ECLI:NL:GHARL:2026:4919

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
200.340.968
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 BWArt. 4:7 lid 1 BWArt. 4:65 BWArt. 25 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling legitieme portie en afwijzing uitstel betaling in erfrechtelijke procedure

In deze civiele erfrechtelijke procedure stond de vaststelling van de legitieme portie centraal. Het hof bevestigde dat de onderbewindgestelde de enige erfgenaam is en stelde de legitieme porties van de geïntimeerden ieder vast op €31.382,46. De waarde van de nalatenschap werd zorgvuldig vastgesteld, waarbij onder meer de woning en schulden werden betrokken.

De onderbewindgestelde verzocht om uitstel van betaling van de legitieme porties, stellende dat hij anders gedwongen zou zijn zijn woning te verkopen en zijn vertrouwde omgeving te verlaten. Het hof erkende dit als een gewichtige reden in de zin van artikel 4:5 BW Pro, maar wees het verzoek af omdat de onderbewindgestelde geen inzicht gaf in zijn actuele financiële situatie en geen bewijs aanbood ter onderbouwing.

Het hof oordeelde dat de legitieme porties opeisbaar zijn sinds 22 november 2021 en dat de geïntimeerden recht hebben op betaling. De eerdere vonnissen van de rechtbank werden vernietigd en het hof bepaalde dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt. De veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad gesteld, zodat betaling ook kan worden afgedwongen tijdens eventuele verdere procedures.

Uitkomst: Het hof stelt de legitieme porties vast en veroordeelt de onderbewindgestelde tot onmiddellijke betaling zonder uitstel.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.340.968
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 535732
arrest van 28 juli 2026
in de zaak van
[appellant]
als bewindvoerder over alle goederen van [onderbewindgestelde]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. H.E. Brokers-van Dijk
tegen

1.[geïntimeerde1]

die woont in [woonplaats]
2.
[geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. M. Mos

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Het verdere procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
  • het arrest van het hof van 12 augustus 2025
  • de akte van uitlatingen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]
  • antwoordakte en verzoek schorsing procedure van [onderbewindgestelde]
  • akte van uitlatingen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]
  • akte uitlating schorsing en hervatting van het geding van [appellant]
  • akte van uitlatingen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]
  • antwoordakte van [appellant]

2.De kern van de zaak

2.1.
Het hof heeft in het tussenarrest van 20 mei 2025 beslist dat [onderbewindgestelde] de enige erfgenaam is van erflaatster en de vonnissen van 5 juli 2023 en 6 december 2023 niet in stand te houden (te vernietigen). Het hof moet nog beslissen over de vorderingen XXVIII en XXIX van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] om hun legitieme portie vast te stellen en [onderbewindgestelde] te veroordelen deze aan hen te betalen.
2.2.
Het hof heeft in het tussenarrest van 12 augustus 2025 bepaald welke goederen en schulden meetellen voor de berekening van de legitimaire massa en partijen de gelegenheid gegeven voor taxatie van de marktwaarde vrij van huur en gebruik op [sterfdag] van de woning van erflaatster en [onderbewindgestelde] in [woonplaats].
2.3.
In dit eindarrest stelt het hof vast hoe groot de legitieme portie van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] is en beslist het hof dat [onderbewindgestelde] geen uitstel krijgt voor de betaling van de legitieme porties. Het hof zal dat hierna toelichten.

