ECLI:NL:GHARL:2026:4861

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
200.358.216
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 332 RvArt. 7:261 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over correcte berekening en betaling van stookkosten in servicekosten

Livingstone Tree C.V. vordert betaling van achterstallige servicekosten en huurverhoging van de huurder over 2021 en 2022. De huurder betwist de juistheid van de stookkosten in de servicekosten en weigert een deel van de verhoging te betalen.

De kantonrechter wees de vorderingen van Livingstone Tree af en kende de vorderingen van de huurder toe. Livingstone Tree stelde hoger beroep in tegen deze uitspraken. Het hof oordeelt dat Livingstone Tree voldoende bewijs heeft geleverd dat de stookkosten correct zijn berekend, waarbij het verbruik digitaal en gecertificeerd wordt vastgesteld. De huurder kon haar stelling dat het verbruik onjuist was onvoldoende onderbouwen.

Het hof vernietigt de eerdere vonnissen en veroordeelt de huurder tot betaling van €1.600,63 plus wettelijke rente en proceskosten. De vorderingen van de huurder worden afgewezen. De verhoging van het voorschot op de servicekosten in 2022 is volgens het hof terecht en voldoet aan de wettelijke eisen.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van €1.600,63 plus rente en proceskosten aan de verhuurder wegens correcte stookkostenafrekening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.216
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10282623
arrest van 21 juli 2026
in de zaak van
Livingstone Tree C.V.
die is gevestigd in Amsterdam
advocaat: mr. H.M. Hielkema
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. J.A. Spigt

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Livingstone Tree heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de tussenvonnissen die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de kantonrechter) op 12 juli 2023 [1] en 24 januari 2024 [2] tussen partijen heeft uitgesproken en het eindvonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Amersfoort , (hierna eveneens: de kantonrechter) op 14 mei 2025 [3] tussen partijen heeft uitgesproken. Naar aanleiding van het arrest van 3 maart 2026 heeft op 19 mei 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden ten overstaan van de raadsheer-commissaris. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[geïntimeerde] huurde met ingang van 1 september 2021 een appartement van Livingstone Tree. Partijen zijn het niet eens over het in 2021 in de servicekosten in rekening gebrachte elektraverbruik voor het verwarmen en koelen van het appartement door middel van een VRF-installatie (hierna: de stookkosten). Ook is [geïntimeerde] niet bereid om een deel van de over 2022 in rekening gebrachte verhoging van de servicekosten te betalen.
2.2.
Livingstone Tree heeft bij de kantonrechter gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 1.600,63 (waarvan € 405,82 aan nog niet betaalde servicekosten over 2021 en € 1.005 aan huurachterstand / niet betaalde verhoging van het voorschot servicekosten over 2022), vermeerderd met rente en kosten. [geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd voor recht te verklaren (i) dat de eindafrekening over het jaar 2021 op basis waarvan Livingstone Tree van [geïntimeerde] een bedrag van € 405,82 vordert niet voldoet aan de daaraan volgens de huurovereenkomst en de wet te stellen eisen, en (ii) dat de betalingsverplichting van [geïntimeerde] ter zake van de servicekosten over het afrekentijdvak 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag bedraagt. Daarnaast heeft [geïntimeerde] bij de kantonrechter gevorderd Livingstone Tree te veroordelen om aan haar te betalen de in 2021 door haar teveel betaalde servicekosten, vermeerderd met rente en kosten.
2.3.
De kantonrechter heeft de vorderingen van Livingstone Tree afgewezen. De vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen, waarbij onder meer voor recht is verklaard dat de betalingsverplichting van [geïntimeerde] ter zake van de servicekosten over het tijdvak 1 september 2021 tot en met 31 december 2021 € 521,28 bedraagt. Livingstone Tree is veroordeeld tot betaling van € 26,72 aan [geïntimeerde] , plus wettelijke rente. Zoals hierna zal worden toegelicht, begrijpt het hof dat Livingstone Tree het hof vraagt om haar vorderingen alsnog toe te wijzen en die van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen.
2.4.
Het hof zal beslissen dat [geïntimeerde] € 1.600,63 plus rente en kosten aan Livingstone Tree moet betalen en dat de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen en licht dat hierna toe. Het hof laat de beslissing van de kantonrechter dus niet in stand.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1.
