand Banks jachten. Kremer Nautic hield en houdt zich bezig met de reparatie en het onderhoud van (Grand Banks) jachten.3.2 In 2022 heeft [geïntimeerde] het jacht weer te koop aangeboden via Mariteam. In de verkoopbrochure die Mariteam heeft opgesteld is onder meer vermeld:‘In 2020 is het onderwaterschip kaal gehaald en vervolgens opnieuw opgebouwd en zijn ook alle raamrubbers vervangen.(…)In april dit jaar is de boot gepoetst, gepolijst en is de antifouling opnieuw aangebracht’3.3 [appellanten] hadden belangstelling voor het jacht. Zij hebben het jacht op27 augustus 2022 bezichtigd in aanwezigheid van [de bestuurder] . Bij die gelegenheid heeft [de bestuurder] gezegd dat het jacht in 2016/2017 een osmosebehandeling heeft gehad en dat hij over die behandeling geen verdere informatie had. Ook heeft hij verteld dat in 2020 nieuwe anti-fouling is aangebracht. Hij heeft aangegeven dat [appellanten] er verstandig aan doen een aankoopkeuring te laten verrichten en heeft in dat verband de naam van de heer [naam5] (hierna: [naam5] ) genoemd.3.4 Op 29 augustus 2022 hebben [appellanten] per mail aan [de bestuurder] gevraagd of er

één of twee osmosebehandelingen hebben plaatsgevonden en welke werkzaamheden er
precies zijn uitgevoerd. Ook hebben zij gevraagd naar de relevante documentatie ten aanzien van de behandelingen. Op 29 augustus 2022 heeft [de bestuurder] het volgende aan
[appellanten] gemaild:

Wie besprochen, wurde der [naam1] nur 1 Anti-Osmose-Behandhmg unterzogen. Dies wurde 2016-2017 von der Jachtwerf Noordschans in Noordschans durchgeführt (also nicht bei uns). Während dieser Behandlung wurde die Gelcoat-Schicht entfernt und, nachdem festgestellt wurde, dass das Schiff trocken war, eine wasserdichte Epoxidschicht aufgetragen. Darauf wurde dann das normale Antifouling aufgetragen. Beim Verkauf Anfang 2020 stellten wir fest, dass die Haftung des Antifoulings auf dem Epoxid nicht gut genug war, daher haben wir nur das Antifouling noch einmal entfernt, danach wurde erst eine Grundierung aufgetragen (für gute Haftung) und dann neu Antifouling.’
3.5
Mariteam heeft een schriftelijke koopovereenkomst opgesteld, die op 12 september 2022 door [appellanten] is ondertekend en op 19 september 2022 door [geïntimeerde] . In de koopovereenkomst is onder meer bepaald:

3. Lieferung3.1 Das Fahrzeug wird betriebsbereit geliefert Heeg/Niederland, mit alle Ausstattungs- und Zubehörteilen (…) in dem optischen Zustand, in dem das Fahrzeug sich bei der am 27. August 2022 bei Kremer Nautic in Heeg durch den Käufer oder in seinem Namen durchgeführter Inspektion befand, (…).Die tatsächliche Lieferung findet statt durch Eigentumsübergang, der in einem Lieferprotokoll festgelegt wird.’
In artikel 4.1 van de koopovereenkomst is bepaald dat de koper het recht heeft het jacht te laten keuren. In artikel 4.2 is geregeld hoe partijen hebben te handelen wanneer bij die keuring wezenlijke gebreken blijken. In dat geval hebben beide partijen onder meer de mogelijkheid de overeenkomst te ontbinden.
3.6
[appellanten] hebben [naam5] verzocht een aankoopkeuring te verrichten. [naam5] heeft het jacht op 16 september 2022 onderzocht. In dat kader heeft hij 150 vochtmetingen gedaan. Hij kwam tot de conclusie dat de gemeten waarden laag waren bij de waterlijn en licht verhoogd op het resterende deel van de romp. In zijn rapport van 18 september 2022 schreef hij dat wel sprake was van enkele ‘
essential defects’. Die gebreken zijn door [geïntimeerde] in overleg met [appellanten] verholpen.
3.7
[appellanten] hebben op 19 september 2022 de koopsom betaald. Het jacht is vervolgens op 1 oktober 2022 aan hen geleverd. Daarbij hebben partijen een ‘
Lieferprotokoll’ ondertekend, waarin onder meer het volgende is vermeld:

3.1 Nach dem Gutachten durch Gutachter [naam5] am 16. September 2022, und die Reparuturarbeiten nachher bestätigt der Kaufer das Fahrzeug “As is, where is” angenommen zu haben.3.2 Das bedeutet, dass der Kaufer nach Unterzeichnung dieses Protokolls gegenüber dem Verkaufer keine (möglichen) Mangel mehr geltend machen kann.(…)4.5 Alle auflösenden Bedingungen, die in einem oder im Anschluss an einen Vorvertrag vereinbart wurden, verlieren ihre Gültigkeit. Beide Parteien verzichten ausdrücklich auf das recht, eine Lösung dieses Vertrags zu fordern.
3.8
Op 11 oktober 2022 hebben [appellanten] [de bestuurder] per e-mail gevraagd alle documenten van eerdere reparaties aan het jacht te verstrekken. [de bestuurder] heeft geantwoord dat hij eerder al navraag heeft gedaan naar documenten, maar dat de werf waar de reparatie in 2020 is uitgevoerd niets kon vinden en dat de desbetreffende medewerker met pensioen is.
3.9
[appellanten] hebben een tweede deskundigenonderzoek uit laten voeren door de heer [deskundige2] die verschillende metingen naar vocht heeft uitgevoerd. [deskundige2] heeft zijn bevindingen vastgelegd in een rapport van 5 november 2022. De conclusie van het rapport van [deskundige2] is:

