ECLI:NL:GHARL:2026:4947

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
200.355.618
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:941 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verzekeringsfraude bij inbraakclaim met onjuiste inlichtingen over sieraden

Achmea heeft hoger beroep ingesteld tegen vonnissen van de rechtbank Gelderland waarin werd geoordeeld dat de verzekerde zich niet schuldig had gemaakt aan opzettelijke misleiding bij een inbraakclaim. De verzekerde claimde een schadevergoeding van €97.500 wegens gestolen sieraden en contant geld na een inbraak in haar woning.

Het hof stelde vast dat de verzekerde onjuiste en tegenstrijdige verklaringen gaf over de aankoopdata, aantallen en waarde van de sieraden, met als doel Achmea te misleiden. Dit werd onderbouwd met onder meer whatsapp-berichten, bankafschriften, sieradenexpertises en politieonderzoek. De aanwezigheid van derden bij de aankopen en de authenticiteit van bonnen werden betwist en onvoldoende geloofwaardig verklaard.

Gelet op het opzet tot misleiding vervalt het recht op uitkering volgens artikel 7:941 lid 5 BW Pro. Ook de opname van de verzekerde in frauderegisters en beëindiging van de verzekering zijn gerechtvaardigd. Achmea werd tevens in het gelijk gesteld met betrekking tot de vergoeding van onderzoekskosten en proceskosten. Het hof vernietigde de eerdere vonnissen en wees de vorderingen van de verzekerde af.

Uitkomst: Het hof vernietigt de vonnissen en wijst de vorderingen van de verzekerde af wegens opzettelijke misleiding, met veroordeling tot betaling van onderzoekskosten, proceskosten en terugbetaling van onterecht ontvangen bedragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.618
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 409311
arrest van 28 juli 2026
in de zaak van
Achmea Schadeverzekeringen N.V.
die is gevestigd in Apeldoorn
hierna: Achmea
advocaat: mr. A.W. Hendriks
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. N. van Mook

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Achmea heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem (hierna: de rechtbank) op 28 juni 2023 en 17 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken [1] .
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 10 juni 2026 is gehouden, en de daarin genoemde nader ingediende producties
  • nagezonden ontbrekende producties 8 en 9 van Achmea (bij conclusie na enquête) en beter leesbare eerste bladzijde van productie 4 in hoger beroep van [geïntimeerde] (echter nog steeds niet goed leesbaar)

2.De kern van de zaak

2.1.
[geïntimeerde] is bij Achmea verzekerd voor onder andere inbraakschade. Zij heeft op 5 februari 2021 een claim ingediend voor schade als gevolg van een inbraak in haar woning. Zij maakt aanspraak op vergoeding van gestolen sieraden en een bedrag van € 18.000 aan gestolen contant geld. In totaal claimt zij € 97.500. Achmea stelt zich op basis van een door haar uitgevoerd toedrachtonderzoek onder meer op het standpunt dat [geïntimeerde] onjuiste inlichtingen heeft gegeven, met het opzet Achmea te misleiden. Zij heeft daarom uitkering geweigerd, de verzekering beëindigd en [geïntimeerde] in diverse frauderegisters - waaronder het EVR (Extern Verwijzingsregister) - laten opnemen.
2.2.