[geïntimeerde] huurt met ingang van 1 september 2021 het appartement aan [adres1] te [woonplaats] . Bij aanvang van de huurovereenkomst moet [geïntimeerde] naast onder meer de kale huur in totaal € 137 per maand als voorschot op de servicekosten betalen. Volgens de huurovereenkomst vallen onder de servicekosten onder meer de stookkosten.
3.2.
Bij brief van 30 juni 2022 informeert [naam1] (de beheerder van het complex) [geïntimeerde] dat zij over de periode september 2021 tot en met december 2021 € 405,82 aan servicekosten moet bijbetalen (haar aandeel in de totale kosten van € 953,82 min de betaalde voorschotten van € 548). Volgens de bij die brief gevoegde specificatie bestaan die servicekosten voor een bedrag van € 490,93 uit stookkosten. Daarbij bericht [naam1] eveneens dat het nieuwe voorschotbedrag vanaf januari 2022 wordt vastgesteld op € 338 per maand.
3.3.
Eveneens op 30 juni 2022 stuurt Livingstone Tree aan [geïntimeerde] een factuur voor de afrekening van de servicekosten over 2021 van € 405,82. [geïntimeerde] heeft deze factuur niet betaald.
3.4.
Bij e-mail van 4 oktober 2022 stuurt [naam1] onder meer een nadere afrekening van [naam2] (het bedrijf dat in opdracht van Livingstone Tree het elektriciteitsverbruik vaststelt en afrekent met de bewoners) aan [geïntimeerde] . Hieruit volgt dat het bedrag aan stookkosten van € 490,93 is berekend door een verbruik van 2.732,3 kWh te vermenigvuldigen met een prijs per kWh van € 0,179676.
3.5.
[geïntimeerde] heeft de verhoging van het voorschot op de servicekosten met € 201 per maand in 2022 gedurende vijf maanden niet betaald (in totaal € 1.005).
Ontvankelijkheid hoger beroep
3.6.
Het hof moet eerst aan de hand van artikel 332 Rv Pro beoordelen of Livingstone Tree in hoger beroep kan komen van de vonnissen van de kantonrechter. Dit is niet mogelijk als de vordering waarover de kantonrechter had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750 of, in geval van een vordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750, een en ander tenzij de wet anders bepaalt. Als de zaak meer dan één vordering tussen dezelfde partijen betreft, moet het beloop en/of de waarde van de vorderingen bij elkaar worden opgeteld. Ditzelfde geldt in principe ook voor vorderingen in conventie en in reconventie. Dat laatste is – voor zover hier van belang – anders als de reconventie geen andere strekking heeft dan te worden bevrijd van de verplichting tot betaling van het in conventie gevorderde bedrag [4] .
3.7.
Livingstone Tree stelt zich op het standpunt dat de vordering van [geïntimeerde] in eerste aanleg een waarde vertegenwoordigt van € 548 (de door de kantonrechter vastgestelde totale servicekosten van € 521,28 plus het door Livingstone Tree terug te betalen deel van het betaalde voorschot op de servicekosten van € 26,62) en dat dit bedrag moet worden opgeteld bij haar vordering in eerste aanleg van € 1.600,63. De totale waarde van de vorderingen bedraagt volgens Livingstone Tree dus meer dan € 1.750, namelijk € 2.148,63. [geïntimeerde] stelt dat zowel de vordering van Livingstone Tree als haar eigen vorderingen minder belopen dan wel minder waard zijn dan € 1.750 en dat de vorderingen in conventie en in reconventie niet bij elkaar moeten worden opgeteld.
3.8.
