Uitspraak
die woont in [woonplaats2]
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van [appellant] ;
- de memorie van grieven van [appellant] met producties, tevens houdend een incident;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] met producties;
- een akte van [appellant] met een reactie op de producties van [geïntimeerde] ;
- een akte van [appellant] met nadere producties;
- een nadere productie van [geïntimeerde] ;
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 10 juni 2026 is gehouden.
2.De kern van de zaak
3.De feiten3.1 [geïntimeerde] was (buiten enige gemeenschap van goederen) gehuwd met [naam1] . Voor [naam1] was het zijn eerste huwelijk. [geïntimeerde] was eerder getrouwd geweest en had uit dat huwelijk een zoon en een dochter.
“het gebruik en genot van de hem in eigendom toebehorende landerijen gelegen nabij [woonplaats2] ter gezamenlijke grootte van ongeveer twintig hectare en vijftig are (20.50.00 hectare) (…)”.Daarnaast bracht hij het gebruik en genot in van nog ongeveer 42 hectare gepachte grond. De eigen landerijen en de gepachte grond worden niet nader omschreven dan als: “
een en ander zonder nadere omschrijving aan de maten genoegzaam bekend”. Over beëindiging van de maatschap was in artikel 12 opgenomen Pro dat de overeenkomst onder meer zou eindigen bij het overlijden van één van de maten (art. 12c). Over de voortzetting van het bedrijf van de maatschap na beëindiging daarvan was in artikel 14 onder Pro meer bepaald dat als [naam2] het bedrijf zou voortzetten hij tevens het recht zou hebben:
“om de landerijen waarvan het gebruik en genot is ingebracht te verwerven tegen inbreng van de waarde daarvan.”3.4 Op 14 oktober 2021 heeft [naam1] zijn testament opgemaakt. Hij was toen al ongeneeslijk ziek. [geïntimeerde] is in dat testament benoemd tot enig erfgenaam onder de last van legaten met betrekking tot enkele percelen natuurgrond en enkele percelen met daarop recreatiewoningen. Onder meer is in dat testament aan [appellant] gelegateerd een recreatiewoning in [woonplaats2] .
“Tevens heeft maat 3. het recht om de landerijen waarvan het gebruik en genot is ingebracht te verwerven tegen inbreng van de waarde daarvan.”(hierna: de koopoptie). In de aanvullende maatschapsovereenkomst is de koopoptie dus overgegaan van [naam2] op [geïntimeerde] . Aan [naam2] is geen koopoptie meer toegekend, ook niet in het geval [geïntimeerde] daar geen gebruik van mocht maken.
“kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [sectie] , [nummer] , groot zestien are en veertig centiare. Onder de verplichting om de belastingclaim volledig aan mijn nalatenschap te vergoeden”(hierna: het gelegateerde perceel, of het perceel)).
Op 7 december 2022 heeft zij aan [appellant] geschreven dat het legaat van de recreatiewoning zal worden uitgevoerd, maar dat zij geen uitvoering zal geven aan het legaat betreffende het perceel. Daarover schrijft zij:
“Ik laat u weten, dat er geen uitvoering gegeven kan worden aan dit legaat. Het Perceel grond zit in de Maatschap. In het Maatschapscontract is opgenomen dat geen van de maten onroerende zaken kan vervreemden zonder toestemming van de andere twee maten. [naam1] is daar aan voorbij gegaan. Het Perceel grond blijft hierdoor onderdeel van de Maatschap”.
: “dat maat 2(hof: [geïntimeerde] )
gebruik maakt van de mogelijkheid om het bedrijf van de maatschap voort te zetten zoals bepaald in artikel 14 onder Pro a van de voormelde gewijzigde overeenkomst vastlegging maatschap, met inachtneming van de daar omschreven bedingen”Daarna is vermeld dat zij de maatschap gezamenlijk voortzetten per 12 september 2022.
4.De procedure bij de rechtbank
Vervolgens is [geïntimeerde] toegelaten tot het bewijs dat het perceel in gebruik was bij de maatschap vóór het overlijden van erflater.
5.De toelichting op de beslissing van het hof
incidentele vordering
Omdat die beslissingen de kern vormen van dit geschil zal het hof eerst daarop ingaan. De grieven strekken ertoe dat het hof die kwesties opnieuw zal beoordelen.