Obwohl das Unterwasserschiff feuchter als der übliche Durchschnitt war, wurden keine Hinweise auf osmotische Schaden, grobe Beschichtungsfehler oder mechanische Schäden festgestellt.
Allerdings kann an dieser Stelle auch festgehalten werden, dass die erhöhte Laminatfeucht dazu führen kann, dass osmotische Schäden früher als auf Schiffen mit weniger Feuchte auftreten können.
Wenn, auf einen langen Zeitraum bezogen, keine sichtbaren Osmoseschäden auftreten, kann es aber dazu führen, dass das Laminat früher als bei Vergleichsboote mit niedrigem Ausgangswert einen hohen und damit festigkeitsmindernden Feuchtegehalt erreichen kann. Das gilt insbesondere für den Einsatzzweck des Fahrzeuges, das ganzjährig im Wasser verbleiben und genutzt werden soll.
Wenn das Laminat auf Werte zwischen 12 und 14% (wie auch innen gemessen) ausgetrocknet werden soll, dann müsste dafür die Gelcoatbeschichtung wieder entfernt und nach dem erreichten Trocknungsgrad wieder aufgebaut werden. Danach könnte es bei ganzjähriger Nutzung im Wasser für viele Jahre genutzt werden, ohne dass ein kritischer Feuchtewert von mehr als 25% erreicht wird.’
3.1
[de bestuurder] heeft de factuur van de behandeling in 2016/2017 Jachthaven Noordschans opgevraagd bij [de vorige eigenaar] en heeft de offerte van de werkzaamheden in 2020 van Kremer Nautic opgezocht. Hij heeft de factuur en de offerte naar [appellant1] gestuurd, die deze stukken heeft voorgelegd aan scheepsexpert [naam7] . In een rapport van 30 november 2022 komt [deskundige1] tot de conclusie dat uit de factuur van Jachthaven Noordschans niet volgt dat sprake was van een volledige osmosebehandeling, maar van het plaatselijk verwijderen van osmoseblazen. [deskundige1] concludeert dat ook in 2020 bij Kremer Nautic herstelwerkzaamheden van vermoedelijk osmoseblazen hebben plaatsgevonden. Dat blijkt volgens hem uit de omschrijving ‘
Onderwaterschip krabben plekken frezen + plamuren’. Wanneer het laminaat deze vorm van osmose eens heeft vertoond, is volgens [deskundige1] de kans groot dat bij een vochtgehalte van 60 relatieve schaaldelen of meer opnieuw osmoseblazen zullen verschijnen.
3.11
Op 6 juli 2023 heeft [naam8] van Jachthaven Noordschans in een e-mail aan [de vorige eigenaar] geschreven:

Bijgevoegd de kopie factuur van de uitgevoerde werkzaamheden in mei 2017. Zoals uit de factuur opgemaakt kan worden is het onderwaterschip geschild en voorzien van epoxy.’