Het hof volgt beide partijen niet in hun standpunten. Zoals hiervoor is overwogen, moet het beloop of de waarde van de vorderingen in conventie en in reconventie in principe bij elkaar worden opgeteld. Het beloop van de vordering in conventie is € 1.600,63 (plus wettelijke rente tot de dag van dagvaarding bij de kantonrechter). De vorderingen in reconventie zijn van onbepaalde waarde. De vorderingen in reconventie hebben net als een deel van de vordering in conventie betrekking op de afrekening van de servicekosten over 2021. Omdat [geïntimeerde] in reconventie ook vordert Livingstone Tree te veroordelen de als voorschot te veel betaalde servicekosten aan haar terug te betalen, ziet de vordering in reconventie op meer dan alleen de bevrijding van de vordering in reconventie. Op het moment van het instellen van de vorderingen in reconventie was onduidelijk welke waarde dat deel van de vordering in reconventie vertegenwoordigde. Op dat moment beschikte [geïntimeerde] – zoals de kantonrechter heeft overwogen en waartegen Livingstone Tree geen hoger beroep heeft ingesteld – namelijk nog niet over een voldoende inzichtelijke afrekening van de servicekosten, zodat ook nog niet duidelijk was of zij terugbetaling wenste van het volledige door haar in 2021 betaalde voorschot op de servicekosten van € 548 dan wel een beperkt deel daarvan. Er waren dan ook geen duidelijke aanwijzingen dat het totale beloop van de vorderingen in conventie van € 1.600,63 plus de totale waarde van de vorderingen in reconventie geen hogere waarde vertegenwoordigden dan € 1.750. Dat betekent dat Livingstone Tree kan worden ontvangen in het door haar ingestelde hoger beroep.
Belang bij hoger beroep
3.9.
[geïntimeerde] stelt dat Livingstone Tree geen belang heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep, omdat de vordering van Livingstone Tree in hoger beroep is beperkt tot het vernietigen van de drie vonnissen van de kantonrechter en tot betaling van de proceskosten door [geïntimeerde] , en Livingstone Tree dus niet heeft vermeld wat er met de vorderingen in conventie en in reconventie moet gebeuren. Livingstone Tree heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat in haar vordering tot vernietiging van de vonnissen van de kantonrechter besloten ligt dat de vordering in conventie alsnog moet worden toegewezen en – naar het hof begrijpt – de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen.
3.10.
Het is juist dat Livingstone Tree in de memorie van grieven niet heeft geconcludeerd wat er volgens haar met de vorderingen in conventie en in reconventie moet gebeuren. Maar het hof zal de dagvaarding in hoger beroep en de memorie van grieven op dit punt welwillend lezen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat Livingstone Tree in de dagvaarding in hoger beroep expliciet heeft gevorderd om de vonnissen van de kantonrechter te vernietigen ‘voor zover de vorderingen in conventie niet geheel zijn toegewezen en voor zover de vorderingen in reconventie zijn toegewezen’, terwijl zij in randnummer 72 van de memorie van grieven het hof heeft verzocht om een deskundigenbericht te bevelen ‘voor het geval uw gerechtshof niet aanstonds tot een toewijzing van de vorderingen in conventie en afwijzing van die in reconventie concludeert’. Hieruit kan niet anders worden begrepen dan dat Livingstone Tree bedoeld heeft te concluderen dat het hof na vernietiging van de vonnissen van de kantonrechter de vorderingen in conventie alsnog zal toewijzen en de vorderingen in reconventie alsnog zal afwijzen. Het hof zal hiervan uitgaan, aangezien uit de memorie van antwoord en de behandeling ter zitting volgt dat [geïntimeerde] dit ook zo heeft begrepen. [geïntimeerde] wordt dus niet benadeeld door deze welwillende lezing van de dagvaarding in hoger beroep en de memorie van grieven.
De over 2021 in rekening gebrachte servicekosten
3.11.
Het hof stelt voorop dat het oordeel van de kantonrechter over de afrekening van de servicekosten over de periode 1 september 2021 tot en met 31 december 2021 erop neerkomt dat die afrekening juist is geweest, met uitzondering van de in rekening gebrachte stookkosten voor het appartement. Livingstone Tree heeft hoger beroep ingesteld tegen – kort gezegd – het oordeel van de kantonrechter over de stookkosten. [geïntimeerde] heeft geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Dat betekent dat het in hoger beroep alleen nog gaat over de in rekening gebrachte stookkosten in genoemde periode en dat het hof ervan uitgaat dat de overige servicekosten in 2021 terecht in rekening zijn gebracht.
3.12.
Ten aanzien van de stookkosten is in geschil of het door Livingstone Tree in rekening gebrachte bedrag van € 490,93 juist is en of het door Livingstone Tree in rekening gebrachte aantal kWh juist is.
3.13.