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd, samengevat, voor recht te verklaren dat: (i) [geïntimeerde] zich niet schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk overleggen van onjuiste informatie/gegevens met als doel Achmea te misleiden met betrekking tot de schademelding van 5 februari 2021 en dus niet in strijd heeft gehandeld met artikel 7:941 BW Pro, en (ii) dat [geïntimeerde] geen onrechtmatige daad en/of wanprestatie heeft gepleegd ten opzichte van Achmea met betrekking tot de schademelding van 5 februari 2021, en verder (iii) dat [geïntimeerde] niet gehouden is de onderzoekskosten van € 16.263,42 aan Achmea te vergoeden. Verder heeft zij vergoeding gevorderd van de geclaimde inbraakschade ter hoogte van € 97.500,-, vermeerderd met rente en kosten en van de schade die [geïntimeerde] heeft geleden als gevolg van de onterechte registraties in de frauderegisters en de onterechte melding bij het Centrum Bestrijding Criminaliteitsfraude, nader op te maken bij staat. Een en ander met veroordeling van Achmea in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente. [geïntimeerde] heeft daarnaast in een incident gevorderd dat de rechtbank voorlopige voorzieningen zal treffen voor de duur de procedure. Samengevat heeft [geïntimeerde] in dit incident ongedaanmaking gevorderd van de opname in de registers bestemd voor de bestrijding van fraude en ongedaanmaking van de beëindiging van haar verzekeringen.
2.3.
Achmea heeft (in reconventie) bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot vergoeding van de door Achmea gemaakte onderzoekskosten. Het gaat om een bedrag van € 16.263,42, vermeerderd met rente en kosten.
2.4.
De rechtbank heeft in het vonnis van 28 juni 2023 Achmea opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerde] onjuiste informatie aan haar heeft verstrekt met het opzet haar te misleiden. In datzelfde vonnis is de incidentele vordering van [geïntimeerde] toegewezen. In het eindvonnis van 17 juli 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat Achmea niet is geslaagd in het leveren van het opgedragen bewijs. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [geïntimeerde] zich niet schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk overleggen van onjuiste informatie/gegevens met als doel Achmea te misleiden met betrekking tot de schademelding van 5 februari 2021 en dus niet in strijd heeft gehandeld met artikel 7:941 BW Pro. Verder is Achmea veroordeeld om een bedrag van € 16.250,- op grond van de verzekering aan [geïntimeerde] te voldoen en is Achmea veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft (in reconventie) de vorderingen van Achmea afgewezen, met veroordeling van Achmea in de proceskosten. In het incident heeft de rechtbank de kosten gecompenseerd.
2.5.
Het hoger beroep van Achmea strekt ertoe dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen en de (vermeerderde) vordering van Achmea wordt toegewezen. Het hoger beroep treft doel. Het hof licht hierna toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1.
Het hof verwijst voor de vaststaande feiten naar het bestreden vonnis van 28 juni 2023 (r.o. 2.1 tot en met 2.7).
3.2.
Aanvullend is komen vast te staan dat een strafrechtelijk onderzoek is gestart met als verdachten [geïntimeerde] , [persoon1] (hierna: [persoon1] ) en [persoon2] (hierna: [persoon2] ). Volgens [geïntimeerde] zijn [persoon1] en [persoon2] respectievelijk haar huidige vriend en haar ex partner. In het kader van dit strafrechtelijk onderzoek heeft op 20 mei 2025 een huiszoeking plaatsgevonden bij [geïntimeerde] . Daarbij zijn onder meer sieraden en contant geld aangetroffen. Achmea heeft die sieraden laten onderzoeken door sieradenexperts [sieradenexpert1] en [sieradenexpert2] . Daarvan is een rapport gemaakt en door Achmea overgelegd.
De politie heeft de telefoons van de verdachten uitgelezen. De daarvan opgemaakte processen-verbaal van bevindingen zijn ook door Achmea in het geding gebracht.
Op de inhoud van het sieradenonderzoek en de bevindingen van de politie komt het hof hieronder terug.
De beoordeling
3.3.
Volgens de opgave van [geïntimeerde] aan Achmea is bij een inbraak ergens tussen 27 januari en 5 februari 2021 bij haar thuis onder andere voor een fors bedrag aan sieraden gestolen. Een groot deel van die sieraden is volgens haar in augustus en september 2020 aangeschaft in de “Goudsouk” te Beverwijk. [geïntimeerde] heeft hierover verklaringen afgelegd tegenover de onderzoeker van Achmea. Ook heeft zij e-mails daarover gestuurd aan Achmea. De door [geïntimeerde] aldus gegeven inlichtingen zijn naar het oordeel van het hof onjuist en/of onvolledig, met de bedoeling Achmea te misleiden. Het hof verwijst daarvoor naar de volgende feiten en omstandigheden, die in onderling verband moet worden bezien:
[geïntimeerde] heeft verklaard dat haar vriend, [persoon1] , deze sieraden voor haar heeft gekocht en contant heeft betaald in een winkel genaamd [de juwelier] in de Goudsouk in de bazaar van Beverwijk, waarbij zij beiden aanwezig waren.
