Betrokkene werd schuldig verklaard voor het produceren van meer fosfaat dan toegestaan in de jaren 2020-2023, waarbij een financieel voordeel van €1.669.428 werd vastgesteld. Het openbaar ministerie vorderde ontneming van dit voordeel, maar betrokkene stelde dat de betalingsverplichting nihil moest zijn vanwege bijzondere omstandigheden en financiële draagkracht.
Het hof oordeelde dat het openbaar ministerie ontvankelijk was in de vordering, ondanks dat aanvankelijk een nihil-vordering was ingediend. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd door het hof bevestigd op basis van het vonnis van de rechtbank en het strafdossier.
Bij de beoordeling van de betalingsverplichting hield het hof rekening met de complexe situatie van betrokkene, waaronder investeringen voorafgaand aan het fosfaatrechtenstelsel, financiële problemen door regelgeving, en het feit dat betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd nadert. Ook de PAS-uitspraak en de beperkte financiële draagkracht, bevestigd door een deskundigenrapport, speelden een rol.
Het hof concludeerde dat het niet billijk is betrokkene de volledige betalingsverplichting op te leggen en stelde deze daarom op nihil. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met deze beslissing.