Het is aan Livingstone Tree om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de door haar bij [geïntimeerde] in rekening gebrachte stookkosten juist zijn. Omdat de afrekening van de servicekosten (inclusief de stookkosten) aanvankelijk onvoldoende inzichtelijk was, heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 12 juli 2023 (i) Livingstone Tree in de gelegenheid gesteld om een gespecificeerde afrekening van de servicekosten over de periode september 2021 tot en met december 2021 over te leggen en (ii) Livingstone Tree opgedragen om te bewijzen dat de stookkosten in de aan [geïntimeerde] op 30 juni 2022 verzonden specificatie servicekosten correct zijn berekend. Tegen deze beslissingen heeft Livingstone Tree geen hoger beroep ingesteld. Voor zover zij vraagt om vernietiging van het tussenvonnis van 12 juli 2023 zal het hof het gevorderde daarom afwijzen.
3.14.
Livingstone Tree heeft vervolgens een gespecificeerde afrekening van de servicekosten met onderbouwende stukken overgelegd, waarbij zij uitlegt hoe zij de bij [geïntimeerde] in rekening gebracht prijs per kWh van € 0,179676 heeft berekend. Livingstone Tree heeft het totale bedrag aan stookkosten voor de appartementen in het complex in 2021 van € 132.595,61 gedeeld door het totale aantal kWh dat in 2021 is verbruikt voor verwarming en koeling van de appartementen (737.968,9 kWh). Daarnaast heeft Livingstone Tree toegelicht en onderbouwd dat de stookkosten ten opzichte van eerdere jaren zijn gestegen, omdat zij tot en met 30 april 2021 een gunstig energiecontract had met een vaste kWh-prijs van € 0,046120 tijdens de daluren en € 0,057020 tijdens de piekuren en dat zij daarna alleen een contract met variabele tarieven kon afsluiten waarbij het tarief per kWh elke maand gestaag is gestegen van € 0,065330 in mei 2021 tot € 0,256112 in december 2021. Ook heeft Livingstone Tree uitgelegd hoe het individuele verbruik van elektriciteit voor het verwarmen en koelen van het appartement wordt vastgesteld. Dit komt er kort gezegd op neer dat op het dak van het complex luchtbehandelingsunits staan. Elke unit zorgt voor het verwarmen en koelen van een aantal appartementen. Het verbruik per appartement wordt digitaal vastgesteld door een gecertificeerde uitleesmodule. Bewoners kunnen in een app (en dus niet op een fysieke meter) hun elektriciteitsverbruik aflezen. Een en ander is door [geïntimeerde] niet betwist.
3.15.
Het hof is van oordeel dat Livingstone Tree hiermee het opgedragen bewijs dat de stookkosten correct zijn berekend, heeft geleverd. Livingstone Tree hoefde uit de door de kantonrechter gegeven bewijsopdracht niet te begrijpen dat zij ook moest bewijzen dat het gemeten aantal kWh dat door [geïntimeerde] is verbruikt voor de verwarming en koeling van haar appartement juist is. Dit volgt niet uit de tekst van de bewijsopdracht. Het hof acht het niet passend om de bewijsopdracht ruim uit te leggen. Voor degene die bewijs opgedragen krijgt, moet namelijk duidelijk zijn wat er moet worden bewezen. Daarbij past juist dat die opdracht bij twijfel beperkt wordt uitgelegd.
3.16.
Maar ook als de bewijsopdracht niet beperkt zou worden uitgelegd, leidt dit niet tot een andere uitkomst. Livingstone Tree heeft namelijk gegriefd tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij de stelplicht en bewijslast heeft van de juistheid van het gemeten verbruik voor het verwarmen en koelen van het appartement en het hof volgt haar hierin. De stelplicht (en bewijslast) hiervan rust op [geïntimeerde] , aangezien [geïntimeerde] zich erop beroept dat het gemeten verbruik niet juist is.
3.17.
[geïntimeerde] heeft ter toelichting op haar stelling dat het gemeten verbruik niet juist is, aangevoerd dat het energieverbruik opvallend hoog is, dat zij (en andere huurders) gedurende enkele maanden geen toegang hadden tot de app, dat de meterstanden in de app onverklaarbaar fluctueerden en dat ook als de verwarming uit stond de meterstanden in de app toenamen. Livingstone Tree heeft een en ander gemotiveerd betwist.
3.18.