[geïntimeerde] heeft sterk wisselende verklaringen afgelegd waar het gaat over de data waarop zij die sieraden heeft gekocht en het aantal keren dat er een aankoop heeft plaatsvonden. Aan de toedrachtonderzoeker van Achmea heeft zij twee keer verklaard dat er tweemaal is gekocht. De eerste keer was volgens haar op 16/8/2020. Als bewijs daarvan heeft zij overgelegd een, in de Perzische taal (Farsi) handgeschreven, bon van € 38.600 gedateerd 15 augustus 2020. De datum op de bon was volgens [geïntimeerde] een vergissing omdat de aankoop plaatsvond op 16/8/2020 gelet op een foto van haar in de winkel van die datum. De tweede aankoop was volgens deze verklaringen op 6/9/2020. Als bewijs daarvan heeft [geïntimeerde] een, in de Perzische taal handgeschreven, bon van die datum van € 19.900 overgelegd. In een mailbericht van 7 juni 2022 verklaarde [geïntimeerde] echter, in afwijking van dit relaas, dat er driemaal is gekocht. De eerste keer was op 15/8/2020, waarvan zij een in de Arabische taal handgeschreven bon op haar telefoon toonde van € 18.600. De tweede keer was op 16/8/2020 waarbij voor € 20.000,- aan extra sieraden is gekocht. Daar is geen aparte bon van. De twee aankopen zijn volgens [geïntimeerde] op verzoek van [persoon1] in één bon (de genoemde bon van € 38.600 gedateerd op 15/8/2020) opgenomen. Vervolgens vond op 6/9/2020 de derde aankoop plaats (waarvan de genoemde bon van € 19.900). Zij heeft deze gang van zaken ook bevestigd op de mondelinge behandeling bij het hof. Dit laatste relaas is niet in lijn met de verklaring van [persoon1] , die zegt dat er tweemaal is gekocht: op 15 augustus en 6 september 2020.
Dit uiteindelijke relaas van [geïntimeerde] wijkt ook af van dat in een eerdere e-mail van haar aan Achmea van 30 mei 2022 waarin zij schrijft over een aankoop op 15/8/2020 en een aanvullende aankoop op 16/8/2020 voor € 1.300 omdat zij “nog iets leuks zag”.
De sieraden genoemd op de bon van 15/8/2020 van € 38.600 zijn dezelfde als die genoemd op de bon van 6/9/2020: een tiara (kroon), 6 armbanden en een kara (grote armband). Achmea heeft dat onweersproken gesteld op basis van de (niet betwiste) Nederlandse vertalingen van die bonnen. [geïntimeerde] heeft hiervoor geen verklaring gegeven.
Op de andere bon van 15/8/2020 (die van € 18.600) staan geen sieraden gespecificeerd maar wordt alleen “set sieraden 3 stuks en 153 gram” vermeld. Onweersproken is door Achmea gesteld dat een bedrag van € 18.600 voor 153 gram goud een veelvoud bedraagt van wat de waarde zou zijn naar de toen geldende goudprijs. De verklaring van [geïntimeerde] dat door [persoon1] dan teveel is betaald sluit niet aan bij haar verklaring ter zitting van het hof dat [persoon1] zich juist afzijdig hield van de prijsonderhandelingen en dat zij en, naar het hof begrijpt, [persoon2] en zijn broer, zich hier mee bezig hielden omdat zij daar meer ervaring mee hebben en Nederlandse kopers vaak een te hoge prijs betalen.
