ECLI:NL:GHARL:2026:535

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
21-003040-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verwijzing na Hoge Raad
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep Mallorcazaak: intrekking vordering schadevergoeding na vaststellingsovereenkomst

In de Mallorcazaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 29 januari 2026 uitspraak gedaan na terugwijzing door de Hoge Raad. De zaak betrof een hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarbij de veroordeelde was veroordeeld tot een gevangenisstraf en een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het ging om de beslissing op de vordering van de benadeelde partij ter zake van gederfd levensonderhoud en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.

Voorafgaand aan de zitting van het hof op 29 januari 2026 bereikten partijen een vaststellingsovereenkomst waarin een schadevergoeding werd afgesproken en voldaan. De benadeelde partij trok daarop haar vordering in. Het hof stelde vast dat hierdoor geen verdere beslissing meer nodig was en verklaarde de zaak beëindigd.

De strafrechtelijke veroordeling en overige aspecten van de zaak bleven ongewijzigd; deze procedure betrof uitsluitend de civielrechtelijke afwikkeling van de schadevergoedingsvordering.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding is ingetrokken na betaling, waardoor het hof geen verdere beslissing hoefde te nemen en de zaak is beëindigd.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003040-25
Uitspraakdatum: 29 januari 2026
VERSTEK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen - na (partiële) terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van
8 juli 2025 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 18 november 2022 met parketnummer 16-206800-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

De veroordeelde en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft in hoger beroep bij arrest van 14 maart 2024 het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw recht gedaan.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 8 juli 2025 het bestreden arrest vernietigd, zij het uitsluitend voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde] . De Hoge Raad heeft de zaak naar het hof teruggewezen, opdat de zaak ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van gederfd levensonderhoud en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde] opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft in dat kader zitting bepaald op 29 januari 2026. Het hof heeft bij de onderhavige beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 29 januari 2026 en daaraan voorafgaand besproken is, en hetgeen op de zitting bij de rechtbank gecommuniceerd is.
Het hof heeft kennisgenomen van de berichten van de advocaat van de benadeelde partij voorafgaand aan de zitting en het standpunt van de advocaat-generaal.

Omvang van het hoger beroep en procesverloop

Het vonnis van de rechtbank
Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 18 november 2022 is de veroordeelde ter zake vijf feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar, met aftrek van het voorarrest. Voor dit arrest is relevant dat één van de feiten waarvoor de straf is opgelegd betreft het medeplegen van poging tot doodslag van [slachtoffer] (feit 1 primair) en openlijke geweldpleging onder meer tegen [slachtoffer] (feit 5). De vordering van de benadeelde partij van [benadeelde] (de partner van [slachtoffer] ) is gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 17.500,- en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
De veroordeelde is ten aanzien van deze vordering hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook heeft de rechtbank ten aanzien van de toegewezen vordering de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het arrest van het hof
De veroordeelde en de officier van justitie hebben tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft in hoger beroep bij arrest van 14 maart 2024 het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw recht gedaan en de veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest. Het hof heeft de veroordeelde voor zover relevant vrijgesproken van feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en feit 5 bewezenverklaard. De vordering van de benadeelde partij van [benadeelde] is geheel toegewezen tot een bedrag van € 218.057,-. De veroordeelde is ten aanzien van de vordering hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook heeft het hof ten aanzien van de toegewezen vordering de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Tegen dit arrest heeft de veroordeelde beroep in cassatie ingesteld.
Het arrest van de Hoge Raad
Zoals hiervoor al is weergegeven heeft de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 8 juli 2025 het bestreden arrest vernietigd, zij het uitsluitend voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] voor zover daarin een bedrag van € 198.057,- voor vergoeding van gederfd levensonderhoud is begrepen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde] . De Hoge Raad heeft de zaak naar het hof teruggewezen, zodat de zaak ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van gederfd levensonderhoud en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde] opnieuw wordt berecht en afgedaan. De Hoge Raad heeft het beroep voor het overige verworpen.
Procesverloop na de terugwijzing
Voorafgaand aan de zitting bij het hof op 29 januari 2026 is tussen de benadeelde partij [benadeelde] , de veroordeelde en de medeveroordeelden een vaststellingsovereenkomst overeengekomen. Kort gezegd houdt deze overeenkomst in dat tussen partijen een bedrag aan schadevergoeding is afgesproken dat aan [benadeelde] moest worden voldaan. Betaling van dat bedrag diende uiterlijk op 1 december 2025 plaats te hebben. Na betaling van dat bedrag verlenen de benadeelde partij en de veroordeelden elkaar over en weer algehele en finale kwijting ter zake van de gevolgen van hetgeen op 14 juli 2021 te [plaats] is gebeurd. Ook is afgesproken dat de benadeelde partij na tijdige ontvangst van het overeengekomen bedrag op de overeengekomen wijze de vordering zal intrekken. Deze overeenkomst is in oktober 2025 door alle partijen ondertekend, waaronder de veroordeelde en de benadeelde partij.
De advocaat van de benadeelde partij, mr. E.W. Bosch, heeft het hof op 1 december 2025 per e-mail bericht dat het overeengekomen bedrag door de benadeelde partij is ontvangen. De advocaat van de benadeelde partij heeft om die reden de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ingetrokken.
Het hof heeft alle partijen op voorhand laten weten dat de zaak ter zitting van 29 januari 2026 zal worden behandeld en ter terechtzitting uitspraak zal worden gedaan, waarbij het hof vast zal stellen dat er geen beslissing meer hoeft te worden genomen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij van de [benadeelde] , terwijl geen van de partijen daarvoor hoeft te verschijnen.

Beoordeling

Gelet op het arrest van de Hoge Raad dient het hof in beginsel een beslissing te nemen op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] voor zover daarin een bedrag van € 198.057,- voor vergoeding van gederfd levensonderhoud is begrepen en ook over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde] . Tussen de benadeelde partij en de veroordeelden is echter inmiddels een vaststellingsovereenkomst opgesteld. Het daarin overeengekomen schadebedrag is voldaan, waarop de vordering door de benadeelde partij [benadeelde] is ingetrokken. De vordering van de benadeelde partij is civielrechtelijk afgewikkeld. Daarom zal het hof geen inhoudelijke beslissing meer nemen op de vordering en ook geen schadevergoedingsmaatregel opleggen. Het hof zal verklaren dat de zaak hiermee tot een einde is gekomen.

BESLISSING

Het hof:
Stelt vast dat tussen de veroordeelde en de benadeelde partij een vaststellingsovereenkomst is overeengekomen ter beëindiging van de zaak, dat de voorwaarden voor de overeenkomst zijn nagekomen en dat de vordering van de benadeelde partij is ingetrokken.
Stelt vast dat aan het hof geen beslissing meer voorligt.
Verklaart dat de zaak is geëindigd.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. F.E.J. Goffin en mr. H. de Hek, in aanwezigheid van de griffier mr. D. de Jong en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 29 januari 2026.