[geïntimeerde] wijst erop dat het bij haar over de maanden september tot en met december 2021 in rekening gebrachte verbruik van 2.732,3 kWh opvallend hoog is, gelet op het door United Consumers genoemde gemiddelde jaarverbruik van 2.800 kWh. Livingstone Tree heeft hier tegenover gesteld dat [geïntimeerde] stelselmatig meer energie verbruikte. Ter toelichting hierop heeft Livingstone Tree onder meer gesteld dat [geïntimeerde] van 11 juli 2018 tot en met 30 juni 2020 een andere woning in het complex heeft gehuurd en dat zij in die woning in 2019 een verbruik had van 4.598,3 kWh, terwijl de opvolgende bewoner een verbruik had van 2.194,6 kWh in 2021 en 2.676,2 kWh in 2022. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat zij in die woning in 2019 4.598,3 kWh elektriciteit heeft verbruikt voor het verwarmen en koelen van haar woning. Gelet hierop verbruikte [geïntimeerde] in het verleden dus ook al substantieel meer elektriciteit voor het verwarmen en koelen van het appartement dan het door haar genoemde gemiddelde jaarverbruik, zodat zij haar stelling dat het in 2021 in rekening gebrachte energieverbruik opvallend hoog is onvoldoende heeft toegelicht.
3.19.
Vast staat dat [geïntimeerde] (en andere huurders) in het najaar van 2021 enige tijd geen toegang hebben gehad tot de app waarin zij het energieverbruik konden aflezen. Maar [geïntimeerde] heeft haar stelling dat het gemeten verbruik daardoor en door onverklaarbaar fluctuerende meterstanden niet juist zou zijn, onvoldoende toegelicht. Livingstone Tree heeft namelijk uitgelegd dat de oorzaak van de storing was dat de stekker van het modem dat de communicatie verzorgt tussen de warmtepomp en [naam2] eruit was getrokken, dat hierdoor de meterstanden in de app fluctueerden, dat dit volkomen los staat van de registratie van het elektriciteitsverbruik, dat het verbruik na het weer aansluiten van de modem op 15 januari 2022 is uitgelezen en dat vervolgens is geschat wat het verbruik op 31 december 2021 is geweest. Voor zover dit verbruik niet juist is geschat, zal het om een geringe afwijking zijn gegaan die bovendien bij de afrekening over 2022 is recht getrokken. Dat die metingen desondanks niet juist zouden zijn, is door [geïntimeerde] onvoldoende toegelicht.
3.20.
Ook voor het oplopen van de meterstanden bij het uitzetten van de verwarming heeft Livingstone Tree een verklaring gegeven, namelijk dat het systeem zelf een beperkt energieverbruik (standby-verbruik) heeft.
3.21.
Het hof is dan ook van oordeel dat [geïntimeerde] haar stelling dat het gemeten verbruik niet juist is tegenover de betwisting door Livingstone Tree onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd. Voor zover [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat haar stelling wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [naam3] , design engineer [naam4] , voert Livingstone Tree daartegen terecht aan dat [naam3] uitsluitend theoretische opmerkingen over VRF-installaties heeft gemaakt. Uit zijn verklaring volgt niet dat het gemeten verbruik van [geïntimeerde] niet juist is.
3.22.
[geïntimeerde] heeft ook nog gesteld dat Livingstone Tree ten onrechte heeft gerekend met een gemiddeld tarief voor het elektriciteitsverbruik, terwijl vanaf 30 april 2021 een variabel tarief gold. Maar het hof gaat hieraan voorbij, aangezien uit de door Livingstone Tree overgelegde stukken volgt dat dit tarief per maand hoger werd en het rekenen met een gemiddeld jaartarief dus in het voordeel van [geïntimeerde] zal hebben gewerkt.
3.23.
Dit alles betekent dat Livingstone Tree bij de berekening van de servicekosten terecht is uitgegaan van het door haar gemeten elektriciteitsverbruik en de in rekening gebrachte stookkosten van € 490,93 volledig door [geïntimeerde] moeten worden betaald. Aangezien de overige in rekening gebrachte servicekosten in hoger beroep niet ter discussie staan, betekent dit dat de volledige in rekening gebrachte servicekosten over de periode september 2021 tot en met december 2021 van € 953,82 door [geïntimeerde] verschuldigd waren. Rekening houdend met de door haar betaalde voorschotten van € 548 moet zij nog het gevorderde bedrag van € 405,82 aan Livingstone Tree betalen. De vordering van Livingstone Tree zal in zoverre worden toegewezen.