4.4. De beoordeling van het geschil

Vermeerderingen van eis en nieuwe grieven4.1 [appellanten] vorderden in de procedure bij de rechtbank alleen vernietiging van de overeenkomst, terugbetaling van de koopsom en terugname van het jacht. In de memorie van grieven hebben zij, overigens zonder dat als zodanig te melden, hun eis vermeerderd, door primair ontbinding van de overeenkomst te vorderen en daarnaast, naast terugbetaling van de koopsom en terugname van het jacht, ook € 100.000,- schadevergoeding te vorderen.
[geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eisvermeerdering. Het hof ziet ook geen reden die zelf (‘ambtshalve’) buiten beschouwing te laten.
4.2
Op 5 december 2025, minder dan twee weken voor de mondelinge behandeling hebben [appellanten] een akte ingediend, waarin zij hun vordering opnieuw vermeerderen. Zij vorderen nu primair dat de overeenkomst wordt vernietigd op grond van bedrog, subsidiair op grond van dwaling en meer subsidiair dat de overeenkomst wordt ontbonden. In alle varianten vorderen zij naast teruggave van de koopsom en terugname van het jacht
€ 293.000,- schadevergoeding.
In vergelijking met de memorie van grieven vorderen zij dus naast ontbinding en dwaling primair vernietiging wegens bedrog en komt dwaling vóór de ontbinding) en € 193.000,- meer schadevergoeding.
4.3
De vermeerdering van eis komt neer op (minstens) twee nieuwe grieven, één wat betreft de grondslag van de vorderingen (bedrog) en één wat betreft de hoogte van de vordering. Op grond van de zogenaamde ‘in beginsel strakke regel’ moeten grieven in beginsel in het eerste inhoudelijke processtuk in hoger beroep worden geformuleerd. [geïntimeerde] heeft zich in zijn bezwaar tegen de vermeerdering van eis op deze regel beroepen.
4.4
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [appellanten] geen redenen aangevoerd die een uitzondering op deze regel kunnen rechtvaardigen. Daarbij is van belang dat niet aannemelijk is geworden dat [appellanten] ten tijde van de mondelinge behandeling over meer of andere informatie beschikten dan waarover zij ten tijde van het indienen van de memorie van grieven, in juni 2025, konden beschikken. Het enkele feit dat het bij de memorie van grieven overgelegde rapport van deskundige [deskundige3] nadien in het Nederlands is vertaald, is daarvoor onvoldoende. [appellanten] hebben zich in de memorie van grieven al op dit rapport beroepen. Zij hebben niet onderbouwd dat de vertaling van dit rapport hun nieuwe inzichten heeft opgeleverd. Dat ligt ook niet voor de hand nu zijzelf Duitstalig zijn. In de memorie van grieven hebben zij bovendien al aangevoerd dat [de bestuurder] en/of [geïntimeerde] op verschillende onderdelen bewust onjuiste/valse informatie hebben verstrekt. Wat [de bestuurder] en/of [geïntimeerde] hebben gedaan ‘grenst zelfs sterk aan bedrog’ (MvG nr. 71). Desalniettemin hebben zij, hoewel zij over dezelfde informatie beschikten waarover zij ten tijde van de mondelinge behandeling beschikten en ook toen al van mening waren dat aan hen bewust onjuiste informatie was verstrekt in, de memorie van grieven niet gevorderd dat de overeenkomst wordt vernietigd wegens bedrog. Dat zij die conclusie nu wel trekken is, zoals in de akte wijziging/vermeerdering van eis ook letterlijk wordt vermeld, enkel het gevolg van ‘voortschrijdend inzicht’. Dat ook het verdere onderzoek van [deskundige3] daaraan heeft bijgedragen, is niet aannemelijk geworden. [appellanten] hebben weliswaar nog enkele nieuwe stukken van [deskundige3] overgelegd, maar in die stukken licht [deskundige3] zijn rapport slechts toe, al dan niet in antwoord op vragen van [appellanten]
Ten aanzien van de forse verhoging van de schadevergoedingsvordering hebben [appellanten] al helemaal niet duidelijk gemaakt op welke nieuwe informatie die is gebaseerd.
4.5 De conclusie is dat de nieuwe vermeerdering van eis strandt op de ‘in beginsel strakke regel’. Het hof zal deze eisvermeerdering dan ook buiten beschouwing laten en beslissen op de eis zoals die in de memorie van grieven is geformuleerd.
Internationale aspecten4.6 [appellanten] wonen in Zwitserland. De zaak heeft dan ook een internationaal karakter. Zoals de rechtbank al terecht heeft overwogen, is de Nederlandse rechter op grond van de hoofdregel van artikel 4 van Pro de (ook in dit geval toepasselijke) EEX-Verordening bevoegd van deze zaak kennis te nemen.
4.7
De rechtbank heeft geconcludeerd dat Nederlands recht van toepassing is. Partijen hebben, terecht, geen bezwaar gemaakt tegen dit oordeel. Ook het hof zal Nederlands recht toepassen.
Consumentenkoop?
4.8
In de memorie van grieven hebben [appellanten] voor het eerst het standpunt ingenomen dat sprake is van consumentenkoop. Zij wijzen er op dat [geïntimeerde] ten tijde van de koopovereenkomst in het Handelsregister ingeschreven stond als jachtmakelaar. Volgens hen hield hij zich ook bezig met de bedrijfsmatige verhuur van jachten. Hij heeft bij het sluiten van de koopovereenkomst dan ook gehandeld in het kader van zijn handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteit, als bedoeld in artikel 7:5 BW Pro.
4.9
[geïntimeerde] heeft bestreden dat hij bij het sluiten van de koopovereenkomst als handelaar heeft gehandeld. Hij heeft het jacht in 2020 voor privégebruik gekocht en heeft het gedurende drie vaarseizoenen alleen in privé gebruikt. Volgens [geïntimeerde] heeft hij ook nooit jachten verhuurd. [geïntimeerde] stelt dat hij in het verleden enkele jaren als jachtmakelaar actief is geweest, maar daar was hij ten tijde van de koopovereenkomst al jaren geleden mee gestopt. Hij had zijn inschrijving in het Handelsregister aangehouden vanwege zijn activiteiten als zelfstandig technisch adviseur in de bouw. In februari 2023 is de naam van zijn eenmanszaak en is in de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten in het Handelsregister aangepast aan die activiteit.
4.1
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] vanaf 1 maart 2014 tot 9 februari 2023 in het Handelsregister is geregistreerd onder de naam EYN Lugera Yachting en (later alleen) Yugero Yachting, met als activiteitenomschrijving ‘
Jachtmakelaardij, bemiddeling in gebruikte motorboten. Verhuur als projectleider/projectleider/ hoofduitvoerder in de bouw/civiel’. Uit deze omschrijving volgt niet dat [geïntimeerde] zich bezig heeft gehouden met de verhuur van jachten. Hun stelling dat dit het geval is geweest, hebben [appellanten] ook niet geconcretiseerd. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] hebben [appellanten] hun stelling dat (ook) het jacht gebruikt is voor de verhuur onvoldoende onderbouwd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het aantal vaaruren in de periode dat [geïntimeerde] eigenaar is geweest van het jacht - 400 uren in drie vaarseizoenen - niet wijst op commerciële verhuur. Er kan dan ook niet vanuit worden gegaan dat [geïntimeerde] het jacht zakelijk/bedrijfsmatig heeft gebruikt. Het uitgangspunt is dan ook dat [geïntimeerde] zijn privéjacht heeft verkocht. Dat uitgangspunt is een contra-indicatie voor de veronderstelling dat [geïntimeerde] bij het sluiten van de koopovereenkomst als ‘handelaar’, als beroeps-of bedrijfsmatige verkoper heeft gehandeld.
4.11
Aan [appellanten] kan worden toegegeven dat de inschrijving van [geïntimeerde] in het Handelsregister erop wijst dat hij ook ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst nog als jachtmakelaar actief was. Daar staat tegenover dat uit de bedrijfsomschrijving ook volgt dat [geïntimeerde] actief was in een technische functie in de bouw. Dat sluit aan bij de stelling van [geïntimeerde] dat hij weliswaar (korte tijd) actief is geweest als jachtmakelaar, maar in 2022 al weer enkele jaren alleen werkzaam was in de bouw en niet meer in de jachtmakelaardij. [geïntimeerde] heeft die stelling tijdens de mondelinge behandeling overtuigend, en niet weersproken door [appellanten] , toegelicht. In een e-mail aan de advocaat van [appellanten] van 20 februari 2025 heeft [de bestuurder] ook bevestigd dat [geïntimeerde] van 2013-2017 als jachtmakelaar heeft gewerkt. [appellanten] hebben naast de enkele vermelding in het Handelsregister geen concrete feiten of omstandigheden (zoals advertenties, daadwerkelijke handelsactiviteiten, een zakelijk adres voor de jachtmakelaardij) aangevoerd, waaruit volgt dat [geïntimeerde] in 2022 daadwerkelijk actief was als jachtmakelaar. Het feit dat hij voor de verkoop van zijn schip een ander, Maritiem Yachting, heeft ingeschakeld wijst er ook al op dat [geïntimeerde] toen niet meer actief was als jachtmakelaar.