Er is verder door [geïntimeerde] aan de onderzoeker van Achmea een visitekaartje overhandigd van [de juwelier] . Dit kaartje heeft [geïntimeerde] volgens haar verklaring bij de aankopen gekregen. Naar zeggen van een medewerker van [de juwelier] tegen de onderzoeker van Achmea, werd dit type kaartje al jaren voor augustus 2020 niet meer door [de juwelier] gebruikt.
De handgeschreven bonnen (twee in het Perzisch en één in het Arabisch) waaruit volgens [geïntimeerde] de aankopen in augustus en september 2020 in Beverwijk blijken komen niet overeen met de facturen die [de juwelier] naar zeggen van de ondervraagde medewerker normaal hanteert (die zijn namelijk in de Nederlandse taal, en met een logo erop).
Er is door de politie een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen [geïntimeerde] , [persoon2] en [persoon1] .
Uit de door de politie uitlezen telefoon van [geïntimeerde] (proces-verbaal van bevindingen van 6-1-2026) blijkt dat zij met [persoon1] op 15/8/2020 en 6/9/2020 whatsapp gesprekken heeft gevoerd over de aanschaf van sieraden en hem daarvan toen foto’s heeft gestuurd. Dit roept onmiskenbaar het beeld op dat [persoon1] niet in de winkel van [de juwelier] aanwezig was op 15/8/2020 en 6/9/2020, anders dan [geïntimeerde] en [persoon1] aan de onderzoeker van Achmea hebben verklaard. Hiervoor kwam ter zitting de verklaring van [geïntimeerde] dat zij en [persoon1] , ook als ze bij elkaar zijn in dezelfde ruimte met anderen erbij, soms via whatsapp met elkaar communiceren. Uit de uitgelezen berichten blijkt echter dat [geïntimeerde] in de middag van 15/8/2020 drie whatsappberichten aan [persoon1] heeft gezonden, waaronder tweemaal foto’s van sieraden, en dat [persoon1] deze berichten pas rond half acht in de avond heeft gelezen en pas in de middag van de volgende dag heeft beantwoord. Dat beeld past niet bij het door [geïntimeerde] gestelde via Whatsapp gevoerd gesprek tussen beiden in de winkel.
In het Whatsapp gesprek van 15/8/2020 spreekt [geïntimeerde] over de aanschaf van sieraden voor een bedrag van € 15.000. Dit strookt niet met haar eerdere verklaringen dat op 15/8/2020 geen sieraden zijn gekocht (maar op 16/8/2020) en met haar latere verklaring dat er driemaal is gekocht: eerst op 15/8/2020 (bon van € 18.600) en toen op 16/8/2020 voor (€ 1.300,- of ) € 20.000,- (geen aparte bon), welke twee aankopen op verzoek van [persoon1] in één bon (die van € 38.600 gedateerd op 15/8/2020) zijn opgenomen. Opvallend is ook dat er geen whatsapp gesprekken zijn van 16/8/2020 over een tweede aankoop van sieraden.
Uit hetzelfde proces-verbaal blijkt dat er op 15/8/2020 in totaal € 4.950 is gepind van de rekening van [persoon1] en op 6/9/2020 in totaal € 2.900, en ook dat uit onderzoek is gebleken dat [geïntimeerde] gebruik kon maken van de bankrekening van [persoon1] . Beide bedragen zijn onvoldoende om de gestelde aankopen op die datum mee te kunnen betalen. Een onderbouwde en aannemelijke verklaring over aanvullende contanten waarmee dit wel mogelijk werd, ontbreekt.