“hem in eigendom toebehorende landerijen gelegen nabij [woonplaats2] ter gezamenlijke grootte van ongeveer twintig hectare en vijftig centiare (…) een en ander aan de maten genoegzaam bekend.
”Een nadere (kadastrale) aanduiding van de percelen ontbreekt. Weliswaar was ook het gelegateerde perceel eigendom van erflater, maar het was niet gelegen nabij [woonplaats2] , maar juist in de dorpskern van [woonplaats2] . Op [geïntimeerde] rust daarom de volledige bewijslast van haar (bevrijdende) verweer dat ook van het gelegateerde perceel het gebruik en genot was ingebracht.
- de jaarstukken over 2021 en 2022;
- de aanvullende maatschapsovereenkomst, juist bedoeld om [geïntimeerde] eigenaar te kunnen
laten worden van alle landerijen van erflater;
- het jarenlange gebruik van het perceel door de maatschap en het belang daarvan voor haar
bedrijfsvoering (eco-regeling en mogelijke bouw van een nieuwe veldschuur op het perceel);
lag bij de maatschap. De aanslagen zagen op alle percelen die op naam van erflater stonden, dus ook op het perceel. Daarnaast kunnen aan het betalen van de aanslagen door de maatschap ook andere overwegingen ten grondslag hebben gelegen voor erflater dan dat het gebruik en het genot van het perceel bij de maatschap lag. De grief van [appellant] dat de rechtbank die betalingen ten onrechte doorslaggevend heeft geacht voor het bewijs slaagt dan ook;
de landbouwvrijstelling die indertijd bij de verwerving van het perceel door erflater is verkregen zegt op zichzelf nog niet dat genot en gebruik van het perceel in de maatschap was ingebracht. Ook niet als die landbouwvrijstelling nog steeds bestaat; er kunnen voor erflater ook andere redenen zijn geweest om die landbouwvrijstelling te handhaven. Daarbij wordt opgemerkt dat erflater naast de maatschap ook een eigen bedrijf had waarin hij onroerend goed exploiteerde;
erflater heeft volgens de maatschapsovereenkomst ingebracht zijn landerijen die zijn gelegen “nabij [woonplaats2] ”, terwijl het perceel ligt in (de dorpskern van) [woonplaats2] , op ruime afstand van de andere landerijen die liggen om en nabij de boerderij van de maatschap;
[geïntimeerde] heeft in hoger beroep verder geen voldoende gespecificeerd nader bewijs aangeboden van omstandigheden die, indien bewezen, kunnen leiden tot een ander oordeel.
Het legaat is door erflater gemaakt slechts twee maanden nadat hij de aanvullende maatschapsovereenkomst had ondertekend. De aanvulling op het testament omvatte uitsluitend het legaat van het perceel aan [appellant] . Onder die omstandigheden mag aangenomen worden dat erflater zich bewust zal zijn geweest dat de koopoptie in de aanvullende maatschapsovereenkomst was overgegaan van [naam2] op [geïntimeerde] . Erflater heeft daarin geen reden gezien om het legaat niet te maken. Dat is alleen begrijpelijk in twee situaties: a) erflater wist dat het perceel niet viel onder de koopoptie omdat hij het gebruik en genot van het perceel niet had ingebracht in de maatschap, of b) erflater is ervan uitgegaan dat de koopoptie het legaat niet zou doorkruisen. Als hij niet van (één van) die situaties zou zijn uitgegaan zou hij immers een zinloos legaat hebben gemaakt. Het ligt bepaald niet voor de hand om daarvan uit te gaan. [geïntimeerde] heeft wel gesuggereerd dat erflater het legaat heeft gemaakt onder druk van [appellant] , maar [appellant] heeft dat uitdrukkelijk betwist en daarvan is verder in het geheel niet gebleken, zodat aan die mogelijkheid voorbij gegaan moet worden. Kennelijk heeft erflater aan [geïntimeerde] de aan hem in eigendom toekomende agrarische landerijen willen nalaten, zodat zij daarmee het bedrijf van de maatschap kan voortzetten, met uitzondering van het aan [appellant] gelegateerde perceel. De omstandigheid dat erflater diverse andere percelen (met natuurgrond dan wel met daarop recreatiewoningen) (ook) heeft gelegateerd, ondersteunt dat.