4.12
De conclusie is dat [appellanten] , op wie op dit punt stelplicht en bewijslast rusten, onvoldoende hebben onderbouwd dat [geïntimeerde] bij de verkoop van zijn (privé)jacht in het kader van zijn handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteit heeft gehandeld. Van een consumentenkoop als bedoeld in artikel 7:5 BW Pro is om die reden geen sprake. [1]
Aan de vereisten voor ontbinding van de overeenkomst is niet voldaan4.13 [appellanten] stellen dat het jacht een significant gebrek heeft. Er is sprake van een sterk verhoogd vochtgehalte in het laminaat van het onderwaterschip, waardoor sprake is van een verhoogde kans op osmose. De aanwezigheid van dat gebrek levert een (naar het hof aanneemt: toerekenbare) tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op. Om die reden menen [appellanten] dat de overeenkomst ontbonden kan worden en dat zij aanspraak hebben op schadevergoeding.
4.14
[geïntimeerde] heeft erop gewezen dat [appellanten] eraan voorbij gaan dat zij niet zo maar een overeenkomst hebben gesloten, maar een koopovereenkomst. De algemene regeling van artikel 6:74 BW Pro betreffende wanprestatie en contractbreuk is volgens hen dan ook niet zonder meer van toepassing. De koopovereenkomst kent een eigen regeling voor situaties waarin sprake is van non-conformiteit. Het hof begrijpt, ook gelet op de bespreking tijdens de mondelinge behandeling, dat [geïntimeerde] meent dat niet aan de vereisten voor ontbinding en schadevergoeding is voldaan.
4.15
Het beroep van [appellanten] op een (verborgen) gebrek in het jacht is een beroep op non-conformiteit. De stellingen van [appellanten] komen er immers op neer dat het jacht niet voldoet aan de overeenkomst (artikel 7:17 BW Pro). Wanneer de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, heeft de koper in beginsel de keuze tussen nakoming, voor zover die nog mogelijk is, ontbinding en schadevergoeding of een van de in artikel 7:21 BW Pro opgenomen nakomingsbevoegdheden. [appellanten] hebben niet gekozen voor nakoming (op grond van artikel 7:21 lid 1 BW Pro). Daar hoefden zij, anders dan [geïntimeerde] lijkt te veronderstellen, ook niet voor te kiezen. Maar nu zij gekozen hebben voor ontbinding en schadevergoeding dienen zij wel te voldoen aan de vereisten die daarvoor gelden. Dat het jacht een gebrek heeft en daardoor niet voldoet aan de overeenkomst is slechts één van de vereisten. Een ander vereiste is dat als nakoming niet (tijdelijk) onmogelijk is, [geïntimeerde] in verzuim verkeert.
4.16
Nakoming is naar het oordeel van het hof niet onmogelijk. Uit de eigen stellingen van [appellanten] - onder meer de offerte van [naam bedrijf] - volgt dat het mogelijk is om het jacht een osmosebehandeling te laten ondergaan. Als die behandeling wordt toegepast is daarmee het verhoogde risico op osmose, als daarvan sprake is, weggenomen en het gebrek dus verholpen. Voor het intreden van verzuim is in beginsel een ingebrekestelling nodig (artikel 6:82 lid 1 BW Pro). Dat en waarom sprake is van een uitzondering op die regel, bijvoorbeeld omdat sprake is van een fatale termijn of een mededeling van [geïntimeerde] waaruit [appellanten] hebben moeten afleiden dat [geïntimeerde] in de nakoming van hun verplichting zal tekortschieten (artikel 6:83 BW Pro), hebben [appellanten] niet gesteld. Ook niet tijdens de mondelinge behandeling waar het hof de kwestie van het verzuim uitdrukkelijk aan de orde heeft gesteld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [appellanten] wel aangegeven dat er in de periode voorafgaand aan de procedure, toen [appellanten] werden bijgestaan door een andere advocaat, geen ingebrekestelling is verstuurd. Volgens de advocaat van [appellanten] moet de ingebrekestelling echter worden gelezen in de processtukken van [appellanten] Dat betoog kan het hof niet volgen. Een ingebrekestelling is een schriftelijke aanmaning waarin de schuldenaar een redelijke termijn wordt gesteld voor de nakoming en hij aansprakelijk wordt gesteld voor het geval nakoming binnen die termijn uitblijft (artikel 6:81 lid 1 BW Pro). Het hof heeft in de processtukken van [appellanten] een aanmaning met die inhoud of strekking niet gelezen. [appellanten] hebben in hun stukken niet betoogd dat [geïntimeerde] alsnog diende te voldoen aan zijn verplichting een jacht te leveren dat aan de overeenkomst beantwoordde (door het jacht te laten herstellen). In hun processtukken hebben zij vanaf het begin een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomst (eerst alleen wegens dwaling en kort voor de mondelinge behandeling ook wegens bedrog) of ontbinding van de overeenkomst gevorderd.
4.17
De conclusie is dat de vordering tot ontbinding en schadevergoeding wegens - kort gezegd - wanprestatie niet toewijsbaar is, omdat [appellanten] onvoldoende hebben onderbouwd dat sprake is van verzuim. [2]
Aan de vereisten voor vernietiging wegens dwaling is niet voldaan4.18 Voor een geslaagd beroep op dwaling is, voor zover in deze zaak van belang, vereist dat aan een aantal vereisten is voldaan.
a. Allereerst dient sprake te zijn van
dwaling, te weten de afwezigheid van een juiste voorstelling van zaken.
b. Vervolgens
causaal verbandtussen de dwaling en het tot stand komen van de overeenkomst.
c. Verder de aanwezigheid van een
dwalingsgrond; de dwaling is het gevolg van een inlichting van de wederpartij (1) of de schending van een spreekplicht (2) of er is sprake van wederzijdse dwaling (3).
d. Ten slotte behoort de dwaling
niet voor rekening vande dwalende te blijven.
De stelplicht en bewijslast ten aanzien van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat is voldaan aan de onder a tot en met c vermelde vereisten rusten op degene die zich op dwaling beroept, dus op [appellanten] Het betoog dat de dwaling voor rekening van de dwalende moet blijvend is een bevrijdend verweer, zodat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van feiten en omstandigheden die dat betoog kunnen dragen, op de wederpartij van de dwalende rusten, dus op [geïntimeerde] .
4.19
[appellanten] hebben, zoals het hof hun stellingen begrijpt, betoogd dat zij op twee punten hebben gedwaald. Allereerst was hun niet bekend dat [geïntimeerde] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst zelf handelde in jachten. Vervolgens was hun niet bekend dat het jacht een ernstig gebrek had, een sterk verhoogde vochtigheid van het laminaat van het onderwaterschip, met (daardoor) een groter risico op osmose. Het hof zal voor deze beide gestelde dwalingen nagaan of aan de vereisten van dwaling is voldaan.
4.2
Zoals hiervoor al is overwogen, handelde [geïntimeerde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst al geruime tijd niet meer in jachten. [appellanten] hebben op dit punt dan ook niet gedwaald (vereiste a). Bovendien valt niet in te zien waarom zij de overeenkomst niet zouden hebben gesloten indien zij zouden hebben geweten dat [geïntimeerde] als jachtmakelaar actief was (vereiste b). En als dit om welke (voor het hof onnavolgbare) reden al een punt was voor [appellanten] , valt niet in te zien dat deze gevoeligheid van [appellanten] voor [geïntimeerde] en/of [de bestuurder] kenbaar was, zodat ook geen sprake was van schending van een spreekplicht (vereiste c). In dit kader is van belang dat gesteld noch gebleken is dat [appellanten] bij de onderhandelingen over de koopovereenkomst hebben aangegeven dat zij (onder geen beding) een jacht wilden kopen dat eigendom was van een jachtmakelaar.
4.21
De conclusie is dan ook dat het beroep van [appellanten] op de omstandigheid dat zij niet wisten dat [geïntimeerde] in jachten handelde niet opgaat. [3]
4.22
[appellanten] hebben verder aangevoerd dat zij hebben gedwaald ten aanzien van het gebrek aan het jacht. Met de rapporten van de deskundigen [deskundige1] , [deskundige2] en [deskundige3] hebben [appellanten] voldoende aannemelijk gemaakt dat het laminaat van het jacht een hoge en deels te hoge vochtigheid vertoonde. Deskundige [deskundige3] heeft zijn bevindingen en die van de deskundigen [deskundige2] en [deskundige1] in zijn rapport helder samengevat. Hij schrijft (het hof citeert de Nederlandse vertaling):