Uit de in het kader van voornoemd strafrechtelijk onderzoek uitgelezen telefoons van [geïntimeerde] en [persoon2] (proces-verbaal van bevindingen van 14-01-2026) is verder gebleken dat [persoon2] en zijn broer aanwezig waren bij de aankopen in de winkel, zo bevestigde [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling. Aan de onderzoeker van Achmea had [geïntimeerde] echter nog verklaard dat zij met [persoon1] en twee van haar kinderen in de winkel was. Ook [persoon1] heeft niets verklaard over de aanwezigheid van de broers. Hij maakt alleen melding van een of twee kinderen die erbij waren. Ter zitting heeft [geïntimeerde] verklaard dat haar ex en zijn broer inderdaad twee keer in de winkel aanwezig waren, maar dat ze dit onder meer door de stress niet tegen de onderzoeker van Achmea heeft gezegd. Zij was hen toevallig tegengekomen in Beverwijk. Op de vraag of dat alle keren zo was zei [geïntimeerde] dat ze ook een keer waren meegegaan. Zij wist niet meer welke keer dat was. Hoe dat dan de derde keer is gegaan wist ze ook niet meer.
Dat uit de bankrekening van [persoon1] blijkt dat op 15/8/2020 en op 6/9/2020 parkeergeld is betaald in Beverwijk, zoals [geïntimeerde] aanvoert, maakt nog niet dat aannemelijk is dat hij toch in de winkel aanwezig was. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt immers als gezegd dat [geïntimeerde] kon beschikken over de bankrekening van [persoon1] . Ook staat vast dat [geïntimeerde] rijdt in een auto van [persoon1] . [persoon1] was verder op meerdere punten vaag in zijn verklaring. Zo kon hij zich de naam van de winkel niet herinneren, terwijl hij en [geïntimeerde] wel verklaren dat hij contant heeft betaald en de bonnen heeft meegekregen. Ook weigerde hij te vertellen met welke (volgens hem geleende) auto hij naar Beverwijk is gereden.
Bij huiszoeking door de politie op 20/5/2025 (dus enkele jaren na de gestelde inbraak) zijn veel gouden sieraden en geld in de woning van [geïntimeerde] gevonden. Door twee sieradenexperts die door Achmea zijn ingeschakeld is in een uitgebreid onderbouwd rapport verklaard dat “er overeenkomsten zijn tussen de in beslag genomen sieraden en de geclaimde sieraden bij Achmea. De in beslag genomen tiara (kroon), de (brede) Ajour armband en de diamanten cross-over ring zijn met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gelijk aan de sieraden die geclaimd zijn bij Achmea”. [geïntimeerde] heeft dit voor het eerst op de mondelinge behandeling tegengesproken, maar die betwisting acht het hof – zonder nadere onderbouwing – onvoldoende in het licht van de (niet bestreden) deskundigheid van beide experts.
De door [geïntimeerde] gegeven verklaring voor de gelijkenis tussen de gestelde gestolen en in beslaggenomen sieraden is dat na de inbraak [persoon1] medio mei 2023 in Dubai dezelfde sieraden (nogmaals) heeft gekocht en aan [geïntimeerde] heeft gegeven. Deze stelling mist echter voldoende onderbouwing. [geïntimeerde] heeft weliswaar twee facturen overgelegd, maar daar blijkt niet uit dat [persoon1] die sieraden vervolgens heeft meegenomen naar Nederland en aan [geïntimeerde] heeft geschonken. Verder ontbreekt de informatie waaruit zou moeten blijken dat de sieraden op deze facturen sterk gelijkende sieraden zijn met die als gestolen zijn opgegeven. Verder valt op dat een van de twee facturen, namelijk die waaruit volgens [geïntimeerde] blijkt dat [persoon1] een tiara van 33,49 gram heeft teruggekocht, door [persoon1] is getekend als “seller”, zodat daar de aankoop niet uit blijkt.
De gestolen sieraden en geld waren enkele weken voor de gestelde inbraak ook al door [geïntimeerde] als gestolen opgegeven, waarna zij enkele dagen later heeft gemeld dat het geld en de sieraden zijn teruggegeven. [persoon2] en zijn broer waren volgens [geïntimeerde] daarbij betrokken.
3.4.