3.De toelichting van de beslissing van het hof

3.1.
Op 22 januari 2026 is een bewind ingesteld over alle goederen van [onderbewindgestelde]. [appellant] is tot bewindvoerder benoemd. [appellant] heeft de procedure overgenomen en zet deze voort.
3.2.
Voor de berekening van de legitimaire massa zijn alle gegevens nu voorhanden. De waarde van de woning [adres] in [woonplaats] op [sterfdag] is in opdracht van partijen geschat op € 375.000. Partijen gaan voor de berekening van de legitimaire massa uit van deze waarde.
3.3.
Het hof recapituleert dat de legitieme portie van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ieder is ¼ x (G+Gi-S). G is de waarde van de goederen van de nalatenschap op de sterfdag van erflaatster ([sterfdag]). Gi zijn de in aanmerking te nemen giften. S zijn de schulden op de sterfdag van erflaatster vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder Pro a tot en met c en f BW (artikel 4:65 BW Pro).
3.4.
De goederen van de nalatenschap op [sterfdag] zijn:
helft woning € 187.500
helft bankrekening ING NLINGB0672281074 € 9.043,45
helft bankrekening ING NLINGB0000798331 € 3.812,50
sieraden € 5.000
helft Renault Berlingo € 250
helft inventaris woning nihil
teruggaven Belastingdienst
€ 4.667,90
totaal € 210.273,85
3.5.
De schulden van erflaatster op [sterfdag] zijn:
helft schulden hypothecaire geldlening € 78.300.
uitvaartkosten.
€ 6.444
totaal € 84.744
3.6.
Er zijn geen giften die in aanmerking komen bij de berekening van de legitimaire massa.
3.7.
De legitimaire massa bedraagt: € 210.273,85 -/- € 84.744 = € 125.529,85. De legitieme portie van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] is voor elk 1/4e hiervan of € 31.382,46.
3.8.
Partijen zijn het erover eens dat de legitieme porties opeisbaar zijn geworden op 22 november 2021. Dat betekent dat de vorderingen XXVIII en XXIX van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] toewijsbaar zijn. Die vorderingen luiden als volgt:
XXVIII. Voor zover de eisers geen erfgenamen zouden zijn, verzoeken de eisers U
EA de legitieme portie van ieder van hen vast te stellen;
XXIX. de man in de hoedanigheid van erfgenaam, executeur, dan wel
vereffenaar van de nalatenschap te veroordelen tot betaling van de aan
ieder van de eisers verschuldigde legitieme portie;
3.9.
[onderbewindgestelde] wil dat het hof bepaalt dat uitkering van de legitieme porties pas aan de orde is bij verkoop en levering van de woning aan een derde of bij zijn overlijden. Het hof zal gelet op de stellingen van [onderbewindgestelde] dit verzoek beoordelen in het kader van de regels van artikel 4:5 BW Pro (artikel 25 Rv Pro) en zal dat verzoek in deze dagvaardingsprocedure behandelen. Het is niet per se nodig dat dit verzoek wordt gedaan bij de rechtbank volgens de verzoekschriftenprocedure. Niets staat eraan in de weg dat de rechter die beslist over een vordering tot betaling van de legitieme portie ook op dit verzoek beslist. Op proceseconomische gronden ligt dat ook meer voor de hand dan dat partijen worden gedwongen daarover nog een afzonderlijke procedure voeren. [1]
3.10.
Artikel 4:5 BW Pro biedt de mogelijkheid wegens gewichtige redenen te bepalen dat een schuld die ontstaat door toepassing van het erfrecht, zoals een legitieme portie, pas na verloop van een of meer termijnen hoeft te worden betaald, al dan niet vermeerderd met rente en al dan niet onder het stellen van persoonlijke of zakelijke zekerheid voor de voldoening van de hoofdsom en verschuldigde rente. Daarbij let de rechter op de belangen van beide partijen.
3.11.
De belangen van partijen zijn duidelijk. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben belang bij betaling van hun legitieme portie. Die legitieme is al sinds 22 november 2021 opeisbaar, maar vanwege de procedure tussen partijen nu pas vastgesteld. Bovendien moeten zij erfbelasting betalen omdat zij een legitieme portie krijgen, al zal dat gelet op de hoogte van de legitieme portie en de vrijstelling die ieder van het hen heeft voor de erfbelasting (in 2021: € 21.282) niet een groot bedrag zijn. [onderbewindgestelde] heeft belang bij uitstel van de betaling van de legitieme porties tot de verkoop van de woning of zijn overlijden, omdat er dan geld beschikbaar komt om die betalingen te doen.
3.12.
Het is de vraag of er in dit geval een gewichtige reden voor uitstel van de betaling is. [onderbewindgestelde] stelt dat hij gedwongen wordt zijn woning te verkopen als hij nu moet betalen, omdat hij onvoldoende geld heeft. Hij is hoogbejaard en zou noodgedwongen zijn oude vertrouwde omgeving moeten verlaten en elders onderdak moeten vinden, terwijl het altijd de bedoeling van erflaatster is geweest dat hij na haar overlijden in de woning kon blijven. Dit is naar het oordeel van het hof een gewichtige reden in de zin van artikel 4:5 BW Pro. Toch zal het hof in dit geval niet bepalen dat [onderbewindgestelde] de legitieme porties later mag betalen. [onderbewindgestelde] is in totaal een bedrag van € 62.764,92 verschuldigd. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] betwisten dat hij dit bedrag niet kan betalen. [onderbewindgestelde] heeft geen inzicht gegeven in zijn actuele financiële situatie en biedt dat ook niet aan, zodat het hof niet kan vaststellen of zijn stelling klopt en inderdaad sprake is van een gewichtige reden voor uitstel van betaling. [onderbewindgestelde] biedt ook geen nader bewijs aan. Het hof gaat daarom voorbij aan zijn stelling en wijst zijn verzoek af.
3.13.
Het is om dezelfde reden dat het hof ook niet kan vaststellen of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (beperkende werking redelijkheid en billijkheid) dat [onderbewindgestelde] de legitieme porties nu moet betalen of dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit (aanvullende werking redelijkheid en billijkheid) dat hij dat nu nog niet hoeft te doen.
Slotsom
3.14.
Grief 2 van [onderbewindgestelde] slaagt; de overige grieven (1, 3-5) falen. Het hof zal de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland van 5 juli 2023 (tussenvonnis) en 6 december 2023 (eindvonnis) vernietigen en beslissen als volgt.
3.15.
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten voor de procedure bij de rechtbank en bij het hof moet dragen (compensatie van proceskosten), omdat partijen ieder deels gelijk hebben gekregen.
3.16.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
verklaart [onderbewindgestelde] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover hij grieven richt tegen de wijze van verdeling van de woning zoals de rechtbank die heeft gelast;
4.2.
vernietigt de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland op 5 juli 2023 (tussenvonnis) en 6 december 2023 (eindvonnis) tussen partijen heeft uitgesproken;
4.3.
verklaart voor recht dat [onderbewindgestelde] de enige erfgenaam is van erflaatster ([erflaatster], overleden op [sterfdag]) is;
4.4.
stelt de legitieme portie van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in de nalatenschap van erflaatster voor ieder van hen vast op € 31.382,46 en veroordeelt [onderbewindgestelde] de legitieme porties aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te betalen;
4.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbank en het hof;
4.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst alle overige vorderingen en het verzoek inzake artikel 4:5 BW Pro af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L. van der Bel, J.H. Lieber en R.E. Brinkman en is door de oudste raadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 7 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11253, rov. 3.30.