Alle door de drie deskundigen [naam5] , [deskundige2] en [deskundige1] gemeten waarden tonen een hoge, ten dele duidelijk te hoge vochtigheid aan voor het laminaat van een GFK- laminaat van jachten.
Zelfs de door de ondertekenaar ca. 1 resp. 2 jaar na de eerdere metingen gemeten waarden
zijn ten dele weliswaar wat geringer als de door de voorgangers gemeten waarden, maar nog altijd duidelijk te hoog. Dat de door de ondertekenaar gemeten waarden gedeeltelijk geringer zijn dan de meetwaarden van de voorgangers herleiden wij tot de ten dele 2-jarige droogtijd van het laminaat.’
Eveneens is voldoende aannemelijk dat als eerder osmosebehandelingen aan het jacht zijn uitgevoerd, deze niet goed zijn uitgevoerd en/of onvoldoende effect hebben gehad en dat het risico op nieuwe osmose sterk verhoogd is en zich mogelijk al heeft gerealiseerd. Dat volgt uit het volgende citaat uit het rapport van [deskundige3] (in de Nederlandse vertaling).

Die gemeten waarden tonen aan, dat in het kader van een osmosesanering ofwel het laminaat vóór de applicatie met de Epoxy-barrièrelagen niet voldoende is gedroogd, en/of dat de applicatie van de Epoxy-barrièrelaag niet in voldoende laagdikte is uitgevoerd.
Gezien de vastgestelde meetwaarden moeten wij ervan uitgaan dat de mogelijkheid van een
nieuwe osmose sterk verhoogd is, noch niet volledig is verholpen of een osmose zelfs al weer begonnen is.Hiervoor spreken twee vaststellingen in het kader van de bezichtiging:
1) Het laminaat dat onder de coating is aangetroffen vertoont een extreem slechte
kwaliteit resp. een voorafgaande beschadiging Het laminaat vertoont geen
doorlopende kleuring, maar wel „wolken", die een teken zijn voor een beschadiging
en/of slechte laminaatkwaliteit. (foto 17)2) Bij het verwijderen van het laminaat zijn cirkelvormige plekken met ca. 25mm doorsnee
aangetroffen. In het midden van deze plekken was er telkens een cirkelvormige, ca.
8 mm grote plamuurplek. Bij het afslijpen van de Amerlock-coating was in de Amerlock-coating al vroeg een groen punt (Gelshield) te zien, al naar gelang de lagen werden afgeslepen werd dit punt markanter en ontwikkelde zich verder. In dit gedeelte „drukte" het onder de Amerlock-coating voorhanden laminaat met de cirkelvormige plamuurplek al door naar buiten/in het Amerlock (foto 18 - 21). Op de plekken waar de vaststellingen zijn gedaan, zijn aanzienlijk verhoogde vochtigheidswaarden van tot 70 schaaleenheden gemeten. (foto 16)
[deskundige3] concludeert onder meer:

Op het tijdstip van verkoop aan de heer [appellant1] vertoonde het MY aanzienlijk verhoogde vochtigheidswaarden, die een aanzienlijk gebrek betekenen.’
4.23
Met het rapport van [deskundige3] hebben [appellanten] , ook gelet op de andere deskundigenrapporten, voldoende onderbouwd dat ten tijde van de verkoop sprake was van een gebrek aan het jacht, daarin bestaande dat het laminaat van het onderwaterschip te vochtig was, waardoor sprake was van een aanzienlijk verhoogd risico op osmose (vereiste a). Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [geïntimeerde] het rapport van [deskundige3] niet gemotiveerd heeft weersproken.
4.24
[appellanten] hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat indien zij van het gebrek op de hoogte zouden zijn geweest zij de koopovereenkomst niet (onder deze voorwaarden) zouden hebben gesloten (vereiste b). Dat ligt in zijn algemeenheid al voor de hand. Maar uit de correspondentie tussen [appellanten] en [de bestuurder] voorafgaand aan de overeenkomst volgt dat [appellanten] gespitst waren op het risico van osmose. Het was voor hen klaarblijkelijk een belangrijk onderwerp.
4.25
Volgens [appellanten] heeft [de bestuurder] (wiens handelen aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend) hen op het verkeerde been gezet door onjuiste inlichtingen te verstrekken over het al dan niet verrichten van een osmosebehandeling). Om deze stelling te beoordelen, moet eerst worden vastgesteld welke inlichtingen [de bestuurder] [appellanten] over de osmosebehandeling(en) aan het jacht heeft gegeven. Het hof gaat daarbij uit van de e-mail van [de bestuurder] aan [appellanten] van 29 augustus 2022 (zie 3.4). Het staat niet ter discussie dat [de bestuurder] deze e-mail heeft verzonden en dat [appellanten] de e-mail hebben ontvangen. In de e-mail verwijst [de bestuurder] naar wat hij [appellanten] de vorige dag heeft verteld over de osmosebehandeling. [appellanten] hebben toen niet gereageerd met de mededeling dat zij in het gesprek iets anders begrepen hadden.
4.26
In de e-mail van 29 augustus 2022 heeft [de bestuurder] aangegeven dat:
- In 2016/2017 bij Jachtwerf Noordschans een osmosebehandeling heeft plaatsgevonden;
- In 2020 bij de aankoop door [geïntimeerde] van het jacht bleek dat de anti-fouling niet goed hechtte op de epoxy en dat toen een nieuwe verflaag is aangebracht, waarna nieuwe anti-fouling is aangebracht.
4.27
Volgens [appellanten] is deze informatie onjuist. Allereerst heeft in 2016/2017 volgens hen geen osmosebehandeling plaatsgevonden. Vervolgens heeft in 2020 een veel ingrijpender ingreep plaatsgevonden dan door [de bestuurder] is gemeld; er heeft toen wel een (ondeugdelijke) osmosebehandeling verricht. [appellanten] beroepen zich voor dit betoog op de rapporten van [deskundige1] en [deskundige3] en wijzen erop dat de facturen van de werkzaamheden in 2016/2017 en 2020 niet overeenkomen met de gestelde werkzaamheden.
4.28
In zijn rapport heeft [deskundige3] nauwkeurig aangegeven hoeveel lagen hij heeft aangetroffen op de romp van het jacht. [deskundige3] komt tot 14 lagen. Het begint met het laminaat, de eigenlijke polyester romp. Daarop heeft hij epoxy plamuur aangetroffen. Vervolgens vijf lagen Gelshield 200, een coating die volgens [deskundige3] wordt gebruikt bij nieuwe boten of ook later bij een vernieuwing van een ‘osmoseprofylaxe’. Daarop heeft hij resten van anti-fouling aangetroffen (laag 8), gevolgd door vijf lagen Amerlock, een twee componenten coating. De laatste laag (laag 14) is een laag anti-fouling. Het hof gaat uit van de juistheid van de bevindingen van [deskundige3] op dit punt.
4.29
Tijdens de mondelinge behandeling was ook de heer [naam9] , een medewerker van Kremer Nautic, aanwezig. Hij heeft daar verklaard dat hij in 2020 werkzaamheden aan het jacht heeft verricht. Volgens [naam medewerker] bleek bij het aanbrengen van nieuwe anti-fouling dat de anti-fouling niet hechtte aan de onderliggende laag. Hij heeft toen de anti-fouling geheel verwijderd. Geconfronteerd met de bevinding van [deskundige3] dat hij toch nog veel anti-fouling heeft aangetroffen, verklaarde [naam medewerker] dat dit zou kunnen; mogelijk had hij niet alles verwijderd. Volgens [naam medewerker] heeft hij vijf lagen Amerlock aangebracht (deels dus op de niet geheel verwijderde anti-fouling), nadat hij de daaronder liggende laag glad had gemaakt door die te schuren. De reden daarvan was volgens [naam medewerker] dat zichtbaar was dat het polyester van het jacht in het kader van een eerdere osmosebehandeling ‘geschild’ was. Daardoor waren strepen zichtbaar. Om die strepen weg te werken, heeft hij de Amerlock aangebracht, met daarop nieuwe anti-fouling. [naam medewerker] heeft ontkend dat hij een osmosebehandeling heeft verricht. Volgens hem was dat ook niet nodig. Er waren geen sporen van osmose aanwezig.
4.3
Deze verklaring van [naam medewerker] is niet in strijd met de bevindingen van [deskundige3] , maar komt juist overeen met diens bevinding dat vijf lagen Amerlock zijn aangebracht, deels op een laag met resten anti-fouling. De verklaring vindt ook bevestiging in de hiervoor al vermelde e-mail van [de bestuurder] aan de advocaat van [appellanten] van 20 februari 2025, waarin [de bestuurder] over de werkzaamheden in 2020 schreef:

De losse antifouling is er eerst zoveel mogelijk met behulp van een hogedrukspuit met een freeskop afgespoten. Daarna zijn de laatste losse deeltjes met behulp van een krabber afgekrabt en de onregelmatigheden geschuurd. Vervolgens is een aantal lagen primer en antifouling aangebracht.’
[de vorige eigenaar] heeft desgevraagd in een e-mail van 29 oktober 2024 aan de advocaat van [appellanten] ontkend dat hij aan [appellanten] heeft gezegd dat in 2020 een osmosebehandeling heeft plaatsgevonden:

Ik heb in mijn gebrekkig Duits alleen verteld dat ik gehoord had, dat er aan het onderwaterschip gewerkt is. Van een Osmose behandeling weet ik niets.’
De overgelegde offerte en facturen betreffende de werkzaamheden die in 2020 bij Kremer Nautic aan het jacht zijn verricht bieden geen aanknopingspunt voor de juistheid van de veronderstelling dat in 2020 een osmosebehandeling aan het jacht heeft plaatsgevonden. Dat geldt ook voor de vermelding op de brochure van de zin ‘
Kaal halen en opnieuw opgebouwd’. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de bestuurder] gemotiveerd bestreden dat die zin een omschrijving is voor een osmosebehandeling. Volgens [de bestuurder] is het een omschrijving van wat [naam medewerker] heeft gedaan: de anti-fouling verwijderen, enkele lagen coating aanbrengen en nieuwe anti-fouling opbrengen.
4.31
Gelet op wat hiervoor is vastgesteld, hebben [appellanten] hun stelling dat in 2020 wel een osmosebehandeling aan het jacht heeft plaatsgevonden onvoldoende onderbouwd. Met het rapport van [deskundige3] en met de verklaring van [naam medewerker] kan worden vastgesteld welke werkzaamheden in 2020 hebben plaatsgevonden, maar niet dat die werkzaamheden hebben plaatsgevonden met de bedoeling om osmose tegen te gaan.
4.32
[naam medewerker] heeft in 2020 vastgesteld dat eerder kennelijk een osmosebehandeling heeft plaatsgevonden. De door [deskundige3] onderkende lagen 2 tot en met 7 wijzen ook op de intentie een dergelijke behandeling te verrichten. Er is geplamuurd en geschuurd aan het laminaat en vervolgens zijn vijf lagen Gelschield aangebracht. Volgens [deskundige3] heeft wel een osmosebehandeling plaatsgevonden, maar was geen sprake van een vakkundige osmosesanering. Als de ondergrond al correct zou zijn voorbereid en gedroogd, wat [deskundige3] betwijfelt, is de verfopbouw als beschermingslaag onvoldoende. [deskundige3] wijst erop dat ook een ander type Gelschield (Geldschield Plus) aanbevolen is bij een osmosebehandeling. De behandeling die heeft plaatsgevonden, zal volgens [deskundige3] ook niet bij Jachthaven Noordschans hebben plaatsgevonden, omdat de factuur van deze jachthaven niet aansluit bij de verrichte werkzaamheden. Er is (heel) veel minder coating in rekening gebracht dan bij de osmosebehandeling gebruikt moet zijn.
4.33
Het is, gelet op het op dit punt overtuigende rapport van [deskundige3] en diens toelichting tijdens de mondelinge behandeling, aannemelijk dat de osmosebehandeling die vóór 2020 heeft plaatsgevonden niet adequaat was. [geïntimeerde] heeft dat ook niet bestreden. Maar [appellanten] hebben onvoldoende onderbouwd dat de osmosebehandeling niet bij Jachthaven Noordschans heeft plaatsgevonden, zoals [deskundige3] meent. [deskundige3] baseert zijn visie op de factuur van Jachthaven Noordschans. Het zal zo zijn dat die factuur niet overeenkomt met een factuur bij een standaard osmosebehandeling. Maar, zoals [deskundige3] zelf vaststelt, op de kwaliteit van de osmosebehandeling valt wel wat af te dingen.
Bovendien kan [geïntimeerde] zich op diverse feiten en omstandigheden beroepen ter weerspreking van de visie van [deskundige3] :
Allereerst heeft de heer [naam8] van Jachthaven Noordschans in zijn e-mail aan [de vorige eigenaar] bij de factuur van Jachthaven Noodschans (zie 3.11) geschreven dat uit de factuur volgt dat het onderwaterschip is ‘geschild en voorzien van epoxy’. Dat is een omschrijving voor een osmosebehandeling.
In die factuur worden vervolgens - volgens [deskundige3] weliswaar veel te weinig - uren voor werkzaamheden aan het onderwaterschip in rekening gebracht, maar het gaat wel om een substantieel aantal. Bovendien wordt in de factuur Gelshield in rekening gebracht, de coating waarvan de aanwezigheid door [deskundige3] is vastgesteld en die hij in verband brengt met een osmosebehandeling.
Ten slotte heeft [de vorige eigenaar] op schriftelijke vragen van de advocaat van [appellanten] geantwoord dat in 2017 een osmosebehandeling bij Jachthaven Noordschans heeft plaatsgevonden omdat er ‘
een paar blaasjes op de romp zaten’. [de vorige eigenaar] schrijft verder:

Overigens zult U het woord Osmose nooit bij Noordschans terugvinden. Dit ivm een evt garantie perikelen. Men zal altijd ontkennen, dat er een Osmose behandeling heeft plaatsgevonden, echter de werkzaamheden waren dezelfde.’
4.34
De conclusie is dat [appellanten] hun stelling onvoldoende hebben onderbouwd dat [de bestuurder] ten onrechte heeft meegedeeld dat in 2017 een osmosebehandeling heeft plaatsgevonden bij Jachtwerf Noordhof. Het is aannemelijk dat toen wel een osmosebehandeling heeft plaatsgevonden, zij het dat op de kwaliteit van die behandeling wel een en ander is aan te merken. Maar [de bestuurder] heeft over de kwaliteit van die behandeling geen mededelingen gedaan. Hij heeft in algemene zin aangegeven wat de behandeling heeft ingehouden. Dat die informatie onjuist is geweest, hebben [appellanten] niet gesteld en zeker niet aannemelijk gemaakt.
4.35
Uit het voorgaande volgt dat [appellanten] onvoldoende hebben onderbouwd dat zij door een onjuiste mededeling van [de bestuurder] (optredend namens [geïntimeerde] ) in dwaling zijn gebracht (vereiste c2). In dit verband merkt het hof op dat [appellanten] onder meer naar aanleiding van de informatie over de osmosebehandeling een eigen deskundige hebben ingeschakeld, ook om onderzoek te doen naar mogelijke osmose. Kennelijk waren de mededelingen van [de bestuurder] voor [appellanten] geen reden om af te zien van dat onderzoek. Die deskundige heeft niet voor niets de vochtigheid van het onderwaterschip gemeten. Wanneer die deskundige in zijn werkzaamheden is tekortgeschoten, zijn [appellanten] daardoor in dwaling geraakt over de aanwezigheid van een gebrek, maar dat kunnen zij [geïntimeerde] niet tegenwerpen.
4.36
Gezien het voorgaande hebben [appellanten] al helemaal niet onderbouwd dat [de bestuurder] opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. Dat hij (al dan niet opzettelijk) informatie heeft verzwegen (vereiste c1), hebben zij evenmin voldoende onderbouwd. [appellanten] wijzen er op dat [de bestuurder] moet hebben geweten dat het schip een gebrek had, omdat het jacht in 2020 ook door hem is verkocht en toen op zijn werf een ingrijpende behandeling heeft ondergaan. Maar [de bestuurder] heeft ontkend dat hij toen heeft vastgesteld of had moeten vaststellen dat het jacht problemen met vochtigheid of osmose had. De toelichting van [naam medewerker] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling biedt steun voor die ontkenning door [de bestuurder] . Als [naam medewerker] , die onderhoud heeft gepleegd aan het onderwaterschip, geen osmose heeft vastgesteld, valt niet in te zien dat [de bestuurder] die problemen wel heeft vastgesteld of had moeten vaststellen. Daar komt bij dat [de bestuurder] in 2020 nog geen eigenaar was van Kremer Nautic. Het hof laat dan nog onbesproken dat de rapporten van de door [appellanten] ingeschakelde deskundigen geen antwoord geven op de vraag of in 2020 kenbaar was dat sprake van een vochtprobleem en/of osmose.
4.37
De vastgestelde feiten en omstandigheden rechtvaardigen overigens ook niet dat sprake zou zijn van wederzijdse dwaling (vereiste c3). Indien beide partijen hebben gedwaald over de aanwezigheid van het gebrek, behoort deze dwaling voor rekening van [appellanten] te blijven. [appellanten] hebben de gelegenheid gehad en genomen onderzoek te doen naar mogelijke gebreken, waaronder mogelijke osmose. Bij de levering van het jacht, na de aankoopkeuring, zijn partijen vervolgens overeengekomen dat [appellanten] na de in hun opdracht verrichte aankoopkeuring het jacht hebben aanvaard ‘As is, where is’, waarmee partijen bedoelden (zie art. 3.2 van het Lieferprotokol, aangehaald in 3.7) dat zij zich na de levering jegens [geïntimeerde] niet op een gebrek konden beroepen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [de bestuurder] het Lieferprotokoll voorafgaand aan de levering heeft doen toekomen en dat [appellanten] ruimschoots de gelegenheid hebben gehad het door te nemen. Met de ondertekening hebben zij aangegeven ermee in te stemmen. [geïntimeerde] kan zich dan ook in beginsel op de bepalingen uit het beding beroepen, waaronder genoemd artikel 3.2. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is ook geen sprake van het verstrekken van onjuiste of het verzwijgen van relevante informatie. De wijze van informatieverstrekking van de zijde van [geïntimeerde] staat er dan ook niet aan in de weg dat de dwaling voor rekening van [appellanten] blijft.
4.38
De conclusie is dat het beroep van [appellanten] op dwaling niet opgaat. Ook hun aan de dwaling gekoppelde vordering tot schadevergoeding is niet toewijsbaar. Daarbij merkt het hof op dat, anders dan [appellanten] veronderstellen, de gevorderde vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling die vordering niet kan dragen. Daarvoor is een aanvullende, maar niet aangevoerde, grondslag - bijvoorbeeld een verwijtbare schending van de informatieverplichting - noodzakelijk. [4]
4.39
Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Daarvoor zou noodzakelijk zijn dat [appellanten] hun stellingen, in het licht van het door [geïntimeerde] gevoerde verweer, voldoende zouden hebben onderbouwd. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is dat niet het geval. [5]
Conclusies
4.4
Nu de vorderingen van [appellanten] niet toewijsbaar zijn, noch op de primaire noch op de subsidiaire grondslag, zal het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigen en de vorderingen van [appellanten] afwijzen.
4.41
Bij deze stand van zaken zijn [appellanten] in het ongelijk gesteld. Het hof zal hen
- hoofdelijk, zoals verzocht - in de proceskosten veroordelen (salaris advocaat: 2 punten, tarief VI).
Deze proceskostenveroordeling kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

5.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 24 juli 2024;
5.2
wijst de voor het eerst in hoger beroep ingestelde vorderingen van [appellanten] af;
5.3
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 2.129,- aan griffierecht,
€ 8.856,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] ;
5.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, D.H. de Witte en A.L. Goederee, en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
27 januari 2026.

Voetnoten

1.Grief I van [appellanten] faalt.
2.Grief II van [appellanten] faalt.
3.Grief III faalt.
4.De grieven III tot en met VI falen.
5.Grief VII faalt.