Het hof acht op zich niet uitgesloten dat [geïntimeerde] in augustus en september 2020 sieraden heeft gekocht in Beverwijk. Achmea heeft echter in ieder geval ruim voldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] tegen haar heeft gelogen over welke sieraden dat precies waren en voor welke prijzen die zijn gekocht, dit met het doel Achmea te misleiden. Achmea heeft die onderbouwing gegeven door te wijzen op de hierboven weergegeven grote hoeveelheid niet of onvoldoende verklaarde ongerijmdheden, toevalligheden, onwaarachtigheden, inconsistenties in de verklaringen van [geïntimeerde] en alle overige omstandigheden, bezien in onderling verband. Hiertegenover schiet de motivering van de betwisting door [geïntimeerde] ernstig tekort. De ter motivering van haar betwisting nog aangevoerde stelling dat zij de bonnen niet kende omdat die aan [persoon1] waren meegegeven en deze zijn opgesteld in een taal die zij niet kent, kan alleen al hierom niet kloppen nu uit de whatsappberichten volgt dat [persoon1] bij de aankopen niet aanwezig was, wat ook wordt ondersteund door de vage verklaringen van [persoon1] over zijn aanwezigheid in Beverwijk. Wat de taal van de bonnen betreft is het zo dat de bedragen en de data op die bonnen in normale cijfers luiden en daarmee leesbaar zijn en dus te begrijpen.
Vanwege de onvoldoende gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] neemt het hof de stellingen van Achmea over fraude voor juist aan en komt het hof aan (tegen)bewijslevering niet toe.
3.5.
Gelet op het voorgaande, is het niet nodig in te gaan op alle overige stellingen van Achmea, zoals:
Het als gestolen opgegeven bedrag van € 18.000 zou de contante opbrengst zijn van de verkoop van een auto van [geïntimeerde] , welk bedrag naar zeggen van [geïntimeerde] al maanden onder een matras werd bewaard; op de nota van de verkoop wordt geen melding gemaakt van de BMW die de koper volgens een verklaring van zijn vader zou hebben ingeruild. Een vervangende auto is door [geïntimeerde] niet gekocht.
De politie gaat ervan uit dat [geïntimeerde] en [persoon2] , die onlangs ouders van een vierde kind zijn geworden, nog steeds partners zijn. Bij de huiszoeking is een toilettas van [persoon2] aangetroffen. Van [persoon1] (die ongeveer twee keer zo oud is als [geïntimeerde] ) zijn geen spullen aangetroffen.
[geïntimeerde] procedeerde bij de rechtbank op een toevoeging en deed alsof ze weinig middelen heeft, maar zij woont sinds 2022 in een door haar gekocht huis van 1,3 miljoen euro, zonder hypotheek.
3.6.
Het gevolg van het opzet tot misleiding ten aanzien van de sieraden die in Beverwijk volgens de stellingen van [geïntimeerde] zijn gekocht is het verval van het recht op uitkering als bedoeld in artikel 7:941 lid 5 slot Pro BW, ook voor die gedeelten van de inbraakschade waarbij eventueel geen sprake is geweest van onjuiste inlichtingen of opzet tot misleiding. Het hof acht die sanctie niet disproportioneel, mede gezien het grote aandeel dat dit deel van de inbraakschade in het totaal heeft (€ 58.500 op € 97.500). Verwezen wordt naar het arrest Lorus-horloge van de Hoge Raad [2] en de daarin genoemde wetsgeschiedenis.
3.7.
Met het voorgaande staat ook vast dat sprake is van een incident als bedoeld in de Begripsbepalingen van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2021 (PIFI). De aard en omvang van de fraude, waarvan Achmea aangifte heeft gedaan, is zodanig dat met in achtneming van de artikelen 4.1.1, 4.1.2 en 5.2.1 van dat Protocol opname van de persoonsgegevens van [geïntimeerde] in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister gegrond en gerechtvaardigd is. Niet valt in te zien dat het doel van de registratie, het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, in dit geval met een minder vergaand middel kan worden bereikt. Daarmee is aan de eis van subsidiariteit voldaan. Achmea heeft verder aan de hand van een door haar overgelegde proportionaliteitsmatrix onderbouwd hoe zij is gekomen tot de maximale termijn van acht jaar. Het hof ziet geen aanknopingspunten om hier te oordelen dat deze periode in dit geval disproportioneel is.