De verhoging van de servicekosten in 2022
3.24.
De kantonrechter heeft de vordering van € 1.005 voor de verhoging van de servicekosten in 2022 afgewezen. Reden daarvoor was dat niet aan de voorwaarde voor het mogen verhogen van de servicekosten was voldaan, omdat er een afrekening was verstrekt die niet inzichtelijk was en achteraf niet bleek te kloppen. Gelet op het voorgaande was dit oordeel van de kantonrechter niet juist.
3.25.
Naar het hof uit de als productie 5 bij dagvaarding overgelegde brieven begrijpt, ziet de vordering op de verhoging van de servicekosten over de maanden augustus tot en met december 2022. De verhoging is gemeld bij brief van 30 juni 2022, waarbij ook een overzicht van de in rekening gebrachte servicekosten is verstrekt dat achteraf bezien juist was. De verhoging van het voorschotbedrag voldoet dan ook aan hetgeen hierover in artikel 7:261 BW Pro hierover is bepaald, zodat ook deze vordering van Livingstone Tree zal worden toegewezen.
Wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten
3.26.
De over de hoofdsom van € 1.410,82 (€ 405,82 + € 1.005) gevorderde wettelijke rente tot 23 december 2022 van € 6,70 zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de vanaf 23 december 2023 gevorderde wettelijke rente over de verschuldigde hoofdsom.
3.27.
Livingstone Tree heeft € 183,11 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [geïntimeerde] is consument. Daarom moet het hof controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Het hof stelt vast dat Livingstone Tree voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Livingstone Tree heeft op 18 oktober 2022 een aanmaning gestuurd voor het niet betalen van de afrekening servicekosten 2021 van € 405,82 en zij heeft op 10 augustus 2022, 12 september 2022, 10 oktober 2022 en 9 november 2022 aanmaningen gestuurd voor het niet betalen van vier keer € 201. Deze aanmaningen voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Voor de vijfde termijn van € 201 is geen aanmaning overgelegd. Voor de betaling van de vorderingen had kunnen worden volstaan met één aanmaning. Voor de vaststelling van de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten worden de hoofdsommen waarvoor is aangemaand bij elkaar opgeteld, zodat wordt uitgegaan van een hoofdsom van € 1.209,82 (vier keer € 201 plus € 405,82). De hierover verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten bedragen € 181,47 exclusief btw, ofwel € 219,58 inclusief btw. Het gevorderde bedrag is lager, zodat dit volledig zal worden toegewezen.
De conclusie
3.28.
Het hoger beroep slaagt. De vorderingen van Livingstone Tree zullen worden toegewezen. De vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt namelijk dat de eindafrekening 2021 juist was. [geïntimeerde] heeft daarom geen belang bij een verklaring voor recht waarin het door haar te betalen bedrag wordt bepaald.
3.29.
Omdat [geïntimeerde] geheel in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [5] Het hof laat de beslissingen van de kantonrechter over de proceskosten in stand, aangezien Livingstone Tree deze kosten zelf heeft veroorzaakt door voorafgaand aan de procedure in eerste aanleg onvoldoende inzicht te geven in de afrekening van de servicekosten over 2021 en daarmee ook onvoldoende inzicht te geven of een verhoging van het voorschot op de servicekosten redelijk was.

4.De beslissing

Het hof:
in conventie en in reconventie
4.1.
vernietigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 24 januari 2024 en 14 mei 2025, behalve de beslissingen in het vonnis van 14 mei 2025 onder 3.2, 3.3, 3.7 en 3.8, en beslist als volgt:
veroordeelt [geïntimeerde] om aan Livingstone Tree te betalen € 1.600,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.410,82 met ingang van 23 december 2022;
4.2.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van Livingstone Tree in hoger beroep:
€ 827 aan griffierecht
€ 120,21 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 1.824 aan salaris van de advocaat van Livingstone Tree (2 procespunten x het toepasselijke tarief I);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.D. Hoekstra, L.J. de Kerpel-van de Poel en S.I. Geerling, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

Voetnoten

4.HR 28 september 1951, ECLI:NL:HR:1951:319, NJ 1952/200
5.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853