Uit het voorgaande vloeit voort dat ook de melding bij het CBV (Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit) niet onterecht heeft plaatsgevonden, en dat de verzekering vanwege fraude mocht worden beëindigd.
3.8.
Achmea heeft voldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] door het plegen van fraude wanprestatie heeft gepleegd en onrechtmatig jegens Achmea heeft gehandeld, wat leidt tot schadeplichtigheid. Achmea vordert betaling van de kosten van het toedrachtonderzoek, de fraudecoördinator, de vertaalkosten en de sieradenexperts. De omstandigheden dat de toedrachtonderzoeker en de fraudecoördinator werkzaam zijn voor Achmea en/of dat zij gedurende deze procedure (na het eindvonnis) door Achmea zijn ingeschakeld betekent niet dat geen verhaalbare kosten in de zin van artikel 6:96, lid 2 onder b BW zijn gemaakt. Achmea heeft de omvang van deze kosten ten bedrage van € 16.263,42 ook voldoende onderbouwd. Van een (voldoende) gemotiveerde betwisting is geen sprake. Verder zijn genoemde kosten naar het oordeel van het hof in redelijkheid gemaakt en redelijk van omvang. Dit alles geldt ook voor de kosten van beide sieradenexperts ten bedrage van € 3.209,89, waarmee de eis in hoger beroep is vermeerderd (en tegen welke eisvermeerdering op zich geen bezwaren zijn aangevoerd of gebleken). Genoemde bedragen zijn dan ook toewijsbaar.
De conclusie
3.9.
Het hoger beroep slaagt. Dit leidt tot de volgende beslissingen:
  • De bestreden vonnissen worden vernietigd;
  • De toegewezen vorderingen van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen;
  • De vorderingen van Achmea, inclusief de vermeerdering daarvan in hoger beroep, zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke rente niet eerder toewijsbaar is dan vanaf de datum waartegen die wordt toegewezen;
  • De restitutievordering van Achmea (terugbetaling van wat op grond van het vonnis is betaald, vermeerderd met wettelijke rente) is toewijsbaar;
  • [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure bij de rechtbank en die in hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.10.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
Vernietigt de vonnissen van de rechtbank Gelderland van 28 juni 2023 en 17 juli 2024 en beslist
- Wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af (in zowel de hoofdzaak als het incident);
- Veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan Achmea van een bedrag van € 16.263,42, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de conclusie van eis in reconventie, en tot betaling van € 3.209,89 vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van de memorie van grieven (7 oktober 2025), een en ander tot de dag van betaling.
4.2.
Veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan Achmea van alles wat Achmea op grond van de vernietigde vonnissen aan [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door Achmea tot aan de dag van terugbetaling.
4.3.
Veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van Achmea tot aan de uitspraak van de rechtbank (in hoofdzaak en incident):
€ 2.837,- aan griffierecht
€ 3.837,50 aan salaris van de advocaat van Achmea, te weten het totaal van:
o In het incident: 1 punt x het toepasselijke (oude) tarief II van € 614,-
o In conventie: 3 ½ procespunten x het toepasselijke (oude) tarief II van € 614,- = € 2.149,-
o In reconventie: helft conventie, eveneens (oude) tarief II: € 1.074,50.
en tot betaling van de volgende proceskosten van Achmea in hoger beroep:
o € 2.255,- aan griffierecht
o € 112,92 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
o € 3.340,- aan salaris van de advocaat van Achmea (2 procespunten x het toepasselijke (huidige) appeltarief III van € 1.670,- per punt).
4.4.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, J.P.H. Van Driel van Wageningen en M.B. Beekhoven van den Boezem en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.

Voetnoten

2.Hoge Raad van 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8089
3.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.